ECLI:NL:PHR:2023:296

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
10 maart 2023
Zaaknummer
21/02325
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 lid 1 SvArt. 103 SvArt. 94a lid 2 SvArt. 38 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens niet-behandeling door economische raadkamer bij beslag in economisch delict

De zaak betreft een klaagschrift van een klager tegen de inbeslagneming van een geldbedrag van €45.000,- in een strafrechtelijk onderzoek naar overtredingen van de Wet op de kansspelen (Wok). De rechtbank Den Haag verklaarde het klaagschrift ongegrond en niet-ontvankelijk voor het overige, waarbij het klaagschrift niet door de economische raadkamer werd behandeld.

De klager stelde dat de zaak ten onrechte niet door de economische raadkamer was behandeld, terwijl dit op grond van de Wet op de economische delicten (WED) en het Wetboek van Strafvordering (Sv) wel had moeten gebeuren. De Hoge Raad bevestigde dat economische delicten exclusief door de economische kamers van de rechtbank behandeld moeten worden, ook in raadkamerfase.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet door een economische raadkamer had laten behandelen en beslissen, hetgeen in strijd is met de toepasselijke wettelijke bepalingen en eerdere jurisprudentie. Daarom werd de beschikking vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank Den Haag voor hernieuwde behandeling en beslissing door de economische raadkamer.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt tot vernietiging en terugwijzing. Er werden geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen. De zaak betreft een economisch delict op grond van overtreding van de Wok en WED, waarbij het beslag en de procedure niet volgens de juiste rechtsregels zijn behandeld.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor behandeling door de economische raadkamer.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02325 B
Zitting21 maart 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 18 mei 2021 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, voor zover strekkende tot opheffing van het onder een derde gelegde beslag op een geldbedrag van € 45.000,- en tot teruggave van dat geldbedrag aan de klager, ongegrond verklaard en de klager voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. [1]
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. T.P.A.M. Wouters en R.I. Takens, beiden advocaat te Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Geklaagd wordt dat de zaak ten onrechte niet door de economische raadkamer van de rechtbank is behandeld en beslist.
1.3
De klacht is terecht voorgesteld, zodat deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

2.Aanleiding en verloop van de zaak

2.1
[betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn als verdachten aangemerkt in een strafrechtelijk onderzoek (“Taxus”) naar overtredingen van de Wet op de kansspelen (Wok). Op 16 september 2020 heeft in het kader van dit onderzoek een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woning van [betrokkene 3] . Bij deze doorzoeking is in een lade van een bureau een geldbedrag van € 45.000,- aangetroffen. Dit geld is op grond van art. 94 lid 1 Sv Pro onder [betrokkene 3] in beslag genomen wegens een verdenking van overtreding van art. 1 lid 1 sub a Wok Pro. De klager is in het onderzoek niet als verdachte aangemerkt. Hij stelt eigenaar te zijn van het in beslag genomen geldbedrag.
2.2
Op 22 april 2021 is op dit geldbedrag – ten laste van diezelfde [betrokkene 3] – ook conservatoir beslag gelegd. Dit beslag dient blijkens de door de rechter-commissaris gegeven machtiging conservatoir beslag (art. 103 Sv Pro) tot bewaring van het recht op verhaal voor een door de rechter op te leggen geldboete en/of ontnemingsmaatregel als bedoeld in art. 94a lid 2 Sv wegens een verdenking van
“overtreding van de artikelen 1 lid 1 sub a Wet op de kansspelen, artikel 36 lid 1 Wet Pro op de kansspelen, artikel 1, aanhef en onder sub 3 van de Wet op de economische delicten en artikel 6 lid 2 en Pro 3 Wet op de economische delicten”. [2] De vordering van de Staat wordt geschat op € 74.410,-. Er rust sindsdien geen klassiek beslag meer op het geldbedrag. [3]
2.3
Namens de klager is op 4 januari 2021 een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend, strekkende tot opheffing van (onder meer) het beslag met last tot teruggave van voornoemd geldbedrag. Het klaagschrift is op 4 mei 2021 in de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank behandeld. De raadkamer heeft op 18 mei 2021 op het klaagschrift beslist.

3.Het middel

3.1
In het middel wordt geklaagd dat het klaagschrift “ten onrechte niet is behandeld en de bestreden beschikking ten onrechte niet is gewezen door een economische raadkamer van de rechtbank”.
3.2
Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het klaagschrift op grond van art. 38 Wet Pro op de economische delicten (WED) in verbinding met art. 21 Sv Pro door de economische raadkamer had moeten worden behandeld, aangezien de zaak betrekking heeft op een verdenking ter zake van art. 1 lid 1 aanhef Pro onder a Wok en een overtreding van deze bepaling op grond van art. 1, aanhef en onder 3, WED in verbinding met art. 2 lid 3 WED Pro en art. 36 lid 1 Wok Pro een economisch misdrijf oplevert.
3.3
In de toelichting op het middel wordt verwezen naar HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8752,
NJ2007/649. In die beschikking overwoog de Hoge Raad het volgende:
“4.1. Het middel behelst de klacht dat de zaak in strijd met onder meer art. 38 Wet Pro op de economische delicten (WED) niet door de economische kamer van de Rechtbank is behandeld die bevoegd is vanwege de pretense overtreding van een economisch delict.
4.2. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
Art. 52 RO Pro:
"1. Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.
2. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige economische kamer draagt de titel van economische politierechter."
Art. 38 WED Pro:
"De kennisneming van economische delicten in eerste aanleg is bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank. Economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie."
Art. 46 WED Pro, welke bepaling tot de inwerkingtreding op 1 januari 1994 van de wet van 8 november 1993 (Stb. 591), luidde:
"In zaken betreffende economische delicten treedt, behoudens het bepaalde in de artikelen 371 en 488 van het Wetboek van Strafvordering, als raadkamer een meervoudige economische kamer op."
Art. 64 RO Pro, dat op de gerechtshoven betrekking heeft:
"Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarin door de economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen dan wel een bevel of een beschikking is gegeven, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers."
Art. 53 WED Pro, dat op de gerechtshoven betrekking heeft:
"1. In zaken betreffende economische delicten treedt als raadkamer een economische kamer op.
2. De behandeling door de raadkamer vindt plaats in het openbaar."
4.3. Met de inwerkingtreding van de onder 4.2 genoemde wet is art. 46 WED Pro, zoals hiervoor weergegeven, komen te vervallen. De totstandkomingsgeschiedenis van die wet bevat geen aanwijzing dat de wetgever heeft beoogd op rechtbankniveau de economische kamers niet langer als raadkamers te laten functioneren. De omstandigheid dat art. 53 WED Pro bepaalt dat op hofniveau de economische kamers als raadkamers optreden, wijst op het tegendeel. Dit zou anders zijn indien de wetgever zou hebben uiteengezet dat en waarom op rechtbankniveau de economische kamers niet meer als raadkamers zouden moeten optreden.
4.4. In art. 38 WED Pro wordt de kennisneming van economische delicten bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank en wordt de behandeling en beslissing van economische delicten voorbehouden aan economische kamers. Onder economische kamers worden gelet op de desbetreffende verwijzing in art. 38 WED Pro (na de inwerkingtreding van de wet van 21 december 2001, Stb. 2002, 1) de krachtens art. 52 RO Pro onder deze benaming gevormde enkelvoudige en meervoudige kamers verstaan. In aanmerking genomen dat in zaken betreffende economische delicten uitsluitend economische kamers als bedoeld in art. 38 WED Pro en art. 52 RO Pro optreden en ook in die zaken art. 21 Sv Pro bepaalt dat de behandeling door de raadkamer geschiedt in alle gevallen waarin niet de beslissing door het rechterlijk college op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, treedt in zulke gevallen als raadkamer een economische kamer op. Het voormalige art. 46 WED Pro liet uitsluitend de meervoudige economische kamer als raadkamer toe. Het vervallen van die bepaling ging gepaard met de invoering van enkelvoudige raadkamers.
4.5. De bestreden beschikking houdt niet in dat zij is gegeven door een economische raadkamer. Ook het proces-verbaal van de daaraan voorafgegane behandeling in raadkamer bevat geen aanwijzing dat de zaak is behandeld door een economische raadkamer. Het moet er dus voor worden gehouden dat de zaak niet is behandeld door een economische raadkamer.
4.6. Het middel slaagt.”
3.4
In onderhavige zaak gaat het blijkens de machtiging conservatoir beslag van de rechter-commissaris van 22 april 2021 om een verdenking van overtreding van art. 1 lid 1 sub a Wok Pro, strafbaar gesteld in art. 36 Wok Pro. Deze overtreding levert op grond van art. 1, aanhef en onder 3º WED een economisch delict op. Uit de machtiging blijkt niet dat tevens sprake is van de verdenking van een commuun delict. Ook in de andere processtukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden lees ik niet dat daarvan sprake zou zijn. [4]
3.5
Gelet op het voorgaande – in het bijzonder de aangehaalde beschikking van de Hoge Raad van 27 november 2007, nadien door de Hoge Raad meermalen bevestigd [5] – is in het onderhavige geval uitsluitend de economische kamer van de rechtbank bevoegd als raadkamer op te treden. Het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer en de beschikking van de rechtbank houden echter niet in dat de behandeling is gedaan en de beslissing is gegeven door de economische raadkamer. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit niet is gebeurd.

4.Conclusie

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het beklag strekt tevens tot teruggave van een Gouden Rolex Daydate horloge. De rechtbank heeft de klager ten aanzien van dit voorwerp niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag omdat dit horloge reeds aan de klager is teruggegeven.
2.De rechter-commissaris wijst in de machtiging in dit verband naar de ‘vordering machtiging conservatoir beslag (art. 103 Sv Pro) handhaven’ van de officier van justitie waarin de verdenking staat weergegeven.
3.Zie het voorlopige standpunt over het beklag van het Openbaar Ministerie.
4.In dat geval zou ook de niet-economische raadkamer bevoegd zijn. Vgl. onder meer HR 10 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:681.
5.De steller van het middel wijst op: HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1401, HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1374 en HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1373. Ik voeg daar nog aan toe: HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:178.