Conclusie
ten aanzien van de geluidsoverlasteen beroep was gedaan op de hier toegepaste redelijkheid, lijkt mij op te gaan. Het hof past hier naar wil voorkomen de (uit redelijkheid en billijkheid voortvloeiende) uitzonderingsgrond van schuldeisersverzuim uit art. 6:54 sub a BW Pro toe. Door dit ambtshalve te doen zonder dat het partijdebat daar aanleiding voor geeft, is het hof buiten de grenzen van art. 24 Rv Pro getreden. Indien dat wordt gevolgd, staat met het wegvallen van deze uitzonderingsgrond vast dat de betaling van de resterende aanneemsom rechtsgeldig is opgeschort. Bij het tweede onderdeel bestaat geen belang in cassatie en het zou inhoudelijk zijn afgeketst op de niet bestreden de uitleg van de gedingstukken door het hof dat [eisers] ten aanzien van het meerwerk wel beroep heeft gedaan op verrekening, maar ten aanzien van de resterende aanneemsom niet. Over dat laatste punt is wel enige aarzeling mogelijk, zoals in de conclusie wordt besproken, maar die brengt mij niet tot afwijking van de hiervoor geschetste hoofdroute.
De wijziging van eis
“Een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.”.
“Rioollucht op binnenplaats en balkon (Deze klacht leek verholpen, maar niets bleek minder waar. Opnieuw gemeld en niet hersteld)”,
“Dauerluftung stangetjes werken niet”, “
Garanties, gebruiksaanwijzingen e.d. ontbreken”en
“Verzakking tegels op binnenplaats”. Van de rioollucht is melding gemaakt in het proces-verbaal van oplevering van 15 februari 2011 en in de e-mail van [eiser 2] aan Enicon ( [de directeur] ) van 3 mei 2011 (onderdeel van productie 8 bij de conclusie van antwoord). Volgens [eisers] leek deze klacht verholpen maar bleek dat achteraf toch niet het geval te zijn. In de e-mail van 3 mei 2011 heeft [eiser 2] tevens melding gemaakt van de niet werkende dauerluftung stangetjes. De ontbrekende garanties, gebruiksaanwijzingen e.d. en de verzakking van tegels op de binnenplaats zijn gebreken die blijkbaar naderhand zijn opgetreden of ontdekt. Gezien de herstelfunctie van het hoger beroep en het tijdsverloop sinds de procedure in eerste aanleg staat het [eisers] vrij om deze posten in hoger beroep (alsnog) aan te voeren.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
het eerste onderdeelricht [eisers] klachten tegen met name rov. 2.32 [3] . Het hof heeft daar overwogen dat [eisers] zich in de omstandigheden van het geval
in redelijkheidniet kan beroepen op het gestelde geluidsprobleem als rechtvaardiging van opschorting van betaling van het restant van de aanneemsom.
subonderdelen 1.2 en 1.3zijn dat voor zover het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op (de beperkende werking van) art. 6:248 lid 2 BW Pro of art. 6:2 lid 2 BW Pro dat onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd is. Toepassing van de derogerende werking mag niet leiden tot ‘denaturering’ van de overeenkomst [6] . Subonderdeel 1.2 noemt als voorbeelden dat de beperkende werking geen niet toepasselijke algemene voorwaarden wel van toepassing kan laten worden, of tot een verzekeringsuitbreiding buiten het primaire dekkingsgebied kan leiden. Het wettelijke opschortingsrecht voor [eisers] van art. 6:52 BW Pro kan zonder partijdebat over art. 6:248 lid 2 BW Pro niet daardoor opzij gezet worden, althans had zoiets beter gemotiveerd moeten worden. De één na laatste zin uit rov. 2.32 dat [eisers] BOD niet in staat heeft gesteld om aan de opschorting van de restant aanneemsom een einde te maken, is volgens de laatste klacht uit subonderdeel 1.2 bovendien niet zo gesteld door BOD in haar gedingstukken, zodat ook daar ’s hofs motivering tekort schiet. Een en ander geldt volgens subonderdeel 1.3 ook voor zover dit een toepassing zou zijn van art. 6:2 lid 2 BW Pro. Naarmate de redelijkheid en billijkheid in de gegeven wettelijke bepaling is verdisconteerd, moet de rechter hier nog terughoudender zijn, zo vervolgt subonderdeel 1.3, en dat het hof hier niet heeft bezien of van zo’n verdiscontering sprake is in art. 6:52 BW Pro, maakt dat hier sprake is van een motiveringsgebrek, waarbij bovendien van de in acht te nemen terughoudendheid in de motivering niets is terug te vinden; dat is in het hofoordeel verkort tot een niet toelaatbare enkele strijd met de redelijkheid en billijkheid. Bovendien, zo vervolgt
subonderdeel 1.4, heeft het hof de eisen van art. 3:12 BW Pro miskend, althans is ook zo bezien sprake van een motiveringsgebrek, omdat op basis daarvan gezichtspunten moeten worden besproken om de redelijkheid in te vullen. Door niet aan gezichtspunten te refereren en alleen te volstaan met een eenvoudige verwijzing naar ‘de redelijkheid’, is het oordeel ook onvoldoende gemotiveerd.
geluidsprobleem als gevolg van een gebrekkige vloerte verhelpen en daarmee een einde te maken aan de opschorting van de betaling door [eisers] Dat wijst meteen op toepassing van art. 6:54 sub a BW Pro: er bestaat geen bevoegdheid tot opschorting voor zover de nakoming van de verbintenis van de wederpartij wordt verhinderd door schuldeisersverzuim. De koppeling met de redelijkheid ligt hierin en niet in art. 6:248 of Pro 6:2 BW. Immers, de regel dat schuldeisersverzuim in de weg staat aan opschorting door de schuldeiser wordt met een beroep op de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Boek 6, 1981, p. 198-199) gezien als ‘
een haast vanzelfsprekend uitvloeisel van de redelijkheid en billijkheid’ [7] . De woorden ‘in redelijkheid’ in rov. 2.32 moeten naar wil voorkomen in dit licht worden begrepen en niet als een toepassing van de derogerende redelijkheid en billijkheid uit art. 6:248 lid 2 of Pro 6:2 lid 2 BW. De klachten uit subonderdelen 1.1-1.4 die uitgaan van toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, ontberen daarmee feitelijke grondslag in de bestreden passage uit rov. 2.32. Voor zover in subonderdeel 1.4 wordt geklaagd dat het hof niet alleen kan volstaan met verwijzing naar ‘de redelijkheid’, lijkt mij te worden miskend dat de door het hof gegeven motivering voor toepassing van de regel uit art. 6:54 sub a BW Pro er ook in bestaat dat wordt uitgelegd dat en waarom [eisers] BOD niet in staat heeft gesteld om een einde te maken aan de oorzaak die ten grondslag ligt aan haar beroep op haar opschortingsrecht.
in het kader van het gebrek in de vorm van geluidsoverlastgeen (kenbaar) beroep heeft gedaan op ‘de redelijkheid’ in haar gedingstsukken in mijn ogen doel zou moeten treffen – zij het dan wel begrepen in de hiervoor bepleite zin van schuldeisersverzuim; cassatiemiddelen dienen waar mogelijk welwillend te worden gelezen. Bij s.t. 8 stelt BOD dat zij in MvG 57 [8] beroep heeft gedaan op schuldeisersverzuim en dat klopt ook, maar dat zag alleen op de vloer, niet op het geluid [9] . Het beroep op art. 6:54 BW Pro bij MvG 57 is immers expliciet beperkt tot de
vloerproblemen(dat zijn opleverpunten 1-4 in prod. 9 bij inleidende dagvaarding [10] ) en ziet zodoende
nietop het
geluidsprobleem(dat een afzonderlijk opleverpunt 7 is in prod. 9 bij inleidende dagvaarding [11] ). Het zelfstandige verweer [12] van BOD tegen ‘het zogenaamde geluidsprobleem’ bestaat in MvG 57 alleen uit de stelling dat dit probleem al zou zijn opgelost (zo heeft [eisers] dit ook begrepen gelet op MvA 3.56 [13] ); dat dat al zou zijn opgelost, is door het hof uitvoerig gemotiveerd verworpen in rov. 2.31, zodat die grond voor opschorting aan de zijde van [eisers] (geluidsoverlast) in beginsel overeind is blijven staan. Art. 6:54 BW Pro bevat uitzonderingen op het kunnen inroepen van een dergelijk opschortingsrecht van de schuldenaar ( [eisers] ), zoals schuldeisersverzuim. Stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zich een dergelijke uitzondering zou voordoen, rusten op de wederpartij (dus bij BOD) [14] , maar daarvan is met betrekking tot het gestelde
geluidsgebrek, zoals hiervoor toegelicht, geen sprake; dat is alleen gedaan met betrekking tot de
vloergebreken(en die hebben niets met geluidsoverlast te maken, ook al ziet het hof dat in rov. 2.31 en 2.32 kennelijk abusievelijk anders). Ambtshalve toepassing met betrekking tot de geluidsproblematiek kan hier niet aan de orde zijn. Anders dan BOD bij s.t. 13 stelt, is hier ook geen sprake van aanvulling van rechtsgronden door het hof (art. 25 Rv Pro), omdat daarvoor eerst nodig is dat BOD
ten aanzien van de geluidsoverlastvoldoende feiten stelt op grond waarvan het door haar ingeroepen verweer kan worden gehonoreerd. Dat is in deze zaak niet gebeurd.
geluidsoverlast als gevolg van een gebrekkige vloer in de schoonheidssalons’, maar dat gebeurt onder verwijzing naar punt 7 van de opleveringslijst van 15 februari 2011 (prod. 3 bij de CvA [15] ). Daar staat als bij oplevering geconstateerd gebrek vermeld: “geluidsoverlast salon”, zonder enige relatie met vloergebreken. Dit correspondeert met het hiervoor besproken verweer van BOD in MvG 57 tegen punt 7 van dezelfde opleveringslijst inhoudende dat dit probleem al zou zijn opgelost. Ook in MvA 3.55 wordt in de daarin vervatte tabel met gebreken (waar rov. 3.32 van het bestreden arrest ook aan refereert) verder duidelijk onderscheid gemaakt tussen het geluidsprobleem in de salon enerzijds (punt 2) en de ondeugdelijke vloer van de salon anderzijds (punt 3). Bij punt 2 in de tabel (het geluidsprobleem) wordt verwezen naar prod. 1 bij MvA, een verklaring van een huurster van één van de salons (pedicurepraktijk), waaruit volgt dat de ervaren geluidsoverlast
nietin relatie staat met de vloer, maar het gevolg is van ruimtes naast en boven de schoonheidssalon die in de kelder zit. In de kolom ernaast in MvA 3.55 wordt voor het geluidsprobleem in de schoonheidssalon ook verwezen naar prod. 15 bij CvA (waar rov. 2.32 eveneens aan refereert), een offerte van Vacoustic gericht aan ‘Schoonheidssalon [eiser 2] ’ met als een oplossing voor het geluidsprobleem in de salon: akoestische katoenpleister op de muur of beter nog akoestische wandpanelen, en vergelijkbare maatregelen (kubussen, panelen) voor de wachtruimte. Met vloerproblemen (of het nu gaat om die bedoeld in de opleverpuntenlijst, of anderszins) heeft deze geluidsproblematiek van de schoonheidssalon zodoende kennelijk niets te maken, die overlast wil men te lijf met wandbeplating. De passage uit CvA 39, eerste liggende streepje ‘De geluidsoverlast als gevolg van een gebrekkige vloer in de schoonheidssalons’ moet gelet op de beschreven context dan ook op een ongelukkige formulering berusten, die niet los kan worden gezien van de overige elementen waar in die passage naar wordt verwezen.
het tweede onderdeelzien op rov. 2.25-2.33 waarin het hof oordeelt dat [eisers] het restant van de aanneemsom aan BOD moet betalen. Het hof geeft hiermee volgens de klacht blijk van een onjuiste rechtsopvatting over art. 6:127 BW Pro (verrekening) en het oordeel is ontoereikend gemotiveerd gelet op het partijdebat en de gedingstukken. Het hof had het beroep op verrekening door [eisers] ook ten aanzien van het restant van de aanneemsom moeten toepassen, in die zin dat het positieve saldo uit de meer-/minderwerkdiscussie (€ 58.159,79) hier in verrekening had moeten worden gebracht met betaling van de restant aanneemsom (€ 28.560), terwijl het hof het beroep op verrekening heeft opgevat als beperkt tot de meer- en minderwerk kwestie. Als het hof dat zou hebben gedaan, dan leidt art. 6:127 BW Pro tot het teniet gaan van beide vorderingen. Het beroep op verrekening is door het hof dus onjuist, want separaat, behandeld en dat is gelet op het partijdebat onbegrijpelijk, waarbij wordt verwezen naar het ongeclausuleerde verrekeningsberoep van [eisers] in CvA 50 en MvA 3.60 en 3.61.
De vordering van BOD tot betaling van het restant van de aanneemsomen uit de s.t. van BOD volgt ook niet dat de rechtsstrijd in cassatie in deze brede zin is opgevat; integendeel, BOD wijst er bij s.t. 18 op dat niet alleen rov. 2.6 niet wordt bestreden in cassatie, maar dat dat ook geldt voor rov. 4.5 van het tussenarrest (hiervoor geciteerd in 1.18) en rov. 2.23 van het eindarrest (idem) met de overweging dat partijen het er over eens zijn dat meer- en minderwerk verrekend moeten worden. Bedoeld is hier kennelijk te betogen: een dergelijke passage over verrekening bij de meer-/minderwerkclaim ontbreekt in de beoordeling van de restant aanneemsomclaim. In cassatie kunnen niet in weerwil van deze uitleg van de gedingstukken [17] en in het bijzonder de gevoerde verweren [18] , feiten worden vastgesteld op grond van wat in de stukken verder zou kunnen worden gelezen (art. 419 lid 3 Rv Pro) [19] . Ik zie in de cassatiestukken geen aanleiding de klachten zo welwillend te lezen dat deze mede gericht zijn tegen de betreffende uitleg van de gedingstukken door het hof. Bij repliek in cassatie p. 3 geeft [eisers] zelf ook aan dat en waarom niet over rov. 2.6 wordt geklaagd. Daarmee staat in cassatie vast dat [eisers] zich tegen de restant aanneemsomvordering niet op verrekening heeft beroepen, ondanks de verwijzing naar passages uit de CvA (onder 50 onder het kopje ‘Conclusie’) en de MvA (onder 3.60-3.61 onder het kopje ‘Resumé’) waaruit volgt dat het beroep op verrekening ongeclausuleerd, want niet beperkt tot de vordering gebaseerd op meerwerk, is gedaan. De gegeven uitleg van het hof lijkt ook niet zonder meer onbegrijpelijk. In CvA onder 34 en 47 beroept [eisers] zich ten aanzien van de laatste betalingstermijn van de aanneemsom
specifiekerop dat nog niet is opgeleverd en, als dat wel zo zou zijn, dat de nakoming conform art. 6:52 BW Pro is opgeschort. Dit is kennelijk waarop het hof zich in rov. 2.6 baseerde (aldus ook s.t. BOD onder 20). Hier heeft de regel te gelden dat indien een ander feitelijk oordeel ook mogelijk of zelfs beter verdedigbaar is, dit een motiveringsklacht op zichzelf nog niet doet slagen [20] .
caveatals in het nu volgende randnummer wordt besproken, omdat mogelijk een nader feitelijk onderzoek nodig kan zijn of de betreffende vorderingen nog in de ten processe aangegeven grootheden bestaan, alvorens tot verrekening in rechte kan worden overgegaan. Het zal duidelijk zijn dat ik dit alles niet bepleit: ik zie hier als gezegd geen belang in cassatie en inhoudelijk als hoofdroute dat de klacht niet kan slagen bij gebreke van bestrijding van rov. 2.6 in cassatie.
derde onderdeelbevat een alleen maar voortbouwende klacht gericht tegen het dictum, die in navolging van de slagende klachten uit subonderdeel 1.1 in zoverre ook doel treft.