Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1ziet op de draagplicht van de belastingschuld. De
onderdelen 2 tot en met 5komen op tegen het oordeel van het hof dat de man rekening houdend met de belastingschuld vanaf 1 oktober 2022 geen draagkracht meer heeft om aan de vrouw partneralimentatie te betalen.
Onderdeel 6bevat geen zelfstandige klachten maar bouwt voort op de voorgaande onderdelen.
- dat zij slechts de salarisadministratie en de rittenadministratie voor de man verzorgde;
- dat zij niets wist van btw;
- dat de boekhouder de aangifte deed;
- dat zij niets wist van onjuiste aangiften en het opbouwen van schulden;
- dat zij vanaf 2017 geen bemoeienis meer had met het bedrijf.
slechtsde salarisadministratie en de rittenadministratie voor de man verzorgde”. Uit het woord ‘slechts’ volgt al dat het hof heeft meegenomen dat de rol van de vrouw binnen het bedrijf beperkt is geweest. Daarnaast heeft het hof overwogen dat zelfs als juist zou zijn dat de vrouw ‘slechts in opdracht van de man antwoordde op de vragen van de boekhouder’ er betrokkenheid was bij de kwartaalaangiften. Het hof heeft dus ook meegewogen dat de vrouw in opdracht van de man de werkzaamheden uitvoerde. De klacht dat het hof de stellingen van de vrouw niet heeft meegewogen, mist dan ook feitelijke grondslag. Bovendien doet de rol van de vrouw binnen het bedrijf niet af aan het oordeel van het hof dat de vrouw wist of had moeten weten dat de aangiften niet juist waren. Ook om die reden faalt de klacht.
Voorop staat dat de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Hetzelfde geldt voor de factoren die de behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Zij moeten voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan (vgl. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563). [9] Bij de beoordeling van de draagkracht van een ondernemer dient te worden beoordeeld welke middelen hem ter beschikking staan of geacht kunnen worden te staan. Ingevolge HR 29 september 1978, NJ 1979, 143 en daarop gevolgde – vaste – rechtspraak [10] is bij de bepaling van de draagkracht uitgangspunt dat alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed zijn, onverschillig of zij zijn ontstaan voor of na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden voor die draagkracht geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld indien die schulden na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of indien de tot onderhoud verplichte de mogelijkheid heeft zich van de schuld waar het om gaat, te bevrijden of voor de voldoening daarvan een regeling te treffen.
in de toekomstzoals het middel stelt in alinea 12 de feitelijke schuld worden gereduceerd waardoor de draagkracht van de man relevant wijzigt, dan kan de vrouw een wijzigingsverzoek doen op grond van art. 1:401 BW Pro. Overigens is mij ook niet helemaal duidelijk of het onderdeel slechts doelt op mogelijke fiscale compensatie binnen de eenmanszaak of dat ook gedoeld wordt op fiscale verrekening bij de holding (gelet op de verwijzing naar de Wet Vpb). Als overigens hierbij tevens gedoeld zou zijn op inbreng van de eenmanszaak in de BV (hetgeen dus niet gebeurd is) geldt volgens mij ook dat bestaande schulden pas schulden van de BV worden, indien de BV de schulden van de eenmanszaak heeft overgenomen. Deze schuldoverneming heeft pas werking jegens de schuldeiser indien deze zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming kennis hebben gegeven (art. 6:155 BW Pro). Inbreng is bovendien een onverplichte rechtshandeling die in faillissement kan worden vernietigd op grond van de Actio Pauliana.
Het onderdeel faalt dan ook.