Conclusie
verweerster in het incidentele cassatieberoep
adv.: mrs. B.T.M. van der Wiel en A. Stortelder
eiser in het incidentele cassatieberoep
adv.: mr. D.M. de Knijff
NGrespectievelijk
de curator) is voorgelegd aan de rechtbank. Deze hebben betrekking op verrekening in het zicht van en na de verlening van surseance van betaling aan vennootschappen van het Flinterconcern. De eerste vraag betreft de maatstaf aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of degene die zich op verrekening beroept, niet te goeder trouw is in de zin van artikel 54/235 Fw. De tweede vraag is of ING, na de verlening van de surseance van betaling, zonder medewerking van de bewindvoerders creditsaldi op bankrekeningen van vennootschappen van het Flinterconcern mocht overboeken naar bankrekeningen van andere vennootschappen binnen het concern (binnen een fiat- en rentecompensabel stelsel). De derde vraag luidt of de uitzondering op de beperkte verrekeningsbevoegdheid van banken zoals aanvaard in het arrest
Mulder q.q./CLBNook geldt als een stil verpande vordering wordt voldaan op een bankrekening op naam van een hoofdelijk verbonden zustervennootschap. De rechtbank heeft deze drie rechtsvragen beantwoord in een tussenvonnis en de mogelijkheid van tussentijds beroep opengesteld. Het principale cassatieberoep van ING en het incidentele cassatieberoep van de curator hebben betrekking op oordelen van de rechtbank met betrekking tot alle drie rechtsvragen. Een deel van de klachten slaagt.
1.Feiten en procesverloop
Flinter Shipping) en Flinter Management B.V. (
Flinter Management) maakten onderdeel uit van een groep vennootschappen die onder de naam Flinter actief waren als scheepvaartondernemingen (hierna gezamenlijk ook:
(rederij) Flinterof
het Flinterconcern). Flinter was een middelgrote rederij die zeetransport- en scheepsmanagementdiensten aanbood. Flinter maakte daarbij gebruik van schepen die haar in eigendom toebehoorden dan wel onder haar management stonden.
Flinter Fleetholding), en de tak waarbinnen de exploitatie van de schepen werd verricht, met Flinter Groep B.V. (hierna:
Flinter Groep) aan het hoofd, waarvan Flinter Shipping en Flinter Management onderdeel uitmaakten.
Single Ship Companies(hierna ook:
SSC’s), die elk eigenaar van een schip waren en die voor het verkrijgen van de eigendom daarvan waren opgericht. Aandeelhouders van Flinter Fleetholding waren negen verschillende entiteiten, die vóór de oprichting van Flinter Fleetholding in 2013 ieder eigenaar van een individueel schip waren. Aandeelhouders van deze negen entiteiten waren circa 1200 particuliere beleggers.
shipping pools. In dergelijke pools werden de kosten en opbrengsten van de schepen gedeeld tussen de scheepseigenaren. Flinter Shipping trad op als
pool manager(hierna:
de Scheepspoolmanager) van drie pools (hierna:
de Scheepspools). De aan Flinter toebehorende schepen waren alle ondergebracht in de Scheepspools. In de hoedanigheid van Scheepspoolmanager sloot Flinter Shipping als onmiddellijk vertegenwoordiger van de scheepseigenaren (“
as agent to owners only”) bevrachtingsovereenkomsten met bevrachters en inde zij de vorderingen (hierna:
de Scheepspoolvorderingen) die ontstonden bij de exploitatie van de in de Scheepspools deelnemende schepen op ten behoeve van de verschillende Scheepspools aangehouden bankrekeningen bij ING (hierna:
de Scheepspoolrekeningen [2] ).
Flinter Chartering) maakte eveneens deel uit van de tak van Flinter Groep. Zij hield zich onder meer bezig met het aantrekken van bijzondere ladingen.
de pandakte 2006) een pandrecht verkregen op de voorraden, vorderingen en bedrijfsuitrusting van onder meer Flinter Groep, Flinter Chartering, Flinter Shipping en Flinter Management.
de CJMO) is gesloten. Flinter Shipping, Flinter Management en Flinter Chartering hebben daarbij aan ING een onherroepelijke volmacht verleend om binnen dit stelsel saldi over te boeken van rekeningen met een creditsaldo naar andere rekeningen die onderdeel uitmaakten van het genoemde stelsel, en hebben zich daarnaast hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor elkaars schulden tegenover ING.
Vestas) werd op een andere wijze gecontracteerd. Gepoolde schepen werden ingezet om windmolens die door Vestas werden geproduceerd naar de plaats te vervoeren waar deze geïnstalleerd moesten worden, met name in windmolenparken op zee.
shipbrokervoor Flinter Chartering - die als eigenaar van de desbetreffende schepen werd genoemd - in plaats van namens één of meer van de SSC’s die deelnamen aan de Scheepspools.
standstill-afspraken gemaakt, die inhielden dat Flinter Groep alleen rente en geen aflossingen over de uitstaande financiering aan ING hoefde te betalen. De aandeelhouders hebben in 2009, 2010 en 2012 kapitaal bijgestort. Ook werden in 2012 en 2013 financiële herstructureringen doorgevoerd. In dit kader is Flinter Fleetholding opgericht. Ook ging een dochtervennootschap van ING 12,5% van de aandelen in Flinter Groep houden.
standstillbleek in januari 2015 dat Flinter Groep opnieuw in zwaar weer raakte. Op verzoek van Flinter Groep heeft ING op 15 september 2015 opnieuw tijdelijk – tot 1 juli 2016 – afstand gedaan van het recht om het verleende krediet op te eisen – de zogenaamde
waiver. Vervolgens heeft ING Flinter Groep opgedragen om een
quick scante laten verrichten.
.Op 15 juni 2016 heeft overleg plaatsgevonden tussen ING en het management van het Flinterconcern. Daarbij is onder meer gesproken over: het door Flinter op verzoek van ING opgestelde strategisch plan, de omstandigheid dat Flinter niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen als de
waiverper 1 juli 2016 af zou lopen, de beoogde herfinanciering of herstructurering van het krediet, en het feit dat het verstrekte krediet op 1 oktober 2016 zou aflopen. ING heeft (onder meer) als voorwaarde voor herfinanciering gesteld dat de aandeelhouders kapitaal zouden bijstorten.
reservation of rights lettergestuurd aan Flinter Fleetholding, omdat zij per 30 september 2016
close of businessin verzuim was met de terugbetaling aan ING van de volledige uitstaande som aan financiering, plus rente.
Flinter Shared Services) (hierna:
de overboekingen).
primairvanaf 15 juni 2016 niet meer gerechtigd om tot verrekening van de op de Scheepspoolrekeningen betaalde bedragen over te gaan, omdat zij vanaf die datum wist of althans behoorde te voorzien dat Flinter Shipping in een zodanige toestand verkeerde dat het faillissement respectievelijk de surseance van betaling van Flinter Shipping te verwachten was, zoals bedoeld in artikel 54/235 Fw.
Subsidiairwas ING niet langer te goeder trouw in de zin van artikel 54/235 Fw vanaf 15 juli 2016,
meer subsidiairvanaf 20 juli 2016, althans vanaf 5 augustus 2016, 16 september 2016, 20 september 2016, 26 september 2016, 27 september 2016, 30 september 2016, 1 oktober 2016, 3 oktober 2016, 6 oktober 2016, 7 oktober 2016, 12 oktober 2016 of 13 oktober 2016.
Mulder q.q./CLBNis dat het moet gaan om een betaling van een verpande vordering op de bankrekening van de pandgever die wordt aangehouden bij de pandhouder. In dit geval is echter door Vestas niet betaald op de bankrekening van Flinter Chartering, maar op een van de Scheepspoolrekeningen van Flinter Shipping. Hierdoor vinden de verruimde verrekenregels geen toepassing en is, in lijn met de in het arrest
Mulder q.q./CLBNgeformuleerde hoofdregel, het pandrecht vervallen. ING kan zich ter zake dus niet op verrekening beroepen, aldus de curator. [8]
eerste rechtsvraag(“
De goede trouwnorm van de artikelen 235 Fw en 54 Fw”) overweegt de rechtbank in rov. 4.4 dat in de rechtspraak van de Hoge Raad tekstueel verschillende normen zijn ontwikkeld ter beoordeling van een beroep op goede trouw in de context van artikel 42 Fw Pro (faillissementspauliana) dan wel artikel 54 (/235) Fw (verrekening in faillissement). Deze normen zijn achtereenvolgens:
ABN AMRO/Van Dooren IIIop dit verschil in normstelling gewezen, maar heeft de Hoge Raad zijn eerder ontwikkelde criterium voor de toepassing van artikel 42 Fw Pro herhaald en bij de beoordeling in rov. 3.4 van zijn arrest van het mede gedane beroep op artikel 54 Fw Pro geen aanleiding gezien om een verduidelijkende overweging te wijden aan de in die context geldende, anders geformuleerde norm [12] (rov. 4.6);
Rabobank/Kézér q.q.genoemde norm ook geldt in de onderhavige specifieke context.
Wel ziet de rechtbank, mede omdat feitelijke wetenschap van de bank over het algemeen moeilijk zal zijn te bewijzen, aanleiding om enkele algemeen geldende gezichtspunten te formuleren die in deze specifieke context van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de goede trouw van de bank. In dit kader overweegt de rechtbank:
tweede rechtsvraag(“
Kruislingse verrekening en art. 228 Fw Pro”) verwerpt de rechtbank het standpunt van ING dat de kruislingse verrekening van de saldi van de bankrekeningen van de afzonderlijke vennootschappen, behorend tot het Flinterconcern, een louter administratieve, papieren operatie was en geen verrekening in juridische zin. Volgens de rechtbank was wel degelijk sprake van een verrekening in de zin van artikel 6:127 BW Pro e.v., met dien verstande dat, ingevolge de tussen partijen gesloten overeenkomst, niet voldaan behoefde te zijn - en ook niet voldaan was - aan het wederkerigheidsvereiste (rov. 4.14).
NJ2020/166 – dat een contractueel beding tot uitbreiding van verrekeningsbevoegdheid ook in faillissement kan worden ingeroepen – mede het zich hier voordoende geval van kruislingse verrekening ten laste van een schuldenaar die in surseance van betaling verkeert (rov. 4.15).
schuldenaardaden van beheer of beschikking betreffende de boedel, maar oefent de
schuldeiserdie gerechtigd is tot verrekening zelfstandig een hem toekomende bevoegdheid uit (rov. 4.16). ING was dus tot kruislingse verrekening bevoegd, ook al vond deze pas plaats na de uitspraak van de surseance van betaling. Daarom is niet van belang dat ING zich ter rechtvaardiging van de kruislingse verrekening mede heeft beroepen op een haar daartoe verleende onherroepelijke volmacht en evenmin dat tussen partijen is overeengekomen dat alle rekeningen van het Flinterconcern moeten worden beschouwd als subrekeningen van één fictieve, alomvattende rekening, aldus de rechtbank (rov. 4.17).
derde rechtsvraagheeft de rechtbank (onder de kop: “
Heeft ING een rechtsgeldig pandrecht verkregen op de gepoolde vorderingen? En moet het arrest Mulder q.q./Crédit Lyonnais in het geval van de Vestas-betalingen, eng of ruim worden uitgelegd?”) overwogen dat dit onderdeel van het geschil twee onderscheiden vragen betreft.
vorderingsrechtenmogelijk niet in het vermogen van Flinter Shipping vallen - zodat zij daarop volgens de curator geen pandrecht kon vestigen - is in dit geval echter niet relevant. Vast staat dat alle Flintervennootschappen, dus ook Flinter Shipping, aan ING een pandrecht hebben verleend op al hun vorderingen. Tot de aan ING verpande vorderingen behoren ook de vorderingen die voor Flinter Shipping ontstonden op ING zelf, doordat een derde/opdrachtgever aan Flinter Shipping een betaling deed, bestemd voor de betreffende vennootschap/SSC. Daarop is volgens de rechtbank dan ook een rechtsgeldig pandrecht voor ING ontstaan, omdat
deze betalingenhet vermogen van Flinter Shipping passeerden, voordat zij werden doorbetaald aan de achterman voor wie de betaling was bestemd (rov. 4.19).
Mulder q.q./CLBN [13] valt (rov. 4.20). Onder verwijzing naar rov. 4.19 oordeelt de rechtbank dat ook in dit geval de voor Flinter Chartering bestemde betalingen het vermogen van Flinter Shipping passeerden voordat zij door haar aan haar achterman werden doorbetaald, zodat daarop een rechtsgeldig stil pandrecht voor ING is ontstaan. Volgens de rechtbank is de regel uit het arrest
Mulder q.q./CLBNop deze situatie rechtstreeks van toepassing, zodat ING ook in zoverre tot verrekening bevoegd was (rov. 4.21). Het arrest
ABN AMRO/Schreurs q.q. [14] maakt dit niet anders, aldus de rechtbank (rov. 4.22).
2.Bespreking van het principale en het incidentele cassatiemiddel
principale cassatiemiddelvan ING bestaat uit drie onderdelen.
Onderdeel 1richt zich tegen de weigering van de rechtbank om in het kader van artikel 54 Fw Pro een norm te ontwikkelen die specifiek is toegesneden op verrekening door een bank ten opzichte van een in moeilijkheden verkerende bedrijfsmatig handelende cliënt (rov. 4.9).
Onderdeel 2verwerpt de door de rechtbank (wel) voor die specifieke context geformuleerde gezichtspunten (rov. 4.10).
Onderdeel 3keert zich tegen het oordeel dat de door ING verrichte kruislingse verrekening van credit- en debetsaldi van de Flintervennootschappen een verrekening in juridische zin is, en niet een louter administratieve operatie (rov. 4.14).
incidentele cassatiemiddelvan de curator bestaat eveneens uit drie onderdelen.
Onderdeel 1komt op tegen de verwerping van het standpunt van de curator dat de goede trouwnormen in de zin van de artikelen 42 Fw en 235/54 Fw in wezen identiek zijn en dat bij de toepassing van artikel 54/235 Fw moet worden uitgegaan van de formulering die de Hoge Raad in de context van artikel 42 Fw Pro heeft gekozen (rov. 4.5-4.8).
Onderdeel 2richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 228 Fw Pro niet in de weg staat aan kruislingse verrekening door ING (rov. 4.16-4.17).
Onderdeel 3is gekeerd tegen de oordelen van de rechtbank, dat - kort gezegd - een rechtsgeldig pandrecht van ING is ontstaan op de vorderingen die voor Flinter Shipping ontstonden op ING, doordat een derde/opdrachtgever aan Flinter Shipping een betaling deed die was bestemd voor de SSC’s of voor Flinter Chartering, zodat de uitzondering uit het arrest
Mulder q.q./CLBNrechtstreeks van toepassing is en ING de betalingen van Vestas mocht verrekenen (rov. 4.19-4.22).
Eerste rechtsvraag: ‘niet te goeder trouw’ ex art. 54 Fw Pro (onderdeel 1 van het incidentele middel en onderdelen 1-2 van het principale middel)
Doyer & Kalffvindt het huidige artikel 54 lid 1 Fw Pro zijn rechtvaardiging erin te voorkomen dat de schuldenaar die weet dat de faillietverklaring van de later gefailleerde te verwachten is, door het overnemen en verrekenen van een ongedekte vordering vóór de andere schuldeisers voldoening verkrijgt uit de tot de boedel behorende vordering op hemzelf, waardoor hij, afhankelijk van de vraag of hij de vordering voor de nominale waarde of minder heeft overgenomen, de cedent dan wel zichzelf ten koste van andere schuldeisers bevoordeelt. [30]
Eurocommerce, het aspect van bevoordeling (opnieuw) expliciet benoemend, de ratio van artikel 54 Fw Pro omschreven als
behoort te weten(geobjectiveerde wetenschap) dat de schuldenaar in een zodanige toestand verkeert dat de opening van een insolventieprocedure te verwachten is, niet te goeder trouw is in de zin van artikel 54 lid 1 Fw Pro. [46] Als argument daarvoor wordt wel aangevoerd dat deze uitleg van het goede trouwbegrip in overeenstemming is met artikel 3:11 BW Pro en aansluit bij de bepalingen inzake de faillissementspauliana. [47] Althans zou bij de invulling van het wetenschapsvereiste van artikel 54 Fw Pro (weten dat het faillissement ‘te verwachten’ is) kunnen worden aangesloten bij de wetenschap van benadeling die vereist is voor artikel 42 Fw Pro en die aanwezig wordt geacht als een faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zijn te voorzien (zie hierna onder 3.23). [48]
wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Rechtshandelingen anders dan om niet kunnen alleen worden vernietigd indien ook de wederpartij wetenschap van de benadeling had of behoorde te hebben (art. 42 lid 2 Fw Pro). Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het bij wetenschap van benadeling niet om het oogmerk van benadeling, maar volstaat het enkele bewustzijn van benadeling. [51]
ABN AMRO/Van Dooren q.q. III [52] heeft uw Raad bepaald dat sprake is van wetenschap van benadeling in de zin van artikel 42 Fw Pro, indien
Ingwersen q.q./ING [57] , dat betrekking heeft op een aantal overwaarde-arrangementen. Volgens het oordeel van de rechtbank had de curator onvoldoende onderbouwd dat bij de pandgever ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten wetenschap van benadeling in de zin van artikel 42 Fw Pro aanwezig was. In sprongcassatie werden de tegen dat oordeel gerichte motiveringsklachten verworpen (rov. 4.3.2). Vervolgens overwoog uw Raad:
Ingwersen q.q./INGvolgt dat, indien het faillissement niet met een redelijke mate van waarschijnlijkheid is te verwachten, dit een geslaagd beroep op artikel 54 Fw Pro uitsluit.
Ingwersen q.q./INGdat het ontbreken van wetenschap van benadeling voor de toepassing van de faillissementspauliana eveneens betekent dat er geen sprake is van niet te goeder trouw handelen in de zin van artikel 54 Fw Pro, waaruit zij afleiden dat de Hoge Raad, ondanks de andere bewoordingen, geen materieel verschil ziet tussen de criteria die gelden krachtens artikel 42 Fw Pro en artikel 54 Fw Pro. [61]
Ingwersen q.q./INGmeent ook Schuijling [63] dat het criterium van art. 54 Fw Pro, dat oorspronkelijk aansloot bij dat van artikel 47 Fw Pro, na de verruiming tot de huidige goede trouwnorm “veeleer overeenstemt” met het criterium van art. 42 Fw Pro, waarbij het aankomt op de voorzienbaarheid (met een redelijke mate van waarschijnlijkheid) van het faillissement.
Jongepier q.q./Drieakker c.s. [64] , eveneens betreffende de geldigheid van een overwaarde-arrangement. Dit was overeengekomen in het kader van een poging om door reorganisatie het faillissement af te wenden. In het kader van artikel 42 Fw Pro had het hof onder meer geoordeeld – samengevat – dat de schuldenaar redelijkerwijs niet hoefde te begrijpen dat een faillissement ‘onafwendbaar’ was en dat niet gezegd kan worden dat de reorganisatie ‘gedoemd was te mislukken’, zodat de op artikel 42 Fw Pro gebaseerde vordering niet toewijsbaar was (rov. 3.10-3.11). Vervolgens had het hof – na de vooropstelling dat het ontbreken van goede trouw ex artikel 54 Fw Pro wordt uitgelegd als het wetenschap hebben van benadeling van de schuldeisers – op grond van zijn eerdere bevindingen ten aanzien van de schuldenaar in het kader van artikel 42 Fw Pro geoordeeld dat van de vereiste wetenschap van (ook) de bank geen sprake was en had het de op artikel 54 Fw Pro gebaseerde vordering van de curator afgewezen (rov. 3.12). In
Jongepier q.q./Drieakker c.s.oordeelt uw Raad dat de maatstaf voor wetenschap van benadeling in de zin van artikel 42 Fw Pro – dat het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien – ook geldt indien de rechtshandeling wordt verricht in het kader van een poging om door een reorganisatie het faillissement af te wenden. Het hof was bij de toepassing van artikel 42 Fw Pro dan ook uitgegaan van een onjuiste maatstaf, zodat de klacht van onderdeel I doel treft (rov. 3.3.2). Uw Raad vervolgt:
onjuistemaatstaf die het hof heeft gehanteerd voor wetenschap van benadeling (art. 42 Fw Pro). Nu het hof inderdaad is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip wetenschap van benadeling, kan alleen hierom al het oordeel in rov. 3.12 niet in stand blijven, aldus de A-G. Indien ook zou zijn geklaagd over de gelijkstelling van beide maatstaven
op zichzelf, zou die klacht volgens hem ongegrond zijn. Hij stelt vast dat het criterium voor het ontbreken van goede trouw in artikel 54 Fw Pro sterk lijkt op het criterium voor wetenschap van benadeling in artikel 42 Fw Pro en dat uit het arrest
Ingwersen q.q./INGkan worden afgeleid dat indien het faillissement niet met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te verwachten was, een geslaagd beroep op artikel 54 Fw Pro is uitgesloten. [65]
Ingwersen q.q./ING. Rongen onderschrijft dit, omdat de strekking van beide bepalingen is dat benadeling van schuldeisers word tegengegaan en gelet daarop geen goede reden bestaat om verschillende maatstaven te hanteren (waarbij hij meent dat de door de Hoge Raad in de context van artikel 42 Fw Pro gehanteerde maatstaf te soepel is). [66]
Jongepier q.q./Drieakker c.s.de maatstaven van artikel 42 en Pro 54 lid 1 Fw identiek zijn: uw Raad zou daarin oordelen dat zowel voor ‘wetenschap van benadeling’ in artikel 42 Fw Pro als voor de ‘te goeder trouw’-maatstaf van artikel 54 lid 1 Fw Pro de curator moet aantonen dat het faillissement en het tekort daarin voor de financiers op het moment van het aangaan van het overwaarde-arrangement met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien. [67]
subonderdeel 1.1tot betoog dat de invulling van de maatstaf van artikel 54 lid 1 Fw Pro (nagenoeg) dezelfde is als de invulling zoals uw Raad die heeft gegeven aan wetenschap van benadeling als bedoeld in artikel 42 Fw Pro en dat aldus heeft te gelden dat van goede trouw niet langer sprake is indien
het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid is te voorzien. Daarbij gaat het niet alleen om wat de schuldeiser
weetover de toestand waarin de schuldenaar verkeert, maar ook over wat hij daarover
behoortte weten. Geklaagd wordt dat de rechtbank heeft miskend dat het begrip ‘goede trouw’ in artikel 54 lid 1 Fw Pro moet worden uitgelegd in overeenstemming met het goede trouwbegrip van artikel 3:11 BW Pro (
subonderdeel 1.3) en dat met ‘goede trouw’ in artikel 54 lid 1 Fw Pro niet iets anders is bedoeld dan met ‘wetenschap van benadeling’ in artikel 42 Fw Pro (
subonderdeel 1.4). Ook zou het verschil in normstelling niet worden gerechtvaardigd door de in rov. 4.7-4.8 genoemde redenen (
subonderdelen 1.5-1.7).
Ingwersen q.q./INGen
Jongepier q.q./Drieakker c.s.wat mij betreft niet zonder meer worden afgeleid dat in de visie van uw Raad de norm voor het ontbreken van goede trouw uit artikel 54 Fw Pro overeenstemt met de norm voor wetenschap van benadeling uit artikel 42 Fw Pro.
ABN AMRO/Van Dooren IIIhet vereiste van wetenschap van
benadelingvertaald in wetenschap van een naderend
faillissement. Wetenschap van benadeling in de zin van artikel 42 Fw Pro wordt geacht aanwezig te zijn indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin voor betrokkene(n) met een redelijke mate van waarschijnlijkheid
waren te voorzien. [72]
specifieke normmoet worden aanvaard ter invulling van de maatstaf uit artikel 54 Fw Pro voor verrekening door een bank ten opzichte van een in moeilijkheden verkerende zakelijke cliënt. Volgens het subonderdeel zou tot uitgangspunt moeten gelden dat de bank, zolang zij bereid is tot voortzetting van de financiering, in het algemeen geacht wordt dat te goeder trouw te doen. Bovendien/althans dient volgens
subonderdeel 1.3als specifieke norm te gelden dat zolang een bank bereid is mee te werken aan een reddingspoging, door risicodragend kapitaal beschikbaar te houden voor de cliënt, omdat de bank nog overlevingskansen ziet, de bank geacht wordt te goeder trouw te zijn in de zin van artikel 54 Fw Pro, indien niet vaststaat dat de bank wist dat de reddingspoging gedoemd was te mislukken. Met
subonderdeel 1.4wordt aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat er ten minste aanleiding is om de in de subonderdelen 1.2 en 1.3 genoemde normen als
vuistregelste formuleren.
Subonderdeel 1.5klaagt ten slotte dat, voor zover in de oordelen van de rechtbank in rov. 4.10 en 4.12 een verwerping van de in de subonderdelen 1.2-1.4 voorgestelde specifieke normen of vuistregels besloten ligt, dit oordeel onjuist is. Het feit dat de beoordeling dient te geschieden op basis van de omstandigheden van het geval, staat niet in de weg aan een specifieke norm of vuistregel op grond waarvan aan bepaalde omstandigheden in beginsel doorslaggevende betekenis wordt toegekend, aldus het subonderdeel.
ABN AMRO/Van Dooren III [74] expliciet geoordeeld dat de daarin geformuleerde maatstaf voor artikel 42 Fw Pro ook geldt bij kredietverschaffing tegen zekerheid aan noodlijdende ondernemingen. Verder is in het arrest
Jongepier q.q./Drieakker c.s. [75] beslist dat de maatstaf van artikel 42 Fw Pro ook geldt indien, zoals in dat geval, de rechtshandeling wordt verricht in het kader van een poging om door een reorganisatie het faillissement af te wenden.
subonderdelen 1.2, 2.2). Ook brengen die omstandigheden niet mee dat sprake is van een toestand waarin het faillissement te verwachten is (onafwendbaar is), laat staan dat de bank dat weet (
subonderdelen 2.3, 2.6 en 2.7). Voorts zou de rechtbank hebben miskend dat het gaat om een subjectieve norm (
subonderdelen 2.4, 2.5). Ten slotte zou de rechtbank ten onrechte geen gezichtspunten hebben gemaakt van de omstandigheden die door ING zijn genoemd in de door haar voorgestelde ‘specifieke normen’ althans ‘vuistregels’ (
subonderdeel 2.8).
Tweede rechtsvraag: overboekingen na surseance en art. 228 Fw Pro (onderdeel 3 van het principale middel en onderdeel 2 van het incidentele middel)
Kruislingse verrekening en artikel 228 Fw Pro” en daarbij het volgende tot uitgangspunt genomen:
ING haar contractueel bedongen bevoegdheid tot kruislingse verrekening heeft uitgeoefendals zodanig wordt in cassatie door geen van partijen met zoveel woorden opgekomen. Naar de tekst van de klachten van partijen zijn deze slechts gericht tegen de oordelen van de rechtbank in rov. 4.14 tot en met 4.17. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van verrekening in juridische zin, aan de bevoegdheid waartoe artikel 228 Fw Pro niet in de weg staat. ING en de curator bestrijden deze oordelen vanuit verschillende invalshoeken. Mede uit hetgeen zij daartoe aanvoeren, maak ik op dat hun klachten zich (toch) ook richten tegen de vaststelling (in rov. 4.13) dat ING haar contractueel bedongen bevoegdheid tot kruislingse verrekening heeft uitgeoefend.
notional cash pooling(volgens ING met een element van physical pooling). [77]
physical pooling) en saldocompensatie (
notional pooling). [80] Het essentiële verschil zit in het al of niet overboeken van gelden.
Bij
saldoconcentratie(
physicalpooling) worden de saldi van de verschillende rekeningen (periodiek, vaak dagelijks) fysiek geconsolideerd tot één saldo op een daarvoor aangewezen rekening (de hoofdrekening of
master account). Hier is dus sprake van het daadwerkelijk overboeken c.q. fysiek verplaatsen van gelden, en, als gevolg van deze overboekingen, ook van verrekening (in de betrokken rekeningen) in juridische zin. Als sprake is van saldoconcentratie bij een groep van ondernemingen, dan worden de creditsaldi van groepsmaatschappijen die in de ‘plus’ staan overgeboekt naar een hoofdrekening die veelal op naam staat van de holding van het concern of een speciaal daarvoor opgerichte financieringsmaatschappij (de
cash pool leader). Debetsaldi van groepsmaatschappijen die in de ‘min’ staan, worden aangezuiverd door middel van overboekingen vanuit de hoofdrekening. [81] Bij
saldocompensatie(
notional pooling) is echter slechts sprake van een zuiver rekenkundige (virtuele) consolidatie van saldi van verschillende rekeningen. Er is geen sprake van het overboeken of anderszins fysiek verplaatsen van gelden en ook niet van verrekening in juridische zin. De centrale rekening fungeert niet als verzamelplaats van de liquide middelen van de deelnemers en deze middelen worden ook niet via de centrale rekening gealloceerd aan de groep. De individuele deelnemers stallen hun surplus aan liquiditeit bij de bank en bij een tekort wordt daarin door de bank voorzien.
Van zowel saldocompensatie als saldoconcentratie bestaan weer diverse varianten. Ook kan sprake zijn van een combinatie van beide vormen. In de periode waarin de onderhavige CJMO tot stand kwam (2006) gaven banken in Nederland meestal de voorkeur aan saldocompensatie. [82]
Indien de rekeninghouder failliet wordt verklaard nadat hij een betaalopdracht heeft gegeven maar voordat de rekening van de begunstigde is gecrediteerd, geldt – indien het faillissement is uitgesproken na 20 maart 2015 [88] – op grond van het arrest
RFH/Wittekamp q.q.de regel dat de curator van de begunstigde het bedrag kan terugvorderen waarmee diens rekening na de aanvang van de dag van faillietverklaring is gecrediteerd, zij het slechts voor zover de betaling heeft geresulteerd in vermindering van het actief van de boedel dan wel in een vermeerdering van het passief. [89]
Indien door de cash pool-deelnemer aan de bank (naast de doorlopende opdracht) een volmacht tot overboeking mocht zijn verstrekt, blijft deze na het verlenen van de surseance doorlopen (art. 3:72 BW Pro). Artikel 228 Fw Pro brengt echter mee datde bank als gevolmachtigde niet meer de boedel kan binden zonder dat de bewindvoerder hiermee instemt. [95] Dit zou in de praktijk voor de bank betekenen dat overboeking op basis van de volmacht niet langer mogelijk is na datum surseance. [96]
Ter zake van tijdens de surseance en zonder medewerking van de bewindvoerder uitgevoerde betalingen uit hoofde van tijdens de surseance eigenmachtig gegeven betalingsopdrachten zal de bewindvoerder de begunstigde kunnen aanspreken tot terugbetaling. In literatuur en feitenrechtspraak wordt er voorts vanuit gegaan dat ten aanzien van voor de surseance gegeven en nadien zonder medewerking van de bewindvoerder voltooide betalingsopdrachten het regime van (inmiddels)
RFH/Wittekamp q.q.van overeenkomstige toepassing is. [98] Ten slotte is in de feitenrechtspraak aan de bewindvoerder een vordering tot afdracht toegekend tegen de instrumenterende bank die – op grond van een voor de surseance in het kader van een cash pool arrangement gegeven algemene betaalopdracht – na de surseance van betaling zonder medewerking van de bewindvoerder gelden had gedebiteerd en overgeboekt naar rekeningen van derden. [99] Ik meen dat, evenals in geval van faillissement, een aldus door de bank geïnitieerde debitering ongedaan moet worden gemaakt.
subonderdelen 3.1 en 3.2wordt in de kern betoogd dat de rechtbank met genoemde oordelen heeft miskend dat in een compensabel stelsel zoals de CJMO, alsook de CJMO zelf, steeds is sprake van
één vorderingter hoogte van het geconsolideerde saldo van de afzonderlijke op naam van de vennootschappen aangehouden bankrekeningen. Dit betreft hetzij een vordering van de bank op de vennootschappen ter hoogte van het negatieve geconsolideerde saldo van de afzonderlijke bankrekeningen, waarvoor de vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk zijn, hetzij een gezamenlijke vordering van de vennootschappen op de bank ter hoogte van het positieve geconsolideerde saldo van de afzonderlijke bankrekeningen. De (regelmatige) saldering van creditsaldi met debetsaldi op de afzonderlijke bankrekeningen (dat wil zeggen: het overboeken van saldi van de ene naar de andere rekening [107] ) zou dan ook alleen een administratieve handeling zonder vermogensrechtelijk gevolg zijn. Van een tenietgaan van verbintenissen, zoals bij verrekening het geval is, is geen sprake, aldus het middel.
cash sweep(onmiddellijk gevolgd door een
return sweep). [108] In al deze gevallen gaat het om reguliere girale betalingen, met verrekening in de betrokken rekeningen tot gevolg (art. 6:140 BW Pro), die mede leiden tot de vorming van juridisch zelfstandige saldi (vorderingen dan wel schulden). De boekingen dienen dus niet om het saldo van één onderliggende vordering zichtbaar te maken.
de regelmatige saldering’ van saldi, die louter administratieve handelingen zonder vermogensrechtelijk gevolg zou behelzen. Zij doelt daarmee kennelijk op periodieke overboekingen die worden verricht op instigatie van haar accountants – aanvankelijk eens per jaar en vanaf juni 2016 eens per kwartaal – waardoor alle deelnemende rekeningen met een nulsaldo worden afgesloten, en die naar keuze van de rekeninghouder kunnen worden teruggeboekt. Dergelijke salderingen zijn aangekondigd voor 4 juli 2016, 3 oktober 2016 en 5 januari 2017. [110] De litigieuze overboekingen op 20 oktober 2016, daags na het verlenen van surseance van betaling, staan hier naar mijn mening los van. Wat daarvan zij, waar onder de CJMO geen sprake is van één geconsolideerde vordering, kunnen deze overboekingen, evenmin als de op 4 juli en 3 oktober 2016 verrichte overboekingen, worden gekwalificeerd als de administratieve neerslag van zo’n vordering.
dus”) dat sprake is van verrekening in de zin van artikel 6:127 BW Pro. Hierin ligt besloten dat de door haar bedoelde vermogensvermindering bestaat in het tenietgaan – door verrekening – van de voor verhaal vatbare vorderingen van Flinter Shipping en Flinter Management jegens ING. De rechtbank heeft kennelijk niet de bedoeling zich uit te laten over de gevolgen van die verrekening voor de totale positie van de vennootschappen.
subonderdelen 2.1 en 2.2een inleiding bevatten.
subonderdeel 2.3keert het onderdeel zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de beslissing van de Hoge Raad van 15 november 2019 mede het onderhavige geval bestrijkt (rov. 4.15) en dat art. 228 Fw Pro aan de onderhavige kruislingse verrekening niet in de weg staat (rov. 4.16).
nietwordt bestreden dat ING beschikte over een contractuele bevoegdheid tot kruislingse verrekening (art. 7 CJMO Pro) (rov. 4.13), dat uit HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1789,
NJ2020/166 volgt dat die bevoegdheid ook kan worden uitgeoefend tijdens faillissement (rov. 4.15) en dat genoemde beslissing mede het geval bestrijkt dat de schuldenaar in surseance van betaling verkeert (rov. 4.15).
uitoefeningdoor ING van haar contractuele bevoegdheid tot kruislingse verrekening
geen sprakeis geweest. In dat verband wordt aangevoerd dat ING zich voor de overboekingen niet op verrekening heeft beroepen (
subonderdelen 2.4-2.5) respectievelijk dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank ervan uitgaat dat ING gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot kruislingse verrekening op de voet van artikel 7 CJMO Pro (
subonderdeel 2.9-(i) [112] ). Daartoe wordt een beroep gedaan op de brief van ING aan de curator van 14 februari 2018 en een zestal stellingen van partijen. Volgens
subonderdeel 2.11heeft de rechtbank miskend dat, nu ING in die brief als grondslag voor de overboekingen hoofdelijkheid heeft gegeven, het haar niet vrijstond om achteraf aan haar handelen een andere grondslag te geven.
primairop het standpunt gesteld dat, waar onder de CJMO steeds sprake is van één vordering, de overboekingen een louter administratieve handeling vormen. [117] Subsidiair, voor het geval wel sprake zou zijn van rechtshandelingen, heeft ING zich op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien waarom op het moment van de overboekingen niet verrekend had mogen worden (waarbij zij heeft gewezen op artikel 7 CJMO Pro en het arrest van 15 november 2019). [118] De rechtbank heeft het primaire standpunt van ING verworpen (rov. 4.14, waarover middelonderdeel 3 van ING).
Gelet op de hoofdelijkheid hebben wij op 20 oktober 2016 de creditsaldi op de rekeningen van vennootschappen binnen het geldende stelsel van rekeningen van Flinter Groep overgeboekt naar rekeningen van vennootschappen binnen Flinter Groep die een debetsaldo vertoonden. U zult deze bij- en afschrijvingen op de rekeningafschriften hebben terug gezien. Op grond van de onderliggende Kredietdocumentatie en de Zekerheidsrechten hiervoor genoemd [121] , welke onder meer inhoudt de verpanding van vorderingen voortvloeiende uit bij ING aangehouden bankrekeningen, zijn wij hiertoe bevoegd.”
subonderdelen 2.6, 2.7 en 2.8draaien alle om de stelling dat de rechtbank in rov. 4.16 [122] heeft miskend dat ING tijdens de surseance van betaling op grond van artikel 228 Fw Pro niet bevoegd was om zonder toestemming van de bewindvoerders creditsaldi van Flinter Shipping en Flinter Management over te boeken, noch op basis van de haar in artikel 7 CJMO Pro verstrekte volmacht, noch op grond van hoofdelijkheid, en dat ING alle zonder toestemming van de bewindvoerders overgeboekte saldi aan de boedel moet betalen. Volgens de curator is sprake van reguliere overboekingen. [123] Verder klaagt
subonderdeel 2.10dat de rechtbank heeft miskend dat met de overboekingen en de daaropvolgende verrekeningen (in rekening-courant) sprake is van meerdere van elkaar te onderscheiden rechtshandelingen, met afzonderlijke rechtsgevolgen.
administratieve neerslagvan die uitoefening vormen. Dat oordeel is niet onjuist. Dat banken de verrekening – administratief gezien – veelal bewerkstelligen door middel van overboekingen, betekent nog niet dat – juridisch gezien – sprake is van girale betalingen. [124] Niet iedere creditering of debitering van een rekening behoeft een girale betaling te reflecteren, zij kan ook louter administratief/boekhoudkundig zijn. [125] Of deze saldoregulatie plaatsvindt door middel van een tussenstap (via de hoofdrekening) is dan wat mij betreft niet relevant. De rechtbank is dus niet uitgegaan van reguliere overboekingen op basis van volmacht (gevolgd door verrekening in de betrokken rekeningen). Ook is zij niet ervan uitgegaan dat ING de overboekingen heeft gedaan en mocht doen op basis van hoofdelijkheid.
volmachttot overboekingen [127] niet geheel kan plaatsen, evenmin als het vermeende
beroepvan ING op die volmacht. [128] Wat het eerste betreft kan worden gewezen op de tekst van artikel 7 CJMO Pro (aangehaald hiervoor onder 4.17). Daarin wordt ING een multilateraal verrekeningsrecht verleend, in het kader waarvan de rekeninghouders de bank onherroepelijk “
machtigen”om eventuele creditsaldi, “
zonder enige nader opdracht”, over te boeken naar een andere rekening. Anders dan bijvoorbeeld in artikel 5 CJMO Pro het geval is, wordt niet gesproken van een volmacht. Ik meen dan ook dat hier veeleer een doorlopende
opdrachtlijkt te zijn bedoeld.
Wat het vermeende beroep van ING op een volmacht betreft: in het kader van haar primaire stelling dat de boekingen slechts kwalificeren als administratieve handelingen tot weergave van één bestaande vordering, heeft ING zich juist op het standpunt gesteld dat er bij die boekingen geen sprake was van gebruikmaking van een volmacht [129] ; in het kader van haar subsidiaire stelling – dat verrekening mogelijk was – heb ik een dergelijk beroep niet aangetroffen.
Derde rechtsvraag: reikwijdte verruimde verrekening als bedoeld in HR 17 februari 1995,NJ1996/471 (Mulder q.q./CLBN) (onderdeel 3 van het incidentele middel)
Mulder q.q./CLBN [132] echter een uitzondering aanvaard voor het geval sprake is van een betaling die strekt tot voldoening van een vordering die aan de bank stil is verpand. In deze zaak waren stil verpande vorderingen betaald op een ten name van de pandgever gestelde rekening, zowel voor als tijdens diens faillissement. Uw Raad stelde voorop dat door de betaling het op de vordering rustende pandrecht tenietgaat. Wanneer de curator een stil verpande vordering heeft geïnd, waardoor het pandrecht is tenietgegaan, behoudt de pandhouder echter zijn voorrang op het geïnde. Ten aanzien van de vraag of de girale betalingen door de bank mochten worden verrekend, overwoog uw Raad als volgt:
(...).” [133]
Van Gorp q.q./Rabo [135] is voor een uitzondering als aanvaard in
Mulder q.q./CLBNessentieel dat sprake is van een pandrecht op de betaalde vordering zelf. [136] Uw Raad acht noodzakelijk dat de bank met voorrang boven andere schuldeisers recht moet kunnen doen gelden op de door de debiteur betaalde bedragen. Verrekening van na de faillietverklaring binnengekomen betalingen op vorderingen uit hoofde van de verkoop van stil aan de bank verpande inventaris en voorraden was niet mogelijk, nu niet ook de vordering tot betaling van de koopprijs was verpand.
ING/Gunning q.q. [137] is benadrukt dat aan de beslissing in
Mulder q.q./CLBNten grondslag lag dat de bank reeds op grond van haar stille pandrecht een recht van voorrang op het geïnde had, zodat niet kan worden gezegd dat zij zich door verrekening een uitzonderingspositie ten opzichte van andere schuldeisers verschafte.
ABN AMRO Commercial Finance/Schreurs en Brouns q.q. [138] heeft uw Raad overwogen dat uit
Mulder q.q./CLBNvolgt:
Eurocommerce [141] blijkt andermaal dat de in Mulder q.q./CLBN aanvaarde uitzondering een beperkte reikwijdte heeft. Een vergelijkbare uitzondering wordt niet aanvaard voor het geval de bank geen pandrecht heeft op de betaalde vordering, maar wel een (openbaar) pandrecht op al hetgeen de rekeninghouder van de bank te vorderen heeft. In dat geval hangt de positie van de bank als zekerheidsgerechtigde immers onmiddellijk en uitsluitend samen met haar bijzondere positie in het girale betalingsverkeer, nu het pandrecht van de bank is gevestigd op de vordering van de schuldenaar op de bank die voortvloeit uit de rekening-courantverhouding.
subonderdelen 3.1 tot en met 3.4dat de rechtbank, door in rov. 4.18 te overwegen dat de derde rechtsvraag twee vragen betreft en dat de eerste vraag is of ING een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de “gepoolde vorderingen”, en door in rov. 4.19 vervolgens deze niet-voorgelegde vraag te beantwoorden, een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, dan wel buiten de rechtsstrijd is getreden, dan wel heeft gehandeld met haar toezegging ter zitting, dan wel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Daartoe wordt aangevoerd dat partijen zich beide op het standpunt hebben gesteld dat er veronderstellenderwijs vanuit moet worden gegaan dat van een pandrecht op de “gepoolde vorderingen” geen sprake is. Bovendien heeft de rechtbank over het hoofd gezien dat de derde door partijen voorgelegde rechtsvraag alleen ziet op de kwestie Vestas, waarbij, anders dan volgens de normale gang van zaken in de scheepspools, de betreffende contractant (Flinter Chartering) haar vorderingen
welstil aan ING heeft verpand, maar de betaling heeft plaatsgevonden op een rekening van Flinter Shipping, aldus het onderdeel.
Eurocommerce.
subonderdelen 3.7 tot en met 3.9keert de curator zich tegen het oordeel (in rov. 4.21-4.22) dat het arrest
Mulder q.q./CLBNrechtstreeks op het onderhavige geval van toepassing is, zodat ING tot verrekening bevoegd was. Volgens de curator zegt het openbaar pandrecht niets over de vraag of ING mocht verrekenen. Voorts heeft de rechtbank miskend dat aan de verrekening door ING in de weg staat dat het vorderingsrecht van Flinter Chartering jegens Vestas niet in het vermogen van Flinter Shipping valt, zodat alleen Flinter Chartering daarop een stil pandrecht ten behoeve van ING kon vestigen, en dat door de betaling op de rekening van Flinter Shipping dit pandrecht is komen te vervallen. Ook heeft de rechtbank miskend dat de Hoge Raad in het arrest
ABN AMRO Commercial Finance/Schreurs en Brouns q.q.heeft geoordeeld dat de betalingen op een bij de bank aangehouden rekening van de pandgever moeten zijn gedaan, en ziet de rechtbank eraan voorbij dat ING zich ten opzichte van de andere schuldeisers van Flinter Shipping ten onrechte een uitzonderingspositie zou verschaffen, aldus de curator.
Mulder q.q./CLBN. Naar in het middel terecht is aangevoerd (subonderdeel 3.5), volgt dit uit de prejudiciële beslissing inzake
Eurocommerce [147] (zie hiervoor onder 5.11).
Mulder q.q./CLBNaangenomen uitzondering kan worden gevonden in het pandrecht van ING op de vorderingen waarvan betaling plaatsvond op een door een ander dan de pandgever aangehouden bankrekening bij ING. [148]
Mulder q.q./CLBN, zodat zij de betalingen (buiten de door art. 53 en Pro 54 lid 1 Fw getrokken grenzen) kan verrekenen met haar vordering op Flinter Shipping.
Mulder q.q./CLBNvoor zover de door haar te verrekenen tegenvordering op Flinter Shipping door het pandrecht van ING op de vordering van Flinter Chartering wordt gedekt. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn ten aanzien van een vordering van ING op Flinter Shipping wegens hoofdelijke aansprakelijkheid voor een schuld van Flinter Chartering, tot zekerheid waarvan het pandrecht mede is verstrekt (art. 3:231 lid 1 BW Pro).
Mulder q.q./CLBN.
Mulder q.q/CLBNin de weg staat. De tegen dat (ongeclausuleerde) oordeel gerichte klachten zijn terecht voorgesteld.
6.Conclusie
- in het principale cassatieberoep tot verwerping
- in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.