Conclusie
1.[eiseres 1] Holding B.V. (hierna: ‘ [eiseres 1] ’),
[eiseres 2] B.V.(hierna: ‘ [eiseres 2] ’),
[eiser 3](hierna: ‘ [eiser 3] ’),
[eiseres 4](hierna: ‘ [eiseres 4] ’),
1.Multi-Bouwsystemen B.V. (hierna: ‘Multi’),
[verweerder 2](hierna: ‘ [verweerder 2] ’),
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
naar rato van hun schuld”. [14]
zoekplaatje” [16] – tot het oordeel gekomen dat [eisers] de grondslag(en) van hun vorderingen onvoldoende duidelijk hebben gemaakt. Volgens de rechtbank hebben [eisers] niet concreet gemaakt waaruit het onrechtmatige handelen van Multi en/of [verweerder 2] jegens [eiseres 1] en/of [eiseres 2] en/of [eiser 3] en/of [eiseres 4] bestaat. [17]
van TechnoConsult B.V., A-G]. Volgens [eisers] had Multi, mede gezien de mededeling van de verzekeraar na de gebeurtenissen op 15 juli 2016 en de sommaties door [eiseres 1] (…), de werkzaamheden moeten stopzetten en voorzieningen moeten treffen om erger te voorkomen. (…)”
Signaal- en Actiewaarden
Multi, A-G] zal hiervan op de hoogte worden gebracht. Bij het bereiken van 5mm wordt een actie verwacht. Afhankelijk van de werkzaamheden is dit bijvoorbeeld een aanvullende meting, overleg aangaande de uitvoering en/of aanpassen van de werkwijze.”
lees: het college van B&W, A-G] geen aanleiding zag de werkzaamheden stil te leggen of maatregelen op te leggen (anders dan het dagelijks uitvoeren van metingen), nadat [eisers] haar hadden geïnformeerd over scheurvorming in en verzakking van het pand en over de gesprongen etalageruit met het verzoek handhavend op te treden en een bespreking ter plaatse had plaatsgevonden (…).”
verhoogde zorgvuldigheidsnorm” (door mij opgevat als: strengere zorgvuldigheidsnorm) gold. Volgens het hof is dit betoog onvoldoende toegelicht:
3.Aansprakelijkheid voor zaaksbeschadiging door bouwwerkzaamheden
Inleiding
heersende leer” in de literatuur aanmerken, te weten, kort gezegd, dat een zaaksbeschadiging geen inbreuk op het betrokken eigendomsrecht oplevert en dat in een geval als dit moet worden getoetst aan de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. [26]
[…] / […] [29] de bekende en praktisch niet weg te denken maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Maar er is ook nog de figuur van de inbreuk op een recht, waarvan het praktische belang sinds
/ […]lijkt afgenomen. [30]
De maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm
Achtergrond
Zorgvuldigheid: niet elke kans op nadeel, niet tegen elke prijs
elke kansop nadeel voor anderen
tegen elke prijswordt voorkomen. Uit het feit dat door gedrag van A nadeel is ontstaan voor B, kan niet worden afgeleid dat A zorgvuldiger had moeten zijn. Pech bestaat. Vrij onschuldige gedragingen kunnen soms ernstige gevolgen hebben die zich niet vaak voordoen en die op zichzelf dan ook nog geen aansprakelijkheid meebrengen. Een bekend voorbeeld uit de rechtspraak is het laten zwiepen van een tak tijdens een wandeling met als gevolg dat een ander een oog moet missen. [36] Het uitgangspunt van het aansprakelijkheidsrecht is dat ieder zijn eigen schade draagt, die soms gewoon het gevolg is van ‘pech’, terwijl in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden daarop een uitzondering wordt gemaakt. [37] De redenering dat indien er schade is, de veroorzaker daarvan dus onzorgvuldig heeft gehandeld, ligt uitdrukkelijk niet ten grondslag aan ons recht. [38] Uw Raad overwoog in 1994 als volgt: “
De enkele omstandigheid dat een handeling heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan iemand schade lijdt, brengt(…)
nog niet mee dat een op onrechtmatige daad gegronde aanspraak op vergoeding daarvan bestaat.” [39] In latere uitspraken zijn overwegingen met een vergelijkbare strekking aan te treffen. [40] Ik benadruk dit aspect omdat de door [eisers] bepleite benadering in onderdeel 2, zo zal in paragraaf 4 blijken, wel aanschurkt tegen een benadering waarbij uit het intreden van schade die het gevolg is van een gedraging wordt afgeleid dat die gedraging onzorgvuldig is. Die benadering is ons onrechtmatigedaadsrecht echter vreemd.
nietop bedacht hoeven te zijn (zoals op hardlopers in de supermarkt of linksrijders op een privéterrein) en omdat naleving van die norm weinig bezwarend is (niet hardlopen in de supermarkt en (ook) rechtshouden op een privéterrein). Dit is de categorie: ‘Dit doet men niet.’
in overeenstemmingmet conventies, gewoontes en/of private regelgeving is gehandeld, brengt niet zonder meer mee dat er rechtmatig is gehandeld. [46]
[h]et zonder opzet of in het oog springende onbehoorlijkheid toebrengen van schade aan derden is in het sociale verkeer bepaald geen uitzonderlijk verschijnsel.” [47] Veel activiteiten zijn toegestaan, maar vaak niet zonder voorzorgsmaatregelen. Dat brengt mij bij wat ik de ‘optimalisatiebenadering’ noem.
Voorzorgsmaatregelen en de optimalisatiebenadering
afwegingmoeten maken waarbij alle feiten en omstandigheden van het geval van belang kunnen zijn. [48] De beoordeling door de rechter is hier naar haar aard casuïstisch, pogingen tot rubricering of zelfs formulering van algemene (sub)regels zijn dan ook inherent ambitieus (en wellicht ook niet altijd zinvol). [49] Uw Raad kiest hier van oudsher een factorbenadering, zoals het duidelijkst (maar niet voor het eerst) tot uitdrukking kwam in het bekende en hierna nog te bespreken
Kelderluik-arrest.
extra zorgvuldigheidvan A naar verwachting tot grotere baten (dat wil zeggen: minder nadeel) voor B dan kosten voor A zou hebben geleid. [54] Is het antwoord ‘ja’, dan had A zorgvuldiger moeten zijn. Is het antwoord ‘nee’, dan zou extra zorgvuldigheid per saldo meer kosten opleveren dan baten opbrengen en wordt zij dus in beginsel ook niet verlangd. Zo overwoog Uw Raad al in 1955 dat de onderhoudsplicht van de Staat ten aanzien van het Merwedekanaal niet meebrengt “
dat de Staat een contrôle moet uitoefenen op aanwezigheid op den kanaalbodem van uitsteeksels en voorwerpen als die waarop de Vios[een schip, A-G]
is gestoten, indien deze niet voorkomenmet een zodanige frequentie dat men daarop steeds bedacht moet zijnen die contrôle om schaden, als die welke door de Vios is belopen, te voorkomen zo kostbaar zou worden,dat de kosten daarvan niet meer in een redelijke verhouding zouden staan tot het bedrag van die schaden” en “
dat met name deze contrôle-plichtniet eerst dan wegvalt indien daarvan geen enkel gunstig resultaat kon worden verwacht” (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G). [55] Het gaat er dus niet om of een niet-genomen voorzorgsmaatregel het nadeel
in enige matezou hebben voorkomen. De vereiste mate van zorgvuldigheid reikt volgens Uw Raad niet zo ver dat zo veel zorgvuldigheid moet worden betracht dat van een extra voorzorgsmaatregel daarbovenop “
geen enkel gunstig resultaat kon worden verwacht”. Bepalend is juist, zo begrijp ik Uw Raad, of het nadeel dat een extra voorzorgsmaatregel naar verwachting zou hebben voorkomen in een redelijke verhouding staat tot de aan de voorzorgsmaatregel verbonden kosten. Deze benadering is goed te verenigen met het economisch uitgedrukte inzicht dat de optimale mate van zorgvuldigheid die is waarbij de
marginalekosten van zorgvuldigheid (dus de kosten van een extra ‘eenheid’ aan zorgvuldigheid) gelijk zijn aan de
marginalebaten van zorgvuldigheid (dus de baten van een extra ‘eenheid’ aan zorgvuldigheid, te weten het naar waarschijnlijkheid gecorrigeerde nadeel voor B dat daarmee wordt voorkomen). Daar is de maatschappelijke welvaart het grootst, zo zou een rechtseconoom constateren. [56] Als daarentegen de
totalekosten van zorgvuldigheid even groot zijn als – of zelfs groter zijn dan – het daarmee naar verwachting te voorkomen nadeel, dan schieten we daarmee per saldo niets op. Dit werd nog onvoldoende tot uitdrukking gebracht in de zogenoemde
Hand formula, [57] die daarmee, zoals inmiddels ook algemeen wordt aangenomen, [58] in ongewijzigde vorm niet goed bruikbaar is. Maar goed, met de toepassing van de logica van het
Merwedekanaal-arrest komen we er, zoals ik liet zien, ook wel. [59]
hindsight biasspeelt hierbij een rol: achteraf schijnen gebeurtenissen al snel beter voorzienbaar dan zij vooraf waren. [61] De vraag
waarhet vooraf ‘fout’ is gegaan bij die gedragingen, doemt dan al snel op. Maar de vraag is eigenlijk
ofhet wel ‘fout’ is gegaan, in het licht van de waarschijnlijkheid van dat nadeel en van de ernst daarvan en de kosten (in ruime zin) die waren gemoeid met extra zorgvuldigheid.
Merwedekanaal-arrest, maar natuurlijk ook in het veel bekendere
Kelderluik-arrest. [62] De zogenoemde Kelderluik-factoren zien op de situatie waarin iemand een gevaar zet voor een ander en de vraag is of hij met het oog op eventuele onvoorzichtigheid van die ander (meer) maatregelen moet treffen. Zij luiden, vrij vertaald, als volgt: (a) de waarschijnlijkheid dat een ander onvoorzichtig is, (b) de waarschijnlijkheid dat daaruit ongevallen ontstaan, (c) de aard en ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en (d) de bezwaarlijkheid (dus kosten in ruime zin, zie in randnummer 3.14 hiervoor) van veiligheidsmaatregelen. [63] Toepassingen zijn er vele. Zo oordeelde Uw Raad in het
Bloedprik-arrest met betrekking tot het risico op flauwvallen na bloedafname dat “
[n]iet iedere mogelijkheid van flauwvallen van patiënten, hoe gering ook,(…)
een ziekenhuis[verplicht]
tot het nemen van de maatregelen, nodig om ook daarin te voorzien, ongeacht de kosten of andere bezwaren verbonden aan zulke maatregelen.” [64]
voorzien van een eenvoudig slot rond de trekhaak, aan het einde van de middag gedurende betrekkelijk korte tijd (zo’n anderhalf uur)[had]
geparkeerd op een bovengronds openbaar parkeerterrein met rondom woningen en veel passerende fietsers en voetgangers”. [66] Het hof oordeelde: “
Naar het oordeel van het hof heeft[de bruiklener, A-G]
met zijn keuze voor dit parkeerterreinniet een onverantwoord groot risico genomen en heeft hij door het slot te gebruiken en de aanhangwagen niet onnodig lang op het parkeerterrein te laten staan, alle maatregelen getroffen om diefstal te voorkomen die redelijkerwijs van hem konden worden verlangd. Niet gezegd kan worden dat sprake is van onzorgvuldig, nalatig of roekeloos handelen van[de bruiklener, A-G]
en dat hij niet als een goed huisvader voor de aanhangwagen heeft gezorgd. Dat betekent dat hij niet aansprakelijk is voor de schade” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). [67] In cassatie liet Uw Raad dit oordeel in stand. De klacht dat de zorgplicht van de bruiklener “
inhoudt dat de bruiklener alles moet doen wat menselijkerwijs mogelijk is om verlies of beschadiging van de in bruikleen ontvangen zaak te voorkomen(…)” werd verworpen. [68]
ex ante, waarbij de rechter zich moet verplaatsen in de positie van de aangesprokene ten tijde van de gedraging die moet worden beoordeeld. [69] Op die manier zal de rechter moeten bepalen of vooraf aanvaardbare risico’s zijn genomen. [70] Dat er
ex postveel nadeel voor B blijkt te zijn door gedragingen van A, betekent immers, als gezegd, nog niet dat A
ex anteiets ‘verkeerd’ heeft gedaan. Een hypothetisch aspect hierbij is dat de rechter zal moeten nagaan waartoe extra zorgvuldigheid normaal gesproken, geabstraheerd van de gevolgen die zijn ingetreden, zou hebben geleid, waarbij zelfs verschillende scenario’s met verschillende voorzorgsmaatregelen in aanmerking kunnen komen. Eenvoudig is de beoordeling dus niet. Hierbij kan niet onvermeld blijven, want het strekt enigszins ten gunste van het betoog van [eisers] , dat een te strenge invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm niet
zonder meertot overmatige zorgvuldigheid zou leiden. Dat ligt genuanceerder. Een veel te strenge zorgvuldigheidsnorm zal volgens de rechtseconomische theorie juist niet worden nageleefd en zal integendeel, net als risicoaansprakelijkheid, ertoe leiden dat degene die een activiteit verricht zelf tracht – niet door een rekensom, maar door een inschatting – om het optimale niveau van zorgvuldigheid te benaderen. [71]
Waarom niet gewoon een risicoaansprakelijkheid?
ex antemoest begrijpen (en dus de invloed van
hindsight biastracht te minimaliseren). Rechterlijke uitspraken kunnen daarmee ‘ankerpunten’ zijn, al moet daar wellicht ook niet te veel van worden verwacht. [82]
Rechtsinbreuk
Rechtsinbreuk als onrechtmatigheidscategorie
Er zij hier op gewezen dat niet iedere gedraging die als voorzienbaar gevolg letsel of zaakbeschadiging heeft, om die reden reeds onrechtmatig is als zijnde een inbreuk op een recht; zodanige gedraging is in het algemeen alleen onrechtmatig als zij in strijd was met een van de vele normen van geschreven of ongeschreven recht, strekkende om letsel of zaakbeschadiging te voorkomen. Indien echter de gedraging zelf de inbreuk oplevert, is behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond, de onrechtmatigheid daarmee gegeven en is een nader onderzoek naar een eventuele overtreding van concrete wettelijke plichten of normen van ongeschreven recht overbodig.” [87] Wat is dan een ‘inbreuk door de gedraging zelf’, ter onderscheiding van een aantasting die slechts het (voorzienbare) gevolg is van een gedraging? De wetsgeschiedenis biedt op die vraag helaas geen uitgewerkt antwoord en laat “
[h]et trekken van de grenzen van de categorie inbreuk op een recht” over aan rechtspraak en literatuur. [88] Ik zal die rechtspraak en literatuur hier bespreken, maar niet uitputtend. Voor wat betreft de rechtspraak ga ik verder terug, vooral omdat partijen dat in de cassatiestukken ook doen. Voor wat betreft de literatuur beperk ik mij grotendeels tot wat vanaf de inwerkingtreding van het huidige Burgerlijk Wetboek is verschenen, met een accent op recente literatuur.
De ontwikkeling in de rechtspraak
dat toch ieder, die een werk aanlegt op eigen grond, krachtens het beginsel van art. 625 B.W. – eerbiediging van eens anders regt bij het gebruik van eigen zaak[vergelijk thans art. 5:1 lid 2 BW Pro, A-G]
– dit zóó moet aanleggen, dat schade, door dit werk aan eens anders eigendommen toe te brengen en als mogelijk te voorzien, worde voorkomen” en zelfs “
dat het er niet toe doet of die mogelijke schade bij den aanleg van het werk min of meer waarschijnlijk is te achten, waar vaststaat, gelijk hier(…):
1°. dat zij als mogelijk kon worden voorzien; 2°. dat zij door het nemen van meerdere voorzorgsmaatregelen, hoe “kostbaar” dan ook, had kunnen worden voorkomen; (…).” [89] In dit arrest koos Uw Raad dus voor de benadering waarbij het veroorzaken van schade aan een zaak van de ander bij de aanleg van een werk in het licht van art 625 BW Pro (oud) een inbreuk op het eigendomsrecht van die ander oplevert indien (i) de mogelijkheid van die schade is te voorzien, uitdrukkelijk
ongeachtde waarschijnlijkheid van schade en (ii) deze schade kan worden voorkomen door voorzorgsmaatregelen, en uitdrukkelijk
ongeachtde kosten van die voorzorgsmaatregelen. Het draaide daarbij naar mijn begrip om de in art. 1402 BW Pro (oud) bedoelde “
nalatigheid of onvoorzichtigheid”, kortweg het nalatigheidscriterium. [90] Weliswaar volstond een beschadiging van eens anders zaak niet om een inbreuk op een recht aan te nemen, maar evenmin kan worden gezegd dat disculpatie van de veroorzaker van de schade aan de hand van het nalatigheidscriterium erg reëel zou zijn. Niet optimale zorgvuldigheid, maar in feite maximale zorgvuldigheid werd verlangd om een inbreuk op het eigendomsrecht van een ander, die door de beschadiging van de zaak zou ontstaan, af te wenden. Van een redelijke verhouding tussen enerzijds de kans op en te verwachten omvang van de schade en anderzijds de kosten van voorzorgsmaatregelen wilde Uw Raad hier uitdrukkelijk niets weten. Deze benadering is natuurlijk een geheel andere dan die in paragraaf B.3 is besproken, waarbij die verhouding er wel toe doet. Dat een redelijke verhouding moet worden gevonden was overigens ook in de hiervoor besproken zaak bepleit door A-G Van Maanen, [91] maar daar ging Uw Raad niet in mee. In een arrest uit 1882 hield Uw Raad vast aan de benadering uit het arrest van 1881. [92] De daaraan voorafgaande conclusie van, wederom, A-G Van Maanen kon Uw Raad niet op een ander spoor brengen. [93]
zelfs al is daardoor geen rechtsplicht geschonden of inbreuk op eens anders recht gemaakt;
in elk geval voor de toepassing van beide artikelen onrechtmatigheid (van de daad of het verzuim) een vereischte is;dat toch art. 1402 niets Pro anders is dan eene aanvulling van art. 1401, om allen twijfel weg te nemen, dat verzuim, om te doen wat men rechtens moet verrichten, de negatieve rechtsschennis, hetzelfde gevolg heeft als de positieve onrechtmatige handeling, dat beide artikelen dus omschrijven verschillende vormen van het
damnum injuria datum, en
dat alzoo geen van beide toepasselijk is waar hetzij de daad of het verzuim niet in strijd is met des daders rechtsplicht of inbreuk maakt op eens anders recht; (…).” (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G)
Rijstpakhuisnoem. [95] [eisers] wijzen hier op. [96] In die zaak was “
het naast haar huis gelegene pakhuis van den verweerder van den vloer tot de nok met rijst, tot een gewicht van ongeveer een millioen kilogram (…) volgeladen,zonder dat eenige inrichting of voorziening was gemaaktom den uit eene eenvoudige onbeheide zandlaag bestaanden bodem en de muren van dat pakhuis tegen zoodanige buitengewoon zware belasting bestand te doen zijn” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Deze situatie heeft tot gevolg gehad dat “
de grond van dat pakhuis door samenpersing is weggezakt, en de muren op verschillende plaatsen zijn gescheurd en uitgezakt, tengevolge van welke overmatige belasting, zonder de noodige vooraf gemaakte voorziening, aan het volkomen gave huis der eischeresse zeer ernstige en algemeene ontzettingen en verzakkingen hebben plaats gehad”. De rechtbank en het hof hadden de vordering afgewezen, omdat de gedragingen van de pakhuiseigenaar hadden plaatsgevonden op eigen terrein, er geen schending van een wettelijk voorschrift was en ook van een inbreuk op een recht niet zou zijn gebleken. Uw Raad vernietigde:
mits men aan de rechten van anderen geen hinder toebrenge”;
dat hieruit volgt dat een ieder bij de uitoefening van zijn eigendomsrecht eener zaak, wanneer te voorzien is dat daaruit voor een ander schade kan ontstaan, tot eerbiediging van diens rechten verplicht is de maatregelen of voorzorgen te nemen, waardoor die schade kan worden voorkomen;
dat waar zulks in dat geval niet mocht geschied zijn, de uitoefening van dat eigendomsrecht wel inbreuk zoude maken op de rechten van anderen en alzoo, als met art. 625 in Pro strijd zijnde, niet meer rechtmatig zoude zijn, maar integendeel eene onrechtmatige daad
en nalatigheid en onvoorzichtigheid tevens, hoedanige, naar de artt. 1402 en 1401 B. W., hem, die haar begaat, voorde daardoor veroorzaakte schade verantwoordelijk doet zijn;” (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G).
zaakbeschadiging(…)
als onrechtmatig[is]
bestempeld wegens inbreuk op een recht.” [97] Dat is te kort door de bocht. Kijken we goed naar het arrest, dan kunnen we vaststellen dat het net als in de eerdergenoemde arresten belangrijk is geacht, in het kader van art. 1402 BW Pro (oud), of de pakhuiseigenaar “
maatregelen of voorzorgen” had genomen, “
waardoor die schade kan worden voorkomen”. Volgens mij was deze zaak op dat punt bepaald geen twijfelgeval. Het zou tegen de borst stuiten als de pakhuiseigenaar vrijuit zou gaan terwijl hij
nietsheeft gedaan om schade aan naastgelegen gebouwen te voorkomen. Aan de hand van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, die pas in 1919 zijn intrede deed, zou de rechter in dat geval evident ten nadele van de pakhuiseigenaar oordelen. Uw Raad kwam er in 1886 langs een andere en – gelet op het voorgaande – destijds gebruikelijke weg, namelijk die van de rechtsinbreuk. Zoals Sieburgh schrijft, functioneerde het inbreukcriterium in dit soort gevallen als “
een flink absorberend duizenddingendoekje.” [98] Deze lijn in de rechtspraak moet dan ook in de juiste historische context worden gezien. Uit die lijn is in ieder geval niet af te leiden dat
elkezaaksbeschadiging die door een ander wordt veroorzaakt als inbreuk op een recht onrechtmatig is.
[…] / […]over hinder dat “
het door het veroorzaken van veel geraas, sterk gedreun en ernstige trillingen aan iemand hinder toebrengen in het normaal gebruik van zijn eigendom, evengoed schending kan zijn van diens eigendomsrecht als de beschadiging der zaak zelve(…).” [99] Deze overweging is in het licht van het voorgaande niet geheel verrassend, al is zij moeilijk verenigbaar met wat, zo zal verderop blijken, tegenwoordig als rechtens wordt aangenomen, namelijk dat een zaaksbeschadiging als zodanig geen rechtsinbreuk is. Van groot belang blijft om te beseffen dat Uw Raad destijds nog niet had overwogen dat gedrag dat indruist tegen de zorgvuldigheid die in het maatschappelijke verkeer betaamt onrechtmatig is. Als gezegd fungeerde de rechtsinbreuk, in de woorden van Sieburgh, als een “
duizenddingendoekje.” Later werd die rol overgenomen door de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm.
[…] / […]leidde in 1972 tot een arrest waarin Uw Raad oordeelde dat “
dat[het antwoord op, A-G]
de vraag of de hinder die iemand door de gedragingen van een ander in het genot van de eigendom van een onroerende zaak kan ondervinden, als inbreuk op zijn eigendomsrecht kan worden beschouwd, afhangt van de ernst van die hinder en de omstandigheden waaronder deze plaatsvindt(…).” [104] Uw Raad aanvaardde niet, anders dan in cassatie werd bepleit, dat er pas onrechtmatige hinder is als deze wordt veroorzaakt in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, waaruit dan weer niet moet worden afgeleid dat onrechtmatige hinder slechts kan berusten op een inbreuk op een (eigendoms)recht. [105] Voor hinder geldt, zoals nu in art. 5:37 BW Pro tot uitdrukking is gebracht, dat de onrechtmatigheid daarvan binnen de verschillende categorieën van art. 6:162 lid 2 BW Pro kan vallen, [106] al wordt in de literatuur inmiddels ook wel aangenomen dat bij hinder
nietkan worden gesproken van inbreuk op een recht, gelet op het vereiste dat de gedraging zelf een inbreuk vormt op een recht. [107] Is dat juist – ik zou in het algemeen menen van wel – dan is de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm de belangrijkste grondslag om tegen hinder op te komen. Daarop hoef ik hier niet nader in te gaan. Ik merk wel op dat het arrest
[…] / […]mijns inziens niet eenduidig wijst op een ruimer toepassingsbereik van de figuur ‘rechtsinbreuk’ dan de wetsgeschiedenis, die een ‘inbreuk door de gedraging zelf’ verlangt (zie randnummer 3.30), voorstaat.
lijken– ik kan mij vergissen – de figuren ‘rechtsinbreuk’ en ‘maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm’ te worden ‘gestapeld’, in die zin dat een rechtsinbreuk pas onrechtmatig is indien zij onzorgvuldig is, wat in overeenstemming zou zijn met opvattingen die destijds nog veel invloed hadden in de literatuur. [109] NJ-annotator Brunner merkt echter op dat het arrest zo niet moet worden gelezen. [110] Overigens lijkt het een op het specifieke geval – dat werd gekleurd door de krakersproblematiek – toegesneden oordeel. [111] Hoe dan ook, het arrest maakt in ieder geval duidelijk dat niet elk ‘gebruik’ van een zaak van een ander zonder meer een inbreuk op diens eigendomsrecht oplevert. [112]
De zorgvuldigheid die […] in het maatschappelijk verkeer jegens de goederen van […] in acht behoorde te nemen, bracht(…)
mee dat hij terstond, nadat hij van de situatie op de hoogte was, maatregelen behoorde te nemen om aan deze situatie die een inbreuk op de eigendom van […] insloot, een einde te maken door de hem toebehorende boom te verwijderen.(…).” Deze passage kan gemakkelijk verkeerd worden begrepen. Uw Raad overwoog dat de “
situatie die een inbreuk op de eigendom van […] insloot” door […] moest worden beëindigd op grond van de maatschappelijke zorgvuldigheid. Worden hier inderdaad rechtsinbreuk en schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm als cumulatieve voorwaarden gehanteerd of is dat schijn? Het laatste is volgens mij het geval. Ik benadruk – zoals Verheul, als ik het goed zie, ook reeds deed [116] – dat de zaak niet zag op een schadevergoedingsvordering en dus ook niet op de uitleg van wat nu in art. 6:162 BW Pro is neergelegd, [117] maar op de vraag of […] in het kader van art. 1277 BW Pro (oud) een rechtsplicht tot verwijdering van de boom had. De onrechtmatigheid van de
situatie, in die zin dat deze niet in overeenstemming is met het eigendomsrecht van […] , is daarvoor volgens Uw Raad nog niet beslissend, want de rechtsplicht tot verwijdering is volgens Uw Raad te vinden in “
zorgvuldigheid die […] in het maatschappelijk verkeer jegens de goederen van […] in acht behoorde te nemen”. Volgens mij komt aan dit arrest een beperkte betekenis toe voor de beantwoording van de vraag die in de onderhavige zaak voorligt. Het arrest wijst er niet op dat het enkele omvallen en blijven liggen van een boom van A op het perceel van B al een rechtsinbreuk en daarmee onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 lid 2 BW Pro van A ten opzichte van B oplevert. Een
situatiedie inbreuk maakt op een eigendomsrecht is immers nog niet automatisch een onrechtmatige
daadals bedoeld in art. 6:162 lid 2 BW Pro (daar ging de zaak ook niet over). [118] Het arrest wijst er tegelijkertijd niet op, wederom anders dan op het eerste oog zou kunnen worden gedacht, dat zo’n rechtsinbreuk en daarmee onrechtmatige daad er pas is als ook een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm is geschonden (want ook daar ging het arrest niet over). Een en ander moet uit elkaar worden gehouden. Het arrest betekent niet meer dan dat iemands boom op zijn kosten moet worden verwijderd als deze op het erf van een ander is terechtgekomen en dat die gehoudenheid uit de maatschappelijke zorgvuldigheid voortvloeit.
Taxus-arrest. [119] Uw Raad schetst de casus kort en krachtig (rov. 3.1): “
[…] en […] wonen te Linne. Hun tuin grenst aan één zijde aan een weiland van [...1] . Dit weiland is omheind; de omheining is voorzien van een afrastering van gaas. In de tuin van […] c.s. bevindt zich dicht bij deze omheining een afvalhoop. […] heeft op 6 mei 1989 op deze afvalhoop een struik gedeponeerd, die zij enkele dagen tevoren had gevonden en in de tuin had willen planten. Deze struik was een taxus. Bij inwendig gebruik kan taxus dodelijk zijn voor paarden. Op 7 mei 1989 hebben twee paarden van [...1] , die in diens weiland graasden, van de taxusstruik gegeten. Als gevolg daarvan zijn beide paarden overleden.” In cassatie voerde [...1] onder meer aan “
dat het voor de vaststelling van onrechtmatig handelen van […] van essentieel belang is, op welke afstand van de afrastering de taxusstruik was gedeponeerd, omdat, indien hij bijvoorbeeld door de afrastering heenstak en zich derhalve ten dele boven het aan [...1] toebehorende perceel bevond, […]aldus inbreuk zou hebben gemaakt op het eigendomsrecht van [...1] en jegens deze aansprakelijk zou zijn voor de schadelijke gevolgen van dit onrechtmatige handelen” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G) (zie rov. 3.3). Uw Raad kon dat niet overtuigen (rov. 3.3): “
Daargelaten of [...1] dit een en ander in de feitelijke instanties aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, vestigt een inbreuk op het eigendomsrecht van [...1] , die uitsluitend bestaat in het boven diens grond hebben van een gedeelte van een losliggende struik, nog niet een aansprakelijkheid voor een vergiftiging als hier heeft plaatsgevonden, in het bijzonder niet indien degeen die de struik aldus heeft neergelegd, niet wist of behoefde te weten dat die struik vergiftig was.”
condicio sine qua nonis voor de schade, terwijl zich een wel heel specifiek gevolg heeft voorgedaan: de dood van twee paarden, Calypso en Sanadag, die door het eten van de struik zijn vergiftigd? Die vraagt beantwoordt Uw Raad ontkennend, zo blijkt. Brunner – die zich op het standpunt stelt dat het bekendheid geniet (of zou moeten genieten) dat de taxusplant giftig is en dodelijk kan zijn voor paarden – duidt dit in zijn
NJ-annotatie aldus: “
Onwaarschijnlijk is dat daarmee bedoeld is dat geen aansprakelijkheid voor vergiftigingsschade als deze bestaat omdat de schade zo onvoorzienbaar is dat zij niet als gevolg van de inbreuk kan worden toegerekend. De schade is immers objectief alleszins voorzienbaar. Waarschijnlijk is sprake van een toepassing van de leer-Smits, [120] die voor aansprakelijkheid toetsing van de inbreuk aan de zorgvuldigheid verlangt, waarbij dan de voorzienbaarheid van schade mede bepalend is voor de vraag of onzorgvuldig is gehandeld.” [121] Ik vraag het mij af. Brunner denkt in dit geval anders over de voorzienbaarheid dan Uw Raad. De onderliggende discussie over de bekendheid van de giftigheid van de taxusplant – stedelingen zien dat wellicht anders dan plattelanders – zal ik hier niet beslechten en dat hoeft ook niet. Waar het om gaat, is dat voorzienbaarheid gelet op het vereiste toerekeningsverband van (nu) art. 6:98 BW Pro uiteraard ook bij de onrechtmatige daad in de vorm van een rechtsinbreuk een rol speelt. Ik meen dat het arrest wel degelijk in dat teken staat. Tegen de duiding van Brunner pleit bovendien dat Uw Raad niet oordeelde dat er geen
onrechtmatigerechtsinbreuk is omdat daarvoor onzorgvuldigheid is vereist, maar slechts dat die inbreuk nog geen aansprakelijkheid voor de specifieke gevolgen in dit geval vestigt, terwijl Uw Raad het woord ‘zorgvuldigheid’ in het geheel niet gebruikte.
XS4ALL c.s./Ab.Fab c.s. [122] uit 2004 was zogenoemde
direct marketingaan de orde. Ab.Fab zond op verzoek van haar opdrachtgevers aan grote aantallen geadresseerden e-mails met reclame, ook als de geadresseerden haar daarvoor geen toestemming hadden gegeven (
spamming). In het kader van een door XS4ALL c.s. ingestelde verbodsvordering (in kort geding) rees onder meer de vraag of Ab.Fab daarmee een inbreuk maakte op een recht van haar internetserviceprovider, XS4ALL, met wie Ab.Fab een overeenkomst had gesloten waarin onder meer was opgenomen dat het de klant niet is toegestaan het systeem en de schijfruimte te gebruiken voor
spamming. Uw Raad oordeelde, voor zover hier van belang, als volgt:
aldus het hof, A-G]. De aard van de dienstverlening van XS4ALL en de toenemende maatschappelijke betekenis daarvan, brengen mee dat gebruik van die voorzieningen door derden ten behoeve van verzending van die e-mailberichten, niet snel kan worden aangemerkt als strijdig met de rechten van XS4ALL. Ook al heeft XS4ALL geen wettelijke vervoersplicht, toch past het bij de publieke dienstverlening waarvan in dit geding sprake is, dat de vrijheid die XS4ALL voor zichzelf als rechthebbende/eigenaar opeist, aan zekere beperkingen is gebonden, zo overwoog het hof.
nu sprake is van een rechtstreekse en opzettelijke inbreuk op de exclusieve rechtenvan XS4ALL.
gebruik maakt van een goed waarop een ander een exclusief recht heeft, en hij daardoor – zoals in de regel het geval zal zijn – inbreuk maakt op dat exclusieve recht, handelt hij onrechtmatig tegenover die rechthebbende, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Aangezien als onbestreden vaststaat dat XS4ALL exclusieve rechten heeft op haar computercapaciteit, haar transmissiecapaciteit en haar klantenbestand (haar computersysteem) [
dat wil zeggen: in ieder geval eigendomsrechten op de fysieke systemen van XS4ALL, A-G [123] ], waarvan Ab.Fab tegen de haar kenbaar gemaakte wil van XS4ALL gebruik maakt, heeft het hof, dat klaarblijkelijk van een andere maatstaf is uitgegaan, daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.” (cursiveringen toegevoegd door mij, A-G).
een inbreuk op een recht” in art. 6:162 lid 2 BW Pro, nu XS4ALL c.s. een verbod en geen schadevergoeding vorderde, is het ook in die context van belang. Wie zonder daartoe gerechtigd te zijn – denk aan een overeenkomst of een beperkt recht – gebruikmaakt van een goed waarop een ander een exclusief recht heeft, maakt in de regel inbreuk op dat recht. Dit is goed te volgen: aan de rechthebbende komt in beginsel het exclusieve gebruik van een goed toe (vergelijk art. 5:1 lid 2 BW Pro voor wat betreft de eigendom); het recht wordt rechtstreeks in de kern geraakt als een ander zonder rechtsgrond gebruikmaakt van het goed. [124] Dit valt goed te verenigen met de strekking van de wetsgeschiedenis op dit punt: onrechtmatig is alleen een inbreuk door de gedraging zelf (zie hiervoor), zoals dus door gebruik, zonder rechtsgrond, van een goed waarop een ander een exclusief recht heeft. [125] A-G Huydecoper heeft in zijn conclusie voorafgaande aan het arrest onder verwijzing naar het arrest
Breda/ […](zie randnummer 3.39) nog opgemerkt dat “
onder ogen[moet]
worden gezien dat er grensgevallen bestaan waarin (een uiterst beperkt) gebruik van aan een eigenaar toebehorende voorzieningen, niet als inbreuk op diens eigendomsrecht mag worden aangemerkt, en waarin de geoorloofdheid van het betreffende gebruik (om die reden) niet louter aan de hand van de vraag of er inbreuk op het eigendomsrecht is mag worden beoordeeld (maar moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf of de betreffende handelwijze (overigens) al-dan-niet als onzorgvuldig moet gelden).” [126]
Unocal/Conocouit 2005. [127] Dat zag op oliewinning in de aangrenzende blokken L16 en Q1 van destijds (tot 1999) het Nederlands continentaal plat (thans de exclusieve economische zone), enkele tientallen kilometers ten westen van Den Helder. Versimpeld weergegeven rees de vraag of vergunninghouder Conoco door het winnen van olie uit ‘haar’ blok L16, maar op een plaats die minder dan 125 meter verwijderd was van Q1, waarmee olie werd onttrokken die zich in blok Q1 van vergunninghouder Unocal bevond, een inbreuk maakte op een recht van Unocal. Het hof had geoordeeld dat het onttrekken van aardolie uit een aangrenzend vergunningsgebied, waarvoor een ander houder is van een winningsvergunning, een inbreuk op het subjectieve recht van die ander is omdat daardoor het voorkomen van aardolie in dat gebied en daarmee de waarde van diens exclusieve recht op winning van aardolie wordt aangetast. Uw Raad liet dat oordeel in stand onder verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest
XS4ALL c.s./Ab.Fab c.s.:
[…] / […]overbodig, al rijst bij bijvoorbeeld
Taxusde vraag of zij geheel is verdwenen (mijns inziens wel). Duidelijk is ook dat het gebruik van het object van een recht van een ander behoudens rechtvaardigingsgrond een inbreuk op dat recht is (
XS4ALL c.s./Ab.Fab c.s.en
Unocal/Conoco). Met deze laatste rechtspraak, op zichzelf, zijn echter andere vormen van rechtsinbreuk, bijvoorbeeld door zaaksbeschadiging, zoals in de onderhavige zaak wordt aangedragen, nog niet uitgesloten.
Wat is nu een inbreuk op een recht?
allerechtsinbreuken vanuit materieel opzicht óók onzorgvuldig zouden zijn – wat we overigens niet kunnen vaststellen vóór we vaststellen wat een rechtsinbreuk is – betekent dat nog niet dat de figuur van de rechtsinbreuk geen functie heeft. Het gaat immers niet alleen om de vraag of de toepassing van twee normen, onder de streep tot hetzelfde resultaat (kunnen) leiden, maar ook om de toepassing zelf. Zo is het mogelijk dat de ene norm eenvoudiger is of aan minder onzekerheid onderhevig is dan de andere norm en dus gemakkelijker kan worden toegepast. Regels en rechtsfiguren worden dan ook niet afgeschaft enkel omdat een andere regel of rechtsfiguur tot hetzelfde resultaat kan leiden. In het privaatrecht komt (potentiële) materiële overlap veel voor en ik zie daar in de meeste gevallen ook geen probleem in. [131]
Een subjectief recht bestaat bij de gratie dat het door ieder ander moet worden ontzien. Het genots-, gebruiks- en beschikkingsrecht is gereserveerd voor de rechthebbende. Hij is exclusief gerechtigde en kan zijn recht dus tegenover iedereen inroepen. Het erkennen van een subjectief recht betekent daardoor tegelijkertijd erkenning van de negatieve voorwaarde dat een ander geen inbreuk op dat recht mag maken, door het te gebruiken, ervan te genieten of erover te beschikken. Doet hij dat toch dan is de inbreuk gegeven. Zou men de onrechtmatigheid van zo’n inbreuk pas aanwezig achten als onzorgvuldig werd gehandeld, dan miskent men de plaats van het subjectieve recht in het privaatrecht. Het zou geen onderscheidend criterium meer zijn.” [133] Jansen schrijft, vergelijkbaar, dat “
[d]e wettelijke verankering van de rechtsinbreuk en de wetsschending als zelfstandige onrechtmatigheidsrubrieken(…) [een]
krachtiger (bewijs)positie[waarborgt]
, aldus dat de inbreuk op een recht en de schending van een wettelijke plicht prima facie (behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond) onrechtmatig zijn, zonder dat – zoals bij maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen – een belangenafweging aan de hand van de omstandigheden van het geval dient plaats te vinden(…).” [134]
onmisbaar bestanddeel van de basisgrammatica van het aansprakelijkheidsrecht” en merkt deze zelfs aan – daarin volg ik hem niet – als
uiteindelijkonrechtmatigheidscriterium waaraan ook het schenden van een wettelijk voorschrift en maatschappelijke onzorgvuldige gedragingen moeten worden getoetst. [135] Deze opvatting is moeilijk te verenigen met de tekst van art. 6:162 lid 2 BW Pro en laat de categorie rechtsinbreuk bovendien haar onderscheidend vermogen verliezen. In wezen wordt elk onrechtmatig handelen jegens een ander zo als rechtsinbreuk aangemerkt en daar schieten we weinig mee op. Subjectieve rechten – althans privaatrechtelijke subjectieve rechten [136] – worden toegekend om ervoor te zorgen dat de rechthebbende weet waar hij aan toe is. Dat is iets anders dan bijvoorbeeld een algemene aanspraak om verschoond te blijven van onzorgvuldig gedrag. Vanuit het perspectief van de potentiële inbreukmaker geldt iets vergelijkbaars. Anders dan bij de zorgvuldigheidsnorm gaat het bij de rechtsinbreuk niet in ruime zin om rekening houden met de
belangenvan anderen – wat niet altijd eenvoudig is, zodat in het algemeen enige mildheid geëigend is – maar om rekening houden met
rechtenvan anderen, verondersteld dat zij een duidelijke inhoud hebben.
In art. 6:162 BW Pro ziet de onrechtmatigheid van ‘inbreuk op een recht’ op een gedraging die zelf inbreuk op een recht maakt, omdat zij in strijd komt met de exclusieve bevoegdheden van de subjectief gerechtigde, of met diens persoonlijkheidsrechten. Door inbreuk op een recht zo ruim te definiëren, dat ook de fysieke aantasting van het voorwerp van het subjectieve recht die het gevolg is van een gedraging per definitie inbreuk op dat recht oplevert(…)
zou men tot het absurde resultaat komen, dat alle letsel en zaakschade onrechtmatig is toegebracht.” [137] Sieburgh schrijft daarmee instemmend dat de rechtsinbreuk gebruikt moet worden voor gevallen waarin de gedraging zelf een inbreuk is omdat de exclusieve rechten van de rechthebbende worden aangetast, zoals bouwen op de grond van de buurman. [138] In het verlengde daarvan wordt aangenomen dat “
[h]et begrip ‘inbreuk’(…)
niet[dient]
te worden gebruikt voor de schadelijke gevolgen van handelen, zoals letsel en zaakschade.” [139] Bartels en Van Velten menen – in de zakenrechtelijke context – dat een rechtsinbreuk alleen kan worden aangenomen indien iemand een handeling verricht waartoe een ander uitsluitend bevoegd is. [140] Ook Verheul meent dat een nauw inbreukcriterium geëigend is: aantasting van een rechtsobject is nog geen aantasting van een recht; een rechtsinbreuk is er slechts indien een “
gedraging de bevoegdheidsverdeling miskent, die met de toewijzing van het subjectieve recht is gegeven.” [141] Lindenbergh schrijft dat, gelet op de grote verschillen tussen subjectieve rechten voor wat betreft de precisie waarmee zij zijn omschreven, (a) eerder onrechtmatigheid wegens rechtsinbreuk kan worden aangenomen naarmate het subjectieve recht “
meer precies en concreet is geformuleerd” en (b) een belangenafweging steeds noodzakelijker wordt naarmate “
het subjectieve recht vager en algemener omschreven is”. [142] Volgens Lindenbergh is de enkele aantasting van een belang dat door een subjectief recht wordt beschermd onvoldoende voor het aannemen van een rechtsinbreuk en is een directer en sterker verband nodig “
tussen de te beoordelen gedraging en de inbreuk op het subjectieve recht”. [143] Van Dam schrijft eveneens dat subjectieve rechten (van velerlei aard, zo voeg ik toe) verschillen in scherpte en beschermwaardigheid. [144] Van Dam concludeert dat “
de rechtsinbreuk alleen enige zelfstandige betekenis[heeft]
als (a) inhoud en omvang van een recht zo specifiek zijn omschreven dat dit een concrete gedragsnorm weerspiegelt en (b) een legitiem belang aan de kant van de veroorzaker ontbreekt.” [145] Het aspect onder (b) is volgens mij verdisconteerd in de in art. 6:162 lid 2 BW Pro bedoelde rechtvaardigingsgronden.
onrechtmatigeinbreuk, sneller wordt aangenomen. Hij heeft (in overeenstemming met de zogenoemde leer-Smits [146] ) verdedigd dat inbreuk op een recht niet “
eo ipso” onrechtmatig is, omdat altijd aan de maatschappelijke zorgvuldigheid moet worden getoetst, zodat er ook geen reden is om een nauw inbreukcriterium te hanteren en bijvoorbeeld gevallen van letsel en zaakschade wel degelijk een rechtsinbreuk kunnen opleveren. [147] Wat hieraan kan worden tegengeworpen, is de tekst van art. 6:162 lid 2 BW Pro, die wel degelijk, net als het bekende arrest uit 1919, een inbreuk op een recht als “
eo ipso” onrechtmatig aanmerkt, wat in de wetsgeschiedenis bevestiging vindt (zie randnummer 3.30 hiervoor). [148] Streefkerk wijst terecht op de vaagheid van sommige subjectieve rechten (zoals het in art. 8 lid 1 EVRM Pro bedoelde recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer), [149] maar dit brengt niet mee dat de figuur ‘rechtsinbreuk’ eveneens een vaag begrip moet worden. Die figuur heeft alleen meerwaarde bij de gratie van additionele duidelijkheid ten opzichte van de maatschappelijke zorgvuldigheidnorm, zoals hiervoor aan de orde kwam.
Zaaksbeschadiging bij bouwactiviteiten
of, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, de mogelijkheid van het intreden van het schadelijk gevolg Staatsspoor had behooren te weerhouden van het verhuren van het terrein voor dat gebruik, zoodat haar voor het verhuren op dien voet verwijt treft;” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G)
Boerenleenbank/ […]-arrest. [155] Daarin was het volgende aan orde. In opdracht van de Boerenleenbank was een damwand geheid en daarbij was schade ontstaan door het verzakken en inscheuren van een aan […] toebehorend woon- en winkelhuis. Het hof had na het uiteenzetten van de feiten en omstandigheden overwogen:
dat de Boerenleenbank zich van het doen slaan van de damwand had behoren te onthouden, nu zij naliet op haar kosten een maatregel als vorenbedoeld te nemen, en te onderzoeken blijft of het Hof daarbij heeft veronachtzaamd de in het middel genoemde omstandigheden;
dat ook indien het pand van […] deugdelijk gefundeerd was de diepte van de ontgraving een zo grote kans op verzakking van dat pand meebracht dat de Boerenleenbank daarmee rekening diende te houden;
louteromdat de werkzaamheden in opdracht van diegene en op zijn grond zijn uitgevoerd en hij het ontstaan van de schade redelijkerwijze heeft kunnen voorzien. Het arrest van het hof mocht althans niet zo worden gelezen volgens Uw Raad, terwijl het toch niet in strijd zou zijn met het arrest in 1881. Uw Raad overwoog wel dat het hof “
het Hof blijkens r.o. 4 aan bedoelde aansprakelijkheid mede ten grondslag heeft gelegd dat de Boerenleenbank op haar kosten maatregelen had kunnen en moeten nemen om de schade te voorkomen”, maar dat zou bij de benadering van 1881 veeleer een implicatie zijn dan een argument: wie rekening moet houden met schade bij een ander als gevolg van werkzaamheden moet kosten noch moeite sparen om die schade te voorkomen. Dat keert in dit arrest niet meer terug. Uw Raad neemt voorts in beschouwing dat “
de ontgraving een zo grote kans op verzakking van dat pand meebracht dat de Boerenleenbank daarmee rekening diende te houden”, niet dat elke kans op verzakking daarvoor volstaat, zoals Uw Raad in 1881 nog uitdrukkelijk tot uitgangspunt nam.
Boerenleenbank/ […]. [157] De casus was als volgt (rov. 3.1): “
is eigenares van een terrein(…)
te Amsterdam, waarop een aantal loodsen is gebouwd met gemetselde gevels en voorzien van een betonnen dak. Op het aan dat[van, A-G]
[…] grenzende terrein van NTH(…)
te Amsterdam heeft NTH van 1980 tot 1983 op een door haar gestorte betonnen vloer van 0,15 m dik, welke zich vlak naast de langsgevel van de loods van […] bevindt, het in haar fabriek gereed gekomen produkt talk opgeslagen in balen op pallets tot een hoogte van vier meter en over een breedte van ca. 8 m, beginnend op ca. 1 m afstand van de kopgevels van […] gebouwen 41a en b. De loodsen op de terreinen van […] en van NTH zijn via een betonplaat ‘op staal’ gefundeerd. Sinds oktober 1980 doet zich in de gemetselde langsgevelwanden van de loodsen van […] scheurvorming voor.” Het hof oordeelde volgens de weergave van Uw Raad (rov. 3.3): “
dat NTH gezien de zwaarte van talk en het feit dat de opslag ervan op niet meer dan een meter afstand van het terrein van […] plaatsvond, in redelijkheid met het optreden van schade rekening had behoren te houden en daarom in overleg met […] had dienen te onderzoeken of de opslag kon geschieden zonder gevaar voor de terreinen van […] . Door dit niet te doen en door ook na te laten voor het storten van de betonvloer de vereiste bouwvergunning aan te vragen en na waarschuwing door […] maatregelen ter voorkoming van schade te nemen, heeft NTH naar het oordeel van het hof een aan haar schuld te wijten onrechtmatige daad gepleegd.” Uw Raad hield het kort (rov. 3.4): “
Deze oordelen van het hof geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn gezien de inhoud van de gedingstukken, niet onbegrijpelijk en behoeven geen verdere motivering. Zij kunnen, omdat zij berusten op waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. Het tegen deze oordelen gerichte middel faalt in al zijn onderdelen.”
De Oude Molen BV c.s./Het Waterschap Zuiveringschap Limburguit 2000 [158] werpt mijns inziens geen ander licht op de materie. In die zaak – die betrekking had op schade door erosie aan een kademuur bij een oude watermolen als gevolg van het omzetten van een sluis – oordeelde Uw Raad onder meer als volgt:
verricht,
A-G] [159] als de onderhavige, welke voor derden als Plantaz het gevaar meebrengen van schade aan zaken die aan hen toebehoren, is verplicht voldoende maatregelen te treffen om zulke schade te voorkomen. In het licht van deze verplichting en tegen de achtergrond van de (…) vermelde feiten en omstandigheden, mocht Plantaz verwachten dat WZL voldoende rekening zou houden met zijn belangen als eigenaar van de watermolen en dat WZL te dier zake een bijzondere zorg zou betrachten om te voorkomen dat Plantaz schade zou lijden als gevolg van het feit dat de sluis door WZL bediend werd.
voldoendemaatregelen te treffen (waaronder zo nodig onderzoek te doen) om zulke schade te voorkomen. Het arrest wijst er niet op dat uit het optreden van schade mag worden afgeleid dat niet voldoende maatregelen zijn getroffen om die schade te voorkomen. [161] Het arrest is dus te verenigen met wat hiervoor al aan de orde kwam over het
Boerenleenbank/ […]-arrest.
Wat is er aan te merken op de heersende leer? Om te beginnen wordt een doelredenering gehanteerd: ten einde te ontkomen aan een al te grote uitbreiding van het aansprakelijkheidsrecht, wordt betoogd dat beschadiging van een zaak geen inbreuk op een recht is. Dat is een ongelukkige manier van redeneren: de invulling van begrippen dient een innerlijke consistentie te hebben en niet ingegeven te zijn door het resultaat dat men wil bereiken. Wil men een bepaald resultaat bereiken en voldoet het begrippenapparaat niet, dan zal men dat begrippenapparaat moeten verlaten in plaats van het geweld aan te doen. Voorts is de gedachte, dat men het aansprakelijkheidsrecht kan indammen er één die door de historische ontwikkeling gelogenstraft wordt.” [163] Dit overtuigt mij niet. Ten eerste is met het voor ogen houden van de doelen van het recht mijns inziens niets mis, omdat het recht ten behoeve van de mens bestaat en niet andersom. Mij ontgaat overigens ook hoe de ‘heersende leer’ geweld aandoet aan het begrippenapparaat (van art. 6:162 BW Pro). Ten tweede geldt dat de ‘heersende leer’ niet afhankelijk is van het ‘argument’ dat “
een al te grote uitbreiding van het aansprakelijkheidsrecht” moet worden voorkomen. Het is niet een ‘uitbreiding’ van het aansprakelijkheidsrecht waartegen moet worden gewaakt, maar het gegeven dat een te lage drempel voor aansprakelijkheid tot onjuiste prikkels zou kunnen leiden en dus in bepaalde gevallen tot overmatige zorgvuldigheid en/of te weinig bouwactiviteit. Tot welke ‘mate van aansprakelijkheid’ op macroniveau het geldende aansprakelijkheidsregime leidt, is niet doorslaggevend – althans niet los van de prikkels die uitgaan van het aansprakelijkheidsrecht – en overigens ook moeilijk na te gaan.
dat het voor het slachtoffer natuurlijk niets uitmaakt in welke categorie de daad valt waarvan hij schade ondervindt.(…)
Zou het uit moeten maken of de verzakking aan een pand wordt veroorzaakt doordat een zware bouwmachine tegen een gebouw aanrijdt of dat diezelfde machine 30 meter verder een riool (niet eigendom van de gelaedeerde) beschadigt, waardoor wateroverlast plaatsvindt leidend tot wegspoeling van grond en verzakking van het gebouw? In het laatste geval zou de vraag naar de onrechtmatigheid bepaald worden door de vraag naar de zorgvuldigheidsschending en in het eerste geval niet, terwijl het gevolg in beide gevallen precies gelijk is: verzakking van het huis.” [164] Mijns inziens doet zij hiermee geen recht aan wat in de ‘heersende leer’ naar voren is gebracht. Het gaat daar niet zo zeer om de vraag hoeveel schakels het causaal verband heeft, maar om de vraag of het recht van een ander wordt miskend doordat iemand iets doet waartoe de rechthebbende exclusief bevoegd is of waarmee de uitoefening van het recht onmogelijk wordt gemaakt, waarvoor de enkele aantasting van rechtsobject en/of een belang niet volstaat. Dat onderscheid doet er voor een slachtoffer vermoedelijk wel toe, anders dan het onderscheid in het voorbeeld dat Chao-Duivis geeft. Beide gevallen in dat voorbeeld worden wat mij betreft beheerst door de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, dus ook het geval waarin een zware bouwmachine (onbedoeld) tegen een gebouw aanrijdt.
[…] / […]en de wetsgeschiedenis rondom art. 5:1 lid 2 BW Pro bepleit dat het beschadigen van een zaak van een ander een vorm van gebruikmaken van die zaak is, als bedoeld in die bepaling, zodat – zo begrijp ik de redenering – een zaaksbeschadiging wel degelijk een rechtsinbreuk oplevert. [165] Deze redenering, die in de kern is gebaseerd op de term ‘gebruikmaken’ en daarmee sterk conceptueel van aard is, legt mijns inziens onvoldoende gewicht in de schaal. De implicaties van die redenering zijn in ieder geval ook niet goed te verenigen met latere rechtspraak van Uw Raad, waarin niet is aangenomen dat een zaaksbeschadiging een rechtsinbreuk oplevert.
een volstrekt logische redenering” maar kan worden betwijfeld “
of die beperkte opvatting van het inbreukcriterium wel houdbaar is”, wat volgens hem niet het geval is “
in het licht van de samenhang van daad en gevolgen”. [166] De opvatting van Van Velsen berust volgens mij erop dat hij moeite heeft met (i) het gegeven dat pech bestaat en (ii) het principe dat in beginsel ieder zijn eigen schade draagt (zie randnummer 3.8 hiervoor). Dat blijkt uit een voorbeeld dat hij geeft: “
De voor het heien verantwoordelijke heeft – mede om schade aan belendingen te voorkomen – uitgebreid onderzoek laten doen; alle berekeningen zijn feilloos uitgevoerd; de heimethode is helemaal volgens de laatste inzichten en de uitvoering is gedaan volgens de regelen der kunst. Kortom er is ‘uiterst zorgvuldig’ te werk gegaan. Er zou dan geen sprake zijn van onrechtmatigheid en de eigenaar van het buurpand zou dus de schade moeten dragen terwijl zijn veroorzakingsbijdrage nihil was. Is dat een aanvaardbare uitkomst?” [167] Ik heb begrip voor het opwerpen van deze (vermoedelijk retorisch bedoelde) vraag, maar wijs er ook op, zoals ik in paragraaf B liet zien, dat het veel voorkomt dat nadeel/schade moet worden gedragen door degene die geen veroorzakingsbijdrage had. Een sprekend voorbeeld is dat van de zwiepende tak: het gedrag van A zorgt ervoor dat B op onwaarschijnlijke wijze zijn oog verliest, maar A is niet aansprakelijk, kort gezegd omdat hij geen rekening had hoeven houden met deze eventualiteit. Natuurlijk is het letsel niet rechtvaardig voor B, maar pech is nu eenmaal niet rechtvaardig én niet uit te bannen (althans niet tegen een aanvaardbare prijs). Niet alle schade die door iemand wordt veroorzaakt, vestigt aansprakelijkheid. Ik heb in paragraaf B uitvoerig uiteengezet waarom en zal dat hier niet herhalen.
floodgates-argument steevast bij de schrijvers wordt gevonden en vrijwel niet in de rechtspraak: met name in de vormende jurisprudentie over de leidingschades (…) ziet men dat de Hoge Raad zijn oordeel niet laat leiden door een eventuele veelheid van schadeclaims.” [168]
floodgates-argument’ nodig om in te zien dat een te lage drempel voor aansprakelijkheid tot verkeerde prikkels kan leiden, zoals ik al opmerkte. Voor zover Van Velsen (mede) bedoelt dat over de daadwerkelijke prikkelende werking van uiteenlopende aansprakelijkheidsregimes vanuit empirisch oogpunt geen duidelijkheid bestaat, dan heeft hij op zichzelf gelijk, [169] maar het oogt toch wel als een gelegenheidsargument. Dit gegeven werkt namelijk noch ten voordele noch ten nadele van een nauw of ruim inbreukcriterium uit. Zolang er vanuit empirisch oogpunt geen duidelijkheid is, lijkt het niet sterk om de ‘heersende leer’ te bestrijden met het argument dat empirische onderbouwing daarvoor ontbreekt. Voor het alternatief geldt dan immers hetzelfde. Ten slotte merk ik nog op dat ik mij niet kan vinden in de opmerking dat de rechtspraak zich honderd jaar lang heeft bediend van het kwalificeren van zaakschade als rechtsinbreuk. Dat strookt niet met wat ik hiervoor heb uiteengezet.
Bevindingen
ex antekon worden verlangd. Als de eventuele schending van conventies, gewoontes of private regelgeving niet reeds tot het oordeel leidt dat onzorgvuldig is gehandeld, dan zijn bepalend: (a) de waarschijnlijkheid dat de zaak van een ander wordt beschadigd; (b) de te verwachten ernst van (de gevolgen van) de beschadiging en (c) de kosten, het zij herhaald: in ruime zin, die zijn gemoeid met het nemen van voorzorgsmaatregelen. Hier is de onderliggende logica van het
Merwedekanaal-arrest en het
Kelderluik-arrest wat mij betreft dus beslissend.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
het eigendom” (ik lees: het pand) van [eiseres 1] (onzorgvuldig en dus) onrechtmatig is, want inbreuk makend op het recht van [eiseres 1] op het volle en onaangetaste genot van haar eigendom, althans dat in zijn algemeenheid, althans in gevallen waarin als gevolg van bouwwerkzaamheden (zaak)schade ontstaat in de omgeving, ook zonder schending van een (aanvullende) zorgvuldigheidsnorm sprake is of kan zijn van onrechtmatig handelen doordat eigendom van een derde wordt beschadigd. Daaraan voegen [eisers] toe dat de rechtsopvatting van het hof, dat zaaksbeschadiging niet reeds als inbreuk op een recht onrechtmatig is, maar dat dit slechts onrechtmatig is indien (tevens) sprake is van handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, in zijn algemeenheid, althans in gevallen waarin als gevolg van bouwwerkzaamheden (zaak)schade ontstaat in de omgeving, in strijd is met het recht, in het bijzonder als (deze) (zaak)schade een voorzienbaar gevolg is van deze bouwwerkzaamheden
jegens [eiseres 1](en niet [eiseres 2] en/of [eiser 3] en [eiseres 4] ) heeft beoordeeld. [eiseres 1] is immers de eigenaar van het beschadigde pand en in onderdeel 1 wordt in de kern betoogd dat reeds de enkele beschadiging van het pand van [eiseres 1] onrechtmatig was omdat zij inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van [eiseres 1] . [eisers] hebben niet naar voren gebracht dat inbreuk is gemaakt op rechten van [eiseres 2] en/of [eiser 3] en [eiseres 4] . Ik voeg daaraan toe dat het processueel niet relevant is of
voorstelbaar isdat [eiseres 2] en/of [eiser 3] en [eiseres 4] rechten hebben, zoals een recht uit hoofde van huur, waarop eventueel inbreuk is gemaakt (wat [eisers] ook niet aanvoeren). De rechter kan niet ambtshalve vaststellen dat inbreuk is gemaakt op een subjectief recht indien niet is gesteld dat er een subjectief recht is en dat daarop inbreuk is gemaakt. [171] Dit betekent dat buiten kijf staat dat de vraag of Multi en/of [verweerder 2] onrechtmatig heeft/hebben gehandeld
ten opzichte van [eiseres 2] en/of [eiser 3] en [eiseres 4]door het hof terecht is beoordeeld aan de hand van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm.
subonderdeel 2.1klagen [eisers] dat het hof, door in rov. 2.6.3.-2.6.7. en rov. 2.6.9.-2.6.14. te overwegen en te beslissen zoals het heeft gedaan, het recht heeft geschonden. Onder andere heeft het hof, aldus [eisers] , miskend dat de specifieke, door het hof onderzochte uit het oogpunt van zorgvuldige voorbereiding en uitvoering te betrachten handelwijze voortvloeit uit (de overkoepelende zorgplicht, namelijk) de norm dat het volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt om bij de uitvoering van (bouw)werkzaamheden te voorkomen dat aan eigendommen van derden schade ontstaat, althans heeft het hof anderszins blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De doelstelling van de (ongeschreven) zorgplicht is immers, aldus [eisers] , om te voorkomen dat de (bouw)werkzaamheden tot zaakschade leiden. De doelstelling van de zorgplicht is niet dat de aannemer die (niet on)zorgvuldig handelt aan aansprakelijkheid kan ontkomen als desondanks (voorzienbare en/of onvoorziene) schade ontstaat – dit is echter de implicatie van het arrest van het hof, dat dan ook om die reden(en) rechtens onjuist is, aldus [eisers] Het hof heeft (immers) – kennelijk – uitsluitend oog gehad voor de wijze waarop Multi diende te handelen, maar uit het oog verloren waarom Multi zorgvuldig diende te handelen, alsmede dat de volgens het hof niet-onzorgvuldige handelwijze haar doel heeft gemist, nu immers (desondanks) aanzienlijke schade is ontstaan aan “
het eigendom” (ik lees: het pand) van [eisers]
subonderdeel 2.2wordt geklaagd dat het hof in rov. 2.6.3.-2.6.7. en rov. 2.6.9.-2.6.14. heeft miskend dat als ondanks (niet on)zorgvuldige voorbereiding en uitvoering van (bouw)werkzaamheden toch schade ontstaat aan eigendommen van derden (in dit geval aan het naastliggende pand van [eiseres 1] ) dit de onrechtmatigheid van het beschadigen niet wegneemt, maar dat dit enkel gevolgen kan hebben voor de toerekening van de onrechtmatige daad (bijvoorbeeld op basis van verkeersopvattingen, in plaats van op basis van schuld).
Subonderdeel 2.4ligt in het verlengde hiervan. Daarin wordt geklaagd dat het hof in rov. 2.6.3.-2.6.15., in het bijzonder in rov. 2.6.11. en 2.6.12., heeft miskend dat (ook) als zich bij de uitvoering van de (bouw)werkzaamheden een calamiteit of andere onvoorziene situatie voordoet die de aannemer niet op voorhand had hoeven of kunnen uitsluiten en de aannemer aan het optreden van die calamiteit of andere onvoorziene situatie in die zin (dus) geen verwijt gemaakt kan worden, het als gevolg daarvan beschadigen van objecten in de omgeving van de (bouw)werkzaamheden (zoals
in casuhet pand van [eiseres 1] ) wel degelijk als onrechtmatige daad kan worden gekwalificeerd.
tegen elke prijswordt voorkomen, maar ertoe strekt te stimuleren dat redelijke voorzorgsmaatregelen worden genomen. Het hof heeft dus niet het recht geschonden door na te gaan of de schade aan het pand van [eiseres 1] is ontstaan door handelen van Multi dat als (daadwerkelijk) onzorgvuldig kan worden gekwalificeerd.
Het hof merkt hierbij nog op dat van [eisers] , als eigenaar van een oud pand met, zoals zij zelf stelt, een hoge zettingsgevoeligheid, verwacht mag worden dat zij relevante informatie over het pand deelt met Multi zodat hiermee bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden rekening kan worden gehouden.” Deze opmerking betreft evident een bijzaak in de desbetreffende rechtsoverweging, die geen schakel vormt in de redenering van het hof. De conclusie die het hof heeft bereikt, namelijk dat Multi de werkzaamheden zorgvuldig heeft voorbereid (zie rov. 2.6.8.), is van deze opmerking van het hof niet afhankelijk.
Subonderdeel 2.5 (p. 5)bevat twee klachten.
het feit dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden van Multiherhaaldelijk/voortdurendde in haar bouwveiligheids- en monitoringsplan opgenomen deformatiewaarden, de signaal- en actiewaarden werden overschreden” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Dat heeft het hof niet vastgesteld. Het hof heeft in rov. 2.6.11. wel vastgesteld dat “
de signaal- en actiewaarden op verschillende momenten vanaf 12 juli 2016 tijdens het afzinken van de kelder zijn overschreden”. De klacht komt, als ik het goed zie, erop neer dat in het bestreden arrest (in het geheel) niet wordt gemotiveerd waarom (a) de overschrijding van de signaal- en actiewaarden, (b) het scheuren van de kelderwand en (c) een – in de woorden van het hof – plotselinge toename van de deformatie van 7 mm naar 17 mm niet in strijd zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer tegenover [eisers] betaamt. De klacht faalt, omdat het hof op dit punt in rov. 2.6.11. en 2.6.12. een uitgebreide motivering bevat. Of die motivering begrijpelijk is, is een andere vraag; daarop ziet het volgende randnummer.
verdereschade aan het pand van [eiseres 1] heeft voorkomen en Multi alleen al daarom geen verwijt kan worden gemaakt. Dat is in rov. 2.6.11. en 2.6.12. niet aan te treffen. De overwegingen van het hof in rov. 2.6.12., in samenhang met rov. 2.6.11., komen er in essentie op neer dat Multi in alle fasen voldoende inspanningen heeft getroost om schade (niet alleen
verdereschade) aan het pand van [eiseres 1] te voorkomen. Volgens de slotzin van rov. 2.6.11. hebben [eisers] het daarvoor weergegeven relaas van Multi over wat er is voorgevallen niet weersproken, waaronder dat “
een grondverbetering/stabilisatie heeft plaatsgevonden door het toepassen van twee groutinjecties ter opvulling van holle ruimtesom schade aan het pand van [eiseres 1] te voorkomen, waarna, na het weghalen van een deel van het obstakel, het afzinkproces op 18 juli 2016 is doorgezet en de deformatie is verminderd tot de waarde van voor het raken van het obstakel” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Voor wat betreft de voortzetting van de werkzaamheden na het springen van het etalageraam in het pand van [eiseres 1] op 22 juli 2016 geldt dat het hof in overweging heeft genomen dat Multi onweersproken heeft gesteld dat “
er op dat moment niet voor[is]
gekozen om de werkzaamheden stil te leggen omdat dit een groter risico op zettingen en scheefstand van het pand van [eiseres 1] zou opleveren dan wanneer het afzinkproces zou worden doorgezet, omdat de kelderwand juist zorgt voor de noodzakelijke stabiliteit, hetgeen ter zitting is bevestigd door [de constructeur]” (rov. 2.6.11.). In rov. 2.6.12. heeft het hof vervolgens geoordeeld dat “
[d]e maatregelen die Multi op en kort na het raken van het obstakel op 15 juli 2016 heeft getroffen en de beslissing om de werkzaamheden op 22 juli 2016 na het springen van het etalageraam voort te zetten,(…)
voldoende rekening[houden]
met de belangen van [eisers]omdat zij ertoe dienen om schade aan het pand van [eiseres 1] te voorkomenen na overleg met deskundigen tot stand zijn gekomen” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Onbegrijpelijk is de gedachtegang van het hof niet.
extra zorgvuldigheid c.q. een verhoogde zorgvuldigheidsnorm” (door mij weer opgevat als: een strengere zorgvuldigheidsnorm) in verband met de bodemsamenstelling in combinatie met de funderingswijze afwijst omdat [eisers] niet zouden hebben aangegeven waartoe een dergelijke strengere zorgvuldigheidsnorm zou hebben geleid, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Weliswaar zijn de aard en conditie van de omliggende bebouwing (uiteraard) relevant voor de vraag welke maatregelen noodzakelijk zijn om schade aan die omliggende bebouwing te voorkomen, maar het hof heeft met deze beslissing miskend, aldus [eisers] , dat het niet aan [eisers] als benadeelden is om aan te geven welke specifieke maatregelen hadden moeten worden getroffen om schade te voorkomen, maar aan Multi om, gegeven deze strengere zorgvuldigheidsnorm, schade te voorkomen en aan te geven op welke wijze zij daaraan in de praktijk invulling heeft gegeven. Multi is immers de ter zake deskundige partij die door de wijze waarop zij het werk voorbereidt en uitvoert ervoor dient te zorgen dat geen schade aan (onder andere) het pand van [eiseres 1] ontstaat.
Multi(…)
immers de ter zake deskundige partij[is]
die door de wijze waarop zij het werk voorbereidt en uitvoert ervoor dient te zorgen dat geen schade aan (o.a.) het pand van [eiseres 1] ontstaat” en verwijzen daarbij naar het arrest inzake
De Oude Molen BV c.s./Het Waterschap Zuiveringschap Limburg, dat ik in randnummers 3.65 en 3.66 besprak. In het licht van wat ik daar opmerkte, zal het geen verrassing zijn dat ik meen dat dit betoog van [eisers] geen steun vindt in het recht. Dat bepaalde handelingen tot schade hebben geleid, leidt nog niet van rechtswege tot het bewijsvermoeden dat die handelingen onzorgvuldig waren.
beslissingen” (lees: oordelen) van het hof in rov. 2.7.2. van het bestreden arrest, dat uit hetgeen in rov. 2.6.3. tot en met 2.6.8. is overwogen volgt dat bij de voorbereiding van de werkzaamheden zorgvuldig is gehandeld en dat het aan [eisers] zelf te wijten is dat gedetailleerde informatie over de fundering van het pand van [eiseres 1] niet beschikbaar was, alsmede dat [eisers] niet stellen welke maatregelen dan getroffen hadden moeten worden terwijl dit wel op hun weg had gelegen, zijn rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk, aldus [eisers] De opdrachtgever is immers naast de aannemer aansprakelijk, zo stellen [eisers] onder verwijzing naar een publicatie van Chao-Duivis en anderen: [177]
beslissingen” (lees: oordelen) zijn onbegrijpelijk, zo betogen [eisers] [verweerder 2] heeft immers de handelingen van Multi in het bestek voorgeschreven dan wel daartoe anderszins opdracht gegeven en [verweerder 2] heeft immers verzuimd in het bestek maatregelen voor te schrijven die de schade hadden kunnen voorkomen, zo voegen [eisers] toe.
Indien een niet ondergeschikte die in opdracht van een ander werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf verricht, jegens een derde aansprakelijk is voor een bij die werkzaamheden begane fout[dus: een toerekenbare onrechtmatige daad, A-G]
, is ook die ander jegens de derde aansprakelijk.” In deze sleutel staat ook de door [eisers] aangehaalde literatuur. [181]
dat door [de constructeur] geen noodzakelijke voorzieningen zijn genoemd of voorwaarden zijn gesteld om zorg te dragen voor een uitvoering welke geen nadelige invloed zal hebben op de bestaande fundering van” het pand van [eiseres 1] .
welke maatregelen dan getroffen hadden moeten worden, terwijl dit wel op hun weg had gelegen.” Algemeenheden – te weten dat de door [verweerder 2] ingeschakelde architect en constructeur hebben verzuimd om zorg te dragen voor een uitvoering die geen nadelige invloed heeft op de bestaande fundering – zijn daarvoor onvoldoende.
subonderdeel 3.2wordt aangevoerd dat rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn de “
beslissingen” (lees: oordelen) van het hof in (wederom) rov. 2.7.2. van het bestreden arrest, dat uit hetgeen in rov. 2.6.3. tot en met 2.6.8. is overwogen volgt dat bij de voorbereiding van de werkzaamheden zorgvuldig is gehandeld en dat het aan [eisers] zelf te wijten is dat gedetailleerde informatie over de fundering van het pand van [eiseres 1] niet beschikbaar was, alsmede dat [eiseres 1] niet stellen welke maatregelen dan getroffen hadden moeten worden terwijl dit wel op hun weg had gelegen zijn. De “
beslissingen” (lees: oordelen) zijn rechtens onjuist, aldus [eisers] omdat in het licht van de bij middelonderdeel 3.1 genoemde vijf alternatieve criteria voor aansprakelijkheid van een opdrachtgever de vraag of door de gelaedeerde gedetailleerde informatie over de fundering van het pand is verstrekt niet van belang is. Voorts is het in dat kader niet relevant of de gelaedeerde stelt of het mogelijk is nadere maatregelen te treffen. Het feit dat sprake is van een van de vijf alternatieve criteria voor aansprakelijkheid van een opdrachtgever is voldoende voor de vaststelling van de schending van de “
ongeschreven zorgvuldigheidsnorm” (lees: maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm) als bedoeld in art. 6:162 BW Pro.
Bouwrecht in kort bestek [183] hebben naar mijn begrip voornamelijk betrekking op de kwalitatieve aansprakelijkheid van opdrachtgevers en zijn in het algemeen, althans niet zonder concrete uitwerking, niet voldoende voor de vaststelling van een schending van de opdrachtgever van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm zoals bedoeld in art. 6:162 BW Pro. Dat [verweerder 2] de handelingen van de aannemer in het bestek heeft voorgeschreven of daartoe anderszins opdracht heeft gegeven kan niet zelfstandig leiden tot het oordeel dat [verweerder 2] onzorgvuldig heeft gehandeld ten opzichte van [eisers] De omstandigheid dat het werk niet anders kan worden uitgevoerd, dan door het berokkenen van schade, is natuurlijk een factor die van belang is bij de beoordeling of [verweerder 2] onzorgvuldig heeft gehandeld ten opzichte van [eisers] , maar die omstandigheid doet zich hier niet voor en is door [eisers] ook niet gesteld. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de opdrachtgever is tekortgeschoten in de keuze van de aannemer: het is niet ondenkbaar dat dat onzorgvuldig is ten opzichte van derden, maar [eisers] voeren op dit punt niets aan. Tot slot geldt dat ook de omstandigheid dat de opdracht in het bestek verzuimd heeft om maatregelen voor te schrijven die de schade hadden kunnen voorkomen relevant kan zijn bij de toetsing aan de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, maar dat deze algemeenheid [eisers] niet kan baten zonder daarop gerichte concrete stellingen, waarvan niet blijkt. Het in randnummers 3.61-3.63 besproken arrest
Boerenleenbank/ […], [184] dat [eisers] in randnummer 41. van hun schriftelijke toelichting aanhalen, brengt op dit punt niets anders mee. In die zaak stond in cassatie niet ter discussie dat een opdrachtgever niet alleen kwalitatief maar ook wegens een eigen fout aansprakelijk kan zijn (wat ook niemand zal verrassen). [185] Dat kan echter alleen het geval zijn als in dat verband voldoende concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd. [eisers] houdt het echter (zeer) algemeen, behoudens voor wat betreft hierna volgt in subonderdeel 3.3.
subonderdeel 3.3dat rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn de “
beslissingen” (lees: oordelen) van het hof in rov. 2.7.1. dat uit hetgeen door het hof in rov. 2.6.11. reeds is overwogen volgt dat het voortzetten van de werkzaamheden na 15 juli 2016 door Multi niet onzorgvuldig is jegens [eisers] en dat dit betekent dat [verweerder 2] dus ook niet onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [eisers] door de instructie om de werkzaamheden voort te zetten dan wel door de werkzaamheden niet te (doen) stoppen. In rov. 2.6.11. heeft het hof – voor zover te dezer zake relevant – overwogen dat volgens Multi er op dat moment niet voor gekozen is om de werkzaamheden stil te leggen omdat dit een groter risico op zettingen en scheefstand van het pand van [eiseres 1] zou opleveren dan wanneer het afzinkproces zou worden doorgezet, omdat de kelderwand juist zorgt voor de noodzakelijke stabiliteit, hetgeen ter zitting is bevestigd door [de constructeur] , en heeft het hof overwogen dat [eisers] de door Multi geschetste gang van zaken niet hebben betwist en dat het hof deze gang van zaken dan ook tot uitgangspunt zal nemen, aldus het subonderdeel. In het subonderdeel wordt vervolgens een aantal citaten weergegeven van stellingen – ik hoef deze citaten gelet op wat hierna volgt, niet weer te geven – die volgens [eisers] de “
beslissingen” [lees: oordelen, A-G] van het hof onbegrijpelijk maken “
omdat het hof niet heeft vastgesteld dat bij de voornoemde, aan [verweerder 2] verweten handelingen c.q. het aan [verweerder 2] verweten nalaten, [verweerder 2] al veronderstelde of wist dat stillegging van de werkzaamheden een groter risico op zettingen en scheefstand van het pand van [eisers] zou opleveren dan wanneer het afzinkproces zou worden doorgezet, omdat de kelderwand juist zorgt voor de noodzakelijke stabiliteit.”
rechtens onjuist”, aangezien [eisers] niet duidelijk maken wat er dan precies rechtens onjuist zou zijn en waarom. Wat de motiveringsklacht inhoudt, is mij niet ook niet onmiddellijk duidelijk. [eisers] klagen niet over het oordeel van het hof dát stillegging van de werkzaamheden (omstreeks 22 juli 2016) een groter risico op zettingen en scheefstand van het pand van [eisers] zou opleveren dan wanneer het afzinkproces zou worden doorgezet, omdat de kelderwand juist zorgt voor de noodzakelijke stabiliteit. Dat moet hier dus tot uitgangspunt dienen. [eisers] klagen, als ik het goed zie, over het volgende. Zij hebben aangevoerd, aldus [eisers] , dat [verweerder 2] de werkzaamheden op verschillende momenten op en na 15 juli 2016 had kunnen en moeten stilleggen en onzorgvuldig heeft gehandeld door dat niet te doen. Het hof kon bij de verwerping van dit betoog niet volstaan met de overweging dat volgens Multi (omstreeks 22 juli 2016) niet gekozen is om de werkzaamheden stil te leggen omdat dit een groter risico op zettingen en scheefstand van het pand van [eiseres 1] zou opleveren, aangezien niet is vastgesteld dat [verweerder 2] dat al wist.
zelfdoorzag dat het stilleggen minder verstandig zou zijn dan het voortzetten van de werkzaamheden. Aan het oordeel van het hof in rov. 2.7.1. is niets onbegrijpelijks, althans niet op de door [eisers] aangedragen gronden.
beslissingen” (lees: oordelen) van het hof in rov. 2.7.2. dat [eisers] niet stellen welke maatregelen dan getroffen hadden moeten worden, terwijl dit wel op hun weg had gelegen, en in rov. 2.7.4 dat uit de beoordeling van het hof volgt dat het hof de stellingen van [eisers] , waarbij veelal wordt verwezen naar het Rapport van TechnoConsult B.V., onvoldoende deugdelijk gemotiveerd vindt, zijn rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk. Ten eerste is het, aldus [eisers] onder verwijzing naar het in randnummers 3.61-3.63 besproken arrest
Boerenleenbank/ […], [186] (rechtens) niet aan [eisers] als benadeelden om aan te geven welke specifieke maatregelen hadden moeten worden getroffen om schade te voorkomen, maar aan [verweerder 2] om op zijn kosten maatregelen te nemen c.q. aan Multi voor te schrijven die de schade aan het pand van [eiseres 1] zou hebben voorkomen. Tegen deze achtergrond is het oordeel dat [eisers] hadden moeten stellen welke maatregelen getroffen hadden moeten worden onbegrijpelijk, aldus [eisers] , in het bijzonder nu [eisers] onder andere onder verwijzing naar het rapport van TechnoConsult B.V. erop hebben gewezen dat: (a) kracht is uitgeoefend op de fundering en de draagkrachtige grondlaag onder de fundering van het pand van [eiseres 1] ; (b) de adviezen die Multi heeft betrokken bij Huisman gebaseerd zijn op verkeerde uitgangspunten en (c) als de juiste uitgangspunten waren gehanteerd (hoogstwaarschijnlijk) het ontwerp van de kelderbak zou zijn herzien ( [eisers] verwijzen naar hun memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, p. 18), welke stellingen niet anders dan kunnen worden begrepen als dat er geen of minder kracht op de fundering en draagkrachtige grondlaag had moeten worden uitgeoefend, of slechts in combinatie met maatregelen om de fundering en de grondlaag daaronder te ontzien, respectievelijk het betrekken van adviezen op basis van juiste uitgangspunten en (vervolgens) het herzien van het ontwerp.
hoogstwaarschijnlijk” het ontwerp van de kelderbak zou zijn herzien) en maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. De verwijzing naar p. 18 van de memorie van grieven kan [eisers] niet baten, nu daar evenmin een concrete uitwerking is aan te treffen die het oordeel van het hof onbegrijpelijk maakt.