Conclusie
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
primairwegens disfunctioneren (art. 7:669 lid 3 sub d BW Pro),
subsidiairop grond van een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3 sub g BW Pro) en
meer subsidiairop basis van de i-grond (art. 7:669 lid 3 sub i BW Pro). [verzoeker] heeft hiertegen verweer gevoerd.
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
klachtonderdeel 1heeft het hof in rov. 5.7 en 5.11-5.12 miskend dat wel degelijk relevant is te beoordelen in welke rechtsbetrekking partijen tot elkaar staan. Nu volgens [verzoeker] sprake is van een arbeidsovereenkomst, had het hof eerst moeten beoordelen of dat inderdaad het geval is. Het vaststellen van die rechtsbetrekking is van belang alvorens een oordeel kan worden gegeven over de (on)bevoegdheid van de civiele rechter. Althans, de aard van de door [verzoeker] gestelde rechtsbetrekking is van bijzonder belang bij het beantwoorden van de vraag of de civiele rechter bevoegd is. Door niet eerst te onderzoeken of sprake is van een arbeidsovereenkomst, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 1022 Rv Pro, in het licht van art. 6 EVRM Pro en de rechtspraak van het EHRM daarover. Bovendien is de beschikking onvoldoende gemotiveerd.
klachtonderdeel 3wordt aangevoerd dat het hof in zijn overwegingen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de werking van art. 1022 Rv Pro, gelezen in verband met art. 6 en Pro 13 EVRM alsmede art. 17 Grondwet Pro, omdat de enkele aanwezigheid van een arbitraal beding in een (arbeids)overeenkomst niet zonder meer kan leiden tot onbevoegdheid van de burgerlijke rechter. Tenminste had door het hof vastgesteld moet worden dat de partij tegen wie het beding is ingeroepen (tevens) ondubbelzinnig afstand van het recht op toegang tot de overheidsrechter heeft gedaan.
klachtonderdeel 4heeft het hof ten onrechte niet (ambtshalve) onderzocht of de keuze voor arbitrage in de (arbeids)overeenkomst tussen partijen - en daarmee afstand van het recht van toegang tot de overheidsrechter - vrijwillig en ondubbelzinnig is gemaakt door [verzoeker] . Daarmee zijn art. 6 en Pro 13 EVRM alsmede art. 17 Grondwet Pro geschonden, althans heeft het hof een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
klachtonderdeel 5heeft het hof ten onrechte niet bij zijn oordeel betrokken dat art. 25 van Pro de AN Rules geen kenbare vorm van afstand van recht tot de overheidsrechter bevat in het kader van een bodemprocedure als de onderhavige.
eersthad moeten worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst, alvorens de geldigheid van het arbitrale beding, althans de geldigheid van het inroepen van het beding, kon worden beoordeeld. Verder wordt in de klachten aan de orde gesteld of het hof (ook) had moeten vaststellen dat [verzoeker] vrijwillig en ondubbelzinnig heeft ingestemd met de arbitrale clausule.
ABN AMRO/ […]uit 2003 besliste de Hoge Raad dat de werkgever een beroep kon doen op een arbitrageclausule in een cao, die was geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomst van de werknemer. [9] In die zaak ging het om de vraag of voor werking van het arbitragebeding vereist is dat de werknemer een uitdrukkelijk daarop gerichte verklaring jegens de werkgever heeft afgelegd, zoals de rechtbank had aangenomen. De Hoge Raad verwierp die opvatting. Volgens de Hoge Raad is het in de cao opgenomen arbitrale beding aan te merken als een geldige overeenkomst tot arbitrage en is er geen wettelijke bepaling die daaraan in de weg staat. Ook is er geen grond om aan te nemen dat, wanneer een werkgever en een niet gebonden werknemer als bedoeld in art. 14 Wet Pro cao, overeenkomen dat een collectieve arbeidsovereenkomst waarin een arbitraal beding voorkomt, op hun arbeidsverhouding van toepassing zal zijn, het arbitrale beding, in afwijking van de algemene bepalingen van boek 4 Rv (waarin arbitrage is geregeld), tussen hen slechts gaat gelden indien de werknemer een uitdrukkelijk daarop gerichte verklaring jegens de werkgever heeft afgelegd.
ABN AMRO/ […]wordt algemeen aangenomen dat arbitrale clausules in een arbeidsovereenkomst (of in een cao) rechtsgeldig zijn en dat daaraan geen bijzondere voorwaarden worden gesteld. [10]
vrijwilligen
ondubbelzinnigwordt gemaakt (“
in a free, lawful and unequivocal manner”). [12] Ook mag de afstand van het recht van toegang tot de overheidsrechter niet in strijd komen met enig zwaarwegend openbaar belang. [13] Verder moet zij vergezeld gaan van bepaalde minimale waarborgen voor de arbitrale procedure. Dat afstand wordt gedaan van het recht op toegang tot de overheidsrechter betekent namelijk niet dat van alle procedurele rechten, zoals het recht op een eerlijke en gelijke behandeling, afstand wordt gedaan. [14]
uitdrukkelijkmoet plaatsvinden. [16] Ondubbelzinnige afstand kan dus ook besloten liggen in handelen of stilzwijgen. Volgens jurisprudentie van het EHRM is geen sprake van ondubbelzinnige afstand als een partij zich niet bewust is geweest van de inbreuk op het recht op toegang tot een onpartijdige rechter. Volgens Meijer wordt terecht aangenomen dat deze jurisprudentie ook geldt voor het ‘alomvattende’ recht op toegang tot de overheidsrechter in het algemeen. Daarbij gaat het erom of een partij zich daarvan bewust
heeft kunnen zijn. Hij kan zich voorstellen dat van professionele partijen wordt verwacht dat zij zich van adequaat juridisch advies laten voorzien, doch dat dit van consumenten niet in alle gevallen in dezelfde mate wordt verlangd. [17]
Mutu en Pechstein/Zwitserlandwas ten tijde van hun publicatie nog niet gewezen) waarin geklaagd werd over een schending van het EVRM in het kader van een vrijwillige arbitrage, het EHRM het EVRM geschonden achtte. [18]
Mutu en Pechstein/Zwitserland. [19] Dit arrest ziet op twee gevoegde zaken over topsporters die aan de orde stelden of de door hen gevoerde arbitrageprocedures voldeden aan de eisen van art. 6 EVRM Pro. Pechstein had
zonderhet ondertekenen van het arbitrale beding niet mogen meedoen aan professionele schaatswedstrijden. Het EHRM overwoog dat, gelet op de gevolgen van weigering van het arbitragebeding voor haar schaatscarrière, niet gezegd kon worden dat Pechstein vrijwillig en ondubbelzinnig had ingestemd met het arbitrale beding. Het EHRM verbond daaraan de consequentie dat de arbitrale procedure moest worden beoordeeld als een gedwongen arbitrage en dus moest worden getoetst aan art. 6 EVRM Pro. Ten aanzien van Mutu was volgens het EHRM geen sprake van een onvrijwillige afstand van recht, omdat het reglement van de FIFA bepaalde dat het aan clubs en spelers is om te bepalen of zij zich naast arbitrage ook tot de overheidsrechter kunnen wenden. Dit betekende volgens het EHRM dat er geen sprake was van gedwongen aanvaarding van arbitrage. Bovendien had Mutu niet aangetoond dat alle Chelsea-spelers verplicht waren het beding te aanvaarden, en ook niet dat andere voetbalclubs hem niet zouden contracteren zonder een arbitraal beding. Het EHRM vond echter dat geen sprake was van ondubbelzinnige acceptatie van het beding, omdat Mutu tijdens de arbitrageprocedure bezwaren had geuit tegen de benoeming van een arbiter die volgens hem partijdig was. Dit maakt volgens het EHRM dat ook in dit geval sprake was van gedwongen arbitrage, waardoor getoetst moet worden aan art. 6 EVRM Pro.
Mutu en Pechsteindat – in de woorden van Jovović en Zwemmer – het EHRM de lat ook voor werknemers zeer hoog legt, wil geen sprake zijn van vrijelijke aanvaarding van het arbitrale beding. Als de werknemer ook had kunnen afzien van indiensttreding om te ontkomen aan het arbitrale beding, kan al niet gezegd worden dat geen sprake is van vrijwillige aanvaarding van het beding. [20]
ABN AMRO/ […]door sommigen betoogd dat voor een geldige arbitrageovereenkomst een uitdrukkelijke daarop gerichte verklaring (van de werknemer) vereist is. [26] In zijn conclusie voor het arrest
ABN AMRO/ […]schreef A-G Huydecoper dat een bijzondere geschillenregeling het de werknemer moeilijker kan maken om de werkgever aan te spreken, en dat “
dat slecht [spoort] met de in het arbeidsrecht in het algemeen naar voren komende bedoeling, de werknemer, als sociaal-economisch kwetsbare en in verhouding tot de werkgever ook veel zwakkere partij, in bescherming te nemen.” [27]
ABN AMRO/ […]volgt dat een arbitrageclausule die in een arbeidsovereenkomst is opgenomen op zichzelf rechtsgeldig is, en dat daaraan geen speciale eisen worden gesteld.
in a free and unequivocal manner.
klachtonderdeel 5wordt verder nog aangevoerd dat het hof de Haviltex-maatstaf heeft miskend, omdat het hof niet heeft beoordeeld of het onderhavige geschil tussen partijen valt onder de werkingssfeer van de arbitrageclausule. Voor die beoordeling was een uitleg van de overeenkomst tussen partijen noodzakelijk, maar het hof heeft die niet gegeven.
all disputes arising…”), maar daarbij ook betrokken of er omstandigheden zijn die nopen tot een andere uitleg, in die zin dat de arbitrageclausule niet geldt in het geval de rechtsverhouding tussen partijen als een arbeidsovereenkomst zou moeten worden gekwalificeerd. Dergelijke omstandigheden heeft [verzoeker] volgens het hof echter niet gesteld. De enkele omstandigheid dat een arbeidsovereenkomst wezenlijk anders is dan een overeenkomst zoals EYAN deze kwalificeert, is volgens het hof ontoereikend (rov. 5.12). Hiermee faalt de rechtsklacht.
5.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
D-Net/Nethaveis af te leiden dat de enkele schending van een contractueel procedeerverbod onvoldoende grondslag is voor toewijzing van een reële proceskostenveroordeling. [36] Wanprestatie levert dus op zichzelf geen misbruik van procesrecht op.
klachten B en Cgaan uit van de aanname dat een volledige proceskostenvergoeding in ieder geval op zijn plaats is wanneer een partij (die geen consument is), ondanks aanwezigheid van een arbitrageovereenkomst, een procedure bij de overheidsrechter is gestart terwijl in een eerdere procedure tussen partijen de arbitrageovereenkomst al geldig is bevonden. Deze situatie is echter niet aan de orde, omdat de geldigheid van het arbitrale beding nog niet eerder in een bodemprocedure is beoordeeld. Daarop stuiten deze klachten af.
klacht Din dat volstaat dat een rechter in kort geding het arbitrale beding geldig heeft bevonden. Die klaagt faalt, omdat een oordeel in kort geding naar zijn aard een voorlopig oordeel is.
klacht Edient uitgangspunt te zijn dat de rechter die zich onbevoegd verklaart wegens een geldig arbitraal beding, desverzocht de verzoeker (die geen consument is) veroordeelt tot vergoeding van de volledige proceskosten, althans voor zover het redelijk was deze kosten te maken, indien de verzoeker in een eerdere procedure tussen partijen heeft verklaard de geldigheid van het arbitraal beding niet te betwisten. [40]
klacht H, is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd, nu het hof met de enkele overweging dat dit de eerste procedure in hoger beroep in een bodemzaak is waarin het beroep op onbevoegdheid van de rechter wegens het bestaan van een overeenkomst tot arbitrage aan de orde is, daarmee niet voldoende heeft gereageerd op de volgende (samengevat weergegeven) essentiële stellingen van EYAN, waaruit volgens EYAN blijkt dat sprake is van misbruik van procesrecht:
onjuistis vanwege de door [verzoeker] genoemde omstandigheden, geldt dat de vraag of sprake is van zodanige, buitengewone omstandigheden waardoor een volledige proceskostenvergoeding gerechtvaardigd is, een feitelijk oordeel inhoudt. Dat kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. De rechtsklacht kan dan ook niet slagen.