Conclusie
1.Overzicht van de zaak en de conclusie
geschilis of belanghebbende voor de lumpsum is onderworpen aan een interne belasting ten bate van Europol en daarmee is vrijgesteld van Nederlandse inkomstenbelasting.
Staatssecretarisstelt één middel van cassatie voor. Het middel betoogt ten eerste dat belanghebbende niet aan de belastingheffing van Europol is onderworpen, omdat belanghebbende geen personeelslid meer is. Het middel betoogt verder dat de lumpsum niet valt onder salarissen en emolumenten die onderworpen zijn aan de Europolbelasting. Het middel acht verder het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd, gelet op een duidelijk e-mailbericht van Europol dat de lumpsum niet onderworpen is aan de Europolbelasting.
conclusiegeef ik eerst in
onderdeel 4een overzicht van de diverse uitlatingen van Europol over de Europolbelastingheffing in correspondentie met belanghebbende en de Inspecteur. De reden hiervoor is enerzijds dat beide partijen en beide feitenrechters zich op uitlatingen van Europol beroepen voor hun (andersluidende) opvattingen, en anderzijds dat deze uitlatingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het cassatieberoep.
onderdeel 6wat het toepasselijke rechtskader is voor de beoordeling van het geschil. Ik concludeer daarbij uiteindelijk dat dit kader onder meer art. 8 en Pro 10 Protocol Europol en het Belastingaanhangsel omvat. Ook partijen en de feitenrechters gaan daarvan uit.
onderdeel 7kom ik terug op de betekenis van uitlatingen van Europol. De reden daarvoor ligt niet in de motiveringsklacht van de Staatssecretaris. Die klacht kan naar mijn mening namelijk niet tot cassatie leiden, aangezien de bestreden overweging niet dragend is voor het oordeel van het Hof en bovendien een motiveringsklacht niet met succes een rechtsoordeel kan bestrijden (7.21). De reden is gelegen in het arrest
AB/Finanzamt Wien. Gelet op het arrest
AB/Finanzamt Wienrijst de vraag of het besluit van 13 maart 2012 bindend is voor de nationale autoriteiten bij toepassing van art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol. Daarbij speelt een uitlegkwestie, namelijk óf Europol in het besluit van 13 maart 2012 een vaststelling heeft gedaan over de onderworpenheid aan de Europolbelasting, en een rechtskundige kwestie, namelijk of de Nederlandse rechter gebonden is aan die vaststelling voor de toepassing van art. 8(2) Protocol Europol. Ik geef de Hoge Raad in overweging om hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen.
onderdeel 8ga ik in op de materieelrechtelijke kwestie. Indien de Hoge Raad autonoom de uitleggingsvragen zou moeten beantwoorden, zou ik de Hoge Raad adviseren om de Staatssecretaris in het ongelijk te stellen. Wat betreft de subjectieve belastingplicht voor de Europolbelasting meen ik dat het meer voor de hand ligt maatgevend te achten in welke hoedanigheid belanghebbende de lumpsum ontvangt dan dat het gaat om de status op het moment van vaststelling of ontvangst van de lumpsum. Verder zie ik meer aanknopingspunten voor een zodanig ruime uitleg van het Europolbelasting-loonbegrip dat onder dit begrip ook de lumpsum valt, dan voor een engere uitleg. Aangezien ik de uitleg van art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol echter niet evident acht, meen ik dat de aangewezen weg is dat het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing wordt verzocht.
onderdeel 9doe ik een tekstvoorstel voor de prejudiciële vragen. Omdat denkbaar is dat beantwoording van de vragen over enerzijds de binding aan het besluit van 13 maart 2012 en anderzijds de uitleg van art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol tegenstrijdige aanknopingspunten oplevert voor beslechting van het geschil, stel ik voor ook een derde vraag te stellen.
2.Feiten en oordelen feitenrechters
Feiten
3.Het geding in cassatie
4.Uitlatingen van Europol
Annex I – Final decision pursuant to Article 19 of the Management Board Decision of 9 June 1999 laying down Rules on the Insurance of Europol officials against the risk of accident and occupational disease”. Deze bijlage bevat een weergave van het verloop van de invaliditeit van belanghebbende, evenals de (wijze van) vaststelling van zijn mate van permanente invaliditeit en de daarbij behorende uitkering. Eveneens stelt Europol in de bijlage vast dat aan belanghebbende rente vergoed wordt vanaf 3 november 2011.
., C.24, 31 January 2003, p.1).”
DC/Europol [16] . Deze zaak betreft een functionaris van Europol die vanaf 1 augustus 2000 tot 1 februari 2002 bij Europol werkzaam was. Deze functionaris heeft twee bedrijfsongevallen gehad, respectievelijk op 31 januari 2001 en 21 februari 2001. Bij besluit van 13 maart 2012 stelt de directeur van Europol op grond van art. 57 van Pro het Statuut Europol het percentage blijvende gedeeltelijke invaliditeit vast, incluis de daarbij behorende uitkering met vergoeding van rente vanaf 3 november 2011. Bij besluit van 18 december 2012 verklaart de directeur van Europol de klacht van de functionaris tegen het besluit van 13 maart 2012 niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn. De functionaris vordert in deze procedure voor het Gerecht vernietiging van (onder meer) de besluiten van 13 maart 2012 en 18 december 2012, omdat de rente volgens hem over een langere periode berekend had moeten worden. Het Gerecht verklaart het verzoek om betaling van rente kennelijk niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.
5.Relevante regelgeving betreffende Europol
6.Intermezzo: toepasselijke regelgeving voor dit geval?
Betekenis van de Europolbesluiten voor de (wijze van) beoordeling van het geschil?
AB/Finanzamt Wien.
AB/Finanzamt Wienis de verzoeker als plaatselijk functionaris in dienst bij de Europese Commissie. Als plaatselijk functionaris is hij niet op grond van het Unierecht vrijgesteld van nationale inkomstenbelasting voor het inkomen dat hij in die hoedanigheid verdient. Aan hem zijn daarom aanslagen in de inkomstenbelastingen opgelegd, waartegen hij bij de Oostenrijkse belastingrechter opkomt. De verzoeker betoogt voor de belastingrechter dat hij op basis van zijn werkzaamheden niet als plaatselijk functionaris, maar als (wel van nationale inkomstenbelasting vrijgestelde) tijdelijk functionaris of hulpfunctionaris had moeten worden aangesteld en daarom in aanmerking had moeten komen voor de vrijstelling op grond van art. 13 en Pro 16 van het desbetreffende protocol. Op grond van nationaal recht hebben de Oostenrijkse belastingautoriteiten de bevoegdheid een arbeidsrechtelijke overeenkomst zelfstandig te kwalificeren op basis van de werkelijke inhoud.
AB/Finanzamt Wienheeft A-G Geelhoed onder meer het volgende opgemerkt:
AB/Finanzamt Wiengaat om de vraag om de kwalificatie van een arbeidsverhouding, te weten de categorie personeelslid. De rechtsoverwegingen in het arrest in die zaak gaan daarom vooral daarop in. De verklaring voor recht is echter ruimer geformuleerd. Het Hof van Justitie merkt als bindend voor de nationale autoriteiten aan “het besluit van een gemeenschapsinstelling waarbij de rechtspositie van een van haar personeelsleden wordt vastgesteld en diens arbeidsvoorwaarden worden bepaald.” Gelet op de strekking van het arrest ligt het niet zonder meer voor de hand om aan te nemen dat de betekenis van het arrest beperkt is tot de kwalificatie van een arbeidsverhouding. In het verlengde van het arrest zou liggen dat een besluit van een gemeenschapsinstelling waarbij een ander aspect van de rechtspositie van een personeelslid wordt vastgesteld, voor nationale autoriteiten evenzeer bindend is. Dat ligt ook in lijn met de ruime opvatting die in
AB/Finanzamt Wiendoorklinkt over wat als ingrijpen in de autonomie van gemeenschapsinstellingen wordt beschouwd (vgl. 7.5). Afhankelijk van wat de reikwijdte van
AB/Finanzamt Wienis, kan ook een besluit van een gemeenschapsinstelling waarbij een fiscaal aspect van de rechtspositie van een personeelslid wordt vastgesteld, bindend zijn voor nationale autoriteiten (in het kader van de toepassing van een Unierechtelijke vrijstelling van nationale inkomstenbelasting).
tax adjustmentbetaald ter gedeeltelijke gelijktrekking van de (netto-)uitkering tussen oud-functionarissen van het EOB. Deze
tax adjustmentis op enig moment afgeschaft en vervangen door een “partiële compensatie”. Bij besluit bepaalt de Raad van Bestuur van de Europese Octrooiorganisatie dat de partiële compensatie geen pensioen of annuïteit in de zin van art. 16(2) Protocol EOB is, maar een emolument in de zin van art. 16(1) Protocol EOB dat aan de interne belastingheffing van de Europese Octrooiorganisatie (EOO) onderworpen is, en daarmee is vrijgesteld van de heffing van nationale inkomstenbelasting. De Hoge Raad oordeelt, verkort weergegeven, dat de partiële compensatie het pensioen verhoogt en daarom geen emolument is in de zin van art. 16(1) Protocol EOB. Ik kom op dit oordeel en de motivering ervan hierna nog terug (zie 8.9). Van belang op deze plaats is de constatering dat het oordeel afwijkt van het voornoemde besluit van de Raad van Bestuur van de Europese Octrooiorganisatie. De Hoge Raad overweegt op dit punt als volgt (waarbij het genoemde Protocol het Protocol EOB is):
AB/Finanzamt Wien. De Hoge Raad schuift dat besluit namelijk in wezen terzijde als ongeldig in de zin dat het besluit is genomen zonder bevoegdheid daartoe. Bij een besluit van een Unierechtelijke instelling zou de Hoge Raad dat niet mogen doen. Als een nationale rechter tot het inzicht komt dat een Uniehandeling ongeldig is, is de nationale rechter namelijk verplicht hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. [35] De zogenoemde
Cilfit-uitzonderingen [36] op de verplichting om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen gelden niet indien het gaat om vragen over de geldigheid van Uniehandelingen. [37]
AB/Finanzamt Wienis naar mijn mening niet relevant. Immers, wat het Hof van Justitie in die zaak heeft overwogen over de institutionele en functionele autonomie geldt evenzeer voor Europol.
AB/Finanzamt Wienniet kan worden afgeleid dat de nationale autoriteiten zijn gebonden aan elke uitlating van een (in casu) orgaan van de Unie. Dat is niet anders om de enkele reden dat een uitlating is gedaan in een besluit dat (ook) de rechtspositie bepaalt.
“This amount will be paid in accordance with the benefits provided for in Article 57 and are not considered as taxable income by Europol. This lump sum will thus be transferred to your account without applying any deductions. You are advised to address your inquiries concerning the tax regime applicable to these benefits under national law to the Dutch tax authorities, or any other authority you may be subject to.”Hiervan is de eerste zin de belangrijkste. Deze zin bevat een concreet fiscaal element. De tweede zin gaat over het gevolg, en de derde zin betreft een advies. Het is niet vanzelfsprekend dat het fiscale element deel uitmaakt van de vaststelling van de rechtspositie. Voor de andere elementen van het besluit is het besluit namelijk gegrond in een specifieke bepaling – zie bijvoorbeeld het in 5.45 genoemde art. 19 Rules Pro – maar zo’n bepaling heb ik voor het ‘fiscale element’ niet kunnen ontdekken. Ik begrijp de opmerking echter als een standpunt c.q. toezegging [39] dat Europol geen interne belasting op de lumpsum zal inhouden. In dat opzicht is er sprake van een vaststelling van de rechtspositie van belanghebbende. De opmerking heeft ook een concreet rechtsgevolg voor belanghebbende, namelijk dat hij de lumpsum netto, zonder inhouding van interne belasting, ontvangt van Europol. Ik merk nog op dat een ‘netto-toezegging’ niet
per seiets hoeft te zeggen over de fiscale behandeling, [40] maar hier is duidelijk dat geen inhouding plaatsvindt omdat het interne fiscale systeem van Europol daartoe geen aanleiding geeft.
AB/Finanzamt Wien-benadering ook van toepassing is op de fiscale (in de zin van Europolbelasting) aspecten van een rechtspositie die wordt vastgesteld, rijst de vraag wat in dit geval allemaal valt onder de vaststelling van de fiscale rechtspositie in de context van die benadering (dus in de context van de gebondenheid van de nationale rechter). Die vaststelling houdt in elk geval in dat geen Europolbelasting wordt ingehouden op de lumpsum. De vraag is of de
AB/Finanzamt Wien-benadering zich ook uitstrekt tot de redengeving voor de niet-inhouding c.q. tot de kwalificatie die Europol aan de lumpsum geeft. Scherper gesteld: stel dat Europol in het besluit van 13 maart 2012 duidelijk had vermeld dat de lumpsum niet valt onder “salarissen en emolumenten” als bedoeld in art. 8(2) en 10 Protocol Europol, zou de nationale rechter dan daaraan zijn gebonden op een wijze zoals bedoeld in
AB/Finanzamt Wien? [41] Ik heb geen jurisprudentie van het Hof van Justitie kunnen vinden die een duidelijk aanknopingspunt biedt voor beantwoording van de vraag. Het lijkt me evenmin evident wat het antwoord zou moeten zijn. Betoogd kan worden dat het antwoord negatief is, aangezien enkel (de toezegging over) de niet-heffing een vaststelling van de rechtspositie betreft. Daartegenover staat dat in
AB/Finanzamt Wientoch wel doorklinkt dat het niet aan de nationale autoriteiten, waaronder de rechterlijke, is om af te wijken van wat een Unie-instelling vaststelt in haar relatie tot een personeelslid c.q. dat de drempel waarbij een aantasting van de autonomie wordt aangenomen niet hoog ligt.
AB/Finanzamt Wien-benadering zich ook uitstrekt tot de redengeving voor de niet-inhouding, rijst een vervolgvraag: wat is de redengeving in dit geval? Het besluit van 13 maart 2012 blinkt op dat punt niet uit in duidelijkheid. Het komt mij niettemin voor dat als alleen op de tekst van
datbesluit wordt afgegaan, die tekst er overwegend op duidt dat er volgens Europol sprake is van een niet-onderworpenheid aan Europolbelasting van de lumpsum. De eerste zin (
not considered as taxable income by Europol)is daarvoor een aanwijzing. Deze aanwijzing wordt versterkt door het feit dat het advies wordt gegeven
“to address your inquiries concerning the tax regime applicable to these benefits under national law to the Dutch tax authorities”.Zo’n advies ligt met name in de rede indien het uitgangspunt is dat de lumpsum niet valt onder de vrijstelling van nationale belasting, wat weer duidt op het uitgangspunt dat de lumpsum niet onderworpen is aan Europolbelasting.
AB/Finanzamt Wienvoor een geval als dit.
AB/Finanzamt Wienis, met name of de daarin tot uitdrukking gebrachte gebondenheid van de nationale autoriteiten (bij de toepassing van een Unierechtelijke bepaling inzake een vrijstelling van nationale belasting) zich ook uitstrekt tot de vaststelling door Europol van de rechtspositie van een (gewezen) personeelslid wat betreft de interne belastingheffing van Europol over een betaling door Europol aan dat personeelslid. Bij een bevestigend antwoord [43] is vervolgens de vraag óf in dit geval een vaststelling van de fiscale rechtspositie in de bedoelde zin heeft plaatsgevonden zodanig dat de Nederlandse autoriteiten daaraan gebonden zijn bij de toepassing van art. 8 en Pro 10 Protocol Europol. Dit laatste omvat twee aspecten, namelijk enerzijds de (rechtskundige) vraag of ook de redengeving onderdeel is van de vaststelling van de rechtspositie en anderzijds de vraag hoe de uitlatingen van Europol moeten worden uitgelegd.
AB/Finanzamt Wienvoor deze zaak achterwege te laten. Want, als gezegd, ook de uitleg van die uitlating ligt op het terrein van het Hof van Justitie. [46]
8.De materieelrechtelijke vraag
AB/Finanzamt Wien [49] is ook noemenswaardig in verband met het materieelrechtelijke geschilpunt. Voor de achtergrond van die zaak verwijs ik naar 7.2 e.v. In zijn conclusie in deze zaak gaat A-G Geelhoed in op het doel van de interne belastingheffing (en de daarmee gepaard gaande vrijstelling van nationale belasting) in het desbetreffende protocol. Belichting verdient met name dat het doel mede is, kort gezegd, gelijke behandeling op de werkvloer om te voorkomen dat de aanwerving van personeel uit verschillende lidstaten nadelig wordt beïnvloed: [50]
Brouerius van Niedek [51] overweegt het Hof van Justitie dat het volgens het Statuut voor de ambtenaren toegekende overlevingspensioen een emolument is in de zin van art. 13, tweede alinea, Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, welk artikel op de belastingheffing van ambtenaren ziet (punten 4-5). Het Hof van Justitie besteedt ook aandacht aan het doel van enerzijds de interne belastingheffing en anderzijds de vrijstelling van nationale belastingen (punt 11):
tax adjustmentkan worden aangemerkt als een emolument in de zin van art. 16(1) Protocol EOB. De Hoge Raad oordeelt van niet. De Hoge Raad betrekt daarbij ook het doel van de vrijstelling van nationale belasting:
subject: is belanghebbende ‘personeelslid’ van Europol in de zin van art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol?
object: is de lumpsum aan te merken als ‘salaris’ of ‘emolument’ in de zin van art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol?
Zo bezienis er een systematisch argument dat de belastingheffing waarin art. 10(1) Protocol Europol voorziet, niet alleen de belastingheffing omvat van de personen genoemd in onderdeel a van art. 2 Belastingaanhangsel Pro maar ook de belastingheffing van de personen genoemd in onderdeel b en c van dat artikel waaronder dus personen die de werkloosheidsuitkering genieten als bedoeld in art. 59 Statuut Pro Europol. Dit zou dus tevens erop duiden dat het begrip ‘personeelsleden van Europol’ als bedoeld in art. 10(1) Protocol Europol ruim is en meer omvat dan alleen actieve personeelsleden, namelijk bijvoorbeeld ook de personen die de meergenoemde werkloosheidsuitkering genieten.
Alshet zo zou zijn – zoals hiervoor na ‘zo bezien’ gesteld – dat dat begrip ‘personeelsleden’ ook de in onderdeel b en c genoemde personen omvat, dan lijkt het echter niet nodig te zijn om die onderdelen b en c op te nemen, omdat die personen dan al onder onderdeel a vallen. [59]
Brouerius van Niedekin 8.4). Steun voor de gedachte dat de hoedanigheid waarin inkomen wordt ontvangen, relevant is voor de Europolbelastingplicht, is in zeker opzicht te vinden in art. 10(3) Protocol Europol betreffende pensioenuitkeringen. Deze zijn niet onderworpen aan Europolbelasting. Een pensioenuitkering is inkomen dat een voormalige personeelslid ontvangt niet als (nagekomen) inkomen in de toenmalige hoedanigheid van personeelslid maar als inkomen in de huidige hoedanigheid van een voormalig personeelslid. Anders gezegd: dergelijk inkomen is niet toerekenbaar aan de periode van functioneren als Europol-personeelslid maar aan de periode erna.
salaries and emoluments;
les traitements et émoluments) voor wat aan de heffing van Europolbelasting is onderworpen. Art. 1 en Pro 3(1) Belastingaanhangsel zijn op dit punt wat ruimer geformuleerd, want deze artikelen gebruiken de begrippen ‘de salarissen, lonen en emolumenten’ (
salaries, wages and emoluments; salaires, traitements et émoluments). In het feit dat deze artikelen ook het begrip ‘lonen’ gebruiken, zie ik geen materiële uitbreiding van de reikwijdte van de Europolbelasting ten opzichte van art. 10 Protocol Pro Europol. En zelfs als dat wel het geval zou zijn, wil dat nog niet zeggen dat art. 10 Protocol Pro Europol daarvoor niet de ruimte biedt. Bovendien is de nationale rechter als uitgangspunt gebonden aan wat het Belastingaanhangsel op dit punt bepaalt. Dat is alleen anders indien het Belastingaanhangsel op dit punt ongeldig zou zijn, maar de nationale rechter mag dat niet zelf vaststellen maar zou daartoe prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie moeten stellen (vgl. 7.8).
fiscaalspraakgebruik het begrip ‘loon’ ruim is en daar meer onder valt dan naar algemeen spraakgebruik. Evenzo lijkt me voor de uitleg van het Europolbelasting-loonbegrip het algemeen spraakgebruik wat minder van belang dan de aanwijzingen die in de regelgeving besloten liggen.
Brouerius van Niedek, inhoudende dat alle wezenlijke elementen van de arbeidsvoorwaarden – waartoe ik zeker bij een politieorganisatie [60] de verzekering voor dienstongevallen zou willen rekenen – onder de interne belastingheffing zouden moeten vallen. Ik merk wel op dat de Franse versie wel ook de bedoelde toevoeging heeft (
de toute nature) maar de Engelse versie niet.
are deducted / sont déduites), terwijl art. 3(2) Belastingaanhangsel bepaalt dat de compensatie van (kort gezegd) zakelijke kosten van de belastbare grondslag is uitgesloten (
are excluded / sont exclues). Het gebruik van verschillende termen in drie verschillende taalversies maakt het weinig waarschijnlijk dat met aftrek in art. 3(3) Belastingaanhangsel toch uitsluiting wordt bedoeld.
9.Welke prejudiciële vragen?
AB/Finanzamt Wien. Meer concreet gaat het erom of het besluit van 13 maart 2012 bindend is voor de toepassing van art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol. Daarbij speelt een uitlegkwestie, namelijk óf Europol in het besluit van 13 maart 2012 een vaststelling heeft gedaan over de onderworpenheid aan de Europolbelasting. Daarnaast spelen twee rechtskundige kwesties, die tezamen genomen inhouden of de Nederlandse rechter gebonden is aan die vaststelling voor de toepassing van art. 8(2) Protocol Europol. De vraag zou als volgt kunnen luiden:
10.Beoordeling van de middelen
AB/Finanzamt Wienrijst de vraag of het besluit van 13 maart 2012 bindend is voor de toepassing van art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol (onderdeel 7). Ik geef de Hoge Raad in overweging hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. Een voorstel is opgenomen in 9.1.