Conclusie
[eiser]respectievelijk
Maasvallei.
1.Inleiding
Rechtbank en hof hebben de vorderingen van [eiser] afgewezen. Volgens het hof is in rechte niet komen vast te staan dat de voordeur niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.
In het cassatieberoep van [eiser] wordt de toepassing van de zogenoemde ‘kelderluikcriteria’ door het hof, de betekenis die het hof heeft toegekend aan NEN-norm 3569 over veiligheidsbeglazing in gebouwen en de motivering van ’s hofs arrest aan de orde gesteld. Het cassatieberoep treft m.i. geen doel.
2.Feiten
hof). [1]
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een comparitie plaatsgevonden. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. De comparitie is voortgezet op 20 juni 2019, waarvan eveneens proces-verbaal is opgemaakt. Aan laatstgenoemd proces-verbaal is een door [eiser] overgelegde brief van zijn revalidatiearts en een bouwtekening van de desbetreffende woning gehecht. Zowel [eiser] als Maasvallei heeft verzocht om aanvullingen op het proces-verbaal, waartoe de rechtbank geen aanleiding heeft gezien.
vonnis). [eiser] heeft vervolgens een memorie van grieven tevens houdende aanvulling/wijziging van eis ingediend. [eiser] heeft vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd. Grief 1 richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat nadere bewijslevering ten aanzien van de door [eiser] gestelde toedracht noodzakelijk is, eventueel aangevuld met deskundigenonderzoek. In grief 2 stelt [eiser] dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat van een normschending geen sprake is en dat de gestelde verplichting tot het gebruik van veiligheidsglas geen wettelijke grondslag kent. Grief 3 richt zich tegen de overweging dat er geen zorgplicht voor Maasvallei bestaat om de voordeur te voorzien van veiligheidsglas. Ten onrechte heeft de rechtbank, zo stelt [eiser] in grief 4, overwogen dat, nu er geen grondslag is voor de vorderingen, er geen aanleiding is voor verdere bewijslevering en dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Grief 5, tot slot, richt zich tegen de proceskostenveroordeling. De eisvermeerdering van [eiser] betreft een veroordeling van Maasvallei tot het terugbetalen van de proceskosten waartoe [eiser] in eerste aanleg is veroordeeld.
arrest). Maasvallei heeft een verweerschrift ingediend dat, kort gezegd, strekt tot verwerping van het cassatieberoep, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in cassatie. Maasvallei heeft haar standpunt schriftelijk doen toelichten, waarna [eiser] heeft gerepliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
[…] /Nijmegen-arrest [5] verkeerd geïnterpreteerd. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat het ook op basis van het
[…] /Nijmegen-arrest de kelderluikcriteria zoals genoemd in r.o. 3.5.6 van dat arrest (dan wel zoals ge(her)formuleerd in r.o. 3.4 van het
[…] /Curaçao-arrest [6] ) had moeten toepassen. Door niet, althans niet kenbaar, de kelderluikcriteria toe te passen, heeft het hof niet alleen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar zijn oordeel ook onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
[…] /Nijmegen-arrest te citeren. Die zaak heeft betrekking op aansprakelijkheid van een wegbeheerder (de gemeente Nijmegen) op de voet van art. 6:174 BW Pro en art. 6:162 BW Pro voor letselschade van […] , die is gestruikeld over stroomkabels die aldaar over de openbare weg van een elektriciteitskast naar marktkramen liepen. Het cassatiemiddel van […] bevatte zowel klachten gericht tegen het oordeel van het gerechtshof dat de gemeente niet aansprakelijk is op grond van art. 6:174 BW Pro als klachten gericht tegen het oordeel van het gerechtshof dat de gemeente niet aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW Pro. In het kader van de eerstgenoemde grondslag geeft de Hoge Raad, voor zover relevant, de volgende vooropstellingen:
Wilnis-arrest. [8] Over de verhouding tussen art. 6:174 BW Pro en art. 6:162 BW Pro verwijs ik verder naar de uitvoerige beschouwingen van A-G Hartlief in zijn conclusie voor het
[…] /Nijmegen-arrest. [9] Voor de onderhavige zaak, waarin het hof beide grondslagen gezamenlijk heeft beoordeeld, volstaat m.i. de conclusie van mijn ambtgenoot dat, hoewel de grondslagen niet volledig identiek zijn, “art. 6:174 en Pro 6:162 BW op een aantal belangrijke punten dicht bij elkaar zitten met als gevolg dat de uitkomst in vele gevallen dezelfde is.” Verder merk ik nog op dat de kelderluikcriteria in de rechtspraak van Uw Raad enigszins verschillend worden geformuleerd. [10] In de onderhavige zaak kan worden aangesloten bij de formulering van de kelderluikcriteria in de hiervoor geciteerde r.o. 3.5.6 uit het
[…] /Nijmegen-arrest. [11]
[…] /Nijmegen-arrest parafraseert. In die overweging van het hof staat dat de maatstaven die moeten worden aangelegd voor de beoordeling van de vraag of sprake is van schending van art. 6:174 BW Pro overeenkomen met de kelderluikcriteria (die ook moeten worden aangelegd bij beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatige gevaarzetting op de voet van art. 6:162 BW Pro). Het hof overweegt daarmee dus, in overeenstemming met het
[…] /Nijmegen-arrest, dat niet alleen in het kader van art. 6:162 BW Pro maar ook in het kader van art. 6:174 BW Pro getoetst moet worden aan de kelderluikcriteria.
Het subonderdeel signaleert eveneens terecht dat in r.o. 3.5.3 van het
[…] /Nijmegen-arrest niet alle kelderluikcriteria worden genoemd, zoals de Hoge Raad die bijvoorbeeld wel noemt in r.o. 3.5.6 van het
[…] /Nijmegen-arrest. Het hof geeft in deze zaak ook geen vooropstelling waarin alle kelderluikfactoren worden uiteengezet. Uit het arrest blijkt m.i. echter afdoende dat het hof alle kelderluikcriteria (zoals uiteengezet in bijvoorbeeld r.o. 3.5.6 van het
[…] /Nijmegen-arrest aangehaald onder 4.3 hiervoor) in zijn beoordeling heeft betrokken. Dat betreft dus in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is, hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn en in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is. Dat het hof deze kelderluikcriteria, waarover bijv. ook de memorie van antwoord van Maasvallei, onder 66 t/m 69, heeft toegepast blijkt in het bijzonder uit r.o. 3.6.3 (in samenhang gelezen met r.o. 3.6.1-3.6.2 en 3.6.4). Ik citeer enkele passages die dat illustreren:
[…] /Nijmegen-arrest (zie onder 4.3 hiervoor). Ook in zoverre is het oordeel van het hof in r.o. 3.6.2 dus niet onjuist, onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
Learned Hand-formule, [17] volgens welke aansprakelijkheid wordt aanvaard als P x L > B (waarbij P staat voor
probability, L voor
lossen B voor
burden), kan worden toegepast, [18] omdat niet alle noodzakelijke variabelen voor deze mathematische vergelijking door de rechter zijn gekwantificeerd. [19] Ik lees het door het onderdeel bestreden oordeel van het hof aldus dat het bedoelt dat het niet deze
Learned Hand-formule heeft kunnen toepassen. Daarmee is echter niet gezegd dat het hof de kelderluikcriteria niet (juist) heeft toegepast. Toepassing van de kelderluikcriteria is niet zonder meer te reduceren tot een dergelijke mathematische vergelijking maar vergt een normatieve afweging van de rechter op basis van een gezichtspuntencatalogus. [20] Dat strookt overigens met de kritiek vanuit rechtseconomische invalshoek tegen de toepassing van de kelderluikcriteria inhoudende dat onduidelijk is hoe de criteria zich tot elkaar verhouden en waar het omslagpunt ligt. [21] Die normatieve afweging heeft het hof in deze zaak wel degelijk gemaakt (zie onder 4.4 hiervoor). [22] Het onderdeel voert verder nog aan dat de kans op een ongeval een gegeven is. Het is op zichzelf waar dat vaststaat dat het ongeval heeft plaatsgevonden en dat de kans op een ongeval daarmee een gegeven is. Dat heeft het hof in r.o. 3.6.3 echter niet miskend. Dat zegt in termen van de kelderluikcriteria immers niet meer dan dat het gevaar zich heeft verwezenlijkt, maar niet iets over de hoegrootheid van de kans dat het gevaar zich verwezenlijkt. Het hof kan daarover wel degelijk oordelen dat niet is komen vast te staan dat die kans niet “aanzienlijk of groot” (dus hooguit klein) is.
De overweging in r.o. 3.6.4 waarop het onderdeel zich verder nog beroept, inhoudende dat als veiligheidsglas in de deur zou zijn geplaatst, dan bij het ongeval geen scherpe glasscherven zouden zijn ontstaan en naar verwachting de kans “kleiner” zou zijn geweest dat [eiser] het letsel zou hebben opgelopen zoals hem dat nu is overkomen, maakt r.o. 3.6.3 evenmin onjuist of onbegrijpelijk. [23] Deze overweging is gegeven in het kader van het beroep van [eiser] op de NEN-norm 3569 (waarover onderdeel 4 hierna). Uit deze passage in r.o. 3.6.4 kan hooguit worden afgeleid dat het plaatsen van veiligheidsglas een adequate veiligheidsmaatregel zou kunnen zijn, maar dat de kans op een ongeval naar verwachting kleiner zou zijn als veiligheidsglas was geplaatst, zegt uiteraard niets over de hoegrootheid van de kans op verwezenlijking van het gevaar in de situatie zonder veiligheidsglas in het kader van de toepassing van de kelderluikcriteria in r.o. 3.6.3.
objectievemaatstaven dient te worden beoordeeld of de deur voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en dat [eiser] de kans op het hem overkomen ongeval nader zou hebben moeten onderbouwen vanwege het op
subjectievegrondslag gefundeerde verweer van Maasvallei dat een ongeval zoals [eiser] is overkomen zich nu eenmaal nooit eerder heeft voorgedaan bij Maasvallei.
[…] /Nijmegen-arrest (zie onder 4.3 hiervoor) terecht voorop dat het voor het oordeel of de voordeur voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld aankomt op de, naar objectieve maatstaven te beantwoorden vraag of deze deur, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op de voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. In r.o. 3.6.3 verwijst het hof opnieuw naar deze vooropstelling (“Zoals hiervoor in r.o. 3.5.1 is aangegeven” etc.). In dat kader kon het hof wel degelijk betrekken dat Maasvallei heeft gesteld dat zich bij door haar verhuurde woningen nooit eerder een ongeval zoals [eiser] is overkomen heeft voorgedaan. Dit betreft, zoals onbetwist door Maasvallei is gesteld, ongeveer 4.800 woningen waarvan een aanzienlijk deel voordeuren met floating glas heeft. Aan de bespreking van dit verweer, waarvan mij overigens ook niet duidelijk is waarom het “op subjectieve grondslag gefundeerd” zou zijn, gaat vooraf de vaststelling door het hof dat [eiser] , zoals de rechtbank heeft overwogen, geen cijfers heeft overgelegd van ongevallen waarbij het enkel glas in voordeuren van woningen is gebroken. Het hof heeft aldus de noodzaak van beoordeling naar objectieve maatstaven niet miskend. Er zijn dus noch algemene gegevens (bijv. over voordeuren bij andere woningstichtingen of ontleend aan de feitenrechtspraak, vgl. ook onder 4.9 hiervoor) noch specifiek bij Maasvallei bekende gegevens over eerdere voorvallen met voordeuren met enkel glas voorhanden die erop duiden dat de kans op verwezenlijking van het gevaar “aanzienlijk of groot” is.
ten eerstedat het ontbreken van een wettelijke status van de desbetreffende NEN-norm (in tegenstelling tot andere NEN-normen) als zodanig een ontoereikende motivering van het oordeel van het hof is, omdat hiermee niet duidelijk wordt gemaakt waarom het hof de NEN-norm weliswaar als factor bij de beoordeling heeft betrokken, maar die factor (desondanks) niet van doorslaggevend belang is.
dat het belang daarvan groter wordt geacht in gebouwen waarin veel mensen aanwezig zijn.
Ik wijs er verder op dat de desbetreffende NEN-norm in deze zaak niet is overgelegd, maar slechts producties waarin naar deze NEN-norm wordt verwezen, zoals een schema van het ‘Kenniscentrum Glas’ dat is opgenomen als productie 10 bij de memorie van grieven van [eiser] . In de memorie van antwoord van Maasvallei is hierover opgemerkt:
ten tweededat de niet-wettelijke status van de desbetreffende NEN-norm niet betekent dat deze niet als zorgvuldigheidsnorm kan gelden. [28] Volgens het subonderdeel geeft het hof geen inhoudelijk oordeel omtrent de gestelde status van de desbetreffende NEN-norm als (geschreven) zorgvuldigheidsnorm en is ook om die reden het oordeel van het hof dat het bestaan van deze norm niet van doorslaggevend belang wordt geacht, onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk.
ten derdedat het hof ook met de verdere in r.o. 3.6.4 gegeven motivering niet duidelijk maakt waarom het bestaan van de desbetreffende NEN-norm niet van doorslaggevend belang wordt geacht. Het subonderdeel wijst erop dat deze norm in het kader van de toepasselijkheid van de kelderluikcriteria wel degelijk een rol speelt.