ECLI:NL:PHR:2023:1229

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
5 februari 2024
Zaaknummer
21/04540
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 2:3a WftArt. 3 WgtArt. 27 SrArt. 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewoontewitwassen en illegaal geldtransactiekantoor zonder vergunning

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens medeplegen van gewoontewitwassen, medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 2:3a Wft en artikel 3 Wet Pro inzake geldtransactiekantoren (Wgt), meermalen gepleegd. Het hof stelde vast dat verdachte in de periode 2009-2011 grote geldbedragen via een ondergronds bankierssysteem (hawala) overmaakte en wisselde zonder vergunning, waarbij sprake was van een uitgebreide financiële administratie en afgeluisterde telefoongesprekken die zijn betrokkenheid bevestigden.

De advocaat-generaal stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte geen bewijs zag voor de criminele herkomst van alle bedragen en dat getuigenverzoeken ten onrechte werden afgewezen. Het hof oordeelde dat onvoldoende aanwijzingen bestonden dat bedragen ingebracht door de Indiase gemeenschap uit misdrijf afkomstig waren, maar dat de overgedragen bedragen wel vermoedelijk crimineel waren. De verdachte heeft geen overtuigende verklaring gegeven voor de herkomst van het geld.

Het hof wees de meeste getuigenverzoeken af wegens onvoldoende motivering en noodzaak, maar stond het horen van enkele getuigen toe. De Hoge Raad concludeert dat het hof de gevangenisstraf dient te verminderen volgens de gebruikelijke maatstaf, maar verwerpt het beroep voor het overige. Het arrest bevestigt de bewezenverklaring en de kwalificatie van het strafbare feit, met een gedetailleerde bewijsvoering op basis van tapgesprekken, observaties en administratie.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd volgens gebruikelijke maatstaf, overige veroordelingen bevestigd

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04540
Zitting12 december 2023
CONCLUSIE
B .F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. ‘medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken’, 2. ‘medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het Financieel Toezicht, meermalen gepleegd’ en 3. ‘medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3 van Pro de Wet inzake de geldtransactiekantoren, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft daarnaast negentien voorwerpen verbeurd verklaard, de onttrekking aan het verkeer bevolen van twee voorwerpen en de teruggave aan de verdachte gelast van twaalf voorwerpen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/04541, 21/04544, 21/04426 en 21/04476. In de eerste drie zaken zal ik vandaag ook concluderen. In de zaak 21/04476 is op 7 november 2023 arrest gewezen door Uw Raad.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P .M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft zeven middelen van cassatie voorgesteld.
De eerste vijf middelen betreffen de afwijzing van getuigenverzoeken. Het zesde middel betreft de bewijsvoering van gewoontewitwassen. Het zevende middel bevat de klacht dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en delen van de bewijsvoering weer. Voorts geef ik het procesverloop met betrekking tot de getuigenverzoeken, een deel van de pleitnota van de raadsman van de verdachte en de in het bestreden arrest opgenomen afwijzende beslissingen van het hof op de getuigenverzoeken weer.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘1.
hij, in de periode van 08 december 2009 tot en met 14 juni 2011, in Nederland en/of in India en/of in Frankrijk en/of in België, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen (een) (grote) geldbedrag(en)
overgedragen
- (door) een geldbedrag van EUR 112.400 over te dragen (zaaksdossier Yampa) en/of
- (door) een geldbedrag van (vermoedelijk) EUR 125.000 over te dragen en/of
- (door) een geldbedrag van EUR 25.000, over te dragen via [betrokkene 9] en [betrokkene 10] aan uiteindelijk [betrokkene 11] (Zaaksdossier Terriër) en/of
- (door) in of omstreeks de periode van 28 april 2011 tot en met 9 mei 2011 een geldbedrag van ongeveer EUR 77.500,-- over te dragen via en/of aan [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of
voorhanden gehad
- (door) (meermalen) grote geldbedrag(en) vanuit Frankrijk en/of België op te (laten) halen en te (laten) overbrengen naar Nederland,
terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) ten aanzien van die/dat (grote) geldbedragen wist(en), dat die onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode 08 december 2009 tot en met 14 juni 2011, in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht, immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten behoeve van en/of op verzoek van één of meer ander(en) (één of meer (contante) geldtransfer(s) uitgevoerd, te weten
- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EUR 112.400,00 (Zaaksdossier Yampa), en/of
- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EUR 25.000,00 (Zaaksdossier Terriër), en/of
- een geldbedrag van (vermoedelijk) EUR 125.000,00
- een of meer (onbekend gebleven) geldbedragen;
3.
hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode 08 december 2009 tot en met 14 juni 2011, te Amsterdam
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam is geweest, immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) beroepsmatig en/of bedrijfsmatig ten behoeve één of meer (onbekend gebleven) ander(en) één of meer (contante) geldtransactie(s) uitgevoerd, te weten
- (meermalen) (grote) geldbedragen in kleine coupures ingewisseld, (bij [betrokkene 14] ) en vervolgens het equivalent in grote coupures ontvangen.’
6. De bijlage bij het bestreden arrest houdt – voor zover van belang voor de beoordeling van de middelen – het volgende in (met weglating van een deel van de verwijzingen):

Ten aanzien van alle feiten
Het hof neemt uit het vernietigde vonnis over de inhoud van de onder 1 en 2 in dat vonnis vermelde bewijsmiddelen zoals vermeld op pagina 25 tot en met 29.
Ten aanzien van feit 1 en 2
(…)
Overdracht € 125.000,- op 3 februari 2011
Het hof neemt uit het vernietigde vonnis over de inhoud van de onder 1 tot en met 3 in dat vonnis vermelde bewijsmiddelen zoals vermeld op pagina 37 en 38.
Daarnaast neemt het hof in aanvulling op deze genoemde bewijsmiddelen op:
d.
Het proces-verbaal identificatie, (…) van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, inhoudende als relaas van verbalisant KL005641:
[verdachte] heeft contact met een man die zich [bijnaam 1] noemt. Zij hebben dagelijks telefonisch contact. Uit deze onderlinge gesprekken en stemherkenning blijkt dat [bijnaam 1] gebruik maakt van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] bleek afgegeven te zijn voor de volgende persoon:
[medeverdachte] , [a-straat 1] te [plaats] .
Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] bleek een prepaid telefoon te zijn.
Op het adres [a-straat 1] te [plaats] staat ingeschreven:
[medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats ] .
e.
Een geschrift, te weten een uittreksel kamer van koophandel, voor zover inhoudende (…) – zakelijk weergegeven:
Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel.
Onderneming:
Handelsna(a)m(en) : [C]
Rechtsvorm : Eenmanszaak
Adres : [b-straat 2] , [plaats]
De onderneming wordt gedreven voor rekening van:
Naam : [medeverdachte]
Herstel van een fout
De tekst op p . 8 van het vonnis luidende: "Ook de verdachte gaat hierna [C] binnen. Enige tijd later wordt gezien dat de verdachte, samen met een NN man uit [C] komt. De NN man zal later worden geïdentificeerd als [betrokkene 2] .” vervalt en dient te worden vervangen door de volgende tekst:
"Ook de verdachte gaat [C] binnen. Enige tijd later wordt gezien dat de verdachte [C] verlaat
en even later [medeverdachte], samen met een NN man uit [C] komt."
(…)
Geldtransporten vanuit Frankrijk en/of België
Het hof neemt uit het vernietigde vonnis over de inhoud van het onder 1 in dat vonnis vermelde bewijsmiddel zoals vermeld op pagina 51 en 52.
(…)
Zaaksdossier 8 en transport 1
1.
Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 29-830550 (…), van Korps Landelijke Politiediensten, inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant 3] :
Ik, verbalisant, [verbalisant 3] , inspecteur van politie, als dossiervormer werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, team 4 verklaar het volgende:
Uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken binnen het onderzoek Yox kwam naar voren dat [verdachte] veelvuldig contact had met een man die “ [betrokkene 15] ” werd genoemd.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen vermeend geldtransport 1, met nummer 29-852887 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
In het kader van het onderzoek YOX hebben er op 14 juni 2011 diverse doorzoekingen plaatsgevonden. Hierbij werden op verschillende lokaties delen van een hawala administratie aangetroffen. Deze hawala administratie is middels de overeenkomst met de inhoud en strekking van diverse opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken terug te voeren op verdachte [verdachte] .
Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte [medeverdachte] ( [medeverdachte] ) in de periode tussen 21-11-2010 en 28-11-2010 een bedrag van ongeveer 200.000 heeft ontvangen.
Ten aanzien van [betrokkene 15] / [betrokkene 15] , wordt opgemerkt dat deze voorkomt in de administratie van de verdachte [verdachte] en dat op zijn naam in de periode gelegen tussen 14-11-2010 en 28-11-2010 de navolgende mutaties zijn gesteld. Uit deze mutaties kan worden afgeleid dat er na 14-11-2010 maar voor 28-11-2010 2 maal een bedrag van 150.000 euro is ontvangen.
3.
Een geschrift, te weten tapgesprekgegevens, voor zover inhoudende (…) – zakelijk weergegeven –:
Gesprek 25 november 2010 omstreeks 11:09:03 uur
Getapt nummer [telefoonnummer 5] igb [verdachte]
Tegennummer [telefoonnummer 6] tnv [medeverdachte] , [d-straat 1] [plaats]
[verdachte] ( [verdachte] ) bun NNman [telefoonnummer 6] Ze vragen hoe het met elkaar gaat. [verdachte] : ik heb die hele berekening gekeken, ik heb het gevonden enz. Eerder had ik geen tijd, gisteren heb ik het gekeken. N: ja. [verdachte] : wat ik heb geschreven, ik komt hetzelfde uit. N: nee, ik kom wel, waar bent u? [verdachte] : u kunt kijken, waar u wil, ik kan ook, als u deze naar deze kant wil komen en dan mag u komen bij de benzinepomp. N: welke? [verdachte] : In [plaats] is een benzinepomp. N: mmm, ja daar, waar ik eerder een keer ben geweest. [verdachte] : ja, als u vrij bent en dan mag u daar komen en anders zullen we later elkaar zien. N: nee, ik ben vrij, het is geen probleem. [verdachte] : en u moet het meenemen want u hebt genoteerd. N: ja ja, ik bel u wanneer ik daar ben. [verdachte] : ja, bel maar wanneer u hierheen bent, is goed. N: ja, wanneer ik daar ben,. [verdachte] : is goed goed. E.G .
4.
Een geschrift, te weten tapgesprekgegevens, voor zover inhoudende (…) – zakelijk weergegeven –:
Gesprek van 25 november 2010 omstreeks 15:53:47 uur
[verdachte] ( [verdachte] ) bun NNman [telefoonnummer 6] N: hallo [verdachte] : ja N; ja ja, zegt u maar [verdachte] : hoe gaat het? N: goed. [verdachte] : ik wilde vragen, bent u vandaag plan om te gaan? N: ja ja, ik wil het nummer nu van u hebben. Geef maar het nummer aan me door. [verdachte] : eeeh ooo N: Of u mag het naar me smsen. [verdachte] : ja, ik ga het smsen. Als je van plan bent om te gaan en dan moet ik aan de voorkant doorgeven. Want die andere gaat ook en dan moet ik het voor de twee doorgeven N: ja, het is geen probleem. [verdachte] : ik bedoel, is het zeker, zal ik aan hun doorgeven. N: ja ja. [verdachte] ; ik stuur alles naar u, de naam van de winkel en het nummer. N: is goed, oke. [verdachte] : oke. E.G .
5.
Een geschrift, te weten tapgesprekgegevens, voor zover inhoudende (…) – zakelijk weergegeven –:
[verdachte] ( [verdachte] ) wgd NNman [telefoonnummer 6] [verdachte] : ja N: hallo [verdachte] : ja N: ja, hoe kom ik het adres te weten? [verdachte] : hebt u het telefoonnummer ontvangen? N: ja. [verdachte] : u kunt even hem bellen. N: van wie is het nummer? [verdachte] : het is zijn nummer, bij wie je moet gaan. N: ja ja, nee, ik heb een ander nummer ontvangen, het is van een andere telefoon gedaan/verzonden. [verdachte] : ja, dat is, dat is ook mijn nummer. Ik heb met dit gebeld om te praten. N: ja ja, is goed dan. [verdachte] : U mag op 'dat nummer’ bellen. Dat mag u bewaren, dat is het nummer. Dat is mijn nummer. N: is goed dan. Zodra ik daar zal zijn, ik bedoel, waar is het? Is het in de eerste markt? [verdachte] : ik, ik bel u zo. De verbinding is verbroken.
Het hof neemt voorts uit het vernietigde vonnis over de inhoud van de onder 5 tot en met 10 in dat vonnis vermelde bewijsmiddelen zoals vermeld op pagina 66 tot en met 68.
In aanvulling op het voorgaande ten aanzien van feit 2
(…)
Het hof neemt voorts uit het vernietigde vonnis over:
- de inhoud van de in dat vonnis vermelde bewijsmiddelen 1 tot en met 12 met betrekking tot zaaksdossier 7 zoals vermeld op pagina 68 tot en met 73,
- de bewijsmiddelen 1 tot en met 8 met betrekking tot zaaksdossier 9 zoals vermeld op pagina 73 tot en met 77 en
- de bewijsmiddelen 1 tot en met 5 met betrekking tot zaaksdossier 10 zoals vermeld op pagina 77 tot en met 79.
(…)
In aanvulling op het arrest overweegt het hof nog het volgende:
- Ten aanzien van (de afgewezen getuige) [betrokkene 16] geldt dat de tapgesprekken zijn te vinden in ZD-07 (map 19) in de bijlage op de pagina's 74, 75 t/m 80, 82, 84 t/m 87.
- In het proces-verbaal ter zake ondergronds bankieren (Hawala bankieren) zaaksdossier 07 d.d. 29 oktober 2011 bevatten de pagina's 13 t/m 57 (de zakelijke weergave van) een groot aantal relevante tapgesprekken, waaruit overduidelijk naar voren komt dat de verdachte zelf zich op grote schaal bezig houdt met hawala bankieren en dat de ‘overmakers van geld’ dat moeten brengen naar zijn winkel in [plaats] ( [D] , p . 17) en dat [betrokkene 3] ( [betrokkene 17] ) daar de hoofdpersoon van de verdachte is ( p . 18). Op p . 43, 47 en 49 komt [betrokkene 17] zelf als deelnemer aan gesprekken naar voren. Op p . 51 komt [betrokkene 18] als gespreksdeelnemer naar voren.
- Op p . 54 en 55 van de bijlagen van ZD 07, wordt de verdachte ( [verdachte] ) op 29 maart 2011 op zijn eigen telefoonnummer [telefoonnummer 7] twee maal gebeld door een man, vanaf telefoonnummer [telefoonnummer 8] (= nummer van [betrokkene 19] ). Op p . 54 vertelt de man dat hij iets voor India wil laten regelen. De verdachte zegt dat de koers 16/20 is. De man zegt dat hij het naar 'jullie' winkel zal brengen en aan [betrokkene 3] af zal geven, 's Avonds zegt de man in een gesprek met de verdachte dat hij zo juist daar binnen is geweest en het geld aan [betrokkene 3] heeft gegeven en dat hij alle gegevens aan [betrokkene 3] heeft doorgegeven.
- In ZD 07, op p . 15 en 16, respectievelijk op 11 december en 12 december 2010, wordt de verdachte ( [verdachte] + op zijn eigen telefoonnummer) gebeld door ene [betrokkene 20] , die eerst de koers vraagt, daarmee akkoord is, en vervolgens naam, telefoonnummer en dorp van de ontvangster doorgeeft en zegt dat hij het geld de volgende dag naar de winkel brengt, en vervolgens de volgende dag belt dat hij het geld heeft afgegeven en dat verdachte met [betrokkene 3] kan praten, waarop vervolgens [betrokkene 3] aan de lijn komt.
- In zaaksdossier 9, map 21, proces-verbaalnummer 29-803050 zijn op p . 82 en 83 als bijlage tapgesprekken opgenomen tussen de verdachte en (de afgewezen getuige) [betrokkene 21] .
De inhoud van de (door de afgewezen getuigen afgelegde en) voor het bewijs gebruikte verklaringen vindt in zeer hoge mate, zo niet volledig, ondersteuning en bevestiging in deze en in soortgelijke tapgesprekken.
Ten aanzien van feit 3
1.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 29-780362 (…) van Korps landelijke politiediensten, inhoudende als de op 16 juni 2011 afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte] :
V: Maar de mensen kennen u, wel de mensen die van uw diensten gebruik willen maken. Mensen uit België, Almere, Amsterdam. Is dat uit Zwitserland nog doorgegaan?
A: Jullie weten alles, heel veel weten jullie.
V: Wat wij nog niet weten wat dat geldbedrag bij u thuis doet.
A: Ik weet het niet.
V: Wat zegt u van [betrokkene 22] .
A: Ken ik niet.
V: [betrokkene 22] de juwelier.
A: O die.
V: Toch komt u altijd bij hem wisselen dat heeft hij zelf verklaard.
A: Dat is mogelijk.
Het hof neemt voorts uit het vernietigde vonnis over de inhoud van de onder 1 tot en met 4 in dat vonnis vermelde bewijsmiddelen zoals vermeld op pagina 79 tot en met 81.
Daarbij past het hof bewijsmiddel 3 op p . 80 als volgt aan: In plaats van
“rechtbank: opgenomen onder bewijsmiddel 4":
“hof: opgenomen onder bewijsmiddel 2")’
7. De in het (vernietigde) vonnis van de rechtbank opgenomen bewijsmiddelen waarvan de inhoud door het hof is overgenomen, houden onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen):

Ten aanzien van alle feiten
1.
Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 29-780629, (…) d.d. 16 juni 2011, van het Korps Landelijke Politiediensten, inhoudende als
relaas van de verbalisant KL5730:
Ik, verbalisant, KL5730, brigadier van politie, als senior tactisch rechercheur werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche verklaar het volgende:
In opdracht van de teamleider heb ik, verbalisant, een digitaal fotoserie samengesteld, welke, bestaat uit opgevraagde pasfoto's en observatiefoto’s. Deze foto's zijn gebruikt tijdens de verhoren van de verdachten ten einde de juiste personen te kunnen identificeren en een duidelijkheid te kunnen creëren over de situatie, alwaar de verdachte over verklaart.
Indeling:
Fotonummer Personalia
1 [verdachte] , [geboortedatum] .1964
(…)
Foto 1:
(BFK: Foto)
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2011, nummer 29-856848, (...), van het Korps Landelijke Politiediensten, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Ik, KL006373, inspecteur van politie, werkzaam als professional thematische recherche bij het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, verklaar het volgende. !n het onderzoek YOX, gericht op de werkzaamheden van de verdachte [verdachte] als ondergronds bankier, en het vermoeden dat hij zich daarbij schuldig maakte aan het witwassen van geld, werden op 14 juni 2011 diverse doorzoekingen verricht.
Tijdens deze doorzoekingen werden, naast grote hoeveelheden aan contant geld, ook op verschillende, op aan [verdachte] te relateren locaties, delen van een zogenaamde hawala administratie inbeslaggenomen, die kennelijk betrekking had op de werkzaamheden van de verdachte [verdachte] als ondergronds bankier.
Inbeslaggenomen administratie [e-straat 1]
In perceel [e-straat 1] te [plaats] , een woning die in eigendom toebehoort aan de verdachte [verdachte] , werden 4 gelinieerde schrijfblokken aangetroffen welke in beslag werden genomen onder nummer [naam 1] .05.01.001.
Deze 4 afzonderlijke notitieblokken zijn door mij verbalisant afzonderlijk doorgenummerd en worden als volgt aangeduid.
[naam 1] 05.01.001 A
Een gelinieerd kladblok, A4 formaat, groen/blauwe kaft met het opschrift A4, merk Home Office.
[naam 1] 05.01.001 B
Een gelinieerd kladblok, A4 formaat, donkerblauwe kaft, opschrift "Office Book Oxford"
[naam 1] 05.01.001 C
Een gelinieerd kladblok, A4 formaat, lichtblauwe kaft, opschrift "Cursief collegeblok 80 vel".
[naam 1] 05.01.001 D
Een gelinieerd kladblok, A4 formaat, lichtgroene transparante plastic kaft, opschrift "SOHO school office home".
Inbeslaggenomen administratie [f-straat 1]
In perceel [f-straat 1] te [plaats] , een bedrijfsruimte welke door de verdachte [verdachte] werd gebruikt, werd één gelinieerd schrijfblok aangetroffen welke in beslag werd genomen onder nummer [naam 2] .24.1.1
[naam 2] .24.1.1. origineel
Een gelinieerd kladblok, A4 formaat, groen/paarse kaft met het opschrift A4 merk Home Office (soortgelijk aan [naam 1] 05.01.001.A)
Inbeslaggenomen administratie van [g-straat 1] [plaats]
In perceel [g-straat 1] te [plaats] , het woonadres van de verdachte [verdachte] , werd 1 gelinieerd schrijfblok aangetroffen welke in beslag werd genomen onder nummer [naam 3] .A.2.2.
[naam 3] .A.2.2.
Een gelinieerd kladblok, A4 formaat, donkergroene transparante plastic kaft, opschrift "SOHO school office home" (soortgelijk aan [naam 1] 05.01.001 D), blijkens opschrift over de periode gelegen tussen 13-02-2011 t/m 12-06-2011.
Voorts werden in perceel [g-straat 1] te [plaats] twee enveloppen aangetroffen met daarin uitgescheurde bladzijden van een notitieblok met daarop gelijksoortige administratie.
Aangetroffen periode
Voornoemde administratie, aangetroffen over drie verschillende locaties, strekt zich globaal, uit over een periode welke is gelegen tussen september 2005 tot en met 12 juni 2011 (2 dagen voor de aanhouding van de verdachte [verdachte] ).
Door mij verbalisant werd voornoemde administratie onderzocht en geanalyseerd met name over de onderzoeksperiode van 3 november 2010 t/m 14 juni 2011.
In het algemeen kan worden gesteld dat de opsteller van de administratie in ieder geval kennelijk de navolgende mutaties in de administratie had opgenomen.
1. rekeningen courant ten aanzien van verschillende personen.
2. weekoverzichten waarin op een bepaalde datum het actuele courant per persoon werden opgenomen.
3. een overzicht van in Nederland ingelegde geldbedragen in die kennelijk dienden voor latere uitbetaling in roepies in India.
4. een overzicht van uitbetaalde geldbedragen in India met daarbij kennelijk een vermelding welke bankier in India die betaling heeft verricht.
Door mij is getracht om binnen deze administratie te zoeken naar een referentie van daarin opgenomen mutaties met telefoongesprekken in het onderzoek telecommunicatie.
Hierbij zijn door mij de weekoverzichten onder elkaar op datum gerangschikt waarbij door mij werd uitgegaan van de datum vermeld aan de bovenzijde van de aangetroffen weekoverzichten. Hieruit kon worden afgeleid dat de mutaties per week door de verdachte [verdachte] op naam waren gerangschikt waarbij kennelijk mutaties hadden plaatsgevonden in de wekelijks vermelde bedragen.
Ad 1.
Tijdens het onderzoek telecommunicatie, dat ten aanzien van de verdachte [verdachte] is verricht, is het vermoeden ontstaan dat hij voor het ondergronds bankieren gebruik maakte van een netwerk van personen, in binnen- en buitenland, die voor of namens hem geldbedragen in ontvangst namen, bewaarden en later in opdracht van de verdachte [verdachte] aan derden overdroegen.
Dit is één van de kenmerken van ondergronds bankieren en het spreekt haast voor zich dat daarvan nauwgezet mutaties moeten worden bijgehouden. De rekeningen courant die in deze administratie werden aangetroffen moeten dan ook in die context worden gezien. Dit betroffen doorlopende staten, per persoon, waarin tal van creditmutaties en debetmutaties waren opgenomen. Deze staten waren opgenomen in de verschillende aangetroffen delen van de administratie maar konden eenvoudig weg op naam worden gesorteerd en daarna op basis van corresponderende eindbalans en beginbalans als één doorlopend geheel aan elkaar worden geplakt.
Ad 2.
Door de verdachte werden per week weekoverzichten vervaardigd waarbij elk weekoverzicht werd voorzien van een aanduiding van dag en maand.
Door deze over de verschillende delen verspreide weekoverzichten op volgorde te leggen ontstond één doorlopend en kennelijk aansluitend geheel van weekoverzichten.
Ad 3.
Voorts bleek dat in de kolom links boven op de weekoverzichten kennelijk steeds vermelding werd gemaakt van bedragen die personen in Nederland in euro's hadden ingebracht en die door de verdachte [verdachte] in India in Indiase roepies moesten worden uitbetaald. Dit was af te leiden aan de hand van de inhoud en strekking van de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken. De namen en bedragen en telefoonnummers van opdrachtgevers kwamen steeds overeen met de mutaties opgenomen in dit gedeelte van de administratie.
De wekelijkse som van deze bedragen werd vervolgens, onder vermelding van de aanduiding Gahak (klanten) opgenomen in de rekening van bezit, steeds voorkomend op de rechterzijde van de weekoverzichten.
Herleiden naar exacte datum
Sommige mutaties, opgenomen in de rekeningen courant, en sommige mutaties opgenomen in de weekoverzichten waren voorzien van een exacte datum aanduiding waardoor een meer exact beeld werd verkregen van de daaraan voorafgaande en daarop volgende mutaties waar geen exacte dag en datum aanduiding stond vermeld. In het algemeen kan worden gesteld dat de op verschillende adressen aangetroffen delen van administratie op eenvormige wijze bleken ingericht. De verschillende delen van deze administratie bleken allemaal te zijn handgeschreven en hierbij lijkt het dat het handschrift in deze verschillende aangetroffen delen steeds met elkaar overeen komt. Gelet op deze overeenkomsten kan worden gesteld dat deze op verschillende adressen aangetroffen administratie kennelijk een geheel vormt over een periode van meerdere jaren
(september 2005 tot en met 12 juni 2011).
Meer in het bijzonder kan worden gesteld dat er tal van overeenkomsten zijn aan te geven tussen de namen, bedragen, data en telefoonnummers voorkomend in de opgenomen mutaties van deze administratie enerzijds en de namen, bedragen, data en telefoonnummers genoemd en/of gebruikt in de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken anderzijds, waaraan de verdachte [verdachte] heeft deelgenomen. Op basis van deze overeenkomsten kan worden gesteld dat deze administratie kennelijk door de verdachte [verdachte] is ingericht en is bijgehouden.
Ten aanzien van feit 1
(…)
Overdracht € 125.000 op 3 februari 2011
1.
Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -
Telefoongesprek van 3 februari 2011 om 11.39 uur.
[verdachte] 4615 ( [verdachte] ) wordt gebeld door [medeverdachte] (= [bijnaam 1] ) ( [bijnaam 1] ) [telefoonnummer 2]
[verdachte] : ja? [bijnaam 1] : Broer! U praat niet... Waar een keertje mij had gebracht, daar ontmoeten toch? [verdachte] : Is het niet mogelijk, dat u zelf naar de mensen van Ossenwagen gaat en daar ontmoeten. [bijnaam 1] : Het is goed, [verdachte] : Ja toch? [bijnaam 1] : Het is goed. [verdachte] : Wij kunnen ook achter(kant) van u komen.... Uw werk. [bijnaam 1] : Oke. Komt u maar op mijn werk. [verdachte] : Achter kant... wanneer ik daar ben, zal ik bellen. [bijnaam 1] : Het is goed.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, (…) van Korps landelijke politiediensten politie, inhoudende als relaas van de verbalisanten KL008547, KL006373, KL006312, KL005637 en KL005730 of één van hen:
Observeren 3 februari 2011
Wij, verbalisanten, KL008547, KL006373, KL006312, KL005637 en KL005730, opsporingsambtenaar,
als bedoeld in artikel 141, onder b , van het Wetboek van Strafvordering, gelet op artikel 3, eerste lid onder a, van de Politiewet 1993, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, verklaren het volgende:
In het kader van het opsporingsonderzoek met codenaam YOX, is ons een informatieset verstrekt, waarin alle beschikbare relevante gegevens, zoals foto's, contacten, contactadressen, voertuigen en dergelijke, zijn opgenomen.
In opdracht van de teamleider van het onderzoeksteam 4 van de Dienst Nationale Recherche hebben wij, in het kader van het opsporingsonderzoek Yox, ter uitvoering van het bevel ex artikel 126g/ 126o van het Wetboek van Strafvordering, afgegeven door de officier van justitie mr. Bos te Rotterdam met het parketnummer 10/960231-10, navolgende waarnemingen gedaan en/of het volgende ondernomen:
12.49 uur
Een zwarte Saab [kenteken 1] , stopt kort naast de grijze Kia Sorento en rijdt vervolgens door.
12.50 uur
De grijze Kia Sorento, [kenteken 2] , rijdt weg in de richting van de [b-straat ] , achter de Saab aan.
12.51 uur
De grijze Kia Sorento parkeert in de van [h-straat] nabij de [b-straat ] . [medeverdachte] komt aan lopen en heeft contact met [verdachte] die als passagier in de Kia Sorento zit.
12.52 uur
[medeverdachte] loopt met een zwarte plastic tas met het opschrift “Pour Vous”. Richting de winkel [C] .
12.55 uur
[medeverdachte] gaat de winkel [C] binnen. [verdachte] loopt richting [C] en gaat ook naar binnen.
13.03 uur
[verdachte] verlaat [C] en loopt richting de Kia Sorento. De Kia Sorento, met daarin twee personen, rijdt weg.
13.11 uur
Een man met een rood jack verlaat [C] . Hij draagt een zwarte schoudertas. Hij is samen met [medeverdachte] die eveneens een zwarte schoudertas draagt. Beide mannen lopen naar eerder genoemde Saab [kenteken 1] .
13.12 uur
De man met het rode jack stopt de schoudertas in de kofferruimte van de Saab en stapt in aan de bestuurderszijde. [medeverdachte] stapt in als passagier. De zwarte Saab rijdt vervolgens weg richting Arubastraat.
13.17 uur
De zwarte Saab [kenteken 1] parkeert op de [c-staat] ter hoogte van de winkel Palestra.
13.18 uur
[medeverdachte] en de man met het rode jack stappen uit de zwarte Saab en lopen naar het adres [c-staat 1] te [plaats] . Beide mannen gaan naar binnen. [medeverdachte] draagt een zwarte schoudertas.
3.
Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven - :
Telefoongesprek van 3 februari 2011 om 15.35 uur.
[verdachte] 4615 ( [verdachte] ) wordt gebeld door NN (A) [telefoonnummer 9]
[verdachte] : Ja? A: Ja [verdachte] : Hoe gaat het? A: Vanochtend heb ik iets niet in order gevonden. [verdachte] : Hoezo? A: Ik had 95900 en nog iets bij mij liggen. [verdachte] : Ja A: ik heb nog 30 meegenomen. [verdachte] : ja A: dat wordt 125. [verdachte] : ja A: ik heb 28 later gegeven [verdachte] : wil je dat nog een keer vertellen? A; ik had 95900 en ik heb 30 in mijn zak meegenomen. Dat wordt 125. [verdachte] : ja, 125. A: 28 heeft hij weer gegeven. [verdachte] : nee, er was geen 125. Als 125 was dat had ik toch dat meegenomen? Ik had 125 nodig. A: zegt dat [verdachte] misschien aan iemand teveel heeft gegeven. [verdachte] zegt dat het niet zo is. Hij zegt dat hij iemand 125 had gebracht maar die persoon zei dat er 1000 te weinig was, [verdachte] was teruggegaan en aan die persoon 1000 gegeven. A zegt dat hij een pakje van 20 mist. Uiteindelijk zegt A dat hij dat pakje in de zaak zou vergeten zijn.
(…)
Zaaksdossier 8
(…)
5.
Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek op 25 november 2010 om 15.54 uur.
[verdachte] [telefoonnummer 7] ( [verdachte] ) bun NNman 2263 (N).
N: ja [verdachte] : ja, hoe laat openen ze? N: ze zullen rond 10 uur openen [verdachte] : om 10 uur? N: ja [verdachte] : is goed dan, bel maar met hem/hen. Volgens mij zullen die 2 mannen daar naartoe gaan. N: ja [verdachte] : u mag tegen hem/hen zeggen, ze moeten ongeveer drie dabba's (=dozen) geven dan. N: het is goed dan, alles, ze zullen 3 geven. Ik ga het aan hem/hen doorgeven. [verdachte] : ja, je moet het aan hem /hen doorgeven dat de twee mannen bij je/jullie zullen komen. N: is goed dan, in de tijd moet u hierheen komen. Denk ik, we zullen van hier vandaan bellen dan wanneer die jongen daar zullen zijn. [verdachte] : misschien kan ik om tien uur niet komen. En ik zal gewoon uw nummer, het is wel nodig naar een man te bellen en voor de andere niet. Die ene weet er alles van. N: is goed dan, we kunnen gewoon praten, als je erbij bent. [verdachte] : het is mogelijk dat die een man daar [betrokkene 23] kan ontmoeten. Hij is speciaal iemand van hier van ons. N: ja [verdachte] : en hij is nog een, ik zal hem jou nummer geven, hij kan daar vandaan met je laten bellen. N: het is goed dan. [verdachte] : ik zal aan die jongen jou nummer geven. Hij zal met u laten bellen. N: is goed dan [verdachte] : oke, geef maar wel eigenlijk voor de 3 dozen. N: het is goed dan. [verdachte] : oke is goed. N: oke.
6.
Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek op 26 november 2011 om 08.25 uur.
[betrokkene 24] 8602( [verdachte] ) bun NNman [telefoonnummer 22] (NN).
NN: is BHA-djie (=broer) niet thuis? [verdachte] : nee, hij is niet thuis. Zegt u het maar. NN: vriend, jullie hebben die ..ntv.. gestuurd, dat is verkeerd. [verdachte] : is het fout. NN: ja, de post code is van 5 letters/cijfers en jullie hebben 6 letter gestuurd. [verdachte] : ja, waar bent u nu? NN: ik ben nog buiten Frankrijk. Ik wilde het in de TomTom invoeren, maar de post code is van 5 letters en jullie hebben 6 letter gestuurd. En of de naam van de straat is ook verkeerd gespeld. [verdachte] : is goed dan, u mag het zo doen. In 5 minuten thuis en dan ga u alles juist sturen. [betrokkene 25] (fon) gaat u het nummer van iemand doorgeven en dan mag u rechtstreeks met die persoon praten. Is het goed? NN: nee, ik heb het nummer wel maar die is na 9 uur open. [verdachte] : nee, niet van die persoon, van iemand anders, van een Punjabi, die is ook daar naartoe gegaan. Die gaat u het uitleggen, oke? NN: goed goed, het is goed dan. Je mag tegen hem zeggen dat hij de juiste postcode en de straat naam door moet geven. [verdachte] : ja, oke, ik doe het wel. NN: oke. E.G .
7.
Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek op 26 november 2011 om 08.26 uur
[verdachte] [telefoonnummer 7] ( [verdachte] ) bun NNman [telefoonnummer 22] (M).
M: Het adres dat u hebt gestuurd is een verkeerd adres. [verdachte] : Dat kunt u aan hen, telefonisch vragen. M: Wie? [verdachte] : Van wie het adres is. M: Die zullen na negen uur open zijn. [verdachte] : Negen uur is al geweest....nee, het is nu half negen. M: De postcode die u hebt gestuurd bestaat uit zes tekens. [verdachte] : Ja. M: Maar in Frankrijk gebruiken zij de postcode’s die uit vijf tekens bestaan. [verdachte] : Oke, ik zal dat aan die persoon vragen en ik laat je dat weten. M: Er is ook een spelfout in de naam van de straat. [verdachte] : De ‘U‘ aan het einde.... M: Nee, er is geen ‘U‘, denk ik. [verdachte] : Jawel, In plaats van ‘U‘ zal een andere letter zijn. Herhaling gesprek dat in plaats van 'U' een andere letter kan zijn. M: Ik denk dat er een nul(0) in de postcode is en niet twee nullen. [verdachte] : Dat zal ik nu aan hem vragen. M: Daarna moet je mij ook vertellen. [verdachte] : Oke. E.G .
8.
Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven - :
Telefoongesprek op 26 november 2010 om 08.28 uur
[verdachte] [telefoonnummer 7] ( [verdachte] ) bun NNman 2263 (M).
[verdachte] : U hebt mij een adres gegeven. Er is een spelfout in het adres. De postcode bestaat ook uit vijf tekens/cijfers en niet zes tekens/cijfers. M: Straks wil ik naar de winkel gaan en dan zal ik u dat opnieuw doorgeven. [verdachte] : Hoe laat wil je naar de winkel gaan? M: Over een half uur, ik zal omstreeks negen uur op mijn winkel zijn. [verdachte] vraagt M, iets eerder naar zijn winkel te gaan. [verdachte] : Hij heeft mij 750011 doorgegeven. M: Ja. [verdachte] : Hij zei dat die niet zes cijferige is. M: Ik denk dat hij een nul weg moet halen. [verdachte] : Het is goed. Einde gesprek
9.
Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek op 26 november 2010 om 09.47 uur.
[verdachte] [telefoonnummer 7] ( [verdachte] ) bun NNman [telefoonnummer 22] (M).
M: Ja broer? [verdachte] : Ben je daar aangekomen? M: Ja en ik hem hem laten bellen. [verdachte] : Hij heeft mij net gebeld en zei dat ik moet informeren. M: Hij vroeg, 'Hoeveel?' Ik zei, 'Kun je 1,5 doen?' En de rest...wanneer hij wil geven...Daarover zal ik hem morgen vragen. [verdachte] : Zeg hem...zaterdag en zondag. M: Oke, daarover zal ik hem vragen. Hij is zelf hier niet aanwezig. Een meisje is hier. [verdachte] : Ja. M: Er was een nul(0) teveel in de postcode. [verdachte] : Ja, ja. Het is goed. M: De straatnaam had u ook verkeerd geschreven. [verdachte] : Aan het einde moet 'EE' zijn en niet ‘U‘ M: Nee, het is: [straatnaam] [verdachte] herhaalt de straatnaam. [verdachte] : Oke. E.G .
10.
Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek op 26 november 2010 om 14.05 uur.
[verdachte] [telefoonnummer 7] ( [verdachte] ) bun NNman [telefoonnummer 22] (M).
M: Groeten broer. [verdachte] : Hoe gaat het? M: Heel goed. [verdachte] : Waar ben je nu? M: Ik ben net de grens overgestoken. [verdachte] : Hun grens of ons? M: Hun grens. [verdachte] : Dan heb je de helft van de weg al afgelegd. M: Ja...Ik heb in totaal twee(2) met een nuI(0). [verdachte] : Oh ja? Twee(2) met een nul(0) of twee nuIlen(00)? M: Een nul(0) Beiden lachen. [verdachte] : Dan zullen zij vandaag blij zijn.... [betrokkene 26] en de andere persoon. M: Ik heb tegen hem/haar gezegd dat ik zondag opnieuw terug zal komen. [verdachte] : Het is goed. M: Zij zei dat zij van haar familie, ongeveer drie(3) heeft ontvangen....hun dozen (waarschijnlijk 3x100.000). Ik zei dat ik hun drie(3) dozen niet tegelijk mee wil nemen. Twee keer, de helft. Twee keer, 1,5 per keer. [verdachte] : Ja, ja. M: Zij vond dat goed. Ik zei dat ik zondag opnieuw zal komen. Zij vroeg,' Waarom wil je twee keer heen en weer rijden. Je kunt toch alles in een keer meenemen?' [verdachte] lacht. M: Ik zei dat ik haar ook mee kan nemen (geintje)... [verdachte] : Wij zijn niet zo rijk.(Lacht) Wij kunnen dat niet in een keer afronden. M: Ja. [verdachte] : Kom maar dan, wij gaan dat regelen. De telefoon van zijn kantoor...de bel is uit (wordt niet opgenomen). M: Nee, die is nu bij mij. [verdachte] : Ik kan geen verbinding krijgen. M: Dan werkt die niet. [verdachte] : Oke. E.G .
Ten aanzien van feit 2
Zaaksdossier 7
1.
Het proces-verbaal van verhoor, nummer 29-779513 (…) van Korps landelijke politiediensten, inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
V: Wij noemen het inbrengen en uitbetalen van bedragen in bijvoorbeeld India ondergronds bankieren, en daar bedoelt u mee dat u niet wist dat het strafbaar was.
A: Ja, ik wist dat het strafbaar was als je bijvoorbeeld drugs aanneemt maar ik wist niet dat dit opsturen van geld strafbaar is. Je ziet zelfs op de Hindoestaanse, Surinaamse, TV dat er reclame over gemaakt wordt.
V: Maar stuurt u geld naar Suriname dan.
A: Nee, alleen naar India
V: Hoe gaat dat dan dat overmaken van geld voor bijvoorbeeld familie of vrienden.
A: Soms doe ik dat voor vrienden, bijvoorbeeld als ik ze tegenkom op feesten. Soms doe ik het gratis, soms doe ik dat voor whisky en soms voor geld.
(…)
3. Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek van 11 november 2010 om 19.18 uur.
[verdachte] ( [telefoonnummer 7] ) ( [verdachte] ) werd gebeld door NN [betrokkene 20] (3187) ( [betrokkene 20] ):
[betrokkene 20] : ja wat is koers? [verdachte] : 16 1/2 [betrokkene 20] : wat? [verdachte] : 16 1/2 (= 1650) [betrokkene 20] : 16 1/2 ? U moet correct doen, u vraagt aan iedereen hetzelfde, vorig keer had u aan mij 70 gevraagd en iemand anders ook. U moet ook een beetje meer aan mij denken. Ik ben uw vaste klant sinds 10 jaar (lachend). [verdachte] : nee nee, het is geen probleem. Het is afhankelijk op de koers, de koers is tot 30 geweest en het is weer gestegen. [betrokkene 20] : ja ja, het is geen probleem. En ik ga veertig (40) geven. Morgen ga ik het in de winkel geven. Is het goed? [verdachte] : oke. [betrokkene 20] : ja en u mag het adres opschrijven. [verdachte] : moment, ja. [betrokkene 20] : [betrokkene 27] wife of [betrokkene 20] . [verdachte] : ja [betrokkene 20] : dorp [plaats] (Punjab, India) en het telefoonnummer is [telefoonnummer 10] . [verdachte] : 1? [betrokkene 20] : ja precies een (1). [verdachte] : oke. [betrokkene 20] : oke broer dag. E.G .
4. Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek van 12 november 2010 om 15.48 uur.
[verdachte] ( [telefoonnummer 7] ) ( [verdachte] ) werd gebeld door NN [betrokkene 20] (3187) ( [betrokkene 20] )
[betrokkene 20] : ik ben het [betrokkene 20] . [verdachte] : ja, hoe gaat het? [betrokkene 20] : ja, het gaat goed. Ik heb die 'samaan'(=spullen/spul/geld enz) in de winkel gebracht. [verdachte] : het is goed, is goed. [betrokkene 20] : Wilt u praten, hier mag u praten. [verdachte] : nee, waarom moét ik praten? Vervolgens komt NNman (verm. werknemer van [verdachte] , genaamd [betrokkene 28] .) aan de lijn. NN: hallo [verdachte] : hallo NN: ja meneer [verdachte] : ik zei, waarom moet ik praten? Het is goed, hij heeft het gegeven. Het is goed. NN: goed, oke. [verdachte] : oke. Vervolgens komt [betrokkene 20] weer aan de lijn. [verdachte] : hallo [betrokkene 20] : goed, het is goed broer oke. [verdachte] : oke E.G ,
5. Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek 11 december 2010 om 16.11 uur.
[verdachte] ( [telefoonnummer 7] ) ( [verdachte] ) werd gebeld door NN [betrokkene 20] (3187)(NN)
NN vraagt de koers. [verdachte] zegt dat het 17 (E 1700 =1 ton rupees) is en hij (NN) mag 10 euro minder betalen. NN zegt dat het goed is en geeft de naam van ontvangster door: [betrokkene 27] in [plaats] (naam van het dorp), het telefoonnummer is: [telefoonnummer 10] . [verdachte] vraagt of hij 1 (1 ton) moet geven. NN zegt ja en vorig keer was iemand vanuit [plaats] (India) gegaan om het geld af te geven. [verdachte] vraagt de naam van de afzender. NN zegt [betrokkene 20] zegt dat hij ( [verdachte] ) het snel moet laten betalen. [verdachte] zegt dat het goed is. NN brengt morgen het geld naar de winkel. [verdachte] zegt dat het goed is. E.G .
6. Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek van 13 december 2010 om 20.38 uur.
[verdachte] ( [telefoonnummer 7] ) ( [verdachte] ) werd gebeld door door NN [betrokkene 29] ( [telefoonnummer 11] )
Ze begroeten elkaar [betrokkene 29] wil met Bhadji (=broer) praten. [verdachte] zegt dat hij zelf aan de lijn is. [betrokkene 29] dacht dat hij [betrokkene 3] aan de lijn had. [betrokkene 29] vraagt wat de rate/koers is. [verdachte] zegt 17 (1700). [betrokkene 29] : ik wil 3 1/2 sturen en vraagt wat voor koers gaat u dan berekenen? [verdachte] : 3 1/2? 5 9 5 0, het is 5950. [betrokkene 29] : is goed, zeventien? [verdachte] : spreek ik met [betrokkene 29] ? [betrokkene 29] : ja, ik had naar de andere telefoon gebeld, misschien stond die op de voicemail. [verdachte] : ja ja. [betrokkene 29] : ja en is het 17? [verdachte] : ja, het zakt steeds. [verdachte] zegt dat [betrokkene 29] hem 5920 mag betalen. [betrokkene 29] zegt dat het goed is. [verdachte] vraagt aan hij het moet laten afgeven. [betrokkene 29] zegt [betrokkene 30] in [plaats] . [verdachte] vraagt het telefoonnummer. [betrokkene 29] zegt: [telefoonnummer 12] [verdachte] zegt dat het goed is. [betrokkene 29] zegt dat ze het thuis moet brengen. [verdachte] zegt dat het goed is. [betrokkene 29] brengt morgen het geld. [verdachte] zegt dat [betrokkene 3] naar India is gegaan en mag hij ( [betrokkene 29] ) hem bellen. [betrokkene 29] zegt dat het goed is. [verdachte] gaat morgen de bericht sturen en overmorgen wordt het zeker gedaan. [betrokkene 29] zegt dat het goed is. E.G .
7. Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek van 7 januari 2011 om 11.23 uur.
[verdachte] ( [telefoonnummer 7] ) ( [verdachte] ) belt uit naar NN [betrokkene 31] ( [telefoonnummer 13] ) (A)
A: Ja broer?...Kunt u iets meer geven? [verdachte] : Nee. A: Ik wil veel sturen, ongeveer elf( 11). [verdachte] : Dat is geen probleem. Weet je wat het is? A: Nee. [verdachte] : Vanaf 25ste tot de 15de worden de klussen niet verricht. Dan is iedereen vrij. [verdachte] herhaalt dat er weinig klussen zijn. Hij vraagt A tot de 15de wachten en dan misschien A een betere wisselkoers kan krijgen. A zegt dat een jongen in zijn familie, uit India naar Australië gaan studeren en dat hij dat geld nodig heeft. [verdachte] vraagt of de studenten nog steeds naar Australië gaan. A: Ja, dat doen zij nog steeds. A zegt dat hij met auto vanuit Almere zal vertrekken en om zes uur moet hij naar zijn werk bij het Leidscheplein zijn. Hij vraagt waar hij [verdachte] kan ontmoeten. [verdachte] : Weet je waar [plaats] is? A: [plaats] ? [verdachte] : AMC ziekenhuis? A: Ja, dat weet ik. [verdachte] : Kom u maar dan in de buurt van AMC, daar hebben wij een winkel in [plaats] . Hierna een lang gesprek over, waar de snackbar van [verdachte] is. [verdachte] zegt dat de snackbar precies onder de viaduct bij [E] (fon) is en dat op de bord, [D] staat. [verdachte] : Wilt u mij het telefoonnummer en de naam geven. Misschien zal ik daar niet zelf aanwezig zijn maar mijn broer wel. A: Het telefoonnummer is [telefoonnummer 14] . [verdachte] herhaalt dat. [verdachte] : Wie zal op dit nummer aanwezig zijn? A: [betrokkene 32] ...(Een vrouw op de achtergrond corrigeert dat)... Nee, [betrokkene 33] . [betrokkene 34] . A geeft het tweede nummer van [betrokkene 33] door. A: Dat is: [telefoonnummer 15] . [verdachte] : Is het in stad [plaats] ? A: Ja, [F] Hotel.... [verdachte] : Dat is niet nodig. Die persoon zal bellen en het adres vragen. Wat is uw naam? A: [betrokkene 31] . U kent mij. [verdachte] zegt dat iedereen aan iedereen kent. [verdachte] : Hoeveel moet ik daar laten geven? A: Elf (11). [verdachte] : Dat krijgt u het morgen daar. A: Het moet morgen daar afgegeven worden. Zij hebben dat maandag nodig. Na 05:02 [verdachte] vraagt A, 2000 aan een oude vrouw in Almere te geven die uit Engeland is gekomen. A zal dat doen. [verdachte] : Ik zal je haar telefoonnummer geven. [verdachte] wil haar naam noemen maar hij kan de naam niet herinneren. [verdachte] : Hij is de zwager van [betrokkene 35] . Ik geef u haar telefoonnummer.... Verbinding verbroken.
(…)
10.
Het proces-verbaal van verhoor, nummer 29-792447, (…), van Korps landelijke politiediensten, inhoudende als verklaring van getuige
[betrokkene 18]:
V: Van welke telefoonnummers maakt u gebruik?
A: Ik maak van twee mobiele telefoons gebruik. Mijn nummers zijn: [telefoonnummer 11] (privé) en [telefoonnummer 16] (zakelijk/prepaid).
V: Maakt u zelf gebruik van het ondergronds bankieren?
A: Ik heb daar een paar keer gebruik van gemaakt.
V: Kunt u ons vertellen hoe dit in zijn werk gaat?
A: Ik had een nummer van hier. Ik heb dit nummer via, via. Van iemand die hier woonde. De persoon waar ik het geld aan gegeven heb, ken ik onder de naam: [bijnaam 2] . Zijn telefoonnummer is: [telefoonnummer 7] . Ik heb zelf twee of drie keer geld verstuurd via [bijnaam 2] . Ook heb ik wel geld voor een kennis van mij, die bij mij langs is gekomen, via [bijnaam 2] verstuurd. Het geld bracht ik dan naar een pizza-winkel. Ik weet de naam er niet van. De winkel is vlakbij mijn huis, in [plaats] .
V: Voor wie is dat geld bestemd?
A: Voor mijn familie in India.
V: Aan wie gaf u het geld af in de pizza-winkel?
A: Ik gaf het geld af aan degene die in de pizza-winkel werkte en vertelde daarbij dat het geld bestemd was voor [bijnaam 2] . Ik deed het geld in een enveloppe. De naam van de familie in India, waar het geld voor bestemd was, alsmede hun telefoonnummer, had ik al eerder doorgegeven aan [bijnaam 2] door de telefoon.
V: Wat kunt u ons vertellen over foto 1?
A: Deze persoon ken ik als [bijnaam 2] . Ik heb [bijnaam 2] wel ontmoet in café [G ] , bij cricket kijken. [G ] is een zaak van [bijnaam 2] en daar werkt een Surinaamse meneer
(…)
12.
Het proces-verbaal van verhoor, nummer 29-792346, (…), van Korps landelijke politiediensten, inhoudende als verklaring van getuige
[betrokkene 16]:
V: Met welke personen neemt u contact op als u geld wilt verzenden en op welke wijze neemt u contact op?
A: Ik ken alleen de naam [bijnaam 2] .
V: Wat is het telefoonnummer van [bijnaam 2] ?
A: [telefoonnummer 7] .
V: Kunt u ons vertellen wat de werkwijze is vanaf het moment dat u besluit geld naar het buitenland over te maken?
A: Ik heb het telefoonnummer van [bijnaam 2] gebeld. Ik heb hem gezegd dat ik geld wil overmaken naar Delhi in India. Hij zei dat het goed was en dat ik het geld dan vervolgens bij de snackbar in [plaats] moet afgeven. Ik ben vervolgens met de auto naar deze snackbar gereden en het geld daar afgegeven. Nadat deze [bijnaam 2] het geld in Delhi had overgemaakt of geregeld dat het daar in Delhi werd overhandigd, heb ik twee weken later het geld naar de snackbar gebracht.
V: Aan wie overhandigt u het geld en waar?
A: Een Indiase man die daar in de snackbar werkte. Ik weet niet hoe deze man heet.
(…)
Zaaksdossier 10
1.
Het proces-verbaal van verhoor, nummer 29-807311 (…), van Korps landelijke politiediensten, inhoudende als verklaring van getuige
[betrokkene 37]:
V: Wat is uw telefoonnummer?
A: [telefoonnummer 17]
V: Kunt u ons vertellen wie u ziet op foto genummerd 1?
A: Ik ken hem, [bijnaam 2] noemt iedereen hem.
V: Wij hebben binnen ons onderzoek diverse telefoons afgeluisterd waaronder die van [verdachte] . Uit onze afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken blijkt, dat u regelmatig gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 18] . Dit telefoonnummer staat zelfs op uw naam. Wij laten u nu een tapgesprek horen met volgnummer 354. Wie zijn te horen in dit gesprek?
A: Nu kan ik het mij herinneren, iemand uit Duitsland heeft mij iets gevraagd, of ik geld naar India kon versturen. Hij zei mij dat er iemand was die geld kon overmaken, in mijn omgeving. Ik heb het aan [bijnaam 2] gevraagd en het nummer aan die persoon doorgegeven.
V: We laten u nu een tapgesprek horen met volgnummer 469 . Waar gaat dit gesprek over?
V: Klopt dit dat het gesprek over een wisselkoers gaat?
A: Het ging over een wisselkoers.
2. Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek van 24 november 2010 om 16.11 uur (volgnummer 354 ).
[verdachte] [telefoonnummer 7] ( [verdachte] ) belt uit naar [betrokkene 37] ( [telefoonnummer 18] ) (N)
Ze vragen hoe het met elkaar gaat. [verdachte] : als hij zegt dat hij hier een (1 ton) heeft en dan kan hij daar 61 25 krijgen. N: ik weet niet, hoeveel van 1 ton wordt. [verdachte] : volgens is 1 voor 1630 van hier. N: u moeten even kijken, u kunt nog vijf of vier geven. [verdachte] : nee, ik ben door nog 2 a 3 mannen gebeld. Ze zeiden hetzelfde, ik zei dat het niet kan. Eerder twee dagen was het wel zo (hoger), je mag 2 a 3 dagen wachten. Je weet het nooit. N: nee wachten, ze hebben het nodig en u mag het geven. N. zegt dat [verdachte] . het mag laten doen. N. geeft het telefoonnummer door: 0091 98788 146 609 [verdachte] . vraagt wie hier op het nummer te bereiken is. N. zegt dat die jongen [betrokkene 38] heet. [verdachte] . vraagt wie hier is. N. zegt GAILY vanuit Duitsland. N. zegt dat de tweede man JIT heet en zijn nummer is 9877683132. Ze moeten allebei half half moeten krijgen. [verdachte] . vraagt of hij de mensen goed kent of hij met een Token moet werken. N. kent de mensen hier wel. [verdachte] . zegt dat het goed is. N. gaat vrijdag en dan neemt hij 'samaan' (spullen/geld enz) mee. [verdachte] zegt dat het goed is. E.G .
3. Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven - :
Telefoongesprek van 28 november 2010 om 12.26 uur.
[verdachte] [telefoonnummer 7] ( [verdachte] ) werd gebeld door [betrokkene 37] ( [telefoonnummer 18] ) (M)
Groeten broer, die mensen zeggen dat zij hun Samaan/geld nog niet hebben ontvangen. [verdachte] : Welke? M: [betrokkene 38] en [betrokkene 39] . [betrokkene 38] is ook een beetje van het ontvangen. Hij zei dat hij nog niet alles heeft ontvangen. [verdachte] : Vraag aan hen, hoeveel moeten zij nog ontvangen? M: Hij zei heel weinig. Hij durf niet dat telefonisch te zeggen. Hij zei dat u [betrokkene 38] en [betrokkene 39] kunt bellen en dat vragen. [verdachte] : Oke, ik zal nu informeren en jou vertellen. M: Hij maakt ruzie met mij en zegt dat ik dat geld... [verdachte] : Ik zal zo meteen bellen en vragen. Dat is eigenlijk niet mogelijk. M: Oke. E.G .
4. Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven - :
Telefoongesprek van 28 november 2010 om 12.35 uur.
[verdachte] [telefoonnummer 7] ( [verdachte] ) belt uit naar [betrokkene 37] ( [telefoonnummer 18] ) (M)
M: Ja broer? [verdachte] : Ik heb direct met [betrokkene 38] gesproken. Hij zei dat die mensen toen alles aan hem hadden gegeven. M: Ja. [verdachte] : Hij zei dat hij een keer alles heeft ontvangen en niet beetje bij beetje. Hij zei dat hij toen tegen iemand had gezegd dat hij de helft heeft ontvangen. Hij dacht dat hij alles zou ontvangen. M: Dan moet hij bellen en dat vertellen. [verdachte] : Hij zei dat hij dat had verteld. Hij had twintig ontvangen. Herhaling gesprek over het ontvangen van het geld. [verdachte] : Tien zal hij maandag ontvangen. Ik heb met de beiden gesproken. M: Het is goed. E.G .
5. Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek van 28 november 2010 om 12.47 uur (volgnummer 469 ).
[verdachte] [telefoonnummer 7] ( [verdachte] ) belt uit naar [betrokkene 37] ( [telefoonnummer 18] ) (M)
M: Ja broer? [verdachte] : Weet je hoe het was gegaan? M: Ja? [verdachte] : De jongens zeiden dat het niet over een (1) van hier maar over een (1) van daar gaat. M: Oh ja? (lacht) [verdachte] : Zij zeiden dat ik tegen [betrokkene 37] moet zeggen dan zij een (1) van India zouden krijgen en niet een (1) van hier. M: Hoeveel wordt dan een (1) van hier? [verdachte] : Ehhhh...Wat hij heeft gegeven, en nog een( [bijnaam 1] ). M: Dan moet u dat aan hem geven, omgezet/wisselkoers van veertig(40). [verdachte] : Ogenblik...Ik laat u dat nu weten... (M voert een achtergrond gesprek en zegt dat hij thee wil drinken.) [verdachte] : Het wordt een (1) vierenzestig (64) van hier.( 1 64) M: Dan kunt u hem voor dat bedrag geven en niet meer....omgezet/wisselkoers van veertig(40) [verdachte] : Ja. M zegt dat hij een andere verhaal had gehoord. [verdachte] : Wilt u eerst dat bevestigen en daarna ga ik de rest doen. Wilt u eerst met de hoofdpersoon spreken? M: Het is goed. Einde gesprek.
Ten aanzien van feit 3
Zaaksdossier 14
1.
Het proces-verbaal van verhoor, (…), van Korps landelijke politiediensten, inhoudende als verklaring van getuige
[betrokkene 41]:
Ik ben eigenaar van [betrokkene 22] jeweler in Amsterdam, ik ben goudsmid.
Ik ken [verdachte] al twintig jaar als klant. Ik ken hem als [bijnaam 2] . Hij is een regelmatige klant in onze winkel. Soms vraagt hij speciaal naar grote briefjes, ik bedoel briefjes van € 500,-. Hij wisselde weleens bedragen van € 30.000 en € 50.000. Ik weet geen totaal bedrag te noemen wat [verdachte] bij mij gewisseld heeft. Ik kan niet precies zeggen hoe lang hij op deze wijze geld wisselt bij mij. Het kan misschien een jaar zijn. Hij wisselde geld om zonder dat hij goud of sieraden kocht. Hij heeft misschien weleens gebeld met de vraag of hij geld kon wisselen naar grote coupures. Hij kwam meestal gewoon naar de winkel.
2.
Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek van 21 mei 2011 om 16.17 uur.
[verdachte] ( [telefoonnummer 7] ) ( [verdachte] ) wordt gebeld door juwelier [H] ( [telefoonnummer 21] ) (V).
[verdachte] : ja meneer V: ja meneer, hoe gaat het? [verdachte] : het gaat goed, zegt u het maar. V: het gaat goed. Hij was vanavond langs gekomen. En ik was even naar de markt om de bloemen te halen. [verdachte] : ja ja ja. V: die bedragen van u zijn er niet gecheckt. In elke bundel zat wat minder bijvoorbeeld 10 of 20 of 50. [verdachte] : u mag het noteren. Dit keer hebben we ook niet geteld. V: ja, er was een bundel van vijftig, er waren 7 minder van honderd, in een was 1 minder. [verdachte] : ja V: er waren twee bundels van tien, in een bundel was 10 minder, dat waren 90 biljetten en in een bundel (2e bundel) waren 98 biljetten. [verdachte] : uit twee bundels van tien? V: ja in de twee bundels van tien ook. [verdachte] : eeeh, de rest ...(verbreekt). V: uiteindelijk moesten ze hier een betaling aan de klanten doen en toen waren die minder uitgekomen. [verdachte] : moment, hoeveel waren minder in een van vijftig? V: vijftig, in een bundel was 1 minder [verdachte] : 1, is goed. V: in die zaten 99 stuks. En in en zaten 93 stuks. [verdachte] : ja, 93, 7 minder. V: 7 minder, een in bundel van tien was 10 minder, het is 100, ik bedoel, daarin zat 900. [verdachte] : ja, 90 (biljetten) zat erin. V: ja 90 en een bundel waren 99 stuks, nee daarin waren 2 stuks minder, dat waren 98 stuks. [verdachte] : 98, dat is 20. V: daarin was 20 minder. [verdachte] : het totaal was 520 minder. V: ja, 520 is minder, wat ze hebben geteld, vanuit de rest hebben ze betalingen gedaan. Daarover kan ik niets zeggen. Dit was op het eind toch. [verdachte] : is goed dan, ik praat met hem wel. Want ik zal de jongen langs..ntv .. sturen. V: jaa. [verdachte] : we zullen met hem contact opnemen. V: ik zal morgen daar die kant, misschien ga ik morgen richting u. [verdachte] : het is geen probleem. V: als ik kom, ik zal u vertellen en dan zal ik naar u bellen. [verdachte] : het is goed, oke. V: en bijvoorbeeld heeft hij vijf biljetten vals gegeven. [verdachte] : is goed, goed. V: Ik zal morgen daarover praten. [verdachte] : oke V: oke E.G .
3.
Het proces-verbaal van verhoor, (…), van Korps landelijke politiediensten, inhoudende als verklaring van getuige
[betrokkene 42]:
(…)
V: Wij willen u onderstaand gesprek voorhouden en laten beluisteren en wij willen graag uw reactie hierop hebben.
Zaterdag 21 mei 2011 omstreeks 16.17.01 uur
[verdachte] ( [telefoonnummer 7] ) [H] ; (
rechtbank: opgenomen onder bewijsmiddel 4).
V: Wie voeren dit gesprek en waar gaat dit gesprek over?
A: Mijn vader en [verdachte] . Het gaat over geld. Mijn vader zegt dat hij bepaalde bedragen te weinig heeft gekregen. Het geld waar over gesproken wordt is geld dat mijn vader met [verdachte] ruilt.
4.
Een geschrift, te weten een brief van De Nederlandsche Bank d.d. 8 juli 2011, met als onderwerp: Verzoek om registerinformatie - [I] , [betrokkene 43] , [verdachte] . [verdachte] en [betrokkene 41] , (…) inhoudende:
Per 1 november 2009 valt het verrichten van geldtransfers in de uitoefening van een bedrijf onder de verboden van artikel 2:3a, 2:3f en 3:20a van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en niet meer onder het verbod van artikel 3 van Pro de Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wgt). In de Wft worden geldtransfers aangemerkt als 'betaaldiensten' in de zin van voornoemde artikelen. Deze artikelen bepalen dat het zonder daartoe verleende vergunning van DNB of een bevoegde autoriteit van een andere (EER) lidstaat verboden is betaaldiensten (waaronder dus geldtransfers) te verrichten.
Partijen die over een vergunning beschikken staan vermeld in het nieuwe Register Betaaldienstverleners en dus niet meer in het oude Wgt register zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wgt. Het aanbieden van wisseldiensten (geldwisselkantoren) valt overigens wel nog steeds onder het verbod van artikel 3 Wgt Pro. In het oude Wgt register zijn dus nog steeds de geldwisselkantoren opgenomen.
De volgende (rechts)personen
- [I] VOF;
- [betrokkene 43] , geboren [geboortedatum] 1953;
- [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1964;
- [betrokkene 41] , geboren [geboortedatum] 1953;
waren voor 1 november 2009 niet ingeschreven in het Wgt register. Na 1 november zijn zij niet ingeschreven als geldwisselkantoor in het Wgt register en hebben zij voor het verrichten van betaaldiensten (waaronder geldtransfers) geen vergunning verkregen of aangevraagd.’
8. Het hof heeft in verband met de bewezenverklaring – voor zover van belang voor de beoordeling van de cassatiemiddelen – voorts het volgende overwogen:

Beoordeling van feit 1

1.Algemene overwegingen

1.1
Hawala-bankleren en witwassen
De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het in het hawala-systeem ontvangen geld van misdrijf afkomstig is omdat een klant in dit systeem evident economisch nadeel accepteert ten opzichte van gewoon bankieren terwijl in ruil daarvoor anonimiteit wordt verkregen hetgeen een belangrijke aanwijzing oplevert voor het vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig is.
Subsidiair heeft de advocaat-generaal betoogd dat de verdachte juist vanwege zijn hoedanigheid van bankier zonder vergunning contante geldbedragen ontving welke geldbedragen, eenmaal in zijn bezit, afkomstig zijn uit eigen misdrijf. Het nadien door de verdachte overdragen van dat geld aan anderen, verhullen, omzetten en omwisselen voor andere coupures levert witwassen op. Meer subsidiair kan volgens de advocaat-generaal worden aangehaakt bij de wijze waarop de rechtbank de zaak heeft benaderd door voor wat betreft de bedragen die door de Indiase gemeenschap zijn ingebracht geen witwassen aan te nemen, maar bij de in Nederland aan anderen overgedragen contante bedragen wel, waarbij de advocaat-generaal heeft gewezen op een aantal specifieke witwastypologieën.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De primaire stelling van de advocaat-generaal mist, naar het oordeel van het hof, feitelijke grondslag en wordt reeds om die reden verworpen. De stelling gaat uit van de niet onderbouwde en naar het oordeel van het hof onjuiste aanname dat men overal ter wereld eenvoudig over een bankrekening kan beschikken en dicht bij huis kan pinnen en dat het bancaire systeem in andere landen – in het bijzonder in een land als India (waarop de advocaat-generaal haar betoog heeft toegespitst) – net zo ontwikkeld is als in het westen. Oftewel, niet kan worden vastgesteld dat bij hawala-bankieren voor de klant steeds sprake is van evident economisch nadeel en dat, als dat nadeel er wel is, dit uitsluitend wordt geaccepteerd als de prijs voor anonimiteit. Bovendien laat de stelling van de advocaat-generaal geen ruimte voor de macht van de gewoonte of culturele voorkeuren waarbij mogelijk economisch voor- of nadeel niet primair het handelen bepaalt.
Voor wat betreft het subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal overweegt het hof dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat witwassen in de kern behelst het verrichten van handelingen die erop zijn gericht om criminele opbrengsten veilig te stellen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 27 159, nr. 3, p . 2). De bedragen die een hawala-bankier onder zich heeft, zijn weliswaar verkregen in zijn hoedanigheid van hawala-bankier (waardoor deze, vanwege het ontbreken van een vergunning, een strafbaar feit begaat) echter zijn deze bedragen niet als criminele opbrengsten dan wel als afkomstig uit het misdrijf van bankieren zonder vergunning te bestempelen. Immers zijn dit geen door de hawala-bankier verkregen of gegenereerde opbrengsten; de hawala-bankier wordt juist geacht de bedragen over te dragen aan derden. Dit zou mogelijk anders zijn als het gaat om de opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning bankieren (vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044), doch dit zijn niet de bedragen waar de advocaat-generaal op doelt en deze (mogelijke) bedragen zijn evenmin tenlastegelegd.
Het hof is, tot slot, en met de rechtbank, van oordeel dat in het kader van de bewijsvraag steeds apart moet worden geoordeeld of de bij de verdachte ingebrachte gelden een criminele oorsprong hebben. Vooruitlopend op de hierna te volgen bewezenverklaring is het hof – conform het meer subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal – van oordeel dat ten aanzien van de bedragen ingebracht door de Indiase gemeenschap, oftewel het traditionele hawala-bankieren zoals beschreven in de zaakdossiers 1, 7, 9 en 10, onvoldoende aanwijzingen bestaan dat deze bedragen direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof wijst er daarbij op dat het bij de in deze dossiers beschreven transacties telkens gaat om relatief kleine bedragen waarover in de getapte telefoongesprekken bovendien open en bloot – zonder verhullend taalgebruik – en met naam en toenaam wordt gesproken.
1.2
Betrokkenheid verdachte
Grotendeels overeenkomstig de rechtbank stelt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende vast.
In het dossier bevinden zich vele afgeluisterde telefoongesprekken en sms-berichten met telefoonnummers die aan de verdachte worden toegeschreven. De deelname van de verdachte aan die gesprekken blijkt uit een combinatie van gegevens: telefoonnummers waarvan de verdachte gebruik maakt, herhaalde contacten met derden, en de mogelijkheid om de informatie in deze gesprekken en berichten langs andere weg te verifiëren.
In de gesprekken die de verdachte voert, wordt regelmatig gesproken over inbrengen en uitgeven van grote geldbedragen, en deze gesprekken vinden vaak internationaal plaats. De gesprekken en berichten hebben een versluierd, voor buitenstaanders dikwijls cryptisch karakter waarin herhaalde patronen optreden en getallen een prominente rol spelen. In deze gesprekken wordt (onder meer) gesproken over het geven van ‘samaan’, het hebben van een ‘doos’ of 'dozen' en het doorgeven van nummers, soms worden kennelijke telefoonnummers van contactpersonen doorgegeven. Ook is er sprake van zogenoemde ‘tokens’ die kennelijk fungeren als door de ontvangers te gebruiken legitimatie voor de koeriers die de geldbedragen afleveren, zoals bij illegaal of ondergronds hawala-bankieren gebruikelijk is.
Tevens is gebleken dat de verdachte met diverse contacten afspraken maakt die deels zijn geobserveerd, waarbij het vermoeden is ontstaan dat hierbij geldbedragen worden ontvangen of afgeleverd door de verdachte. Voorts sluiten de waarnemingen bij observaties op een reeks data aan op de informatie in tapgesprekken en sms-berichten. In enkele gevallen zijn binnen het onderzoek bij een onderschepping van een transport of bij een doorzoeking bovendien grote geldbedragen in contanten aangetroffen waarbij betrokkenheid van de verdachte aannemelijk is. Dit geheel van elkaar ondersteunende aanwijzingen in de richting van de verdachte wordt gecompleteerd door een zelfstandige component. Bij een aantal doorzoekingen op 14 juni 2011 werden op drie plaatsen schriftelijke aantekeningen aangetroffen die op grond van de aangegeven getallen en berekeningen met gedeeltelijke dateringen als een financiële administratie kunnen worden beschouwd. Er is een schrift in beslag genomen op de [e-straat 1] , zijnde een pand in bezit van de verdachte, één in zijn woning in [plaats] , en één in café [G ] , het café van de verdachte te [plaats] . Deze op drie plaatsen aangetroffen administratie blijkt na onderzoek een doorlopende administratie over de jaren 2005 tot en met 2011 te zijn. Het handschrift in de verschillende schriften komt grotendeels overeen en elk afzonderlijk schrift is op dezelfde wijze ingericht. Op verschillende plaatsen in deze administratie kunnen getallen en namen worden herleid tot transacties die in de tapgesprekken naar voren komen en die met de verdachte kunnen worden verbonden. Dat deze administratie door de verdachte is gevoerd, heeft de verdachte niet weersproken, terwijl ook niet goed voorstelbaar is van wie deze aantekeningen (waarvan één schrift werd aangetroffen op het bureau van de verdachte in zijn woning in [plaats] ) – op een specifiek, klein, gedeelte na dat aan de medeverdachte [betrokkene 25] wordt toegeschreven – anders afkomstig zouden kunnen zijn.
1.3
Van misdrijf afkomstig
Het hof stelt tevens grotendeels overeenkomstig de rechtbank het volgende vast omtrent de herkomst van de hierna bewezenverklaarde geldbedragen.
Zoals hierboven reeds uiteengezet is in een groot deel van de afgeluisterde telefoongesprekken sprake geweest van gesprekken met een versluierd, voor buitenstaanders dikwijls cryptisch karakter waarin herhaalde patronen optreden en getallen een prominente rol spelen.
Daarnaast zijn grote geldbedragen in ongebruikelijke coupures op een ongebruikelijke wijze vervoerd, zoals aangetroffen in de Mercedes personenauto op 9 februari 2011 (zaakdossier 2, pagina 113). Het op deze wijze vervoeren gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico's.
Voorts overweegt het hof dat door de rechtstreekse, fysieke overdracht van zulke grote geldbedragen aan een persoon – en buiten het officiële bancaire circuit om – deze worden onttrokken aan het voor dit soort geldtransacties gebruikelijke (overheids)toezicht, waardoor de werkelijke aard en de herkomst van de geldbedragen kunnen worden verhuld.
Daarbij komt dat een deel van de geldtransporten een grensoverschrijdend (internationaal) karakter hebben en er wordt gewerkt met verschillende valuta en wisselkoersen.
Tot slot heeft op geen enkel moment na de inbeslagname van de geldbedragen een persoon zich als eigenaar of anderszins rechthebbende daarop gemeld, wat onwaarschijnlijk is bij een legale herkomst van geldbedragen van dergelijke omvang.
Het hof overweegt dat bij de hierna bewezenverklaarde overdrachten en transporten van geldbedragen in overwegende mate kan worden vastgesteld dat deze voldoen aan voornoemde kenmerken. Op grond daarvan acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat de hierna bewezenverklaarde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, hetgeen betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.
Het hof is van oordeel dat de verdachte niet zo'n verklaring heeft gegeven, waardoor onvoldoende aanleiding bestond tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de bewezenverklaarde geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Gezien de omstandigheden waaronder de geldbedragen werden overgedragen en getransporteerd zoals hierboven uiteengezet is, het feit dat er versluierde taal werd gesproken en bij gebrek aan aanknopingspunten voor het tegendeel, moet de verdachte hebben geweten dat het om uit misdrijf verkregen geld ging.

2.De overdracht van vier concrete geldbedragen

2.1
Overdracht van € 112.400,-
Het hof neemt de bewijsoverweging van de rechtbank onder het kopje 'overdracht van € 112.400 op 9 februari 2011' zoals vermeld op pagina 7 en 8 van het vernietigde vonnis over. Echter, het hof wijzigt de een na laatste zin in dier voege dat deze komt te luiden: Het hof stelt vast dat dit geldbedrag door de verdachte aan [betrokkene 44] is overgedragen en vervolgens door deze aan [betrokkene 45] .
2.2
Overdracht van € 125.000,-
Het hof neemt de bewijsoverweging van de rechtbank onder het kopje 'overdracht van € 125.000,- op 3 februari 2011' zoals vermeld op pagina 8 van het vernietigde vonnis over.
2.3
Overdracht van € 25.000, -
Het hof neemt de bewijsoverweging van de rechtbank onder het kopje 'overdracht van € 25.000,- op 8 december 2009' zoals vermeld op pagina 8 en 9 van het vernietigde vonnis over.
2.4
Overdracht van in totaal ongeveer € 77.500,-
Het hof neemt de bewijsoverweging van de rechtbank onder het kopje 'overdracht van in totaal € 77.500,- op 28 april 2011 (€ 35.900,- en 5 mei 2011 (€ 41.600,-)' zoals vermeld op pagina 9 en 10 van het vernietigde vonnis over, in die zin dat het hof de vaststelling dat een geldbedrag van € 41.600,- werd overgedragen nuanceert naar 'een geldbedrag van ongeveer € 41.600,-'.

3.De geldtransporten vanuit Frankrijk en/of België

3.1
Transporten 2, 4, 5 en 8
Het hof neemt de bewijsoverwegingen van de rechtbank onder het kopje 'door (meermalen) grote geldbedrag(en) vanuit Frankrijk en/of België op te (laten) halen en te (laten) overbrengen naar Nederland' tot en met het kopje 'Transport 8: bedrag van € 150.000,- op of omstreeks 10 februari 2011' zoals vermeld op pagina 11 en 12 van het vernietigde vonnis over, met uitzondering van het volgende:
 Het kopje 'transport 8: bedrag van € 150.000,- op of omstreeks 10 februari 2011 op pagina 12 past het hof als volgt aan: 'transport 8: bedrag van ten minste een bedrag van € 60.000,- op of omstreeks 10 februari 2011’
 De laatste zin onder voornoemd kopje op pagina 12 past het hof als volgt aan: Uit de combinatie van gespreksverkeer, het doorgeven van faxnummers, de analyse van die nummers en het aantreffen van genoemde nota in de auto van [medeverdachte] kan worden geconcludeerd dat deze in nauwe en bewuste samenwerking met de verdachte een bedrag van ten minste € 60.000,- heeft opgehaald in Parijs.
3.2
Zaakdossier 8 en transport 1
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er in de periode van 24 november 2010 tot 26 november 2010 veelvuldig contact is geweest met het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 6] dat in gebruik is bij een man die ‘ [medeverdachte] ’ wordt genoemd en het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 22] dat in gebruik is bij een man die ‘ [betrokkene 15] ’ wordt genoemd. Voorts is duidelijk geworden dat voornoemde mannen beiden onderweg waren naar Frankrijk en kennelijk niet het juiste adres konden vinden. Uit het telefoongesprek van 26 november 14.05 uur blijkt dat [betrokkene 15] op de terugweg is en dat hij zondag opnieuw terug zal gaan, dat het om 3 'dozen' gaat, maar dat hij ze niet tegelijk mee wil nemen, maar twee keer de helft. In de aangetroffen administratie is door de verdachte bijgehouden welke tegoeden deze [betrokkene 15] en [medeverdachte] onder zich hebben. Ten aanzien van [betrokkene 15] betreft dat in de periode tussen 14 november 2010 en 28 november 2010 twee maal een bedrag van € 150.000. Met betrekking tot [medeverdachte] ( [medeverdachte] ) in de periode gelegen tussen 21 november 2010 en 28 november 2010 een bedrag van ongeveer € 200.000,-. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat deze 2 geldtransporten op 26 november 2010 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.Conclusie / Gewoontewitwassen

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan witwassen. Gezien het aantal geldtransacties en transporten waarmee de geldbedragen tussen Frankrijk en Nederland werden vervoerd en de lange periode waarin een en ander plaatsvond is het hof overeenkomstig de rechtbank van oordeel dat dit witwassen bovendien te kwalificeren is als gewoontewitwassen.
Beoordeling van feit 2
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank onder het kopje 'beoordeling ten aanzien van feit 2’ zoals vermeld op pagina 13 tot en met 15 van het vernietigde vonnis over.
Beoordeling van feit 3
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank onder het kopje 'beoordeling ten aanzien van feit 3' zoals vermeld op pagina 15 en 16 van het vernietigde vonnis over.’
9. De op p . 8 van het (vernietigde) vonnis opgenomen bewijsoverweging inzake de overdracht van € 125.000 op 3 februari 2011, zoals verbeterd door het hof, luidt als volgt:
‘Uit de inhoud van opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken kwam naar voren dat de verdachte regelmatig contact had met een man die ‘ [bijnaam 1] ’ wordt genoemd. [bijnaam 1] is geïdentificeerd als [medeverdachte] . Uit de gegevens van de KvK blijkt dat [medeverdachte] eigenaar is van het eenmansbedrijf [C] , gevestigd aan de [b-straat 2] te [plaats] . Op 3 februari 2011 om 11.39 uur vindt een gesprek plaats tussen [medeverdachte] en de verdachte waarin zij afspreken dat de verdachte naar het werk van [medeverdachte] zal komen. Naar aanleiding van dit gesprek is besloten [medeverdachte] onder observatie te nemen. Tijdens de observatie van 3 februari 2011 wordt gezien dat [medeverdachte] contact maakt met de verdachte die in zijn Kia Sorento zit. Op het moment dat [medeverdachte] wegloopt bij de Kia wordt waargenomen dat hij een zwarte plastic tas met het opschrift ‘Pour Vous’ bij zich heeft en daarmee zijn winkel [C] binnenloopt. Ook de verdachte gaat [C] binnen. Enige tijd later wordt gezien dat de verdachte [C] verlaat
en even later [medeverdachte], samen met een NN man die uit [C] komt. Beide mannen dragen een zwarte schoudertas en lopen naar een zwarte Saab. [betrokkene 2] stopt een zwarte schoudertas in de kofferbakruimte van de Saab. Ze rijden vervolgens naar de [c-staat 1] te [plaats] . Beide mannen gaan daar naar binnen waarbij [medeverdachte] een zwarte schoudertas draagt. Vervolgens vindt om 15.35 uur een gesprek plaats tussen de verdachte en een NNman die gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer 9] . Uit dat gesprek blijkt dat er die dag een geldbedrag is overgedragen. Door de verdachte wordt gezegd dat hij die ochtend ‘125’ heeft opgehaald bij NN man. Volgens de observatie heeft de verdachte daarna een ontmoeting gehad met de [medeverdachte] waarbij een tasje wordt overgegeven dat bij [C] naar binnen wordt gebracht. Gelet op deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het tapgesprek in de middag ziet op de geldoverdracht die ochtend en is wettig en overtuigend bewezen dat er een geldoverdracht heeft plaatsgevonden van een geldbedrag van vermoedelijk € 125.000,-.’
10. De op pagina 15 en 16 van het (vernietigde) vonnis opgenomen bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3 die door het hof zijn overgenomen luiden als volgt:
‘Aan de verdachte wordt onder 3 - zakelijk weergegeven - verweten dat hij zich tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 8 december 2009 tot en met 14 juni 2011 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk werkzaam zijn als geldtransactiekantoor door contante geldtransacties voor derden uit te voeren, door geldbedragen in grote coupures om te wisselen, zonder dat hij daarvoor een vergunning had.
De Wet inzake de geldtransactiekantoren (hierna te noemen: Wgt) van 27 juni 2002 is met ingang van 1 juli 2012 ingetrokken. Nu door middel van de Wijzigingswet financiële markten 2012 de materiële bepalingen van de Wgt zijn opgenomen in de Wet op het financieel toezicht (Wft), is van verandering in de wetgeving als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Sr geen sprake. De rechtbank zal, nu het bewezen verklaarde feit is gepleegd vóór de inwerkingtreding van genoemde wetswijziging, ingevolge de in artikel 1, eerste lid, Sr, artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren toepassen.
Artikel 3, eerste lid, Wgt verbiedt het als geldtransactiekantoor werkzaam zijn. Een geldtransactiekantoor is in artikel 1 onder Pro a Wgt gedefinieerd als de natuurlijke persoon of rechtspersoon (..) die beroepsmatig of bedrijfsmatig ten behoeve of op verzoek van een derde geldtransacties uitvoert (..). Ingevolge artikel 1 onder Pro c sub 1 Wgt wordt onder ‘geldtransacties’ verstaan: het wisselen van munten of bankbiljetten. Degene die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van derden geldtransacties verricht, kan worden aangemerkt als degene die als geldtransactiekantoor geldtransacties uitvoert in de zin van artikel 1, onder a en onder c sub 1 Wgt.
Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie blijkt dat het begrip geldtransactiekantoor ruim uitgelegd dient te worden. Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een ander een geldtransactie uitvoert, kan als geldtransactiekantoor worden aangemerkt. Onder het uitvoeren van een geldtransactie dient in ieder geval te worden begrepen het verrichten van wisselen van geldbedragen in kleine coupures naar grote coupures.
Vaststaat dat de verdachte gedurende langere periode geldbedragen in kleine coupures heeft ingewisseld bij medeverdachte juwelier [betrokkene 22] . [betrokkene 22] heeft verklaard dat de verdachte langere tijd geld bij hem heeft gewisseld, verdachte belde hem dan wel op of kwam naar de juwelierszaak toe en vroeg hem geldbedragen ter grootte van € 30.000,- en € 50.000,- te wisselen. Daarbij vroeg hij speciaal om ‘grote briefjes’ van € 500,-. [betrokkene 22] heeft de geldbedragen vervolgens in-/omgewisseld voor grote coupures.
De rechtbank gaat er vanuit dat de geldtransactie-activiteiten van [betrokkene 22] een integraal onderdeel uitmaakten van de wisselactiviteiten die de verdachte zijn klanten kon bieden.
Gelet op het voorgaande is vast komen te staan dat de verdachte - tezamen en in vereniging met juwelier [betrokkene 22] - als geldtransactiekantoor is opgetreden door gedurende een langere periode voornoemde geldwisselwerkzaamheden uit te voeren (voor derden), en wel in die mate dat dit kan worden aangemerkt als het beroeps- dan wel bedrijfsmatig werkzaam zijn als geldtransactiekantoor. Vaststaat verder dat de verdachte noch juwelier [betrokkene 22] een vergunning in de zin van de Wgt heeft gehad.
Het onder 3 ten laste gelegde feit is derhalve wettig en overtuigend bewezen.’
Procesverloop
11. Namens de verdachte is op 10 april 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 27 maart 2014. Namens het openbaar ministerie is eveneens op 10 april 2014 hoger beroep ingesteld.
11. Bij appelschriftuur van 23 april 2014 heeft de verdediging verzocht onder meer 38 personen als getuigen te horen. Deze appelschriftuur houdt onder meer het volgende in:
‘Cliënt heeft mij uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem dit schriftuur op te stellen en in te dienen. Het hoger beroep richt zich tegen zowel de bewezenverklaring als tegen de straftoemeting.
De verdediging wenst in hoger beroep in ieder geval de navolgende getuigen te horen en het navolgende aanvullend onderzoek:
1. [betrokkene 15] , blijkens het dossier wonende aan de [i-straat 1] te [plaats] .
Deze getuige zou op verschillende momenten geld hebben gewisseld voor cliënt. Ook zou hij in opdracht van cliënt geldbedragen uit Frankrijk hebben opgehaald. Hierover wenst de verdediging hem vragen te stellen.
(…)
3. [betrokkene 25] , blijkens het dossier wonende aan de [j-straat 1] te [plaats] .
Deze getuige is reeds eerder voor een verhoor opgeroepen, maar heeft zich bij die gelegenheid op zijn verschoningsrecht beroepen, waardoor het ondervragingsrecht de facto niet uitgeoefend is kunnen worden. De getuige komt in een groot aantal zaaksdossiers voor en dient bevraagd te worden naar zijn wetenschap omtrent de verschillende verwijten die cliënt worden gemaakt.
(…)
12. [betrokkene 41] , blijkens het dossier wonende aan de [k-straat 1] te [plaats] .
Blijkens het dossier zou deze getuige grote geldbedragen voor cliënt in bewaring hebben gehad. De verdediging wenst de getuige naar deze geuite suggesties te bevragen. Daarbij wenst de verdediging tevens vragen te stellen over de in het dossier gerelateerde telefoongesprekken.
(…)
14. [betrokkene 41] , blijkens het dossier wonende aan de [s-straat 1] te [l-straat 1] .
Deze getuigen zijn ook als verdachten aangemerkt in het zaaksdossier 14 en hebben verklaringen afgelegd over de handel en wandel van cliënt rondom de juwelierszaak. De verdediging wenst deze getuigen daar nader naar te bevragen.
(…)
22. [betrokkene 35] , wonende aan de [m-straat 1] te [plaats] .
(…)
Deze getuigen dienen te worden gehoord omtrent het in het dossier beschreven geldbedrag van 135.000,- pond. Dit geldbedrag zou cliënt in India en Engeland betaalbaar hebben gesteld. De vragen die daarbij aan de orde dienen te komen is of het genoemde geldbedrag als een lening bestempeld kan worden of niet en zo nee, wat dan de herkomst van het geldbedrag is.
(…)
25. [betrokkene 37] , blijkens het dossier wonende aan de [n-straat 1] te [plaats] .
Deze getuige heeft de rechtbank betrokken in de bewezenverklaring van zaaksdossier 10. De verdediging wenst hem over hetgeen in dit dossier staat gerelateerd nadere vragen te stellen.
26. [betrokkene 16] , blijkens het dossier wonende aan de [o-straat 1] te [plaats] .
(…)
28. [betrokkene 18] , blijkens het dossier wonende aan de [p-straat 1] te [plaats] .
(…)
De getuigen genoemd onder 26 t/m 30 zijn allen gehoord in het onderzoek naar het zogenaamde reguliere Hawalah-bankieren. De verdediging wenst deze getuigen nadere vragen te stellen naar wie daarbij betrokken waren en hoe een en ander in z'n werk ging.
(…)
36. [betrokkene 12] , laatstelijk bekende verblijfplaats in detentie.
(…)
De getuigen genoemd onder 36 t/m 38 zijn reeds eerder opgeroepen door de rechter-commissaris, maar hebben toen inhoudelijk niet willen verklaren. De verdediging wenst hen andermaal te confronteren met de onderzoeksgegevens uit zaaksdossier 17. Bovendien is gebleken dat deze getuigen alle drie zijn vervolgd. De verdediging acht het relevant dat duidelijk wordt waarvoor zij zijn vervolgd en wat hun proceshouding tijdens die vervolging is geweest. Ook zou de verdediging onderzocht willen hebben of zij inmiddels in hun eigen zaken verklaringen hebben afgelegd die relevant kunnen zijn voor de onderhavige zaak.
Sommige van de hiervoor genoemde getuigen zijn reeds eerder door de rechter-commissaris als getuige gehoord, maar hebben zich bij die gelegenheid op hun verschoningsrecht beroepen. Voor zover die getuigen nu opnieuw zijn opgegeven vallen zij strikt genomen onder het noodzaakscriterium. Gelet op het feit dat die getuigen niet eerder hebben willen verklaren zal uw hof worden verzocht de verzoeken ruimhartig te beoordelen.’
13. Het openbaar ministerie heeft bij brief van 19 mei 2016 gereageerd op de getuigenverzoeken.
13. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 20 mei 2016 [1] houdt onder meer het volgende in:
‘De voorzitter maakt melding van de appelschriftuur van de verdediging d.d. 24 april 2016, waarin de verdediging – onder meer – verzoekt om het als getuige horen van achtendertig personen. De voorzitter deelt voorts mede dat het Openbaar Ministerie bij brief d.d. 19 mei 2016 op de verzoeken van de verdediging heeft gereageerd.
De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid de verzoeken van de verdediging desgewenst nader toe te lichten.
De raadsman voert daartoe het woord als volgt:
Met de advocaat-generaal heb ik geconstateerd dat de motivering van de verzoeken hier en daar wat summier is. Waar dat het geval is zal ik de motivering aanvullen. Ik houd, net als de advocaat-generaal in de reactie, de nummering uit de schriftuur aan.
1. [betrokkene 15]
De advocaat-generaal heeft aangegeven dat het noodzaakcriterium op dit verzoek van toepassing is, omdat [betrokkene 15] door de rechter-commissaris al als getuige is gehoord. Bij die gelegenheid heeft [betrokkene 15] zich echter op zijn verschoningsrecht beroepen. In de reactie heeft de advocaat-generaal ook aangegeven dat voor zover de getuigenverzoeken zien op personen die reeds eerder door de verdediging zijn gehoord en die getuigen zich destijds op hun verschoningsrecht hebben beroepen, het noodzakelijkheidscriterium ruimhartig zal worden toegepast. Ik verzoek uw hof dat over te nemen. [betrokkene 15] komt inmiddels geen verschoningsrecht meer toe. Ik zou [betrokkene 15] onder meer willen vragen door wie hij gevraagd is om gelden te wisselen, om wat voor bedragen het ging en met welke frequentie hij gelden heeft gewisseld. Dergelijke vragen zouden gesteld moeten worden.
komt tevens in de bewijsmiddelen terug.
De rechtbank heeft eerder het verdedigingsbelang ten aanzien van deze getuige onderkend. De toepassing van het noodzaakcriterium ligt daar voor wat betreft deze getuige dicht tegenaan.
3. [betrokkene 25]
Tegen dit verzoek verzet het Openbaar Ministerie zich niet. Mijn inziens dienen [betrokkene 25] en [verdachte] in elkaars zaken als getuige gehoord te worden.
(…)
12. [betrokkene 41]
(…)
14. [betrokkene 46]
Het betreft hier de juwelier, diens vrouw en diens zoon, genoemd in zaaksdossier 14. Niet duidelijk is of deze getuigen door de rechtbank alleen zijn gebruikt in relatie tot feit 3, of ook voor het bewezen verklaarde witwassen.
De activiteiten rondom de juwelierszaak van [betrokkene 41] raken wel aan het ten laste gelegde onder 3, betreffende het wisselen van coupures.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat er voldoende bewijs voorhanden is. De verzoeken dienen natuurlijk om dat te toetsen. Daarvoor is het nodig dat deze drie getuigen worden gehoord. Ik wens hen te bevragen over de omvang van de transacties en de periode waarin die plaatsvonden. Dat is van belang, ook als vaststaat dat er transacties zijn geweest.
(…)
22. [betrokkene 35]
(…)
Tegen het horen van deze getuigen verzet het Openbaar Ministerie zich niet.
(…)
25. [betrokkene 37]
Deze getuige wens ik te bevragen over de betalingen die via [J ] liepen. Hoe is dat gelopen, in welke periode gebeurde het en was de verdachte daarbij betrokken? Ik wil de getuige daarover aldus nadere vragen stellen.
26. [betrokkene 16]
(…)
28. [betrokkene 18]
(…)
Ik wens deze getuigen te bevragen over de aard en omvang van het reguliere Hawalah-bankieren, de rol van de verdachte daarbij en over de wijze waarop de betalingen in hun werk gingen en de omvang van die betalingen.
(…)
36. [betrokkene 12]
(…)
Tegen het horen van deze getuigen verzet het Openbaar Ministerie zich niet.
(…)
Na hervatting van het onderzoek voert de advocaat-generaal het woord als volgt:
Ten aanzien van het door de raadsman onder 1 genoemde verzoek [betrokkene 15] als getuige te doen horen zie ik het verdedigingsbelang. Ik verzet mij daartegen niet.
(…)
De advocaat-generaal heeft voor het overige gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie d.d. 19 mei 2016.
De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid tot het geven van een laatste reactie op de verzoeken van de verdediging.
De raadsman voert daartoe het woord als volgt:
De stelling van de advocaat-generaal dat de verdachte eerst zelf een verklaring moet afleggen voordat de getuigen bevraagd kunnen worden, is mijns inziens niet houdbaar.
(…)
De voorzitter deelt vervolgens als beslissing van het hof mede dat het hof de behandeling van de zaak zal schorsen tot de terechtzitting van 3 juni 2016 te 9.30 uur, op welke terechtzitting het hof de beslissingen op de verzoeken van de verdediging zal meedelen. De aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman op die terechtzitting is wat het hof betreft niet noodzakelijk.’
15. Op de terechtzitting van 3 juni 2016 heeft het hof als beslissingen op de door de verdediging gedane verzoeken onder meer medegedeeld:
‘Alvorens de beslissingen van het hof mee te delen, deelt de voorzitter ten aanzien van de verzoeken van de verdediging het volgende mede:
Getuigenverzoeken
Bij de beoordeling van de door de verdediging gedane getuigenverzoeken heeft het hof het volgende vooropgesteld.
Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing.. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.
Ten aanzien van de door de verdediging in de onderhavige zaak verzochte getuigen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering, stelt het hof vast dat voor het overgrote deel van de verzochte getuigen geldt dat door de verdediging niet is gemotiveerd wat de betreffende getuige belastend over de verdachte heeft verklaard en waarom dit wordt betwist, terwijl evenmin is aangegeven wat een bepaalde getuige ontlastend over de verdachte zou kunnen verklaren ter staving van de betwisting van het ten laste gelegde.
Het overgrote deel van de door de verdediging gedane verzoeken heeft daarentegen betrekking op het kunnen doen van aanvullend nader onderzoek en voldoet daarmee niet aan de motivering die van de verdediging mag worden verlangd, hetgeen consequenties met zich meebrengt voor de beoordeling van deze verzoeken door het hof.
De voorzitter deelt vervolgens de navolgende beslissingen van het hof mede.
Het hof
wijst toe- overeenkomstig het standpunt van het Openbaar Ministerie - het verzoek tot het doen horen van de navolgende personen als getuige:
3. [betrokkene 25]
22. [betrokkene 35]
36. [betrokkene 12]
(…)
Het hof wijst voorts
afde verzoeken strekkende tot het horen als getuige van de volgende personen:
(…)
12. [betrokkene 41]
(…)
14. [betrokkene 46] .
(…)
25. [betrokkene 37]
26. [betrokkene 16]
(…)
28. [betrokkene 18]
(…)
Het hof is van oordeel dat deze verzoeken noch in de appelschriftuur, noch ter terechtzitting in hoger beroep voldoende nauwkeurig en concreet zijn onderbouwd. Uit de aan de verzoeken ten grondslag gelegde motivering blijkt – mede in het licht van de inhoud van het dossier – in onvoldoende mate dat het horen van deze getuigen van belang is.
Het hof acht het horen van voornoemde getuigen niet noodzakelijk en is voorts van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van voornoemde getuigen de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.
Het hof
wijsteveneens
afde verzoeken strekkende tot het horen als getuige van de volgende personen:
1. [betrokkene 15]
Het horen van de getuige [betrokkene 15] acht het hof niet noodzakelijk. Mede in het licht van de inhoud van het dossier, is het hof uit de door de verdediging aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet gebleken. Het hof acht zich voldoende ingelicht. Ook bezien vanuit het belang van de verdediging, ziet het hof geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.
(…)
Het gerechtshof, gehoord de raadsman en de advocaat-generaal,
schorsthierop het onderzoek voor
onbepaalde tijd;
verwijst de zaak naar de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof teneinde de volgende getuigen te horen – na adresverificatie van het Openbaar Ministerie –:
[betrokkene 25]
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats ]
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
BRP-adres:
[q-straat 1]
[plaats]
,
[betrokkene 35]
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats ]
[r-straat 1] te [plaats] ,
[betrokkene 12]
geboren op [geboortedatum] 1984
wonende te [plaats] ,
stelt de stukken daartoe in zoverre in handen van de raadsheer-commissaris;’
16. Op 10 augustus 2012 is [betrokkene 25] reeds door de rechter-commissaris als getuige gehoord in (onder meer) de zaak tegen de verdachte. Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor van die datum blijkt dat hij toen heeft verklaard:
‘Ik ben vandaag niet bereid een verklaring af te leggen. Als mijn advocaat dat adviseert, ben ik wel bereid om later op zitting vragen te beantwoorden.’
17. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een e-mail van de toenmalig raadsman van [betrokkene 25] , mr. J. Huibers, van 2 augustus 2017 aan de raadsheer-commissaris. Deze e-mail houdt het volgende in:
‘Met betrekking tot een verhoor in de Verenigde Staten, van mijn cliënt
[betrokkene 25], op
maandag 14 augustus a.s.vraag ik uw aandacht voor het volgende.
In maart 2015 hebben wij telefonisch en per email overleg gevoerd over een getuigenverhoor van cliënt. Voor de volledigheid zal ik na deze email nog enkele andere berichten van toen aan u doorsturen.
Van cliënt begreep ik dat hij onlangs gedagvaard is om op 14 augustus a.s. een getuigenverklaring af te leggen. Telefonische navraag bij de [betrokkene 47] wees mij uit dat cliënt dan gehoord wordt in de zaken tegen [betrokkene 17] en [betrokkene 48] .
In die zaken is het standpunt van cliënt hetzelfde als in 2015.
Op 3 maart 2015 schreef ik u daar over:
"Edelgrootachtbare vrouwe,
In navolging van uw emailbericht van heden en ons telefoongesprek van vanmiddag, informeer ik u hierbij als volgt over het als getuige horen van mijn cliënt[betrokkene 25] .
In de Yox-zaak heb ik cliënt nagenoeg van meet af aan bijgestaan. Voor wat betreft de beantwoording van vragen heb ik hem steeds geadviseerd om gebruik te maken van zijn zwijgrecht.
Dat advies heeft cliënt ook steeds opgevolgd.
Ter zake een verhoor als getuige heb ik cliënt geadviseerd om gebruik te maken van zijn (m.i. inderdaad integrale) verschoningsrecht.
Dat advies heeft hij bij een eerder verhoor als getuige, op 10 augustus 2012 bij de RC in Rotterdam, ook opgevolgd.
Bij een volgend verhoor zal mijn advies gelijk luiden en zal cliënt opnieuw gebruik maken van zijn verschoningsrecht.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Graag zou ik de concepttekst van de verklaring die u door cliënt zou willen laten ondertekenen nog per email ontvangen.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 49] "
Daarop heeft cliënt een verklaring ondertekend waarin hij aangeeft van zijn verschoningsrecht gebruik te maken en is van een verhoor verder afgezien.
Nu voor de zaken tegen [betrokkene 17] en [betrokkene 48] hetzelfde geldt, stel ik voor om cliënt opnieuw een verklaring te laten ondertekenen en hem niet als getuige te horen.’
18. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
‘In de strafzaken tegen de verdachten:
(…)
Naam : [verdachte]
Geboren op : [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats ]
Wonende te : zonder vaste woon- en/of verblijfplaats hier te lande
(…)
De raadsheer-commissaris constateert:
Het gerechtshof Den Haag heeft ter terechtzitting van 3 juni 2016 de strafzaken van [verdachte] en [betrokkene 25] verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van getuigen.
In de strafzaak van [verdachte] zijn de volgende getuigen toegewezen:
- [betrokkene 25]
- [betrokkene 12]
- [betrokkene 35]
(…)
Uit raadpleging van de GBA-gegevens en de ID-staten SKDB bleek dat geen van de getuigen geregistreerd stond op een Nederland adres.
Omdat uit een ander strafrechtelijk onderzoek naar voren was gekomen dat [betrokkene 25] woonachtig is op een adres in de Verenigde Staten van Amerika, is in het kader van dat onderzoek op 18 oktober 2016 een rechtshulpverzoek verstuurd aan de Amerikaanse autoriteiten, inhoudende het horen van [betrokkene 25] als getuige. Naar aanleiding van de toewijzing van [betrokkene 25] als getuige in het onderhavige onderzoek, is aan de Amerikaanse autoriteiten verzocht om [betrokkene 25] ook in dit onderzoek als getuige te mogen horen. Het videoverhoor van [betrokkene 25] is vervolgens op 14 augustus 2017 ingepland. Op 3 augustus 2017 heeft de raadsman van [betrokkene 25] telefonisch laten weten dat [betrokkene 25] had aangegeven dat hij gebruik zou gaan maken van zijn verschoningsrecht en dat hij hiervan op voorhand een verklaring wilde ondertekenen. Middels tussenkomst van de Nederlandse Ambassade in Washington heeft [betrokkene 25] een dergelijke verklaring ondertekend, welke op 14 augustus 2017 door mij is ontvangen en als bijlage aan dit proces-verbaal is gehecht. Het videoverhoor heeft daarom niet plaatsgevonden.
(…)
Uit de ID-staten SKDB van getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] bleek dat zij woonachtig zouden zijn in het Verenigd Koninkrijk. Op 19 maart 2018 is daarom via het IRC ook een EOB verstuurd aan de Britse autoriteiten met het verzoek om deze getuigen via videoconferentie te kunnen horen. Op 13 september 2018 hebben de Britse autoriteiten per email een ontvangstbevestiging van het EOB verstuurd en tevens verzocht om aanvullende informatie. Deze informatie is op 13 oktober 2018 toegestuurd, waarna de Britse autoriteiten op 28 februari 2019 hebben aangegeven dat er een afspraak gemaakt kon worden voor de videoverhoren. Sindsdien is er regelmatig geprobeerd om via e-mail of telefonisch een datum af te stemmen met de Britse autoriteiten, laatstelijk op 12 april 2021, maar tot op heden is daar geen reactie meer op gekomen. De verhoren van deze getuigen hebben daarom geen doorgang kunnen vinden.’
19. Aan het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris is als bijlage een in de Engelse taal opgestelde en door hem ondertekende verklaring van [betrokkene 25] van 13 augustus 2017 gehecht. Deze verklaring houdt het volgende in:

Declaration of [betrokkene 25]
The undersigned, [betrokkene 25] , born on [geboortedatum] 1974 and having the [geboorteplaats ] nationality, sentenced to 15 months in prison in the Netherlands with respect to Article 420bis of the Penal Code, Article 2:3a Act on Financial Supervision and Article 3 paragraph 1 Act on Money Transaction Offices, which conviction is not yet irrevocable since both the undersigned and the Public Prosecutor appealed this verdict, and to whom an integral privilege of non-disclosure is entitled, will use this privilege of non-disclosure and for that reason will not answer any questions.’
20. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich e-mailcorrespondentie van 8 en 10 september 2021 tussen de griffier en de advocaat van medeverdachte [betrokkene 35] . Deze correspondentie houdt het volgende in:

Van:[e-mailadres 1]
Verzonden:Wednesday, September 8, 2021 3:25:06 PM
Aan:Nico Meijering
Onderwerp:Mega Yox
Geachte heer Meijering,
Met betrekking tot de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen uw cliënt [betrokkene 35] die aanstaande dinsdag aanvangt bericht ik u als volgt.
Het hof verneemt graag of u verwacht dat uw cliënt aanwezig zal zijn bij de zittingen en bereid is een inhoudelijke verklaring af te leggen.’
‘Van:Nico Meijering
Verzonden:vrijdag 10 september 2021 08:31
Aan:[e-mailadres 1]
Onderwerp:Re: Mega Yox
Geachte [betrokkene 50] ,
Dank voor uw bericht.
In antwoord daarop bericht ik u dat ik al zeer lang geen contact meer met cliënt heb gehad, anders dan oppervlakkig nadat de bedoeling was ontstaan om de verdediging van mr. Kramer (verder) over te nemen. Er is door mij uitputtend getracht in contact te treden met cliënt, echter vruchteloos.’
21. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een e-mail van 9 september 2021 van de advocaat-generaal gericht aan de griffier en aan de raadsman van de verdachte met als onderwerp ‘oproepen getuigen [verdachte] en [betrokkene 25] voor de zitting van 14 september aanstaande om 9:30 (Yox)’. Deze e-mail houdt onder meer het volgende in:
‘Geachte [betrokkene 51] , geachte griffier,
Vandaag sprak ik telefonisch met [betrokkene 51] (advocaat in de zaken tegen [verdachte] , [betrokkene 25] en [betrokkene 52] ).
Op 7 september jongstleden ontving ik het proces-verbaal van het kabinet RHC in verband met de niet-gehoorde getuigen in deze zaak. [betrokkene 51] had dit proces-verbaal nog niet ontvangen, maar ik heb hem de strekking daarvan meegedeeld.
[betrokkene 51] reageerde daarop verbaasd: hij gaf aan dat het kabinet RHC nooit met hem contact had opgenomen om bijvoorbeeld naar adressen te vragen en ook niet om getuigenverhoren te plannen. Hij gaf ook aan dat [betrokkene 25] wel degelijk bereid zou zijn om in de zaak tegen [verdachte] als getuige een verklaring af te leggen. Hij deelde mij ook mede dat hij overweegt om aanhouding van de zaak te vragen om de getuigen alsnog te laten horen.
Ik heb daarop contact opgenomen met de raadsheer-commissaris en gevraagd of er aanvullend proces-verbaal opgemaakt zou kunnen worden (als er iets aanvullends op te merken zou zijn) en ook om verduidelijking gevraagd met betrekking tot de laatste alinea van dit proces-verbaal aangaande het niet doorgaan van het verhoor van [verdachte] . Ik begreep dat niet helemaal, zeker niet in combinatie met het feit dat [verdachte] al sinds 2011 in het BRP op hetzelfde adres in [plaats] staat ingeschreven.
Op de aktes van betekening heb ik gezien dat de oproepingen voor de zitting voor zowel [betrokkene 25] als [verdachte] door " [betrokkene 53] " op het adres in ontvangst zijn genomen met de toezegging deze aan hen door te geleiden. Ik ga er dan ook vanuit dat deze verdachten op de hoogte zijn van de zitting en dat hun aanwezigheid daarbij gewenst is.
Een en ander heeft mij doen besluiten om de heren [verdachte] en [betrokkene 25] als getuige te doen oproepen op de zitting. Deze oproeping is heden verstuurd aan het bekende adres in [plaats] . Ik ga er vanuit dat beide heren de agenda reeds hebben vrijgehouden of gemaakt om bij de inhoudelijke behandeling van hun zitting aanwezig te zijn. Nu ze op dezelfde dag ook beiden als verdachte zijn opgeroepen moet het geen probleem zijn om op die dag ook als getuige een verklaring af te leggen, zeker wanneer - zoals [betrokkene 51] mij verzekerde - men juist graag wil verklaren.’
22. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 13 september 2021. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
‘In de strafzaken tegen de verdachten:
(…)
Naam : [verdachte]
Geboren op : [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats ]
Wonende te : [plaats]
(…)
De raadsheer-commissaris constateert:
In aanvulling op het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 september 2021, merk ik het volgende op over de getuigen [betrokkene 25] en [verdachte] .
In het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek is op 18 oktober 2016 een rechtshulpverzoek gestuurd aan de Amerikaanse autoriteiten, inhoudende het horen van [betrokkene 25] als getuige. Het contact hierover verliep via de Nederlandse ambassade in Washington. Nadat [betrokkene 25] ook in het onderhavige onderzoek als getuige was toegewezen, is aan de Nederlandse ambassade verzocht om bij de Amerikaanse autoriteiten na te gaan of daarvoor een apart en/of aanvullend rechtshulpverzoek zou moeten worden opgesteld. Dit bleek niet het geval te zijn en [betrokkene 25] kon ook in het onderzoek Yox worden gehoord. Vervolgens heeft de toenmalige raadsman van [betrokkene 25] , mr. J.A. Huibers, blijkens de agenda van het kabinet raadsheer-commissaris op 3 augustus 2017 telefonisch laten weten dat [betrokkene 25] gebruik wenste te maken van zijn verschoningsrecht en dat hij hiervan een schriftelijke verklaring wilde opstellen. Middels tussenkomst van de Nederlandse ambassade heeft [betrokkene 25] een dergelijke verklaring ondertekend, welke op 14 augustus 2017 door mij is ontvangen. [betrokkene 25] is daarom niet als getuige gehoord.’
23. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14, 17, 21 en 23 september 2021 en 4 oktober 2021 houdt onder meer het volgende in:

14 september 2021
(…)
Alvorens de advocaat-generaal de zaak voordraagt deelt de raadsman mede dat hij voorafgaand aan de voordracht in de gelegenheid gesteld wil worden een preliminair verweer te voeren, dat hij zich op het standpunt stelt dat de zaak thans niet gereed is voor een inhoudelijke behandeling en in dat verband nog nadere verzoeken heeft, waarbij hij verwijst naar zijn e-mail van 13 september 2021.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman mede:
(…)
Er dient ook rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat geen van de toegewezen getuigen is gehoord. Ik heb met verbazing het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021 gelezen. Vanaf de verwijzing van de zaak naar de raadsheer-commissaris op 3 juni 2016 is er immers, op één e-mail na waarin werd gevraagd om verhinderdata, niets met mij gecommuniceerd over de verwijzingsopdracht in de onderhavige zaak. Er is dus bijna 5,5 jaar niets gebeurd in deze zaak. Ik heb eerder ook reeds voorgesteld om eerst nogmaals een regiezitting te plannen, omdat er geen uitvoering is gegeven aan de verwijzingsopdracht. Ik heb vorige week contact gehad met de advocaat-generaal om te beproeven wat zij voor ogen had met de zaak. Ik had gehoopt dat de advocaat-generaal zou zeggen dat zij het niet meer redelijk zou vinden om cliënt terug te sturen naar de gevangenis, maar dat was helaas niet het geval. Daardoor kijk ik ook op een bepaalde wijze naar het voeren van de verdediging en doe ik niet zomaar afstand van getuigen en formuleer ik dit evenmin als een soort voorwaardelijk verzoek. Ik handhaaf aldus het standpunt dat de eerder toegewezen getuigen alsnog gehoord moeten worden. De advocaat-generaal dacht dit te kunnen ondervangen door vandaag [betrokkene 25] als getuige op te roepen. Maar hij is echter kennelijk opgeroepen op het adres [j-straat 1] te [plaats] , terwijl duidelijk is dat [betrokkene 25] daar niet woont en er een adres van hem bekend is in de Verenigde Staten. Hij is ook niet ter terechtzitting verschenen. De reeds eerder toegewezen getuigenverzoeken worden aldus nog steeds gehandhaafd.
Daarop aanvullend zal ik een aantal getuigenverzoeken herhalen die op de regiezitting zijn afgewezen. Dit betreffen getuigen die belastend hebben verklaard. Gelet op de recente Keskin jurisprudentie zijn dit verzoeken waar het hof niet omheen kan. (…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal mede:
(…) Ik ben het niet eens met de stelling van de raadsman dat er na de verwijzing naar het kabinet RH-C niets is gebeurd. Er zijn immers twee processen-verbaal van de raadsheer-commissaris waaruit blijkt wat er is gebeurd. Dat de toegewezen getuigen niet zijn gehoord, is niet iets waar het openbaar ministerie invloed op heeft. In de onderhavige zaak zijn drie getuigen toegewezen, te weten [betrokkene 25] , [betrokkene 35] en [betrokkene 12] . Gelet op de inhoud van de processen-verbaal van de raadsheer-commissaris is er in 2016 een rechtshulpverzoek verstuurd naar de Verenigde Staten teneinde [betrokkene 25] als getuige te horen. Ook is duidelijk dat hierover in 2017 is gecommuniceerd en dat [betrokkene 25] in een schriftelijke verklaring die door hem is ondertekend de dag vóórdat het verhoor was gepland, te kennen heeft gegeven dat hij geen verklaring wenst af te leggen. Het is mij bekend dat het kabinet geen data voor verhoren inplant zonder dat dit is gecommuniceerd met de verdediging en de advocaat-generaal. Ik neem aan dat dit in deze zaak ook zo is gebeurd. Gelet op de vaststelling dat [betrokkene 25] geen verklaring wenst af te leggen, meen ik dat uitvoering is gegeven aan deze opdracht.
De getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] zijn onvindbaar zoals gerelateerd door de raadsheer-commissaris. Daarbij komt dat [betrokkene 35] kennelijk niet van plan is om als getuige een verklaring af te leggen, nu zijn raadsman, mr. Meijering, in de strafzaak tegen [betrokkene 35] te kennen heeft gegeven dat hij uitputtend geprobeerd heeft om zijn cliënt te bereiken, maar dat dit niet is gelukt. De raadsheer-commissaris heeft aldus de afgelopen jaren getracht uitvoering te geven aan de verwijzingsopdracht, maar het is niet gelukt. (…)
De raadsman deelt daarop mede:
(…)
Ik ben mijn administratie nagegaan en heb gezien dat er geen communicatie is geweest met betrekking tot het inplannen van verhoren bij de raadsheer-commissaris. Er is over geen enkel getuigenverhoor met mij gesproken, behoudens één verzoek.om verhinderdata van de griffier van de raadsheer-commissaris. De opmerking van de advocaat-generaal hierover zou suggereren dat ik iets zeg dat niet klopt, en dat is niet goed.
(…)
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
(…) Het hof realiseert zich dat de verwijzing naar de raadsheer-commissaris teneinde een drietal getuigen te horen waanzinnig lang heeft geduurd en dat dit geen goede gang van zaken betreft. Het kabinet heeft echter wel meerdere rechtshulpverzoeken verstuurd en geprobeerd de getuigen te horen. Dit heeft geresulteerd in de vaststelling dat [betrokkene 25] geen verklaring wenst af te leggen. De andere twee toegewezen getuigen konden niet gevonden worden.
(…)
De raadsman deelt mede dat hij graag in de gelegenheid wil worden gesteld om onderzoekswensen in te dienen en in verband daarmee een aanhoudingsverzoek te willen doen.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman mede:
Zoals ik reeds, weliswaar wat laat voorafgaand voor de zitting, in mijn e-mail van 13 september 2021 heb kenbaar gemaakt, wens ik een aantal eerder afgewezen verzoeken thans te herhalen. In dat verband is van belang om nog het een en ander op te merken over de gang van zaken met betrekking tot de verwijzing naar de raadsheer-commissaris.
Op 3 juni 2016 heeft het hof een aantal onderzoekswensen toegewezen, namelijk het horen van [betrokkene 25] , [betrokkene 35] en [betrokkene 12] als getuigen. Vastgesteld kan worden dat het niet is gelukt om die getuigen te horen. De vraag is wat de raadsheer-commissaris hiertoe precies heeft gedaan, wat zij had kunnen doen en wat zij alsnog zou moeten doen. Ik stel nogmaals voorop dat er vanuit het kabinet, op één e-mail na die ik aan het hof zal overleggen, niet met de verdediging is gecommuniceerd. Dat vind ik onbegrijpelijk. In januari 2020 kwam het verzoek van de Verkeerstoren om verhinderdata door te geven in verband met de planning van een inhoudelijke behandeling. Dat verzoek kwam voor mij als een verrassing, omdat er nog geen uitvoering was gegeven aan de verwijzingsbeslissing. Ik heb daarop een e-mail gestuurd en naar aanleiding daarvan heb ik niets meer vernomen. Uiteindelijk is de inhoudelijke behandeling in deze periode gepland. Ik heb begin dit jaar wederom contact opgenomen en aangegeven dat het mijns inziens raadzaam is om eerst een regiezitting te plannen om de stand van zaken te bekijken. Ook daar is niets mee gedaan. Ik moet toegeven dat ik laat ben begonnen met de voorbereiding van deze zittingsdagen, maar in feite is er sinds de regiezitting in mei 2016 niets veranderd.
Zoals gezegd heb ik uiteindelijk contact gezocht met de advocaat-generaal om te beproeven wat voor afronding van de zaak zij voor ogen had. Pas toen werd ik via de advocaat-generaal op de hoogte gesteld van een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris. Dat proces-verbaal heeft mij tot gisteren niet bereikt. Ik heb het enkel via de advocaat-generaal mogen ontvangen, ik geloof dat dat afgelopen vrijdag was. De vraag is of er nog andere correspondentie of processen-verbaal van de raadsheer-commissaris zijn die ik niet heb ontvangen. Dat kan ik niet nagaan. De vraag die ik aan het hof voorleg is of de raadsheer-commissaris wel dat heeft gedaan wat redelijkerwijze van haar kon worden verlangd. U zult begrijpen dat de verdediging die vraag ontkennend beantwoordt. Indien er contact met mij was opgenomen had ik mogelijk kunnen bemiddelen. Ik zal nu verder per getuige het een en ander naar voren brengen.
Voor de getuige [betrokkene 25] geldt het volgende. In het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021 is te lezen dat er naar aanleiding van een verstuurd rechtshulpverzoek een videoverhoor stond ingepland op 14 augustus 2017, maar dat de raadsman van [betrokkene 25] heeft laten weten dat [betrokkene 25] heeft aangegeven dat hij gebruik zou gaan maken van zijn verschoningsrecht. Ik stel voorop dat er met mij nooit is gecommuniceerd over een voorgenomen verhoor van [betrokkene 25] . Verder is nooit gecommuniceerd dat het rechtshulpverzoek zou zien op de onderhavige zaak Yox 2. Integendeel, uit een e-mail van mr. Huibers, de toenmalige raadsman van [betrokkene 25] , blijkt dat hij in 2017 een e-mail heeft gestuurd en heeft medegedeeld dat [betrokkene 25] in die zaken niet bereid is om een verklaring af te leggen. Dat betreffen dus andere zaken. Het standpunt van [betrokkene 25] is altijd geweest dat hij wel bereid is om een verklaring af te leggen in de zaak tegen zijn zwager, zijnde de verdachte. Hij is echter eenvoudigweg nooit opgeroepen geweest in deze zaak. Dat de raadsheer-commissaris dan in het aanvullend proces-verbaal van 13 september 2021 heeft getracht dit te pareren door te beschrijven dat een apart en/of aanvullend rechtshulpverzoek niet hoefde te worden opgesteld, is te kort door de bocht. Als er slechts één keer telefonisch contact met mij zou zijn opgenomen dan had hierover uitsluitsel bestaan. Gelet op deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de raadsheer-commissaris alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mogelijk was om de getuige te horen. Integendeel, er is eigenlijk niets gedaan. Ik stel mij op het standpunt dat dit alsnog moet gebeuren en dat thans niet kan worden gezegd dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. De getuige is woonachtig in de Verenigde Staten. De advocaat-generaal heeft deze getuige voor de zitting van vandaag opgeroepen op een adres waarvan zij weet dat hij daar woont noch verblijft. Het is daarom niet raar dat hij vandaag niet opeens toch is verschenen. Ook al is hij ook als verdachte opgeroepen voor deze zittingsdagen, het is onduidelijk of hij daadwerkelijk bekend is met deze zitting. Ik weet ook niet of hij hiervan op de hoogte is. Ik heb immers geen contact met hem gehad. Ik ben wel gemachtigd ook namens hem, [betrokkene 25] dus, de verdediging te voeren, dat is in een eerder stadium al besproken. Ik kan aldus namens hem zeggen dat hij bereid is om een verklaring af te leggen in de zaak van [verdachte] .
Voor de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] geldt het volgende. Ook daarover is niets met de verdediging gecommuniceerd. Uit het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021 wordt duidelijk dat de Britse autoriteiten hebben aangegeven dat er een afspraak kon worden gemaakt voor videoverhoren en dat er regelmatig is geprobeerd een datum af te stemmen. Ik heb al die tijd van niets geweten. Ook ten aanzien van deze getuigen weet ik niet precies wat er is gebeurd. Ik vraag mij af hoe standvastig is getracht om de verhoren te laten plaatsvinden. Ik wil daarom de e-mails inzien om te kijken hoe vaak is geprobeerd om uitvoering te geven aan de verwijzingsopdracht. Gelet op deze stand van zaken kan ik nu niet vaststellen dat het onaannemelijk is dat deze getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Er ligt immers een lijntje uit bij de Britse autoriteiten en er zijn adressen van de getuigen bekend. Het is kennelijk blijven steken bij het afstemmen van een datum. Daarom zou alsnog een poging moeten worden ondernomen om deze getuigen te horen.
In verband met het voorgaande verzoek ik om alle relevante verwijzingsstukken van de raadsheer-commissaris met betrekking tot alle drie de getuigen aan mij te verstrekken. Op die manier kan de verdediging inzien wat er na de verwijzing is gebeurd. Zitten er bijvoorbeeld andere processen-verbaal in dat dossier dan de processen-verbaal van bevindingen van 7 en 13 september 2021? Is er een reactie gekomen op het rechtshulpverzoek? Deze vragen zijn van belang om te kunnen beoordelen of daadwerkelijk kan worden gezegd dat het onaannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord.
Daarnaast zou ik graag de betekeningsstukken willen ontvangen ten aanzien van [betrokkene 25] . Mocht het zover komen, dan zal ik mij hierover bij pleidooi ook uitlaten, maar ik acht het ook van belang in het kader van het verzoek om de zaak aan te houden, teneinde [betrokkene 25] als getuige te horen.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal in reactie op de raadsman mede:
Het klopt dat geen van de toegewezen getuigen is gehoord. Ik vraag mij af wat de relevantie is bij de vaststelling welke communicatie er is geweest tussen de raadsman en het kabinet in verband met de beoordeling of de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Ik twijfel niet aan de bevindingen van de raadsheer-commissaris zoals gerelateerd in de twee processen-verbaal. Ik acht het niet nodig om de onderliggende stukken aan het dossier toe te voegen, omdat er geen reden is om te twijfelen aan voornoemde processen-verbaal.
De raadsman stelt weliswaar dat [betrokkene 25] bereid is om als getuige een verklaring af te leggen, maar dat is op geen enkele manier vast te stellen. Ik constateer dat [betrokkene 25] in het onderzoek Yox een beroep heeft gedaan op zijn zwijgrecht en dat hij ook bij de rechter-commissaris als getuige is gehoord in de zaak tegen [verdachte] , alwaar hij kenbaar heeft gemaakt niets te willen verklaren. De stelling van de raadsman dat [betrokkene 25] altijd bereid is geweest om een verklaring af te leggen is dus onjuist. Er zou dan kennelijk thans iets zijn veranderd waardoor hij wel bereid zou zijn, maar onduidelijk is wat er dan is veranderd en dat weet de raadsman dus ook niet want hij heeft geen contact meer gehad met [betrokkene 25] voorafgaand aan de zitting. Daarnaast speelt een rol dat uit de correspondentie met mr. Huibers blijkt dat [betrokkene 25] zonder enig voorbehoud een schriftelijke verklaring heeft getekend inhoudende dat hij niet wenst te verklaren. Er is derhalve uitvoering gegeven aan de verwijzingsopdracht en de raadsheer-commissaris heeft daartoe voldoende verricht. Ik zie geen reden om de zaak daartoe aan te houden.
Ik heb in mijn e-mail van 9 september 2021 uitgelegd waarom ik [betrokkene 25] als getuige heb opgeroepen en waarom ik dat op dat adres heb gedaan. Dit is immers het enige adres waarvan ik dacht dat de oproeping hem op korte termijn zou kunnen bereiken. Als hij heel graag een verklaring wenst af te leggen in de zaak tegen [verdachte] , die daar kennelijk een belang bij heeft, en eerder de oproeping van [betrokkene 25] om als verdachte te verschijnen daar is uitgereikt aan zijn schoonzus die verklaarde de brief aan [betrokkene 25] te overhandigen, dan is dat het beste adres om hem te bereiken. Als [verdachte] daadwerkelijk belang zou hebben bij het horen van [betrokkene 25] als getuige, dan had het voor de hand gelegen dat op enige wijze een reactie was gekomen van [betrokkene 25] waaruit blijkt dat hij als getuige een verklaring wenst af te leggen. Het openbaar ministerie was niet op de hoogte van het adres van [betrokkene 25] in de Verenigde Staten. In het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021 is opgenomen dat er kennelijk een adres in de Verenigde Staten is waar [betrokkene 25] bereikt kon worden. Daar staat echter geen adres in. Dit had het openbaar ministerie wel kunnen nagaan bij het kabinet, maar dat heb ik niet gedaan. Ik heb hem als getuige opgeroepen op het adres waarvan ik wist dat er iemand zou zijn die communicatie aan hem zou doorgeven.
Voor de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] geldt dat wat in het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris staat correct is en het algemeen bekend is dat het vrijwel onmogelijk is om uit het Verenigde Koninkrijk een reactie te krijgen op een rechtshulpverzoek. Het is meerdere malen geprobeerd, maar niet gelukt. Ik acht het niet nodig om de onderliggende stukken van de raadsheer-commissaris te verstrekken. Ik acht het bovendien niet aannemelijk dat deze getuigen binnen een afzienbare tijd gehoord kunnen worden.
(…)
In reactie op de advocaat-generaal deelt de raadsman mede:
De vraag of het aannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord moet worden beoordeeld naar aanleiding van hetgeen heeft plaatsgevonden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verhoren alsnog doorgang moeten krijgen. Van alle drie de getuigen zijn adressen bekend. Met betrekking tot [betrokkene 25] geldt dat vlak na het vonnis in eerste aanleg en dus in hoger beroep een andere proceshouding is aangenomen, waardoor hij bereidwillig is om een verklaring af te leggen. Er is dus wel degelijk contact geweest met [betrokkene 25] ; niet voorafgaand aan de zitting van vandaag, maar wel in een veel eerder stadium waar dit punt aan de orde is gekomen.
Ik herhaal nogmaals dat er naar mijn weten nooit contact is opgenomen met mr. Huibers met betrekking tot getuigenverhoren in de onderhavige zaak. Dan had hij mij dat immers wel laten weten. Het lijkt mij daarbij uitermate onwaarschijnlijk dat er met mr. Huibers wordt gecommuniceerd over het horen van [betrokkene 25] als getuige in de onderhavige zaak en niet met mij.
Ik stel vast dat de advocaat-generaal in feite vooruit loopt op de feiten. [betrokkene 25] heeft via mij aangegeven dat hij een verklaring wenst af te leggen als getuige. Er is een adres van hem bekend. Het belang om hem te horen is reeds door het hof onderkend. Dat afgezet tegen de omstandigheid dat er in de lange periode na de verwijzing niets is gebeurd, brengt mij tot de conclusie dat gemakkelijk geregeld zou kunnen worden dat de verdachte binnen een jaar kan worden gehoord.
Naar aanleiding van de opmerking van de advocaat-generaal dat zij niet bekend was met het adres van de Verenigde Staten, komt bij mij de vraag op wat er dan in de onderliggende stukken van de raadsheer-commissaris staat. Er moet toch ook vóór 7 september jl. verslag zijn gedaan en er moet toch een rechtshulpverzoek aanwezig zijn waarop het adres staat? Ik heb er geen kennis van kunnen nemen, maar veronderstel dat het openbaar ministerie - dat verantwoordelijk is voor de oproepingen - wel inzage heeft in het rechtshulpverzoek. Bovendien kan de advocaat-generaal zich er niet achter verschuilen dat zij niet bekend was met het adres, want zij had hiervan wellicht op de hoogte moeten zijn.
Met betrekking tot de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] beticht ik de raadsheer-commissaris er niet van dat zij onwaarheden zou relateren, maar ik wens een standpunt te kunnen innemen over hoe aannemelijk het is dat deze getuigen gehoord kunnen worden. Daarbij is relevant hoeveel moeite er is gedaan door het kabinet. Vooralsnog stel ik mij op het standpunt dat ook van deze getuigen kan worden gezegd dat we behoorlijk dichtbij een daadwerkelijk verhoor waren. Het is niet zo dat er niets is gebeurd. Het is enkel gestopt bij de feitelijke uitvoering. Dan zijn we zo dichtbij, dat ik vind - kijkend naar de hele gang van zaken en hoe lang er niets is gebeurd - dat het niet onaannemelijk is dat de getuigen alsnog komend jaar gehoord kunnen worden en dat alsnog moet gebeuren.
In reactie daarop deelt de advocaat-generaal mede:
Het adres in de Verenigde Staten van [betrokkene 25] is niet opgenomen in de SKDB-staat. Hij heeft zelf nooit aangegeven waar de autoriteiten hem kunnen bereiken.
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman omtrent de nieuwe getuigenverzoeken mede:
Ik verwijs naar de nummering zoals gehanteerd in de appelschriftuur.
(…)
- Een zestal getuigenverzoeken die eerder zijn afgewezen door het hof zal ik herhalen en ik vraag het hof om het eerdere oordeel omtrent die verzoeken te herzien. Het gaat om: [betrokkene 41] (nr. 12), [betrokkene 42] (nr. 14), (…), [betrokkene 37] (nr. 25), [betrokkene 16] (nr. 26) en [betrokkene 18] (nr. 28). Gelet op de gewijzigde jurisprudentie sinds de regiezitting, met name de Keskin jurisprudentie, dienen de verzoeken te worden toegewezen. De verzoeken waren destijds ruim voldoende gemotiveerd zodat deze in het licht van de huidige jurisprudentie dienen te worden toegewezen. Deze zes getuigen hebben allemaal belastend verklaard. De belastende verklaringen zijn door de rechtbank voor het bewijs gebezigd. Ik heb deels in de appelschriftuur en op de vorige zitting aangegeven waarom die getuigen moeten worden gehoord. Die motivering is thans hetzelfde, alleen het beoordelingskader is veranderd.
- Hetzelfde geldt voor de getuigen [betrokkene 15] (nr. 1) en [betrokkene 45] (nr. 18) en daar komt bij dat de advocaat-generaal zich op de regiezitting niet heeft verzet tegen het horen van deze getuigen. Ook zij hebben belastend verklaard en ten aanzien van nummer 1 geldt dat deze voor het bewijs gebezigd. Ik verzoek het hof daarom om de eerdere beslissing tot afwijzing te heroverwegen.
Op de vraag van de voorzitter of ik de verklaring inhoudende wat het telefoonnummer is dat de betreffende getuige gebruikt als belastend beschouw, deel ik mede dat dit in zijn algemeenheid niet meteen belastend is, maar dat dit wel moet worden bezien in de context van de gehele bewijsconstructie.
De voorzitter vraagt of in het geval van [betrokkene 15] de juistheid van de verklaring wordt betwist op het punt dat hij dat betreffende telefoonnummer gebruikt.
Het gaat niet om alleen bewijsmiddel 2 zoals door de rechtbank is gebruikt, maar ook om bewijsmiddel 3 waarin aan de getuige een foto wordt getoond van cliënt en hij verklaart dat deze persoon [bijnaam 2] wordt genoemd en aan hem wordt gevraagd of hij een vergunning heeft om bankzaken te doen. Maar ik benadruk nogmaals dat dit moet worden bezien in de gehele bewijsconstructie met betrekking tot de geldtransactie.
Het hof heeft deze verzoeken eerder afgewezen omdat deze onvoldoende onderbouwd zouden zijn. Dat standpunt deel ik niet. (…)
De advocaat-generaal deelt mede dat het haar voorkeur heeft om de reactie op de getuigenverzoeken vanmiddag op schrift te stellen, waar de verdediging eventueel op kan reageren en dat de zitting aanstaande vrijdag wordt hervat. Daarbij deelt de advocaat-generaal mede dat het standpunt van het openbaar ministerie uit 2016 mogelijk is gewijzigd in het licht van de Keskin-jurisprudentie en dat zij tijd nodig heeft om inhoudelijk op de verzoeken te kunnen reageren.
Daarop deelt de voorzitter mede dat de advocaat-generaal haar schriftelijke reactie per e-mail kan verzenden naar het hof en de raadsman.’
24. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een e-mail van 15 september 2021 van de advocaat-generaal gericht aan de griffier en de raadsman van de verdachte met als onderwerp ‘reactie AG op getuigenverzoeken in de zaak Yox2 tav [betrokkene 25] en [verdachte] ’. Bij deze e-mail zit een bijlage getiteld ‘reactie getuigenverzoeken september 2021.pdf’.
24. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens op 17 september 2021 hervat. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14, 17, 21 en 23 september 2021 en 4 oktober 2021 houdt onder meer het volgende in:

17 september 2021
(…)
De voorzitter deelt mede dat de advocaat-generaal op 15 september jl. haar schriftelijke reactie op de getuigenverzoeken heeft ingebracht en stelt de raadsman in de gelegenheid hierop te reageren.
Daarop deelt de raadsman mede:
Ik stel vast dat de advocaat-generaal zich tegen 4 getuigen niet heeft verzet. De verdediging en het openbaar ministerie zijn het dus eens dat deze getuigen gehoord moeten worden. Ik reageer daarom alleen op de getuigen waar de advocaat-generaal zich wel tegen verzet.
Ten aanzien van de drie eerder toegewezen getuigen hoeven we het niet over het belang van de verdediging te hebben, want dat was eerder al onderkend en bestaat nog steeds. Bij deze getuigen dient de vraag te worden beantwoord of het aannemelijk is dat zij binnen een aanvaardbare termijn worden gehoord. Het standpunt van de advocaat-generaal hieromtrent is niet vol te houden, zeker niet als de zaak toch al zou worden aangehouden en daar kunnen we denk ik niet omheen, gelet op alle verzoeken. Als de zaak wordt aangehouden, dient dat aldus bij de beoordeling van de verzoeken te worden meegewogen. Juist omdat een verhoor van deze getuigen zo dichtbij is geweest, kan er nog een poging worden ondernomen. De adressen kloppen en er zijn contacten gelegd bij de buitenlandse autoriteiten. Het is dus een kwestie van tijd dat de verhoren zouden plaatsvinden.
Ten aanzien van de andere getuigen waar de advocaat-generaal zich tegen verzet geldt het volgende. (…)
Ten aanzien van [betrokkene 41] en [betrokkene 42] geldt dat deze verklaringen belastend zijn en voor het bewijs zijn gebruikt. Cliënt ontkent hetgeen zij hebben verklaard. Ik persisteer dus.
(…)
Het standpunt van de advocaat-generaal omtrent het verzoek tot het horen van [betrokkene 15] en [betrokkene 45] is opmerkelijk, nu zij zich eerder hiertegen niet heeft verzet. Ik persisteer bij hetgeen ik eerder hierover naar voren heb gebracht. De rechtbank heeft bewezenverklaard dat [betrokkene 15] in opdracht van cliënt is aangestuurd om geld transporten te verrichten van Frankrijk naar Nederland. Dit wordt door cliënt betwist. (…)
In reactie daarop deelt de advocaat-generaal mede:
Na de Keskin-jurisprudentie geldt niet dat bij alle voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen, ongeacht de stand van zaken, de inhoud van het dossier en de proceshouding, een verdedigingsbelang bestaat om deze getuigen te horen.
Bij de getuigenverzoeken waartegen ik mij niet heb verzet heb ik willen aangeven dat het uiteraard aan het hof is om te beoordelen of sprake is van zo'n belang. Ik heb van sommige getuigen vastgesteld dat zij belastend hebben verklaard en dat hun verklaringen voor het bewijs zijn gebruikt, maar gelet op de omstandigheid dat de verdachte dit soort transacties niet heeft ontkend, vraag ik mij af of er sprake is van een verdedigingsbelang. Ik acht dit in ieder geval niet evident aanwezig.
De omstandigheid dat het openbaar ministerie zich in 2016 op een bepaald standpunt heeft gesteld betekent niet dat dat standpunt in 2021 nog onverkort geldt. Ik heb gelet op de huidige stand van zaken en de kennis van nu bij het innemen van het standpunt.
Voor het overige perstisteer ik.
(…)
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Het hof wijst af het verzoek om verstrekking van het dossier van de raadsheer-commissaris. Door de raadsheer-commissaris zijn twee processen-verbaal van bevindingen opgemaakt en het hof acht dat voldoende.
Het hof zal de beslissingen op de gedane getuigenverzoeken aanhouden en op de verzoeken beslissen uiterlijk bij arrest, dan wel zoveel eerder als het hof dat aangewezen acht. Het hof wenst verder te gaan met de inhoudelijke behandeling.
De raadsman deelt daarop het volgende mede:
Ik heb mij gerealiseerd dat dit een mogelijkheid zou kunnen zijn, maar ik dacht dat het hof dat toch niet zou doen. Ik vind het een buitengewoon onbevredigende en onwenselijke gang van zaken. Ik heb reeds uitgelegd waarom ik vind dat de zaak niet gereed is voor een inhoudelijke behandeling. Ik ben nu hiertoe niet geëquipeerd. Ik heb op de vorige zitting een groot aantal verzoeken gedaan, waarvoor geldt dat het openbaar ministerie zich tegen een groot aantal niet heeft verzet of zich daar eerder niet tegen heeft verzet. Ik ben het dan ook niet eens met deze gang van zaken. Ik begrijp niet dat het hof een beslissing op alle gedane getuigenverzoeken aanhoudt. Van een enkel verzoek had ik mij dat wellicht nog kunnen voorstellen. Ik neem sterk afstand van deze gang van zaken. Dat het hof nu door wil gaan met de inhoudelijke behandeling, gaat ten koste van het belang van mijn cliënt.
Ik verzoek het hof de behandeling voor een korte tijd te schorsen zodat ik mij kan beraden.
De advocaat-generaal deelt mede:
Sinds afgelopen februari is bekend dat de behandeling in hoger beroep op deze zittingsdagen zou plaatsvinden. De raadsman kon vanaf toen contact opnemen met zijn cliënten om de zaak voor te bereiden. Hij heeft de week voorafgaand aan deze zittingsdagen contact opgenomen met het openbaar ministerie. Ik heb toen uitdrukkelijk gezegd dat ik begrijp dat de verdediging nog verzoeken heeft, maar dat rekening moet worden gehouden met een inhoudelijke behandeling. Daarop bevestigde de raadsman dat hij dat begreep. Ik acht de stelling van de raadsman dat hij nu onvoldoende geëquipeerd is op een inhoudelijke behandeling geen valide argument.
(…)
De raadsman vervolgt het woord als volgt:
(…)
Wel vraag ik het hof om één beslissing te heroverwegen, omdat dit nodig is voor het schrijven van het pleidooi. Om een standpunt in te nemen of het onaannemelijk is dat de reeds toegewezen getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord is het mapje van de raadsheer-commissaris van belang. Ik zie niet in wat het bezwaar is als ik hiervan een afschrift ontvang. Ik verzoek het hof daarom terug te komen op deze beslissing.
Ten aanzien van de getuigenverzoeken geef ik het hof nog mee dat wellicht voorafgaand aan het pleidooi een beslissing kan worden genomen op deze verzoeken. Mocht het hof daarvoor bijvoorbeeld vandaag meer tijd nodig hebben dan vind ik dat geen probleem. Ik zie niet in wat er gedurende de inhoudelijke behandeling kan plaatsvinden wat van belang zou kunnen zijn voor een beslissing op die verzoeken.
De voorzitter deelt mede dat het mapje van de raadsheer-commissaris vertrouwelijke informatie tussen landen bevat dat niet bestemd is om verder te verspreiden.
De raadsman deelt daarop mede:
Hoewel ik niet precies begrijp wat er vertrouwelijk is aan die informatie, kan ik mij ook voorstellen dat die delen kunnen worden weggelakt. Het gaat er om dat de verdediging kan toetsen welke pogingen er zijn ondernomen om de getuigen te horen. Ik voel mij nu een soort afgescheept met een tweetal processen-verbaal van de raadsheer-commissaris die een week respectievelijk een dag voor de zitting zijn opgemaakt. Ik wil kunnen toetsen hoe frequent er is gecommuniceerd met de Engelse autoriteiten, als dat al is gebeurd. Ik vraag het hof om daar over na te denken.
De advocaat-generaal deelt daarop mede:
Ik beschik ook niet over het mapje van de raadsheer-commissaris en heb ook alleen maar de twee processen-verbaal. Als tussenweg stel ik voor dat de raadsman vragen opstelt die de raadsheer-commissaris kan beantwoorden. Ik begrijp immers wel dat de raadsman vragen heeft en de achterliggende gedachte begrijp ik ook. Ik neem ook aan dat de raadsheer-commissaris zal verklaren als er vragen aan haar worden gesteld.
(…)
De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid te reageren op het voorstel van de advocaat-generaal. De raadsman deelt mede:
Ik handhaaf het primaire standpunt dat de stukken onderdeel uitmaken van het dossier. Als het daadwerkelijk om redenen van vertrouwelijkheid wordt onthouden dan bestaan er genoeg manieren om dat te ondervangen. Natuurlijk heb ik de vertrouwelijkheid van stukken te waarborgen, dus het onder embargo verstrekken of ter inzage beschikbaar stellen is ook mogelijk. Als het hof dat afwijst, dan wenst de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld om vragen te stellen aan de raadsheer-commissaris.
Ik stel nogmaals aan de orde dat ik het zeer wenselijk zou vinden als het hof al een voorlopige beslissing kan geven op de getuigenverzoeken. Het zou erg jammer zijn als er naar aanleiding van deze inhoudelijke behandeling een tussenarrest wordt gewezen of het eindarrest om deze reden uiteindelijk door de Hoge Raad wordt vernietigd. Dan zal er immers nog meer vertraging ontstaan. Ik verzoek het hof daarom om de beslissing met betrekking tot de getuigenverzoeken te heroverwegen.
(…)
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt, de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Met betrekking tot de map van de raadsheer-commissaris is het hof van oordeel dat het rechtshulpverzoek op zich door de verdediging zou kunnen worden ingezien. De overige stukken betreft diplomatiek verkeer tussen staten en die worden niet aan het dossier toegevoegd. Wel krijgt u de gelegenheid om de vragen die u heeft aan de raadsheer-commissaris op schrift te stellen zodat het hof deze aan haar zal doorgeleiden. Het hof ziet geen reden om de beslissing tot aanhouding van het nemen van beslissingen op de getuigenverzoeken te heroverwegen.’
26. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een e-mail van 20 september 2021 van de raadsman van de verdachte gericht aan de griffier met als onderwerp ‘Vragen aan de raadsheer-commissaris in de zaak Yox 2’. Deze e-mail houdt onder meer in:

Geachte raadsheer-commissaris,
Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken richt ik (via de zittingsgriffier) deze mail aan u ter zake het volgende.
Zoals bij u bekend, vindt in deze periode de (inhoudelijke) behandeling plaats van de zogenaamde megazaak Yox (2). Op 20 mei 2016 hebben de zaken ter regiebehandeling op zitting gestaan, naar aanleiding waarvan op 3 juni 2016 bij wijze van tussenbeslissing is bepaald dat een aantal getuigen gehoord diende te worden. Naar ik heb begrepen is die verwijzingsopdracht bij u terecht gekomen.
Omtrent de uitvoering van die verwijzingsopdracht is een aantal vragen gerezen. Al wat ik van de verwijzingsopdracht heb gezien is een tweetal processen-verbaal van bevindingen van uw hand, gedateerd op 7 en 13 september jl. In de voorbije jaren is er met mij op geen enkel moment contact opgenomen omtrent de uitvoering van het opgedragen onderzoek.
Die processen-verbaal wekken de indruk dat het niet aannemelijk zou zijn dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Ik heb het hof gevraagd of ik inzage mocht hebben in de verwijzingsstukken of de zogeheten rhc-mapjes. Dat is mij geweigerd. Wel ben ik op suggestie van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld u een aantal vragen te stellen, zodat ik mij een oordeel kan vormen over de vraag of het al dan niet aannemelijk is dat de getuigen alsnog binnen een aanvaardbare termijn gehoord kunnen worden. Teneinde daarover een oordeel te kunnen vormen heb ik de navolgende vragen:
1. Kunt u bevestigen dat er op geen enkel moment contact is geweest met de verdediging in de zaak [verdachte] omtrent de uitvoering van de verhoren?
2. Zo ja, is daar een bijzondere reden voor?
3. Zo nee, wanneer en hoe heeft dat contact dan plaatsgevonden? Ik zie noch in mijn tijdschrijfformulieren, noch in mijn mail enige aanwijzing daarvoor en ik kan mij evenmin herinneren dat wij daarover ooit contact hebben gehad.
4. Zijn er naast de 2 eerder genoemde processen-verbaal stukken onder uw verantwoordelijkheid opgemaakt met betrekking tot de verwijzing?
5. Zo ja, zijn deze conform het Landelijk Strafprocesreglement (art. 4.1.9) verstrekt aan het openbaar ministerie en de advocaat van de verdachte(n)? Indien dit niet is gebeurd, wat is daarvoor de reden?
6. Is er vanuit uw kabinet op enig moment contact geweest met de toenmalig raadsman van [betrokkene 25] omtrent het verhoor van zijn cliënt in de zaken tegen de medeverdachten in de zaak Yox 2, te weten de heren [verdachte] en [betrokkene 52] ? Voor de goede orde: ik doel daarmee niet op het contact omtrent het verhoor van [betrokkene 25] in een andere strafzaak. Mijn vraag gaat erom of er contact is geweest over een verhoor in deze strafzaak.
7. Meer in het bijzonder: is de toenmalig raadsman van [betrokkene 25] geïnformeerd dat het verhoor van zijn cliënt ook zou zien op een verhoor als getuige in de zaak Yox 2? Zo ja, hoe heeft die communicatie plaatsgevonden en is daar op enigerlei wijze verslaglegging van beschikbaar? Zo nee, waarom is dat niet gecommuniceerd?
8. Ten aanzien van de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] blijkt uit het door u opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat de gang van zaken aanvankelijk bemoedigend leek. U heeft gerelateerd dat de Britse autoriteiten op 28 februari 2019 hebben aangegeven dat er een afspraak kon worden gemaakt om videoverhoren in te plannen. U heeft vervolgens gerelateerd dat er sindsdien regelmatig is geprobeerd om via e-mail of telefonisch een datum af te stemmen, maar dat daar geen reactie op is gekomen. Mijn vraag is nu hoe regelmatig regelmatig is. Is er bijgehouden wanneer er precies is gebeld? En hoe vaak en op welke data is er schriftelijk gecommuniceerd na 28 februari 2019?
Een antwoord op bovenstaande vragen zou van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de verzoeken om te trachten de getuigen alsnog gehoord te krijgen. Een spoedige reactie van uw kant wordt daarom zeer op prijs gesteld.
27. Achter de in het vorige randnummer weergegeven e-mail zit een document met antwoorden op de door de raadsman van de verdachte aan de raadsheer-commissaris gerichte vragen. Dit document, waarbij een aantal bijlagen zijn gevoegd, houdt het volgende in:

1. Kunt u bevestigen dat er op geen enkel moment contact is geweest met de verdediging in de zaak [verdachte] omtrent de uitvoering van de verhoren?
Nee, er is in ieder geval op de volgende data ten minste telefonisch contact geweest met u en/of uw kantoor: 1 juni 2017, 3 augustus 2017, 13 augustus 2017, 20 februari 2021 en 13 april 2021. De genoemde contacten waren telkens telefonisch en het contact werd telkens opgenomen dan wel beantwoord door de griffier in deze zaak, [betrokkene 54] .
2. Zo ja, is daar een bijzondere reden voor?
Zie het antwoord op vraag 1.
3. Zo nee, wanneer en hoe heeft dat contact dan plaatsgevonden? Ik zie noch in mijn tijdschrijfformulieren, noch in mijn mail enige aanwijzing daarvoor en ik kan mij evenmin herinneren dat wij daarover ooit contact hebben gehad.
Zie het antwoord op vraag 1.
4. Zijn er naast de 2 eerder genoemde processen-verbaal stukken onder uw verantwoordelijkheid opgemaakt met betrekking tot de verwijzing?
Ja, namelijk een rechtshulpverzoek aan Groot-Brittannië en Portugal.
5. Zo ja, zijn deze conform het Landelijk Strafprocesreglement (art. 4.1.9) verstrekt aan het openbaar ministerie en de advocaat van de verdachte(n)? Indien dit niet is gebeurd, wat is daarvoor de reden?
Nee, rechtshulpverzoeken worden niet verstrekt in het kader van de interstatelijke vertrouwelijkheid.
6. Is er vanuit uw kabinet op enig moment contact geweest met de toenmalig raadsman van [betrokkene 25] omtrent het verhoor van zijn cliënt in de zaken tegen de medeverdachten in de zaak Yox 2, te weten de heren [verdachte] en [betrokkene 52] ? Voor de goede orde: ik doel daarmee niet op het contact omtrent het verhoor van [betrokkene 25] in een andere strafzaak. Mijn vraag gaat erom of er contact is geweest over een verhoor in deze strafzaak.
Er heeft telefonisch contact plaatsgevonden met mr. Huibers op 3 augustus 2017, waarin hij aangaf dat zijn cliënt zich op zijn verschoningsrecht zou gaan beroepen, dat hij daarover een schriftelijke verklaring wenste te tekenen, waarna daarover telefonisch contact is opgenomen met de ambassade in Washington. Afgezien van een vermelding van deze gang van zaken in de agenda van het kabinet raadsheer-commissaris, zie bijgevoegde uitdraai daarvan, is daarover niets schriftelijk vastgelegd.
7. Meer in het bijzonder: is de toenmalig raadsman van [betrokkene 25] geïnformeerd dat het verhoor van zijn cliënt ook zou zien op een verhoor als getuige in de zaak Yox 2? Zo ja, hoe heeft die communicatie plaatsgevonden en is daar op enigerlei wijze verslaglegging van beschikbaar? Zo nee, waarom is dat niet gecommuniceerd?
Zie antwoord op vraag 6.
8. Ten aanzien van de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] blijkt uit het door u opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat de gang van zaken aanvankelijk bemoedigend leek. U heeft gerelateerd dat de Britse autoriteiten op 28 februari 2019 hebben aangegeven dat er een afspraak kon worden gemaakt om videoverhoren in te plannen. U heeft vervolgens gerelateerd dat er sindsdien regelmatig is geprobeerd om via e-mail of telefonisch een datum af te stemmen, maar dat daar geen reactie op is gekomen. Mijn vraag is nu hoe regelmatig regelmatig is. Is er bijgehouden wanneer er precies is gebeld? En hoe vaak en op welke data is er schriftelijk gecommuniceerd na 28 februari 2019?
Op de volgende drie data is er opgeschreven dat er gerappelleerd is: 22 januari 2020, 24 november 2020 en 12 april 2021. Daarnaast wordt voor alle lopende rechtshulpverzoeken in een overleg telkens bekeken wat de stand van zaken is, waarbij ook de rechtshulpverzoeken inzake Yox 2 aan de orde zijn gekomen. Die overleggen hebben plaatsgevonden op 31 januari 2020, 15 september 2020, 24 november 2020 en 4 februari 2021. Telkens worden onmiddellijk na een dergelijk overleg de te entameren acties ter hand genomen, dus ook op of rond deze data zal er gerappelleerd zijn, maar daarover is niets vastgelegd.
Blijkens de bijgevoegde emailcorrespondentie is er tussen 28 februari 2019 en 28 juli 2019 ook op regelmatige basis emailverkeer geweest. Een uitdraai van deze e-mailcorrespondentie treft u bijgaand aan.’
28. Achter de e-mail van de raadsman van de verdachte van 20 september 2021 zit onder meer correspondentie van het kabinet van de raadsheer-commissaris met het Britse Home Office. Deze correspondentie houdt onder meer het volgende in:

Van:UK Central Authority < [e-mailadres 2] >
Verzonden:zondag 28 juli 2019 13:54
Aan:[betrokkene 54] (Hof Den Haag)
CC:[e-mailadres 3] @homeoffice.gov.uk; ircdenhaag@politie.nl; Kabinet RHC (Hof Den Haag)
Onderwerp:Your ref: EOB-U-2018010121, 22-001549-14, 22-001550-14 & Our ref: 2261748 (ref: 2261748)
Dear Sir/Madam,
Further to our email of 11/06/2019, we would be grateful if you can provide an update on the new dates for a Videolink, please note we will require at least 8 weeks notice to be able to organise a Videolink.
Thank you,
[betrokkene 55]
Dear Sir/Madam
Thank you for your email.
I would advise you to provide at least two dates for the video link hearing as there is a lot of pressure on court time in major UK cities.
Regards
[betrokkene 56]
Tel: 020 7035 1271
(…)
Van:UK Central Authority [mailto: [e-mailadres 2] )
Verzonden:zaterdag 11 mei 2019 15:22
Aan:[betrokkene 54] (Hof Den Haag)
CC:[e-mailadres 3] @homeoffice.gov.uk; Kabinet RHC (Hof Den Haag) ; rcdenhaag@politie.nl
Onderwerp:Your ref: 22-001549-14 & 22-001550-14 & EOB-U-2018010121, Our ref: 2261748 (ref: 2261748)
Dear [betrokkene 54] ,
Thank you for your email of 12 October 2018 with additional information and explaining you were unable to find a date for the Videolink at that time.
Further to our emails of 20/01/2019 and 09/03/2019, we would be grateful if you can confirm if you still require this EIO to be executed, if you require this EIO to be executed we would be grateful if you can provide an update on when you expect to be able to provide a date for the Videolink.
If we do not hear back by 11/06/2019 we will consider grounds for non recognition of this EIO.
Thank you,
[betrokkene 55]
Dear [betrokkene 54] ,
Thank you for your email of 12 October 2018 with additional information and explaining you were unable to find a date for the Videolink at that time.
We would be grateful if you can confirm if you still require this EIO to be executed, if you require this EIO to be executed we would be grateful if you can provide an update on when you expect to be able to provide a date for the Videolink.
Thank you,
[betrokkene 55] ’
29. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens op 21 september 2021 hervat. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14, 17, 21 en 23 september 2021 en 4 oktober 2021 houdt onder meer het volgende in:

21 september 2021
(…)
De voorzitter deelt mede dat het hof gisteren de op schrift gestelde antwoorden op de vragen van de raadsman heeft ontvangen van de raadsheer-commissaris, in aanvulling op de eerder door het kabinet verstrekte processen-verbaal van 7 resp. 13 september 2021.
(…)
23 september 2021
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.
(…)
De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek en deelt daartoe overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde aantekeningen het woord, voor zover relevant voor de onderhavige zaak. Daarop aanvullend deelt zij mede:
(…) Inzake de eerder toegewezen getuigenverzoeken [betrokkene 35] en [betrokkene 12] : Ik heb van de raadsheer-commissaris begrepen dat de correspondentie die als bijlage is gevoegd bij de op schrift gestelde antwoorden niet het enige is, maar dat daarnaast ook telefonisch contact is opgenomen waarvan echter geen aantekeningen zijn gemaakt. Op grond van de inhoud van het dossier zoals het er nu ligt, kan op zichzelf niet worden geconcludeerd dat het niet onaannemelijk is dat deze getuigen niet binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Ik verkeer echter wel in de stellige overtuiging dat wanneer opnieuw wordt getracht deze getuigen te horen de uitkomst niet anders zal zijn. Het is immers aannemelijk dat deze getuigen geen verklaring zullen afleggen, als ze al bereikt kunnen worden. Daarop mag echter niet vooruit gelopen worden. (…)
De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek en deelt daarop mede:
Ik persisteer bij het standpunt dat niet is gebleken dat [betrokkene 25] ook in de onderhavige zaak een beroep heeft gedaan op zijn verschoningsrecht bij een verhoor als getuige.
Met betrekking tot de eerder toegewezen getuigen [betrokkene 35] en [betrokkene 12] druk ik mij voorzichtig uit als ik zeg dat het niet goed is gegaan bij de raadsheer-commissaris. Het is duidelijk dat niet gezegd kan worden dat deze getuigen niet binnen een aanvaardbare termijn gehoord kunnen worden. Dat er ook sprake zou zijn geweest van telefonisch contact zoals de advocaat-generaal stelt, blijkt niet uit de correspondentie tussen de Engelse autoriteiten en het kabinet die als bijlage is gevoegd bij de op schrift gestelde antwoorden van de raadsheer-commissaris. Ook ik heb geen telefonisch contact gehad met het kabinet. Ik houd mijn uren zeer nauwkeurig bij en daaruit blijkt niet dat dit telefonische contact er is geweest. Daarnaast kan ik het mij ook niet herinneren. Als er al daadwerkelijk telefonisch contact is geweest met de Engelse autoriteiten, blijft nog steeds de vraag spelen waarom geen datum voor een verhoor ingepland kon worden.
Ik ben blij dat de advocaat-generaal voor het overige mijn standpunt deelt ten aanzien van deze twee getuigen en ik hoop dat het hof dat ook doet. Bij pleidooi heb ik bij de bespreking van de feiten aangegeven op welke punten deze verzochte getuigen relevant zouden kunnen zijn. Het belang bestaat onverkort.’
30. De pleitnota houdt onder meer het volgende in:

HERHAALD VERZOEK TOT AANHOUDING EN HET HOREN VAN GETUIGEN
Ik heb er geen geheim van gemaakt dat het mij ten zeerste heeft verbaasd dat de onderhavige zaken thans tot een inhoudelijke afronding lijken te komen.
Hoewel er van een echte inhoudelijke behandeling weinig sprake lijkt. Er zijn niet minder dan 5 zittingsdagen voor de zaak uitgetrokken, terwijl het bespreken van de feiten nog geen minuut heeft geduurd.
Het heeft er alle schijn van dat uw hof de zaken coûte que coûte wenst af te ronden en ik kan dat gelet op het verloop van de procedure in hoger beroep maar moeilijk plaatsen. Ik acht het van belang om het verloop van de procedure in hoger beroep nog eens op een rij te zetten.
Op 27 maart 2014 is door de rechtbank vonnis gewezen. Daartegen is op 10 april 2014 hoger beroep ingesteld. Binnen de daarvoor gestelde termijn is een appelschriftuur ingediend, inhoudende – onder meer – het verzoek om 38 getuigen te horen (in de zaak tegen [betrokkene 52] ging het om 3 getuigen). In het schriftuur is tevens aangegeven dat de verdediging zich niet kan verenigen met de bewezenverklaring.
Daarna was het lange tijd stil. Pas ruim 2 jaar later (op 20 mei 2016) is er een regiezitting gepland, waarop de onderzoekswensen van de verdediging zijn besproken.
Het grootste gedeelte van de gedane verzoeken is afgewezen. Daarbij is een motivering gehanteerd die gelet op de nadien gewezen Keskin-jurisprudentie niet houdbaar lijkt. Ik kom daar zo nog op terug.
Maar er is ook een aantal verzoeken toegewezen. In de zaak tegen [verdachte] zijn toegewezen de getuigen [betrokkene 35] , [betrokkene 12] en [betrokkene 25] . (…)
Teneinde aan de verwijzingsbeslissing gevolg te geven is de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris. De verdediging heeft sindsdien niets meer vernomen over de zaak, met uitzondering van één verzoek van de griffier van de raadsheer-commissaris om verhinderdata door te geven. Die verhinderdata zijn doorgegeven, maar daarna werd het weer stil. Uw hof heeft mij op de zitting van 17 september in de gelegenheid gesteld een aantal schriftelijke vragen aan de raadsheer-commissaris te stellen. Naar aanleiding van een van die vragen, heeft de raadsheer-commissaris een aantal data genoemd waarop er contact zou zijn geweest met mij of met mijn kantoor. Die contacten zouden telefonisch zijn geweest en telkens zijn gelegd door de griffier.
Ik moet u zeggen dat ik een behoorlijk nauwgezette administratie van de door mij gewerkte tijd bijhoudt. Ik heb op geen van de genoemde data werkzaamheden in de zaak geregistreerd staan. Mogelijk dat die contacten zijn blijven steken in een poging contact te krijgen of dat die contacten zagen op contact met mijn voormalig kantoorgenoot mr. Huibers, de raadsman van [betrokkene 25] . De genoemde data in juni en augustus 2017 doen dat in elk geval wel vermoeden.
Ik kan mij geen ander contact herinneren dan een eenmalig verzoek om verhinderdata. Overigens is er in elk geval geen contact vastgelegd en blijft ook in het ongewisse waarover die contacten dan zouden zijn gegaan.
Wat daar verder ook van zij, ik heb pas weer iets vernomen omtrent de zaak toen er bericht van de verkeerstoren kwam met het verzoek om verhinderdata voor het inplannen van de zaak voor een inhoudelijke behandeling. Ik heb toen aangegeven dat de zaak wat mij betreft nog niet klaar was voor inhoudelijke behandeling, omdat er bij mijn weten nog helemaal niets was gedaan met de verwijzingsbeslissing. Ik heb daarop ook direct schriftelijk gereageerd, welke correspondentie ik uw hof op de eerste zittingsdag heb overgelegd.
Mijn opmerkingen hebben niet geleid tot bijvoorbeeld het inplannen van een korte regiezitting, maar de zaken zijn inhoudelijk gepland.
In de week voorafgaand aan de eerste zittingsdag had ik contact met de advocaat-generaal. Ik had dit contact gezocht om te beproeven op welke wijze zij de afdoening van de zaken voorstond. De advocaat-generaal vertelde mij dat ze – in elk geval in de zaak tegen [verdachte] – nog voornemens was om een straf te eisen die erop neer zou komen dat hij nog terug de gevangenis in zou moeten.
Pas toen ik gewag maakte van het feit dat ik nooit iets omtrent de verwijzing had vernomen, wees zij mij op een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 7 september jl. Dat proces-verbaal heb ik niet vanuit het kabinet RHC ontvangen, maar de advocaat-generaal heeft het mij 2 werkdagen voorafgaand aan de eerste zittingsdag doen toekomen.
Ook deelde ze mij op eenzelfde korte termijn mede dat zij de heren [verdachte] en [betrokkene 25] als getuige tegen de zitting zou oproepen.
Ik bespreek eerst maar eens de getuige [betrokkene 25] , die gehoord diende te worden in de zaken tegen [verdachte] en [betrokkene 52] . De oproeping als getuige voor de zitting is verzonden aan een adres in [plaats] , een adres waarvan we – zoals al eerder besproken – zeker weten dat hij daar niet verblijft. Dat die oproeping tamelijk zinloos is gebleken wekt dan ook weinig verbazing.
De vraag die nu voorligt is of [betrokkene 25] niet alsnog als getuige gehoord dient te worden. De raadsheer-commissaris heeft in de door haar opgemaakte processen-verbaal van bevindingen gerelateerd dat [betrokkene 25] niet als getuige gehoord is, omdat hij heeft aangegeven niet gehoord te willen worden en zich op zijn verschoningsrecht te zullen beroepen.
Zoals ik op de zitting van 14 september al heb aangegeven heeft die mededeling mij zeer verbaasd. Met mij als raadsman van de heren [verdachte] en [betrokkene 52] is op geen enkel moment ook maar iets gecommuniceerd omtrent de verhoren. [betrokkene 25] werd tot begin van dit jaar bijgestaan door mijn voormalig kantoorgenoot mr. Huibers. Na zijn vertrek uit de advocatuur heeft hij de zaak om efficiency redenen aan mij overgedragen. Ook heeft hij mij overgedragen wat er aan communicatie tussen hem (als raadsman van [betrokkene 25] ) en de raadsheer-commissaris had plaatsgevonden. En ook die communicatie is zeer beperkt.
Ook met mr. Huibers is geen enkele communicatie geweest over verhoren in de zaak tegen zijn cliënt. Wel is er met hem gecommuniceerd dat [betrokkene 25] als getuige gehoord diende te worden in een andere zaak. In die zaak heeft de getuige aangegeven niet aan een verhoor te willen meewerken.
Zonder enig overleg met de raadsman van [betrokkene 25] , of de raadsman van [verdachte] of die van [betrokkene 52] , heeft de raadsheer-commissaris besloten dat het verhoor dat in augustus 2017 stond gepland, dan ook op de zaak Yox 2 betrekking zou hebben. En zij heeft, in het verlengde daarvan, bedacht dat de procespositie van de getuige dan ook wel hetzelfde zou zijn.
Maar dat is niet zo. Hem is nooit gevraagd of dat zo was en zijn raadsman is daar evenmin naar gevraagd. [betrokkene 25] was en is bereid om als getuige medewerking te verlenen aan een verhoor in de zaken tegen [verdachte] en [betrokkene 52] .
Ik heb de raadsheer-commissaris eerder deze week gevraagd of er contact met mr. Huibers is geweest aangaande een verhoor in deze zaak, de zaak Yox 2, waar [betrokkene 25] gehoord diende te worden als getuige in de zaken tegen [verdachte] en [betrokkene 52] . Die vraag (meer in het bijzonder vraag 7 uit mijn email van 20 september jl.) is echter niet beantwoord door de raadsheer-commissaris. Zij heeft slechts verwezen naar een contact met de raadsman van [betrokkene 25] n.a.v. een verzoek hem in een andere zaak als getuige te horen. Ik heb de correspondentie dienaangaande op de zitting van 14 september al ingebracht, maar ik zal de betreffende mail voor alle zekerheid nog eens aan deze pleitaantekeningen hechten. Daaruit blijkt zonneklaar dat het verhoor waarvan [betrokkene 25] heeft gezegd daar geen medewerking aan te willen verlenen, zag op andere strafzaken dan de onderhavige.
Bij die stand van zaken kan toch niet worden volgehouden dat alles is geprobeerd om hem als getuige gehoord te krijgen. Sterker nog, er is hoegenaamd niets geprobeerd. Ik meen daarom dat zijn verhoor alsnog zal dienen plaats te vinden.
De vraag die daarbij natuurlijk moet worden beantwoord is of dat binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen lukken. Mijn stelling is dat die vraag bevestigend beantwoord dient te worden. Er is een adres van de getuige bekend en de lijnen met de Amerikaanse autoriteiten zijn kort. Sterker nog, de contacten waren destijds reeds gelegd.
Als ik dan kijk naar het procesverloop, waarin grote perioden van inactiviteit bij het openbaar ministerie en de raadsheer-commissaris zijn vast te stellen, dan kan het toch niet zo zijn dat deze getuige, waarvan het belang door uw hof reeds was onderkend, nu helemaal niet gehoord gaat worden. Ik persisteer derhalve bij het verzoek om deze getuige alsnog te horen.
(…)
Dan zijn er de verzoeken om de 2 in Engeland verblijvende getuigen te kunnen horen. Het gaat om de getuigen [betrokkene 35] en [betrokkene 12] . Het belang bij het horen van die getuigen staat volgens mij niet ter discussie. Uw hof heeft deze getuigenverzoeken eerder toegewezen en ook het openbaar ministerie had zich daartegen niet verzet.
Maar wat is er nu gedaan om deze getuigen gehoord te krijgen? Wederom heeft alles zich volstrekt buiten mijn gezichtsveld afgespeeld. Ik begrijp daar eerlijk gezegd helemaal niets van. Wat ik ook niet begrijp is, dat ik daarnaar gevraagd geen inzage mocht hebben in het zogenaamde verwijzingsmapje. Ik moet toch kennis kunnen dragen van dezelfde informatie als die waarover uw hof beschikt? Het argument dat dat om diplomatiek verkeer zou gaan zou, nog afgezien van de validiteit van dat argument, ook op andere wijzen kunnen worden ondervangen. Ik denk bijvoorbeeld aan het zwart lakken van bepaalde gedeelten, of het alleen ter inzage aanbieden.
Hoe dan ook, u heeft het mij geweigerd en daar maak ik nogmaals bezwaar tegen. Ik verzoek andermaal om mij afschrift van die stukken te verstrekken.
Wel ben ik in de gelegenheid gesteld om de raadsheer-commissaris een aantal vragen te stellen. De beantwoording van die vragen hebben mijn vermoedens wel bevestigd moet ik u zeggen. Ik heb met enorme verbazing kennis genomen van de reactie van de raadsheer-commissaris. Vooral afgezet tegen hetgeen in het door haar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen staat gerelateerd omtrent de pogingen die zijn ondernomen om de in Engeland verblijvende getuigen te kunnen horen.
Want wat relateert de raadsheer-commissaris? In het proces-verbaal van 7 september 2021 staat te lezen dat er op 19 maart 2018 een EOB aan de Britse autoriteiten is gestuurd. Op 13 september 2018 is een ontvangstbevestiging gekomen en is om aanvullende informatie gevraagd. Op 13 oktober 2018 zou die informatie zijn toegestuurd, waarna de Britse autoriteiten op 28 februari 2019 hebben aangegeven dat er een afspraak gemaakt kon worden. Ondanks regelmatige pogingen zou dit niet zijn gelukt. Dat wekt de suggestie alsof de Engelsen de zaak hebben laten versloffen en dat het om die reden niet aannemelijk zou zijn dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord.
Maar wat blijkt nu uit de door de raadsheer-commissaris toegevoegde email-correspondentie?
Inderdaad is op 12 (en niet 13) oktober 2018 gereageerd door de griffier van de raadsheer-commissaris op het verzoek om aanvullende informatie. Ze schrijft in die mail dat zij zo snel mogelijk een aantal data zal voorstellen.
Maar dat gebeurt helemaal niet. Omdat het stil bleef van deze zijde, kwam er een rappel vanuit de Britse autoriteiten met de vraag of nog steeds gewenst wordt dat uitvoering wordt gegeven aan het verzoek en of er dan een datumvoorstel kan komen. Er volgde geen reactie van Nederlandse kant.
Uit de door de raadsheer-commissaris verstrekte correspondentie haal ik dat nadien van Engelse zijde nogmaals is gerappelleerd op 20 januari 2019 en op 9 maart 2019. Wederom geen reactie vanuit het kabinet RHC.
Ik moet u zeggen dat ik het nauwelijks kon geloven toen ik dat las. Op 11 mei 2019 komt er nog een rappel van Engelse zijde, waarin wordt gerefereerd aan de eerdere rappellen. Dan wordt er maar opgemerkt dat als ze voor 11 juni 2019 niets meer vernemen, ze er dan vanuit gaan dat het rechtshulpverzoek niet langer gewenst is.
En gebeurt er dan iets? Warempel. Op de uiterste dag van die termijn, komt er een mail vanuit het kabinet RHC. Met excuses voor de late reactie. En de mededeling dat uitvoering van het verzoek nog steeds gewenst is. Maar niet met een datum. Deze zal binnen een week worden voorgesteld, zo belooft de griffier van de raadsheer-commissaris. En gebeurt dat?
Nee. Weer moeten de Engelsen rappelleren. Op de mail van 11 juni 2019 is direct gereageerd door de Engelsen, maar vanuit Nederland blijft het weer stil. Dan komt op 28 juli andermaal een bericht van de Engelse autoriteiten met het verzoek om een datum door te geven.
Verdere correspondentie is niet bijgevoegd.
Ik moet u zegen dat ik deze gang van zaken vind grenzen aan het onfatsoenlijke. Er wordt een verzoek om rechtshulp gedaan aan een buitenlandse autoriteit. Dat verzoek wordt ingewilligd en daarna wordt er vanuit Nederlandse kant keer op keer niet gereageerd op uitnodigingen om een datum af te stemmen.
Ik weet eerlijk gezegd ook niet wat ik nou van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris moet vinden. Zij schrijft dat de Britse autoriteiten op 28 februari hebben aangegeven dat er een afspraak gemaakt kon worden om een videoverhoor te houden. Ze schrijft ook dat er nadien regelmatig is geprobeerd om een datum af te stemmen.
Het proces-verbaal van bevindingen lezende, zou je de indruk kunnen krijgen dat door de Nederlandse autoriteiten regelmatig is geprobeerd een datum af te stemmen. Maar het tegenovergestelde is waar. Het zijn juist de Engelsen die keer op keer vragen om met een voorstel voor een datum te komen. Uit de bijgevoegde correspondentie kan ik niet halen dat dat op enig moment is geprobeerd. Terwijl als ik de correspondentie zo lees, een daadwerkelijk verhoor zeer nabij leek. Er hoefde alleen een datum te worden afgestemd.
Gelet op deze gang van zaken kan toch onmogelijk worden volgehouden dat de raadsheer-commissaris zich voldoende moeite heeft getroost om de opgedragen verhoren daadwerkelijk uit te voeren.
Laat staan dat nu tot het oordeel wordt gekomen dat het niet aannemelijk (meer) is dat ze alsnog binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord.
Ik persisteer daarom bij het ter zitting van 14 september reeds ingenomen standpunt dat deze getuigen alsnog gehoord dienen te worden.
Tussenconclusie ten aanzien van de 4 eerder toegewezen getuigen
Ik kom tot een afronding van de bespreking van de 4 al eerder toegewezen getuigen. Ze hebben met elkaar gemeen dat het verdedigingsbelang bij het horen van deze getuigen niet ter discussie staat. Openbaar Ministerie en verdediging, maar ook uw hof hebben dat belang onderkend. Het belang bij het horen van deze getuigen is onverkort aanwezig.
We kunnen vaststellen dat de getuigen niet zijn gehoord. Ik ben van mening dat de inspanningen die daartoe door de raadsheer-commissaris getroost volstrekt onvoldoende zijn geweest. Dat de zaak zo lang is blijven liggen kan toch moeilijk aan de verdediging worden tegengeworpen. Dat zou een rol moeten spelen bij de beoordeling van de vraag of het aannemelijk is dat de getuigen alsnog gehoord kunnen worden. Wat mij betreft zou uw hof niet tot de vaststelling mogen komen dat dat zo is. Vooral ook niet omdat van alle getuigen adressen bekend zijn en voor zover er contacten met buitenlandse autoriteiten gelegd dienen te worden, speelt een rol dat de lijnen daartoe reeds zijn uitgezet.
Overige getuigen
Dan zijn er op de zitting van 14 september nog verzoeken gedaan om andere getuigen te horen. De meeste van die getuigen waren ook al verzocht in de appelschriftuur. Omwille van de overzichtelijkheid houd ik bij de bespreking van deze verzoeken de nummering uit het appelschriftuur (in de zaak [verdachte] ) aan.
(…)
Ik heb op de zitting van 14 september voorts verzocht om eerder door uw hof genomen beslissingen ten aanzien van het horen van een aantal getuigen te herzien.
Het ging daarbij om de getuigen onder 12 en 14, de heren [betrokkene 41] en [betrokkene 42] . Beide getuigen hebben een voor cliënt belastende verklaring afgelegd, welke ook door de rechtbank tot bewijs is gebezigd. De advocaat-generaal stelt dat er geen belang is voor de verdediging, omdat uit het dossier toch wel voldoende zou blijken dat er geldbedragen zijn gewisseld bij de juwelierszaak van [betrokkene 41] . En [verdachte] zou dat ook nooit hebben ontkend. Staat daarmee vast dat dat gebeurd is? Waarom heeft de rechtbank de verklaringen van de gevraagde getuigen dan voor het bewijs gebezigd? En zou een bewijsconstructie zonder de verklaringen denkbaar zijn? Dat lijkt mij niet. Van de 4 door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, betreffen er 2 de verklaringen van deze getuigen. Die verklaringen worden door cliënt betwist en ik heb aangegeven dat de getuigen bevraagd dienen te worden naar de juistheid van de vraag of er gewisseld is, door wie, in welke periode en de omvang daarvan.
(…)
Dan kom ik bij de getuigen onder nummer 25, 26 en 28, te weten [betrokkene 37] , [betrokkene 16] en [betrokkene 18] .
Voor alle drie deze getuigen geldt dat zij een voor cliënt belastende verklaring hebben afgelegd, welke door de rechtbank ook voor bewijs is gebruikt. Ik heb eerder al aangegeven dat deze getuigen wat mij betreft bevraagd dienen te worden naar de aard en omvang van het zogenaamde traditionele Hawala bankieren, de rol van verdachten daarbij en over de wijze waarop de betalingen in zijn werk gingen en wie daarbij betrokken waren.
Ik merk op deze plaats nog op dat de advocaat-generaal zich op de zitting van 17 september niet heeft verzet tegen het horen van deze getuigen.
Tijdens het requisitoir heeft de advocaat-generaal het belang van deze getuigen gerelativeerd door erop te wijzen dat cliënt niet heeft ontkend dat hij contant geld van anderen ontving om dat vervolgens in India te laten uitbetalen. Maar dat zou niet het criterium moeten zijn. Hij ontkent dat namelijk wel gedurende de tenlastegelegde periode. Nu deze getuigen verklaringen afleggen die voor cliënt belastend zijn, heb ik met een beroep op de zogenaamde Keskin-jurisprudentie alsnog verzocht om deze personen als getuige te mogen horen. Dat verzoek herhaal ik hierbij.
Dan zijn er nog de getuigen genoemd onder 1 en 18, [betrokkene 15] en [betrokkene 45] .
Ook hier merk ik op dat de advocaat-generaal zich ten tijde van de regiezitting niet tegen het horen van deze getuigen heeft verzet.
De verklaringen van de getuige [betrokkene 15] zijn door de rechtbank voor het bewijs gebruikt. Deze getuige zou voor [verdachte] bedragen hebben gewisseld en hij zou geldbedragen voor cliënt hebben opgehaald in Frankrijk. Aangezien cliënt dat ontkent, wenst de verdediging hem daarover vragen te stellen.
(…)
Ik merk tenslotte nog op dat het beroep op de Keskin-jurisprudentie dat ik bij een aantal van de hiervoor genoemde getuigen doe, wat mij betreft overigens niet kan worden gepareerd door bepaalde verklaringen dan maar niet voor het bewijs te gebruiken. Het gaat de verdediging natuurlijk om meer dan het weerleggen van belastende verklaringen. Waar het om gaat is dat de verdachte de hem verweten gedragingen grotendeels betwist. De getuigen dienen bevraagd te worden naar hoe een en ander dan wel is gelopen.
Gelet op het voorgaande verzoek ik uw hof subsidiair om bij tussenarrest te beslissen dat de door mij gevraagde getuigen alsnog gehoord kunnen worden.
(…)
HET BETAALBAAR STELLEN VAN GELDBEDRAGEN IN VERSCHILLENDE LANDEN
(…)
Als ik kijk naar het vonnis tegen [verdachte] , dan heeft de rechtbank 1 transactie ten grondslag gelegd aan de bewezenverklaring van dit onderdeel, en dat betreft een betaling van [verdachte] aan [betrokkene 7] . Precies over deze betaling wenst de verdediging [betrokkene 7] en haar partner [betrokkene 35] te horen, maar dat verzoek heeft uw hof nog in overweging. Het is best gek om er dan nu al iets over te zeggen, terwijl de 2 hoofdpersonen omtrent deze betaling niet door de verdediging gehoord zijn.
(…)
DE OVERDRACHT VAN € 125.000,- AAN [medeverdachte]
Dan kom ik bij de beweerdelijke overdracht van € 125.000,- aan [medeverdachte] .
Deze overdracht is niet in een apart zaaksdossier beschreven. De overdracht komt slechts terug in het proces-verbaal van voorgeleiding en het relaas proces-verbaal. Dat heb ik in eerste aanleg ook al aan de orde gesteld. De officier van justitie heeft toen gereageerd door te stellen dat de stukken met betrekking tot de overdracht van een geldbedrag van € 125.000,- aan [betrokkene 2] en/of [medeverdachte] zijn terug te vinden in het zaaksdossier Bowls, dat als zaaksdossier 03 (in map 15) zijn terug te vinden. Die mededeling is onjuist. Het enige dat in dat zaaksdossier is terug te vinden zijn de verhoren van medeverdachte [medeverdachte] , waarin hij geconfronteerd wordt met de gegevens die ook in het voorgeleidings proces-verbaal stonden vermeld. Met die 4 pagina's zullen we het moeten doen als het aankomt op de beoordeling van deze overdracht.
Gelijk met cliënt [verdachte] staat terecht medeverdachte [medeverdachte] . Hij heeft betrokkenheid bij dit feit ontkend. De advocaat-generaal heeft in zijn zaak ook tot vrijspraak van dit geldbedrag gerekwireerd. In de zaak tegen [verdachte] heeft de advocaat-generaal zich er niet met zoveel woorden over uitgelaten, maar ik kan mij toch haast niet voorstellen dat zij zou menen dat het in zijn zaak dan wel bewezen moet worden. Overigens is een andere medeverdachte, [betrokkene 2] , ook voor dit feit vervolgd. Maar ook hij is van dit feit vrijgesproken, en om die vrijspraak was zelfs door de officier van justitie gevraagd. Ik verzoek uw hof om cliënt ook van dit feit vrij te spreken, bij gebrek aan voldoende redengevend bewijs dat er daadwerkelijk een overdracht heeft plaatsgevonden. Ik sluit mij daartoe aan bij hetgeen door mijn collega mr. Schut eerder deze week is opgemerkt rondom dit feit en wijs verder nog op de volgende omstandigheden.
* Er is niet waargenomen dat cliënt iets aan [medeverdachte] heeft overhandigd.
* Als cliënt al iets zou hebben overhandigd, dan blijkt uit niet dat het gaat om de € 125.000,- die in de tenlastelegging staat.
* Het genoemde bedrag is nimmer aangetroffen.
* Het bijgevoegde tapgesprek kan ook niet redengevend zijn, integendeel. De persoon die door de tolk als [verdachte] word geduid zegt immers juist: Nee, er was geen 125. Als er 125 was, dan had ik dat toch meegenomen.
Kortom, ook voor deze specifiek omschreven overdracht is te weinig bewijs voorhanden.
(…)
ZAAKSDOSSIER 14
(…)
Het dossier lijkt meer te zijn toegeschreven naar het onder 3 tenlastegelegde feit, het wisselen van geld zonder vergunning. Voor zover het dossier op die verdenking ziet kan ik er kort over zijn. Mede gelet op de bewijsbeslissing die de rechtbank al eerder in de zaak tegen [betrokkene 41] heeft genomen, zal ik mij voor de bewezenverklaring van het derde feit refereren aan het oordeel van uw hof.
(…)
ZAAKSDOSSIER 17
(…)
Zowel [betrokkene 25] als [verdachte] zijn veroordeeld voor de overdracht van het bedrag van € 35.900, en [verdachte] is daarnaast veroordeeld voor het bedrag van € 41.600,-. Ook in deze zaken wreekt zich weer dat de direct betrokkenen, te weten de broers [betrokkene 12] en [betrokkene 35] niet gehoord zijn. Of het daadwerkelijk tot een overdracht is gekomen staat wat mij betreft onvoldoende vast. Dat staat een bewezenverklaring wat mij betreft in de weg. Maar daarnaast blijft overeind staan dat het toch gek zou zijn indien tot een bewezenverklaring zou worden gekomen zonder dat de direct betrokkenen daarover kunnen worden gehoord.’
31. Het hof heeft de getuigenverzoeken van de verdediging afgewezen. Het arrest houdt wat dat betreft, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

Getuigenverzoeken en in verband daarmee het verzoek tot aanhouding van de zaak
Ter terechtzitting in hoger beroep van 14 september 2021 heeft de raadsman opnieuw verzocht om 13, reeds eerder bij appelschriftuur verzochte, getuigen te horen (…).
Het hof had eerder bij tussenbeslissing van 3 juni 2016 het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 35] , [betrokkene 12] en [betrokkene 25] toegewezen en de stukken in zoverre in handen van de raadsheer-commissaris gesteld. De overige getuigenverzoeken heeft het hof toen afgewezen.
Als algemeen beoordelingskader hanteert het hof de “post-Keskin" jurisprudentie van de Hoge Raad.
De getuigenverzoeken
[betrokkene 25]
, die een adres in de Verenigde Staten bleek te hebben, is niet gehoord door de raadsheer-commissaris. In het dossier (van de raadsheer-commissaris) bevindt zich een in de Engelse taal gestelde en door [betrokkene 25] op 13 augustus 2017 ondertekende verklaring, inhoudende dat hij wegens – kort gezegd – witwassen in Nederland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, dat deze veroordeling nog niet onherroepelijk is, aangezien zowel hij als de officier van justitie hiertegen hoger beroep hebben ingesteld, dat hem daarom een integraal verschoningsrecht toekomt en hij daarvan gebruik wil maken en om die reden op geen enkele vraag antwoord zal geven.
[betrokkene 25] is uitsluitend in de onderhavige strafzaak “Yox 2" – als medeverdachte van [verdachte] – veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden. Naar het oordeel van het hof kan de op 13 augustus 2017 door [betrokkene 25] ondertekende verklaring uitsluitend betrekking hebben op het in de onderhavige strafzaak toegewezen verzoek om hem, [betrokkene 25] , in de onderhavige strafzaak Yox 2 als getuige te horen. Het hof acht voorts aannemelijk dat op 3 augustus en 13 augustus 2017 hierover contact is geweest tussen het kabinet van de raadsheer-commissaris en de toenmalige advocaat van [betrokkene 25] . Al hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kan hieraan geen afbreuk doen.
Aan [betrokkene 25] kwam en komt een verschoningsrecht toe, niet alleen als medeverdachte in dezelfde zaak, maar ook als nauwe aanverwant van de verdachte. Het hof is van oordeel dat de raadsheer-commissaris op goede gronden heeft aangenomen dat het niet mogelijk was om de toegewezen getuige [betrokkene 25] inhoudelijk te horen.
De enkele mededeling van de raadsman ter terechtzitting dat [betrokkene 25] , die inmiddels door hem wordt bijgestaan, thans wel bereid zou zijn om een getuigenverklaring af te leggen, is voor het hof onvoldoende om aannemelijk te achten dat [betrokkene 25] daadwerkelijk bereid is om een verklaring af te leggen, maar is, ook afgezien daarvan, geen reden om (nota bene in dit stadium) opnieuw te proberen/te gelasten hem te horen en de zaak daartoe aan te houden.
Al dan niet ten overvloede voegt het hof hieraan toe dat [betrokkene 25] bij de politie geen enkele verklaring heeft afgelegd als verdachte in zijn eigen zaak (of anderszins) en dus ook niet belastend heeft verklaard over de verdachte. Van een getuige a charge is geen sprake.
[betrokkene 25] is overigens op 10 augustus 2012 al als getuige in de zaak van verdachte gehoord door de rechter-commissaris en heeft toen geweigerd vragen te beantwoorden.
De verdediging heeft op geen enkele wijze, althans volstrekt ontoereikend, gesteld of gespecificeerd, laat staan onderbouwd, waarom [betrokkene 25] als getuige à décharge zou moeten worden gehoord en wat hij ontlastend voor de verdachte zou kunnen verklaren, anders dan met de stelling dat nu deze getuige was toegewezen, daarmee het verdedigingsbelang is gegeven. Het hof is van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt in zijn verdediging door het niet horen van [betrokkene 25] , acht dit zelf evenmin noodzakelijk en zal daarom niet opnieuw proberen/gelasten hem te horen.
[betrokkene 35] en [betrokkene 7]
Deze twee personen hebben geen (voor de verdachte belastende) verklaringen afgelegd.
Deze twee personen zijn blijkens de appelschriftuur verzocht als getuigen in verband met het in het dossier beschreven geldbedrag van £ 135.000,-. Verder strekkende redenen om deze getuigen te horen zijn door de raadsman (ook daarna) niet naar voren gebracht.
Nu het hof de tenlastelegging deels nietig zal verklaren, voor zover die volgens het openbaar ministerie ziet op deze overmaking van £ 135.000,-, is elk belang om deze getuigen te horen daardoor vervallen. Het hof is van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt in zijn verdediging door het niet horen van deze getuigen en acht dit ook overigens niet noodzakelijk. (Reeds) Om die reden zal het hof geen nieuwe pogingen in het werk (laten) stellen om [betrokkene 35] als getuige te horen respectievelijk wijst het hof het verzoek tot het horen van [betrokkene 7] af.
Overigens geldt ten aanzien van [betrokkene 35] hetzelfde als hierna in de eerste twee alinea's is opgenomen ten aanzien van [betrokkene 12] .
[betrokkene 12]
Deze toegewezen getuige heeft, althans had, een adres in het Verenigd Koninkrijk. Uit het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris d.d. 7 september 2021, aangevuld op 13 september 2021 met schriftelijke antwoorden op de door de raadsman schriftelijk gestelde vragen, blijkt, althans komt naar voren, dat het kabinet van de raadsheer-commissaris – na een periode van weinig activiteit in 2019 – in 2020 en in 2021, laatstelijk op 21 april 2021, regelmatig heeft geprobeerd om een datum voor verhoor af te stemmen met de Britse autoriteiten, maar dat daarop (tot 13 september 2021) geen reactie is gekomen. Naar het oordeel van het hof zijn (door de raadsheer-commissaris) voldoende pogingen gedaan om gevolg te geven aan de opdracht van het hof.
Het hof is voorts – gelet op deze gang van zaken – van oordeel dat niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord, en zal derhalve niet opnieuw daartoe pogingen (laten) ondernemen.
Het hof voegt hieraan toe dat het een getuige betreft die tegenover de politie, en voor zover het hof bekend ook overigens, geen enkele inhoudelijke verklaring heeft afgelegd en dus niet belastend heeft verklaard over de verdachte. Van een getuige a charge is derhalve geen sprake.
[betrokkene 12] is overigens op 9 januari 2013 in de zaak van verdachte als getuige gehoord bij de rechter-commissaris en heeft zich toen ten aanzien van alle vragen op zijn verschoningsrecht beroepen. In hoeverre (en wat dan in concreto) de verzochte getuige voor de verdachte ontlastend zou kunnen verklaren, is overigens door de verdachte noch door zijn raadsman gespecificeerd, laat staan onderbouwd. Het hof is overigens ook van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet horen van deze getuige, dat daartoe overigens ook geen noodzaak bestaat en ziet ook deswege geen reden om nogmaals pogingen in het werk te (laten) stellen om deze getuige te horen.
(…)
[betrokkene 41] en [betrokkene 42]
Vaststaat dat deze beide getuigen een voor de verdachte belastende verklaring hebben afgelegd.
Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de verdediging zich uitdrukkelijk gerefereerd aan bewezenverklaring ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde, te weten het werkzaam zijn geweest als geldtransactiekantoor. De verdachte heeft tegenover de politie ook niet ontkend dat hij geld heeft gewisseld in de juwelierszaak van [betrokkene 41] , integendeel, daarmee geconfronteerd, heeft hij verklaard dat dat 'zou kunnen'. Daar is de verdachte ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, nimmer op teruggekomen. De stelling van de raadsman dat de verdachte betwist dat hij geldbedragen heeft gewisseld in de juwelierszaak kan het hof dan ook niet volgen. Het hof houdt de verdachte aan zijn bij de politie afgelegde, bevestigende, verklaring.
Het hof acht het horen van de beide getuigen onmiskenbaar irrelevant nu het wisselen van geld een feit betreft dat door de verdachte niet wordt ontkend, er naast de verklaringen van de twee verzochte getuigen aanvullend bewijs is in de vorm van een tapgesprek op 21 mei 2011, dus binnen de tenlastegelegde periode, – dat door de rechtbank als bewijsmiddel 2 is gebruikt – en bovendien de raadsman zich op een later tijdstip ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk heeft gerefereerd aan bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde.
Het hof acht zich voldoende ingelicht en acht bijgevolg het horen van de beide verzochte getuigen niet noodzakelijk en wijst de beide verzoeken af. Het hof voegt hieraan toe dat ook een toetsing van de verzoeken aan het criterium van het verdedigingsbelang het hof niet tot een ander oordeel brengt.
(…)
[betrokkene 37] , [betrokkene 16] . en [betrokkene 18]
Voor al deze drie verzochte getuigen geldt dat zij een voor de verdachte belastende verklaring hebben afgelegd die door de rechtbank ook voor het bewijs is gebezigd.
Nadat in de appelschriftuur en bij de regiezitting aan het verzoek ten grondslag werd gelegd dat de verdediging deze getuigen nader wenste te bevragen over, kort gezegd, hoe een en ander in zijn werk ging bij het hawala-bankieren, wordt eerst
thansgesteld dat de verdachte, die niet ontkend heeft dat hij zich feitelijk bezig heeft gehouden met hawala-bankieren, wel ontkent dat hij dat heeft gedaan
binnende tenlastegelegde periode.
Het hof gaat voorbij aan deze aan de mond van de raadsman ontsproten nuancering van de verklaringen van de verdachte, houdt de verdachte aan de door hem afgelegde verklaring (te weten dat hij geld stuurt naar India, dat hij dat soms doet voor vrienden), en overweegt overigens dat ook uit andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte zich heeft bezig gehouden met hawala-bankieren, ook binnen de tenlastegelegde periode.
Overigens zij opgemerkt dat het aan het hof niet duidelijk is in hoeverre of op welke onderdelen de raadsman de door de getuigen afgelegde verklaringen betwist en voorts dat de afgelegde verklaringen (volledig dan wel vergaand) in lijn zijn met en dus bevestigd worden door de opgenomen tapgesprekken die de verzochte getuigen met de verdachte of een medewerker van de verdachte hebben gevoerd.
Het hof acht zich voldoende ingelicht en acht het gelet op het hiervoor overwogene, niet noodzakelijk om de verzochte getuigen te horen en wijst de drie verzoeken af en voegt daar, al dan niet ten overvloede, aan toe dat ook toetsing aan het criterium van het verdedigingsbelang het hof niet tot een ander oordeel brengt.
[betrokkene 15]
Vaststaat dat deze getuige voor de verdachte belastend heeft verklaard. Het betreft uitsluitend een getuige à charge. De getuige is op 10 augustus 2012 al bij de rechter-commissaris gehoord, doch heeft zich toen op zijn verschoningsrecht beroepen.
De verdediging heeft deze getuige verzocht, omdat hij heeft verklaard geld te hebben gewisseld voor de verdachte en in opdracht van de verdachte geldbedragen uit Frankrijk te hebben opgehaald. Voor zover de getuige [betrokkene 15] bij de politie heeft verklaard dat hij geldbedragen voor de verdachte zou hebben gewisseld en opgehaald uit Frankrijk, zal het hof die verklaringen niet voor het bewijs gebruiken. Voor zover het hof onderdelen van de door [betrokkene 15] afgelegde verklaringen zal gebruiken zal het hof dat beperken tot die onderdelen die niet betwist zijn dan wel door andere resultaten uit het strafrechtelijke onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
Het hof is van oordeel dat zodoende de verdachte redelijkerwijs niet zal worden geschaad in zijn verdediging door deze getuige niet te horen.
Het hof acht zich voldoende ingelicht, acht het ook overigens niet noodzakelijk om deze getuige te horen en wijst de getuige af.
(…)
Algemeen en aanvullend
Op blz. 24 van de pleitnota merkt de raadsman op dat zijns inziens zijn verzoeken niet gepareerd kunnen worden door bepaalde verklaringen niet voor het bewijs te gebruiken: "Het gaat de verdediging natuurlijk om meer dan het weerleggen van belastende verklaringen. Waar het om gaat is dat de verdachte de hem verweten gedragingen grotendeels betwist. De getuigen dienen te worden bevraagd naar hoe een en ander wel is gelopen."
Ten aanzien van verzoeken tot het horen van een getuige à décharge
Het hof acht dit geen, althans een volstrekt ontoereikende, motivering voor het verzoeken van welke getuige a décharge dan ook.
Het hof benadrukt eens te meer dat het een zaak betreft met – ten aanzien van het hawala-bankieren – een grote hoeveelheid glashelder, in redelijkheid niet voor een andere uitleg vatbaar, belastend bewijs dat zijn oorsprong vindt in andere resultaten van het strafrechtelijke onderzoek, met name de vele tapgesprekken, dat vervolgens in veel gevallen vrijwel een op een bevestiging vindt in verklaringen van door de politie gehoorde, zich niet op hun zwijgrecht beroepende, getuigen.
Voor wat betreft de vraag naar 'hoe een en ander wel is gelopen' ligt het naar het oordeel van het hof ook, zo niet allereerst, op de weg van de verdachte om dan zelf met een verklaring te komen 'hoe het dan wel is gelopen' of hoe zo’n getapt gesprek dan wel moet worden begrepen en zijn visie daarop te geven. En mag dat ook in redelijkheid van hem verlangd worden.
De verdachte heeft zich bij de politie evenwel op nagenoeg alle vragen op zijn zwijgrecht beroepen, ook indien hij werd geconfronteerd met op het eerste gezicht overtuigend bewijs, althans voor hem sterk belastende feiten en/of omstandigheden. Ook ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij inhoudelijk (vrijwel) niet verklaard. In hoeverre door de verdachte of de verdediging verzochte getuigen met betrekking tot het hawala-bankieren, die belastend hebben verklaard of niet hebben verklaard, in het licht van de tapgesprekken (naar waarheid) ontlastend zouden kunnen verklaren is door de verdachte noch de verdediging toegelicht en ontgaat overigens (ook) het hof.
Voor de overige, niet in het kader van het hawala-bankieren verzochte, getuigen a décharge geldt dat deze zich in grote meerderheid bij de politie op hun zwijgrecht hebben beroepen. Ook ten aanzien van deze verzochte, afgewezen – en in een paar gevallen ook toegewezen – getuigen geldt dat volstrekt niet is toegelicht, laat staan gespecificeerd en/of onderbouwd, wat en in hoeverre zij dan voor de verdachte ontlastend zouden kunnen verklaren. Ook hier geldt dat de verdachte niet zelf met een verklaring is gekomen 'hoe het dan wel is gelopen' of hoe bijvoorbeeld het tapgesprek/de tapgesprekken of de aangetroffen administratie dan wel moet(en) worden begrepen. Al deze verzoeken zijn, naar het oordeel van het hof, volstrekt onvoldoende onderbouwd.
Ook hier geldt dat het hof uitsluitend tot het oordeel kan komen dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet horen van deze verzochte getuigen.
Ten aanzien van de verzoeken tot het horen van getuigen à charge
De jurisprudentie van het EHRM heeft niet tot gevolg dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Zo'n verzoek kan worden afgewezen als het horen van de getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig is. Die situatie kan zich voordoen als de door de getuige afgelegde verklaring van geen belang is of betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
Naar het oordeel van het hof geldt voor bijvoorbeeld de door het hof mogelijk te gebruiken getuigen die voor de verdachte belastend hebben verklaard over een bepaalde hawala-geldovermaking, dat zich de situatie voordoet dat hetgeen de getuige verklaart door andere resultaten uit het strafrechtelijk onderzoek, te weten de tapgesprekken in combinatie met de door de verdachte afgelegde verklaring, al buiten redelijke twijfel vaststaat, en dat bovendien niet duidelijk is wat er nu precies betwist wordt door de verdachte en/of de verdediging.
Voor zover een bepaalde getuigenverklaring door de verdachte en de verdediging expliciet niet wordt betwist geldt dat het hof deze kan en mag gebruiken voor het bewijs.
Indien en voor zover een getuige belastend heeft verklaard en gebruikmaking van deze verklaring in strijd zou zijn met de Keskin-jurisprudentie zal het hof deze verklaring niet gebruiken voor het bewijs en zodoende niet in strijd met deze jurisprudentie handelen.
Concluderend
Naar het oordeel van het hof voldoet de procedure, niettegenstaande de afwijzing van alle ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen, aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
Het hof heeft bij dit alles de vraag onder ogen gezien of de procedure met het niet (alsnog) oproepen en horen van de verzochte getuigen in zijn geheel (‘
as a whole') nog voldoet aan het in artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Naar het oordeel van het hof is dit het geval.’
Bespreking van het eerste middel
32. Het
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 25] heeft afgewezen. Aangevoerd wordt dat het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de raadsheer-commissaris heeft geprobeerd de getuige in de onderhavige zaak te horen. Uit de door de raadsman overgelegde correspondentie zou volgen dat de getuige alleen in andere strafzaken heeft aangekondigd zich op zijn verschoningsrecht te zullen beroepen. Bovendien zou het hof vooruit zijn gelopen op het feit dat de getuige waarschijnlijk niet zal willen verklaren, zelfs niet nadat zijn raadsman heeft aangegeven dat hij dit wel zou willen. Ten slotte zou het hof het verdedigingsbelang dat eerst nog was onderkend door zowel het hof als het openbaar ministerie, hebben gerelativeerd.
32. De verdediging heeft in de appelschriftuur van 23 april 2014 verzocht [betrokkene 25] als getuige te horen en dit verzoek op de terechtzitting van 20 mei 2016 herhaald. Op de terechtzitting van 3 juni 2016 heeft het hof dit getuigenverzoek toegewezen en de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen teneinde (onder meer) deze getuige te horen. Dat getuigenverhoor heeft geen doorgang gevonden. Vervolgens heeft de raadsman tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14, 17, 21 en 23 september en 4 oktober 2021, onder meer bij pleidooi, opnieuw verzocht [betrokkene 25] als getuige te horen. Dat verzoek is in het bestreden arrest afgewezen. Naar ik begrijp richt het middel zich tegen die afwijzing.
32. Het verzoek dat de raadsman bij pleidooi heeft gedaan is een verzoek uit hoofde van art. 328 jo Pro. art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 315, eerste lid, dan wel art. 316, eerste lid, Sv. Deze artikelen zijn in hoger beroep van toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium. Het hof heeft het verzoek afgewezen op twee gronden: het ontbreken van bereidheid bij [betrokkene 25] om daadwerkelijk een verklaring af te leggen en het ontbreken van een onderbouwing waarom [betrokkene 25] als getuige à decharge zou moeten worden gehoord. Het hof concludeert op basis van de tweede grond expliciet dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt door het niet horen van [betrokkene 25] . Ik begrijp dat ook de eerste grond naar ’s hofs oordeel die conclusie rechtvaardigt. [2] In de vaststelling dat het verdedigingsbelang ontbreekt, ligt besloten dat het hof het verhoor niet noodzakelijk heeft kunnen oordelen. [3]
35. Het hof leidt het ontbreken van bereidheid bij [betrokkene 25] om daadwerkelijk een verklaring af te leggen – zo begrijp ik – af uit een proces-verbaal van bevindingen van 7 september 2021 van de raadsheer-commissaris. Daarin is vermeld dat via de autoriteiten van de Verenigde Staten, waar de getuige woonachtig is, een getuigenverhoor was ingepland op 14 augustus 2017. De (toenmalig) raadsman van de getuige heeft op 3 augustus 2017 telefonisch laten weten dat de getuige had aangegeven dat hij gebruik zou gaan maken van zijn verschoningsrecht. Een door de getuige ondertekende verklaring met die strekking is op 14 augustus 2017 door de raadsheer-commissaris ontvangen.
35. Uit de zich in het dossier bevindende correspondentie blijkt dat het getuigenverhoor was gepland in de zaken tegen [betrokkene 17] en [betrokkene 48] – en dus niet in de zaak tegen de verdachte – maar dat de toenmalig raadsman van de getuige in een e-mail van 2 augustus 2017 aan de raadsheer-commissaris verwees naar het standpunt van de getuige uit 2015. Dat standpunt hield onder meer in dat de raadsman de getuige in de ‘Yox-zaak’ steeds heeft geadviseerd om gebruik te maken van zijn zwijgrecht, en dat hij hem ter zake van een verhoor als getuige heeft ‘geadviseerd om gebruik te maken van zijn (m.i. inderdaad integrale) verschoningsrecht’. Het standpunt uit 2015 hield voorts in dat de getuige dat advies ‘bij een eerder verhoor als getuige, op 10 augustus 2012 bij de RC in Rotterdam’, ook heeft opgevolgd, dat het advies bij een volgend verhoor gelijk zal luiden en dat de getuige opnieuw gebruik zal maken van zijn verschoningsrecht. In de e-mail van 2 augustus 2017 is voorgesteld om nu ‘voor de zaken [betrokkene 17] en [betrokkene 48] hetzelfde geldt’ [betrokkene 25] ‘opnieuw een verklaring te laten ondertekenen en hem niet als getuige te horen’. Uit de in de Engelse taal opgestelde, op 13 augustus 2017 ondertekende verklaring van de getuige kan worden opgemaakt dat hij in Nederland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden voor overtreding van (onder meer) artikel 420bis Sr, dat die veroordeling nog niet onherroepelijk is en dat hij daarom gebruik zal maken van zijn verschoningsrecht. Het hof stelt vast dat de getuige uitsluitend in de onderhavige strafzaak tot een dergelijke gevangenisstraf is veroordeeld. En dat het kabinet van de raadsheer-commissaris en de toenmalige raadsman van [betrokkene 25] op 3 augustus 2017 en 13 augustus 2017 contact hebben gehad over de ondertekende verklaring.
35. Hoewel uit het dossier niet blijkt dat de raadsheer-commissaris ook in de zaak van de verdachte een verhoor van de getuige had ingepland, meen ik dat het hof op grond van een en ander niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de raadsheer-commissaris op goede gronden heeft aangenomen dat het niet mogelijk was om de toegewezen getuige [betrokkene 25] inhoudelijk te horen. Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, faalt het.
35. De raadsman van de verdachte geeft op de terechtzitting van 14 september 2021 aan dat de getuige, die inmiddels ook door hem wordt bijgestaan, wél bereid zou zijn om een verklaring af te leggen in de zaak van de verdachte. Het hof acht die enkele mededeling evenwel onvoldoende om aannemelijk te achten ‘dat [betrokkene 25] daadwerkelijk bereid is om een verklaring af te leggen’. Ook dat feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk. [4] Ik neem daarbij in aanmerking dat de vorige raadsman van [betrokkene 25] bij de eerdere weigering om te verklaren heeft gewezen op een eerder verhoor, waarin de getuige op zijn advies gebruik had gemaakt van zijn verschoningsrecht, dat de veroordeling in de strafzaak van [betrokkene 25] ten tijde van de berechting van de verdachte nog steeds niet onherroepelijk was en dat de raadsman geen indicatie heeft gegeven van onderwerpen waar [betrokkene 25] over zou willen verklaren dan wel van de inhoud van die af te leggen verklaring. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte vooruit zou zijn gelopen op de te verwachten resultaten van het verhoor van [betrokkene 25] , faalt het derhalve eveneens. [5]
39. Voor zover de klacht tegen de tweede grond die aan de afwijzing ten grondslag ligt ervanuit gaat dat het hof bij de beoordeling van het getuigenverzoek gebonden was door de eerdere toewijzing, in die zin dat het verdedigingsbelang daardoor zou vaststaan, berust het middel op een onjuiste rechtsopvatting. [6] Voor zover deze klacht meer in het algemeen ziet op de begrijpelijkheid van het oordeel dat door de verdediging ontoereikend is onderbouwd waarom [betrokkene 25] als getuige moet worden gehoord, merk ik het volgende op.
40. Het hof heeft overwogen dat [betrokkene 25] geen belastende verklaring over de verdachte heeft afgelegd. Het hof heeft voorts overwogen dat de verdediging ‘op geen enkele wijze, althans volstrekt ontoereikend, (heeft) gesteld of gespecificeerd, laat staan onderbouwd, waarom [betrokkene 25] als getuige à décharge zou moeten worden gehoord en wat hij ontlastend voor de verdachte zou kunnen verklaren’. Dat feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdediging in de appelschriftuur slechts heeft aangevoerd dat de getuige in een groot aantal zaaksdossiers voorkomt en bevraagd dient te worden naar zijn wetenschap omtrent de verschillende verwijten die de verdachte worden gemaakt. En dat de raadsman daar tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 14 en 17 september en bij pleidooi slechts aan heeft toegevoegd dat het belang van de verdediging al eerder was onderkend en nog steeds bestaat.
40. Een en ander in aanmerking genomen meen ik dat ’s hofs oordeel dat de verdediging ontoereikend heeft onderbouwd waarom [betrokkene 25] als getuige à décharge zou moeten worden gehoord en wat hij ontlastend voor de verdachte zou kunnen verklaren, niet onbegrijpelijk is. [7]
42. Daarmee falen de klachten tegen de beide gronden die ’s hofs afwijzing van het getuigenverzoek zelfstandig dragen. Het oordeel van het hof dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt in zijn verdediging door het niet horen van [betrokkene 25] is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
42. Het eerste middel faalt.
Bespreking van het tweede middel
44. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verzoeken tot het horen van de getuigen [betrokkene 35] en [betrokkene 12] heeft afgewezen. ’s Hofs beslissing dat er geen verdedigingsbelang zou zijn bij het horen van de getuigen zou tegen de achtergrond van het procesverloop en al hetgeen eerder over dat belang zou zijn gecommuniceerd en vastgesteld, onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk zijn. Bovendien zou het hof in het geval van de getuige [betrokkene 12] vooruit zou zijn gelopen op wat hij mogelijk wel of niet zou kunnen en willen verklaren. En ’s hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat [betrokkene 12] binnen een aanvaardbare termijn gehoord kan worden zou onbegrijpelijk zijn.
44. De verdediging heeft bij appelschriftuur van 23 april 2014 verzocht beide getuigen te horen en dit verzoek op de terechtzitting van 20 mei 2016 herhaald. Op de terechtzitting van 3 juni 2016 heeft het hof de getuigenverzoeken toegewezen en de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen teneinde (onder meer) deze getuigen te horen. Deze getuigenverhoren hebben geen doorgang gevonden. Vervolgens heeft de raadsman tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 september 2021 en bij pleidooi opnieuw verzocht [betrokkene 35] en [betrokkene 12] als getuige te horen. Dat verzoek is in het bestreden arrest afgewezen. Naar ik begrijp richt het middel zich tegen die afwijzing.
44. De verzoeken die de raadsman bij pleidooi heeft gedaan zijn verzoeken uit hoofde van art. 328 jo Pro. art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 315, eerste lid, dan wel art. 316, eerste lid, Sv. Deze artikelen zijn in hoger beroep van toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium. Bij de getuige [betrokkene 35] heeft het hof overwogen dat het de tenlastelegging deels nietig zal verklaren en dat in verband daarmee redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt in zijn verdediging door het niet horen van deze getuige. Bij beide getuigen heeft het hof overwogen dat niet aannemelijk is dat zij binnen een aanvaardbare termijn zullen kunnen worden gehoord. En bij de getuige [betrokkene 12] heeft het hof aanvullend overwogen dat de getuige geen enkele inhoudelijke verklaring heeft afgelegd, dat hij zich bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, en dat door de verdachte en zijn raadsman niet is ‘gespecificeerd, laat staan onderbouwd’, in hoeverre de getuige voor de verdachte ontlastend zou kunnen verklaren. En dat het hof ook overigens van oordeel is dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet in zijn verdediging geschaad wordt door het niet horen van deze getuige. In de vaststelling dat het verdedigingsbelang ontbreekt, ligt besloten dat het hof het verhoor niet noodzakelijk heeft kunnen oordelen. [8] Dat geldt ook voor de vaststelling dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. [9]
47. Tegen de afwijzing van het verzoek om [betrokkene 35] als getuige te horen op de grond dat de tenlastelegging deels nietig wordt verklaard en derhalve verdedigingsbelang ontbreekt, worden in cassatie geen klachten naar voren gebracht, anders dan dat het ‘verdedigingsbelang eerder door zowel hof als openbaar ministerie was onderkend’. Voor zover de klacht ervanuit gaat dat het hof bij de beoordeling van het getuigenverzoek gebonden was door de eerdere toewijzing, in die zin dat het verdedigingsbelang daardoor zou vaststaan, berust het middel evenwel op een onjuiste rechtsopvatting.
47. Daarmee faalt de klacht tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van [betrokkene 35] als getuige. Ik merk nog op dat de raadsman bij pleidooi in verband met zaaksdossier 17 opmerkt dat zich wreekt dat [betrokkene 35] niet als getuige is gehoord, maar niet aangeeft welke vragen hij dan aan [betrokkene 35] had willen stellen. In cassatie wordt hier ook niet op teruggekomen.
47. Dat niet aannemelijk is dat de getuige [betrokkene 12] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord, heeft het hof afgeleid uit (onder meer) een proces-verbaal van bevindingen van 7 september 2021 van de raadsheer-commissaris. Daarin is vermeld dat de getuigen blijkens de ID-staten SKDB woonachtig zouden zijn in het Verenigd Koninkrijk, dat er op 19 maart 2018 een EOB is verstuurd aan de Britse autoriteiten met het verzoek om deze getuigen via videoconferentie te kunnen horen, dat de Britse autoriteiten op 28 februari 2019 hebben aangegeven dat er een afspraak gemaakt kon worden voor de videoverhoren, dat er sindsdien regelmatig is geprobeerd om via e-mail of telefonisch een datum af te stemmen met de Britse autoriteiten, maar dat daar tot op heden geen reactie meer op is gekomen waardoor de verhoren van deze getuigen geen doorgang hebben kunnen vinden. Uit de zich in het dossier bevindende antwoorden van de raadsheer-commissaris op per e-mail van 20 september 2021 door de verdediging gestelde vragen, waar het hof eveneens naar verwijst, blijkt dat op 22 januari 2020, 24 november 2020 en 12 april 2021 is gerappelleerd naar de Britse autoriteiten en dat de raadsheer-commissaris aangeeft dat ook op of rond 31 januari 2020, 15 september 2020, 24 november 2020 en 4 februari 2021 zal zijn gerappelleerd maar dat daarover niets is vastgelegd.
47. De verdediging heeft bij pleidooi aangevoerd dat uit de door de raadsheer-commissaris verstrekte correspondentie naar voren komt dat niet de Nederlandse autoriteiten regelmatig zouden hebben geprobeerd een datum af te stemmen, maar dat het juist de Engelsen waren die keer op keer vroegen om met een voorstel voor een datum te komen. Uit de in het dossier aanwezige stukken kan inderdaad worden afgeleid dat door het Britse Home Office op 20 januari 2019, 9 maart 2019 en 11 mei 2019 e-mails zijn verzonden in verband met het EOB, laatstelijk met de vraag of het EOB nog uitgevoerd diende te worden. Nadat dit uiteindelijk bevestigd werd, zijn op 11 juni 2019 en 28 juli 2019 nog e-mails gestuurd met betrekking tot de praktische uitvoering van het EOB en het plannen van een Videolink.
47. Het hof heeft in zijn overwegingen onderkend dat er in 2019 ‘een periode van weinig activiteit’ is geweest, maar overwogen dat er daarna ‘voldoende pogingen (zijn) gedaan om gevolg te geven aan de opdracht van het hof’. Het hof baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris en de antwoorden op de per e-mail gestelde vragen. Ik meen dat ‘s hofs oordeel dat het gelet op de aldus vastgestelde gang van zaken niet aannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn zullen kunnen worden gehoord, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is. [10] Het oordeel dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord betreft een feitelijke inschatting die op de toekomst ziet.
52. Daarmee faalt de klacht tegen ’s hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord. Ik merk nog op dat deze grond ook aan de afwijzing van het getuigenverzoek van [betrokkene 35] ten grondslag is gelegd en dat daar in cassatie geen klacht tegen is geformuleerd. Ten overvloede derhalve merk ik op dat de afwijzing van dat getuigenverzoek op deze grond evenmin onbegrijpelijk is.
52. Het hof heeft voorts overwogen dat [betrokkene 12] niet belastend heeft verklaard over de verdachte. En dat door de verdachte en zijn raadsman niet is ‘gespecificeerd, laat staan onderbouwd’, in hoeverre de getuige voor de verdachte ontlastend zou kunnen verklaren. Dat feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk. Inzake dit getuigenverzoek is in de appelschriftuur slechts aangevoerd dat de getuige eerder is opgeroepen door de rechter-commissaris maar toen inhoudelijk niet heeft willen verklaren, dat de verdediging hem andermaal wenst te confronteren met de onderzoeksgegevens uit zaaksdossier 17 en dat de verdediging wil weten waarvoor [betrokkene 12] is vervolgd, wat zijn proceshouding tijdens die vervolging is geweest en of hij in zijn eigen zaak verklaringen heeft afgelegd die relevant kunnen zijn voor de onderhavige zaak. Ook ten aanzien van deze getuige heeft de verdediging daar tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 17 september 2021 en bij pleidooi slechts aan toegevoegd dat het belang van de verdediging al eerder was onderkend en nog steeds bestaat.
52. Gelet op een en ander is ’s hofs oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt in zijn verdediging door het niet horen van [betrokkene 12] niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarmee falen de klachten tegen de beide gronden die ’s hofs afwijzing van dit getuigenverzoek zelfstandig dragen.
52. Het tweede middel faalt.
Bespreking van het derde middel
56. Het
derdemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verzoeken tot het horen van de getuigen [betrokkene 41] en [betrokkene 42] heeft afgewezen. De door deze getuigen afgelegde verklaringen zouden belastend zijn voor de verdachte en tot het bewijs zijn gebezigd. Door te stellen dat het bewijs wordt aangevuld met een afgeluisterd gesprek en dat dit bewijs onvoldoende gemotiveerd door de verdachte is weersproken, zou het hof voorbij zijn gegaan aan het uit artikel 6 EVRM Pro voortvloeiende recht om belastende getuigen te kunnen bevragen.
56. De verdediging heeft bij appelschriftuur van 23 april 2014 verzocht [betrokkene 41] en [betrokkene 42] als getuigen te horen en dit verzoek op de terechtzitting van 20 mei 2016 herhaald. In de appelschriftuur is aangevoerd dat de verdediging [betrokkene 41] wenst te bevragen naar de suggestie dat hij grote geldbedragen voor de verdachte in bewaring zou hebben gehad en over de in het dossier gerelateerde telefoongesprekken. En dat de verdediging [betrokkene 42] wenst te bevragen over de omstandigheid dat hij als verdachte is aangemerkt in zaaksdossier 14 en verklaringen heeft afgelegd over de handel en wandel van de verdachte rondom de juwelierszaak. Op de terechtzitting van 20 mei 2016 heeft de raadsman van de verdachte aangegeven dat de verdediging vader en zoon wenste te bevragen over de omvang van de transacties en de periode waarin die plaatsvonden.
56. Op de terechtzitting van 3 juni 2016 heeft het hof de verzoeken afgewezen omdat zij niet voldoende nauwkeurig en concreet waren onderbouwd. Blijkens de toelichting op het middel wordt niet geklaagd over deze afwijzende beslissing van het hof, maar over de afwijzing in het bestreden arrest van het tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 14 september 2021 en bij pleidooi herhaalde verzoek om deze personen als getuigen te horen.
56. De verzoeken die de raadsman bij pleidooi heeft gedaan zijn verzoeken uit hoofde van art. 328 jo Pro. art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 315, eerste lid, dan wel art. 316, eerste lid, Sv. Deze artikelen zijn in hoger beroep van toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium. Ik begrijp uit ’s hofs overwegingen dat het hof dat criterium ook heeft toegepast en – ten overvloede – heeft overwogen dat toetsing van beide verzoeken aan het criterium van het verdedigingsbelang het hof niet tot een ander oordeel zou hebben gebracht.
56. Naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland heeft Uw Raad overwogen dat het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. [11] Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. In dat geval mag van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang worden verlangd. De rechter kan het verzoek om zo’n getuige op te roepen en te horen niettemin afwijzen als hij tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan
61. De verklaringen van [betrokkene 41] en [betrokkene 42] zijn door zowel de rechtbank als het hof voor het bewijs gebruikt. De verklaring van [betrokkene 41] , eigenaar van een juwelierszaak, houdt (kort gezegd) in dat hij de verdachte al twintig jaar kent, dat hij soms speciaal vroeg naar grote briefjes en dat hij weleens bedragen van € 30.000 en € 50.000 wisselde, misschien al wel een jaar lang (vonnis, bewijsmiddel 1, zaaksdossier 14, onder het kopje ‘Ten aanzien van feit 3). De verklaring van Dhiraj Duney (bewijsmiddel 3 onder hetzelfde kopje) houdt in dat een gesprek dat verbalisanten hem hebben laten beluisteren wordt gevoerd door zijn vader
(BFK: kennelijk [betrokkene 41] )en de verdachte en dat het geld waarover gesproken wordt geld is dat zijn vader met verdachte ruilt. Tijdens het onderzoek op de terechtzitting op 14 en 17 september 2021 heeft de raadsman aangegeven dat deze getuigen belastend hebben verklaard; bij pleidooi heeft de raadsman van de verdachte gesteld dat de verklaringen van de verzochte getuigen door de verdachte worden betwist. Het hof heeft in het bestreden arrest vervolgens overwogen dat de verdachte tegenover de politie niet heeft ontkend dat hij geld heeft gewisseld in de juwelierszaak van [betrokkene 41] maar juist heeft verklaard dat dit ‘zou kunnen’, en dat de verdachte daar ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet op is teruggekomen. [12]
62. Ik meen dat het hof uit deze vaststellingen heeft kunnen afleiden dat de voor het bewijs gebezigde verklaringen van deze beide getuigen niet zijn betwist. En ik meen dat het hof daar ook bij heeft kunnen betrekken dat de raadsman in het pleidooi heeft aangegeven zich ‘voor de bewezenverklaring van het derde feit’ te refereren aan het oordeel van het hof.
62. Ik wijs er in dit verband voorts op dat in de appelschriftuur is vermeld dat de verdediging [betrokkene 41] wenste te bevragen over de suggestie dat hij grote geldbedragen voor de verdachte in bewaring zou hebben gehad en over de in het dossier gerelateerde telefoongesprekken. En dat de verdediging [betrokkene 42] wenste te bevragen over verklaringen die hij had afgelegd over de ‘handel en wandel’ van de verdachte rondom de juwelierszaak. Op 20 mei 2016 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdediging vader en zoon wenste te bevragen over de omvang van de transacties en de periode waarin die plaatsvonden. Pas in de pleitnota wordt aangegeven dat de getuigen (ook) ‘bevraagd dienen te worden naar de juistheid van de vraag of er gewisseld is’, en ‘in welke periode’, maar ook in de pleitnota wordt niet gesteld dat er niet gewisseld is in de tenlastegelegde periode.
62. Het hof wijst er ook op dat naast de verklaringen van de twee verzochte getuigen aanvullend bewijs in de vorm van een tapgesprek van 21 mei 2011 beschikbaar is. Die omstandigheid brengt naar het mij voorkomt evenwel niet mee dat het hof het oproepen en horen van beide getuigen als onmiskenbaar irrelevant of overbodig heeft kunnen aanmerken. De inhoud van dat telefoongesprek, op zichzelf beschouwd, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat het onder 3 tenlastegelegde al buiten redelijke twijfel is komen vast te staan. Ik wijs in dit verband ook op de door het hof overgenomen bewijsoverwegingen van de rechtbank inzake feit 3.
62. Tegen de achtergrond van het voorgaande meen ik dat de afwijzing in het bestreden arrest van beide getuigenverzoeken inhoudend dat het hof zich voldoende ingelicht acht en het horen van beide getuigen niet noodzakelijk oordeelt niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is.
62. Het derde middel faalt.
Bespreking van het vierde middel
67. Het
vierdemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verzoeken tot het horen van de getuigen [betrokkene 37] , [betrokkene 16] en [betrokkene 18] heeft afgewezen. De steller van het middel geeft aan dat in hoger beroep is aangevoerd dat deze getuigen belastende verklaringen hebben afgelegd en dat de raadsman heeft aangegeven dat hij de getuigen onder meer wilde bevragen over de aard en omvang van het Hawala-bankieren, de rol van de verdachten daarbij, de wijze waarop de betalingen plaatsvonden en wie daarbij betrokken waren.
67. De verdediging heeft bij appelschriftuur van 23 april 2014 verzocht [betrokkene 37] , [betrokkene 16] en [betrokkene 18] als getuigen te horen en dit verzoek op de terechtzitting van 20 mei 2016 herhaald. In de appelschriftuur is aangevoerd dat de verdediging [betrokkene 37] wil bevragen nu de rechtbank hem heeft betrokken in de bewezenverklaring van zaaksdossier 10 en dat de verdediging hem nadere vragen wil stellen over hetgeen in dit dossier gerelateerd staat. De verdediging wilde nadere vragen stellen aan [betrokkene 16] en [betrokkene 18] over wie bij het zogenaamde reguliere Hawalah-bankieren betrokken waren en hoe een en ander in zijn werk ging. Op de terechtzitting van 20 mei 2016 heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat hij [betrokkene 37] wilde bevragen over de betalingen die via [J ] liepen, hoe dat gelopen is, in welke periode het gebeurde en of de verdachte daarbij betrokken was. De verdediging wilde [betrokkene 16] en [betrokkene 18] bevragen over de aard en omvang van het reguliere Hawalah-bankieren, over de rol van de verdachte daarbij, over de wijze waarop de betalingen in hun werk gingen en over de omvang van die betalingen.
67. Op het onderzoek ter terechtzitting van 3 juni 2016 heeft het hof de verzoeken afgewezen omdat zij niet voldoende concreet en nauwkeurig waren onderbouwd. Blijkens de toelichting op het middel wordt niet geklaagd over deze afwijzende beslissing maar over de afwijzing bij arrest van het tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 14 september 2021 en bij pleidooi herhaalde verzoek om deze personen als getuigen te horen.
67. De verzoeken die de raadsman bij pleidooi heeft gedaan zijn verzoeken uit hoofde van art. 328 jo Pro. art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 315, eerste lid, dan wel art. 316, eerste lid, Sv. Deze artikelen zijn in hoger beroep van toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium. Ik begrijp uit ’s hofs overwegingen dat het hof dat criterium ook heeft toegepast en – ten overvloede – heeft overwogen dat toetsing van beide verzoeken aan het criterium van het verdedigingsbelang het hof niet tot een ander oordeel zou hebben gebracht.
67. De verklaringen van deze drie getuigen zijn door de rechtbank en het hof voor het bewijs gebruikt. Zij houden in de kern in dat zij via een persoon die zij kennen als ‘ [bijnaam 2] ’, met het telefoonnummer [telefoonnummer 7] , geld hebben overgemaakt naar India (vonnis, zaaksdossier 7, bewijsmiddelen 10 en 12, en zaaksdossier 10, bewijsmiddel 1, onder kopje ‘Ten aanzien van feit 2’)). Uit de overige bewijsmiddelen blijkt dat met ‘ [bijnaam 2] ’ de verdachte wordt bedoeld en dat hij gebruik maakte van dit telefoonnummer.
67. Het hof overweegt dat het voorbij gaat aan de nuancering van de verklaringen van de verdachte door de raadsman, inhoudend dat de verdachte niet ontkent dat hij zich feitelijk bezig heeft gehouden met Hawala-bankieren, maar wel ontkent dat hij dat heeft gedaan binnen de tenlastegelegde periode. Het hof ‘houdt de verdachte aan de door hem afgelegde verklaring’ en overweegt ‘dat ook uit andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte zich heeft bezig gehouden met hawala-bankieren, ook binnen de tenlastegelegde periode’. Het hof overweegt voorts dat niet duidelijk is ‘in hoeverre of op welke onderdelen de raadsman de door de getuigen afgelegde verklaringen betwist’. De afgelegde verklaringen zijn volgens het hof voorts ‘volledig dan wel vergaand’ in lijn met en worden dus bevestigd door ‘de opgenomen tapgesprekken die de verzochte getuigen met de verdachte of een medewerker van de verdachte hebben gevoerd.’
67. De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat het opsturen van geld strafbaar was, dat hij alleen geld naar India stuurde, en dat hij dat overmaken van geld soms voor vrienden deed (vonnis, bewijsmiddel 1, zaaksdossier 7, onder kopje ‘Ten aanzien van feit 2’). Uit de verklaring van de verdachte blijkt niet dat dit overmaken van geld buiten de tenlastegelegde periode plaatsvond. Dat dit uit verklaringen van de verdachte zou blijken is door de raadsman ook niet aangevoerd. Uit de toelichting op de getuigenverzoeken die in de appelschriftuur en op 20 mei 2016 is gegeven blijkt ook niet dat wordt betwist dat het Hawala-bankieren in de tenlastegelegde periode plaatsvond. Op 14 september 2021 heeft de raadsman alleen gesteld dat deze drie getuigen belastend hebben verklaard. In de pleitnota is aangegeven dat deze getuigen ‘bevraagd dienen te worden naar de aard en omvang van het zogenaamde traditionele Hawala bankieren, de rol van verdachten daarbij en over de wijze waarop de betalingen in zijn werk gingen en wie daarbij betrokken waren’. Een vraag die is toegespitst op de periode waarin het hawala bankieren plaatsvond ontbreekt. De raadsman geeft in het vervolg van het pleidooi slechts in het algemeen aan dat de verdachte het ontvangen van geld van anderen om dat in India te laten uitbetalen ‘ontkent’ zonder aan te geven waar hij dat standpunt op baseert.
67. ’s Hofs kennelijk oordeel dat de voor het bewijs gebezigde verklaringen van deze getuigen in het licht van de verklaring die de verdachte heeft afgelegd en de vragen die de raadsman aan deze getuigen wilde stellen niet zijn betwist, is niet onbegrijpelijk.
67. Onder 2 is bewezenverklaard dat de verdachte (kort gezegd) tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk zonder vergunning het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend. De bewezenverklaring vermeldt geldtransfers van (ongeveer) € 112.400,00 (zaaksdossier Yampa), (ongeveer) € 25.000,00 (zaaksdossier Terriër), (vermoedelijk) € 125.000,00 en onbekend gebleven geldbedragen. De geldbedragen van € 112.400,00 (Yampa), € 25.000,00 (Terriër) en € 125.000,00 komen ook voor in de bewezenverklaring van feit 1, die ziet op witwassen. In de bewijsconstructie van het hof zijn onder het kopje ‘Ten aanzien van feit 1 en 2’ de bewijsmiddelen opgenomen die op de geldtransfers inzake deze bedragen zien.
67. Vervolgens heeft het hof onder het kopje ‘In aanvulling op het voorgaande ten aanzien van feit 2’ andere bewijsmiddelen opgenomen. Onder dat kopje is onder meer vermeld dat door het hof uit het vernietigde vonnis zijn overgenomen de bewijsmiddelen 1 t/m 12 met betrekking tot zaaksdossier 7, de bewijsmiddelen 1 t/m 8 met betrekking tot zaaksdossier 9 en de bewijsmiddelen 1 t/m 5 met betrekking tot zaaksdossier 10. De tot het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 16] en [betrokkene 18] maken onderdeel uit van de bewijsmiddelen in zaaksdossier 7 (bewijsmiddelen 10 en 12). De tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 37] maakt onderdeel uit van de bewijsmiddelen in zaaksdossier 10 (bewijsmiddel 1).
67. Reeds uit deze opbouw van de bewijsconstructie volgt naar het mij voorkomt dat het hof heeft kunnen oordelen dat het onder 2 bewezenverklaarde gelet op andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek buiten redelijke twijfel is komen vast te staan. Ik wijs er daarbij op dat de bewezenverklaring voor zover deze ziet op ‘onbekend gebleven geldbedragen’ ook berust op de bewijsmiddelen in zaaksdossier 9. Ten overvloede merk ik op dat in het licht van deze bewijsvoering naar het mij voorkomt ook belang bij cassatie ontbreekt.
67. Ik wijs er voorts op dat tot de bewijsmiddelen in zaaksdossier 7 ook tapgesprekken tussen de verdachte en ‘NN [betrokkene 20] ’ behoren (bewijsmiddelen 3-5). In het eerste gesprek vraagt [betrokkene 20] naar de ‘koers’, refereert aan de vorige keer, zegt dat hij al tien jaar vaste klant is, noemt het dorp Dalla, Punjab, India. In het derde gesprek vraagt [betrokkene 20] weer naar de koers, geeft de naam van de ontvangster in het dorp, zegt dat de vorige keer iemand vanuit Ropar (India) was gegaan om het geld af te geven en zegt dat verdachte snel moet laten betalen. Tot de bewijsmiddelen in dit zaakdossier behoren voorts tapgesprekken tussen de verdachte en ‘NN [betrokkene 29] ’ en ‘NN [betrokkene 31] ’ (bewijsmiddelen 6 en 7). Ook daarin wordt gesproken over de (wissel)koers; [betrokkene 31] spreekt over een jongen die vanuit India naar Australië gaat en het geld nodig heeft. Tot de bewijsmiddelen in zaaksdossier 10 ook tapgesprekken tussen de verdachte en [betrokkene 37] (bewijsmiddelen 2-5). Daarin vraagt Jassar ‘hoeveel van 1 ton wordt’, klaagt dat mensen zeggen dat zij hun geld nog niet hebben ontvangen. Ook spreken zij over een wisselkoers.
67. Ook in het licht van deze onderdelen van de bewijsvoering heeft het hof naar het mij voorkomt kunnen aannemen dat het onder 2 bewezenverklaarde gelet op andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel is komen vast te staan.
67. Tegen de achtergrond van het voorgaande meen ik dat de afwijzing in het bestreden arrest van deze getuigenverzoeken inhoudend dat het hof zich voldoende ingelicht acht en dat het niet noodzakelijk is om de verzochte getuigen te horen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is.
67. Het vierde middel faalt.
Bespreking van het vijfde middel
82. Het
vijfdemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 15] heeft afgewezen. Aangevoerd wordt dat het hof het noodzakelijkheidscriterium heeft toegepast terwijl het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing zou zijn. Daarbij zou het hof eraan voorbij zijn gegaan dat de verdediging het recht heeft belastende delen uit afgelegde verklaringen te toetsen. En het hof zou wel degelijk hebben geoordeeld dat deze getuige in opdracht van de verdachte geldtransporten heeft uitgevoerd, terwijl de verdachte dat heeft ontkend.
82. De verdediging heeft in de appelschriftuur van 23 april 2014 verzocht [betrokkene 15] als getuige te horen en dit verzoek op de terechtzitting van 20 mei 2016 herhaald. In de appelschriftuur is aangevoerd dat de verdediging hem wil bevragen over de beweringen dat hij op verschillende momenten geld zou hebben gewisseld voor de verdachte en in opdracht van de verdachte geldbedragen uit Frankrijk zou hebben opgehaald. Op de terechtzitting van 20 mei 2016 heeft de raadsman van de verdachte aangegeven dat hij [betrokkene 15] onder meer zou willen vragen door wie hij gevraagd is om gelden te wisselen, om wat voor bedragen het ging en met welke frequentie hij gelden heeft gewisseld.
82. Op het onderzoek van de terechtzitting van 3 juni 2016 heeft het hof het verzoek afgewezen omdat de noodzakelijkheid van het verhoor niet is gebleken. Blijkens de toelichting op het middel wordt niet geklaagd over deze afwijzende beslissing maar over de afwijzing bij arrest van het tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 september 2021 en bij pleidooi herhaalde verzoek om [betrokkene 15] als getuige te horen.
82. Het verzoek dat de raadsman bij pleidooi heeft gedaan is een verzoek uit hoofde van art. 328 jo Pro. art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 315, eerste lid, dan wel art. 316, eerste lid, Sv. Deze artikelen zijn in hoger beroep van toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium. Ik begrijp uit ’s hofs overwegingen dat het hof het verzoek zowel aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang als aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium heeft beoordeeld en afgewezen. Het middel faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover daarin wordt gesteld dat het hof niet aan het criterium van het verdedigingsbelang heeft getoetst.
82. De rechtbank heeft onder het kopje ‘Ten aanzien van feit 1’ in de context van zaaksdossier 8 onder de bewijsmiddelen een proces-verbaal opgenomen van verbalisant [verbalisant 3] waarin deze relateert dat uit de tapgesprekken naar voren kwam dat verdachte veelvuldig contact had met een man die ‘ [betrokkene 15] ’ werd genoemd, en dat de personalia van deze [betrokkene 15] naar alle waarschijnlijkheid moesten luiden: [betrokkene 15] (bewijsmiddel 1). [betrokkene 15] heeft verklaard op welk telefoonnummer hij te bereiken is (bewijsmiddel 2), en bij de hem getoonde foto 1 aangegeven dat de geportretteerde Hindoestaans is en [bijnaam 2] wordt genoemd (bewijsmiddel 3). De bewijsmiddelen 2 en 3 zijn door het hof niet overgenomen. Van bewijsmiddel 1 in het vonnis is door het hof alleen de eerste zin tot het bewijs gebezigd: ‘Uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken binnen het onderzoek Yox kwam naar voren dat [verdachte] veelvuldig contact had met een man die “ [betrokkene 15] ” werd genoemd’ (arrest, bewijsmiddel 1 onder ‘zaaksdossier 8 en transport 1’).
82. Het hof heeft overwogen dat het, voor zover de getuige [betrokkene 15] bij de politie heeft verklaard dat hij geldbedragen voor de verdachte zou hebben gewisseld en opgehaald uit Frankrijk, die verklaringen niet voor het bewijs zal gebruiken. En dat het slechts die onderdelen die niet betwist zijn dan wel door andere resultaten uit het strafrechtelijke onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan, voor het bewijs zal gebruiken. Ik begrijp dat aan de bewezenverklaring uiteindelijk geen verklaringen van [betrokkene 15] ten grondslag zijn gelegd.
82. In het geldend recht ligt niet besloten dat de verdediging het recht heeft om alle belastende elementen uit verklaringen die in het dossier voorkomen te toetsen. Voor zover het middel van een andere opvatting uitgaat, faalt het. Ik wijs er in dit verband op dat een getuigenverzoek kan worden afgewezen als de belastende verklaring door de verdachte niet wordt betwist. [13] Daar komt bij dat de rechtspraak van het EHRM er – meen ik – niet toe dwingt om in hoger beroep een getuigenverzoek toe te wijzen dat betrekking heeft op een belastende verklaring die door het hof niet aan de bewezenverklaring ten grondslag wordt gelegd. Dat laatste geval doet zich in casu voor.
89. Ook de omstandigheid dat het hof in een bewijsoverweging onder het kopje ‘3.2 Zaakdossier 8 en transport 1’ heeft vastgesteld dat in de periode van 24 november 2010 tot 26 november 2010 veelvuldig contact is geweest met (onder meer) een telefoonnummer dat in gebruik was bij een man die ‘ [betrokkene 15] ’ wordt genoemd, en dat duidelijk is geworden dat (onder meer) deze man op weg was naar Frankrijk, brengt niet mee dat de afwijzing van het getuigenverzoek ontoereikend is gemotiveerd. Uit de bewijsvoering in zaaksdossier 8 kan weliswaar worden opgemaakt dat het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 15] geldtransporten heeft uitgevoerd voor de verdachte, maar het hof heeft niet vastgesteld dat [betrokkene 15] dezelfde persoon is als [betrokkene 15] . En ook als dat wel zo zou zijn brengt de enkele omstandigheid dat het hof vaststelt dat een persoon een bepaalde gedraging heeft verricht niet mee dat verdedigingsrechten zijn geschonden als de verdediging die persoon in hoger beroep niet heeft kunnen ondervragen.
89. Het vijfde middel faalt.
Bespreking van het zesde middel
91. Het
zesdemiddel bevat de klacht dat hof ten onrechte, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, bewezen heeft verklaard dat de verdachte betrokken is geweest bij de overdracht van € 125.000,- op 3 februari 2011. Het hof zou zijn afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder de feiten en omstandigheden te benoemen die tot dat andersluidende oordeel hebben geleid. Daarbij zou de bewijsoverweging van de rechtbank, waar het hof naar heeft verwezen, de bewezenverklaring niet kunnen dragen.
91. Bij pleidooi heeft de raadsman verzocht de verdachte vrij te spreken van betrokkenheid bij deze overdracht bij gebrek aan voldoende redengevend bewijs dat er daadwerkelijk een overdracht heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft hij aangevoerd dat niet is waargenomen dat de verdachte iets aan [medeverdachte] heeft overhandigd, dat als er al iets zou zijn overhandigd nergens uit blijkt dat het om € 125.000,- zou gaan, dat dit bedrag niet is aangetroffen en dat de persoon die door de tolk als de verdachte wordt geduid in het tapgesprek juist zegt: ‘Nee, er was geen 125. Als er 125 was, dan had ik dat toch meegenomen.’
91. Het hof heeft de bewijsoverweging overgenomen die de rechtbank onder het kopje 'overdracht van € 125.000,- op 3 februari 2011' in het vonnis heeft opgenomen, met herstel van een fout. In die overweging heeft de rechtbank vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte] op 3 februari 2011 een gesprek hebben gevoerd waarin zij afspreken dat de verdachte naar het werk van [medeverdachte] zal komen. Gezien wordt dat [medeverdachte] contact maakt met de verdachte. Op het moment dat [medeverdachte] wegloopt bij de auto waarin de verdachte zit, wordt waargenomen dat hij een zwarte plastic tas met het opschrift ‘Pour Vous’ bij zich heeft en daarmee zijn winkel [C] binnenloopt. Nadat de verdachte ook deze winkel binnen is gegaan, komt eerst de verdachte en daarna [medeverdachte] , samen met een NN man, uit [C] . Zij dragen daarbij beide een zwarte schoudertas. Beide mannen rijden vervolgens naar de [c-staat 1] te [plaats] en gaan daar naar binnen; [medeverdachte] draagt daarbij een zwarte schoudertas. Vervolgens vindt, aldus nog steeds de rechtbank, een gesprek plaats tussen de verdachte en een NNman die gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer 9] . Daaruit blijkt dat er die dag een geldbedrag is overgedragen. Door de verdachte wordt gezegd dat hij die ochtend ‘125’ heeft opgehaald bij NN man. Gelet op deze ‘omstandigheden’ stelt de rechtbank vast dat het tapgesprek in de middag ziet op de geldoverdracht die ochtend en acht wettig en overtuigend bewezen dat er een geldoverdracht heeft plaatsgevonden van een geldbedrag van vermoedelijk € 125.000,-
91. Voor zover hetgeen de raadsman inzake de overdracht aanvoert als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden aangemerkt, meen ik dat de redenen voor de verwerping van dit standpunt in deze bewijsoverweging besloten ligt. [14] Daarin is op grond van uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden vastgesteld dat op 3 februari 2011 een geldoverdracht heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [medeverdachte] . Ik wijs in het bijzonder op het tapgesprek waarin verdachte zegt dat hij ‘iemand 125 had gebracht maar die persoon zei dat er 1000 te weinig was’ en dat hij vervolgens is ‘teruggegaan en aan die persoon 1000 (heeft) gegeven’ (vonnis, kopje ‘Ten aanzien van feit 1’, subkopje ‘Overdracht € 125.000 op 3 februari 2011’, bewijsmiddel 3).
95. Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat nergens uit blijkt dat daadwerkelijk € 125.000,- is overhandigd, wijs ik erop dat het hof bewezen heeft verklaard dat ‘een geldbedrag van (vermoedelijk) EUR 125.000’ is overgedragen. Ik begrijp dit aldus dat het hof bewezen heeft verklaard dat een geldbedrag is overgedragen en de hoogte van dat geldbedrag in de bewezenverklaring in het midden heeft gelaten. Dat brengt mee dat het hof in zoverre niet in strijd met hetgeen is aangevoerd heeft beslist. Voor zover is aangevoerd dat het bedrag van € 125.000,- niet is aangetroffen, wijs ik erop dat voor een bewezenverklaring van het overdragen van een bedrag niet vereist is dat dit bedrag daadwerkelijk wordt aangetroffen.
95. Nu in de toelichting op het middel niet wordt verhelderd waarom de bewijsoverweging van de rechtbank de beslissing tot bewezenverklaring ‘ook inhoudelijk’ niet kan dragen, ga ik aan deze deelklacht voorbij.
95. Het zesde middel faalt.
Bespreking van het zevende middel
98. Het
zevendemiddel bevat de klacht dat het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.
98. Namens de verdachte is op 1 november 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 mei 2023 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de termijn van acht maanden met meer dan tien maanden is overschreden. Dat dient tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf leiden.
98. Het middel slaagt.
Afronding
101. De eerste zes middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het zevende middel slaagt. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van cassatieberoep zijn verstreken. Ook dat dient tot strafvermindering te leiden. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
101. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt abusievelijk dat de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015.
2.Het geval waarin het hof op grond van feiten en omstandigheden vaststelt dat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat de getuige iets zal verklaren over punten die van belang kunnen zijn voor de in de strafzaak te nemen beslissingen, kan naar het mij voorkomt gelijk worden gesteld met het geval waarin ‘redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren’ (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
3.Nu het een getuigenverzoek betreft dat aanvankelijk bij tijdig ingediende appelschriftuur is gedaan en vervolgens ter terechtzitting is herhaald en toegewezen, ligt het – meen ik - ook in de rede de weigeringsgronden van art. 288, eerste lid, Sv bij de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium tot uitgangspunt te nemen.
4.Vgl. in dit verband HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1549, rov. 2.4.2 en 2.4.3.
5.Het geval waarin het hof op grond van feiten en omstandigheden vaststelt dat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat de getuige iets zal verklaren over punten die van belang kunnen zijn voor de in de strafzaak te nemen beslissingen, moet naar het mij voorkomt gelijk worden gesteld met het geval waarin ‘redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren’ (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
6.Vgl. G.J.M. Corstens,
7.Ik attendeer in dit verband op het eerste onderdeel van de ‘three-pronged test’ die in EHRM 18 december 2018, Murtazaliyeva tegen Rusland, nr, 36658/05, par. 158 voor
8.Nu het een getuigenverzoek betreft dat aanvankelijk bij tijdig ingediende appelschriftuur is gedaan en vervolgens ter terechtzitting is herhaald en toegewezen, ligt het – meen ik - ook in de rede de weigeringsgronden van art. 288, eerste lid, Sv bij de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium tot uitgangspunt te nemen.
9.Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
10.Ik merk nog op dat in een proces-verbaal van de rechter-commissaris van 9 juli 2013 in eerste aanleg is vastgelegd dat de rechter-commissaris, onder meer gelet op de omstandigheid dat er meermalen geen reactie is ontvangen van contactpersonen bij de UK Central Authority, van mening is dat de getuigen [betrokkene 7] , [betrokkene 35] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] niet binnen een aanvaardbare termijn gehoord zullen kunnen worden.
11.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
12.Letterlijk zegt de verdachte: ‘Dat is mogelijk’ (arrest, bewijsmiddel 1 onder het kopje ‘Ten aanzien van feit 3’).
13.Vgl HR 20 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:944, rov. 2.5.1.
14.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,