Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 december 2020 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
mr. [A] , mr. [B] en mr. [C] verschenen.
Overwegingen
10 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:767).
21 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:BI7666). Vast staat dat de aanspraak van eiser op de lumpsum voortvloeit uit artikel 57 van Pro het Statuut. Het Statuut is een rechtspositionele regeling, die op grond van artikel 1, eerste lid, van het Statuut van toepassing is op alle personeelsleden die op grond van een arbeidsovereenkomst door Europol zijn aangesteld. De lumpsum vindt dus in principe zozeer haar grond in de door eiser in het verleden vervulde dienstbetrekking dat de lumpsum als daaruit genoten moet worden aangemerkt. Hierbij weegt de rechtbank mee dat er een direct verband is tussen de hoogte van de lumpsum en het voorheen uit de dienstbetrekking genoten salaris.
Beslissing
mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2020.