Conclusie
[eisers] in meervoud(eisers tot cassatie gezamenlijk),
[eiser 1](eiser tot cassatie onder 1),
[eiseres 2](eiseres tot cassatie onder 2),
Hibma c.s. in meervoud(verweerders in cassatie gezamenlijk),
Hibma(verweerster in cassatie onder 1),
Hibma Zuivel V.O.F.(verweerster in cassatie onder 2),
[verweerder 3](verweerder in cassatie onder 3) en
[verweerster 4](verweerster in cassatie onder 4). De eenmanszaak ‘ [de eenmanszaak] ’ wordt hierna verkort aangeduid als
[de eenmanszaak].
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
[betrokkene 1]), een Bosnische jurist. [5]
[het stel]). [het stel] was de Bosnische partner, waarmee Hibma via [de eenmanszaak] (in de persoon van [betrokkene 1] ) in contact was gekomen, die Hibma begeleidde. [het stel] was tevens initiatiefnemer van een gesubsidieerd project voor het opzetten van een krachtvoerfabriek met de naam ‘Tehno-Pek’ (hierna:
Tehno-Pek) in Bosnië. [6]
The living proof that modern agriculture can perfectly be matched with natural circumstances”.”
[betrokkene 2]), verantwoordelijk manager van de UniCredit Zagrebacka Banca (hierna:
UniCredit Bank), geschreven dat zij zekerheid wilden in de vorm van een bankgarantie. [12] In de e-mail van [eiser 1] op naam van [de eenmanszaak] , die een reactie is op een e-mail van [betrokkene 2] van 4 augustus 2005, staat het volgende: [13]
confirmation’-brief aan Tehno-Pek en [verweerder 3] geschreven. [14] Daarin staat het volgende:
Dahrlehn-Kredit’ door Tehno-Pek en Hibma Zuivel V.O.F. en een zgn. ‘
Aussage-Bestätigung’ door [het stel] waren ondertekend, [16] en Rabobank € 1.000.000,-- aan Hibma had uitgeleend (het bedrag waaruit Hibma vervolgens de lening aan Tehno-Pek heeft verstrekt), heeft [eiser 1] bij e-mail van 21 oktober 2005 [17] aan ( [het stel] van) Tehno-Pek bericht dat hij de betalingsopdracht voor het overmaken van het door Hibma aan Tehno-Pek uit te lenen bedrag had ingevuld en door [verweerder 3] zou laten ondertekenen, en verder gevraagd om voor de inschrijving van de hypotheek ten laste van Tehno-Pek een afspraak te maken met het gerecht. [18]
as a creditor’, Tehno-Pek ‘
as a borrower’ en [het stel] ‘
as a co-borrower’. In deze overeenkomst staat, in de Engelse vertaling van een gerechtsvertaalster: [21]
Mortgage contract for insurance of money beseech
bill of exchange’ in maart of april 2006 teruggegeven aan ( [het stel] van) Tehno-Pek. [22]
bill of exchange’ van Tehno-Pek, omdat Tehno-Pek die had ingetrokken. [27]
Superior Courtin Bihac van 21 maart 2008 staat onder meer:
DECISION
Prosecutor […] [verweerder 3]from Holland is authorized to claim satisfaction for his loan on the basis of contract Vo. no. 25919, that was signed in Bihac on 10.03.2005. between prosecutor as loaner and prosecuted “Tehno pek” Ltd. Bihac as receiver of loan [...]
Prosecuted “Tehno pek” Ltd. Bihac, […] has the obligation of repaying of 1.467.000,00 KM, with interest [...] on the grounds of contract Ov. No. 25919 from 3. November 2005 signed in Bihac between the prosecutor as loaner and the accused as debtor […]” [29]
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank). Zij hebben gevorderd dat de rechtbank: (i) voor recht verklaart dat [eisers] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover Hibma c.s. , althans dat zij onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld, en dat zij dientengevolge hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Hibma c.s. geleden schade; (ii) [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de schade, te vermeerderen met de contractuele dan wel wettelijke rente; (iii) [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de door Hibma c.s. gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente; en (iv) [eisers] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, en in de nakosten.
het hof). Het petitum in de memorie van grieven is bijna gelijkluidend aan dat in de procedure bij de rechtbank.
de lening en de ontbrekende zekerheden’ onder meer [verwijzingen weggelaten]:
“confirmation”-brief aan Tehno-Pek en [verweerder 3] geschreven:
“bill of exchange”) afgegeven en in de kluis bij UniCredit Bank gelegd. Achteraf is echter gebleken dat UniCredit Bank dit stuk na drie maanden heeft teruggegeven aan [het stel] . Volgens de verklaring van [eiser 1] had [verweerder 3] tot zekerheid van terugbetaling van de uitgeleende € 1.000.000 voor zekerheid moeten zorgen in de vorm van een bankgarantie. [eiser 1] erkent dat de bankgarantie er nooit is gekomen, hooguit iets wat er op leek.
“Dahrlehn-Kredit”en de
“Aussage-Bestätigung”, beide van 3 oktober 2005. Dat is ook niet doorslaggevend. Een feit is namelijk wel dat [eiser 1] bij e-mail van 21 oktober 2005 aan ( [het stel] van) Tehno-Pek, met CC aan Hibma , heeft bericht:
“bill of exchange”en bovendien ook niet meer tot zijn beschikking stond. Zijn hypotheekwens bestond trouwens al eerder, in ieder geval sedert de hypotheekovereenkomst van 28 oktober 2005. Ook daarvan is hem eerst achteraf gebleken dat deze nog niet was gevestigd (dat gebrek is nadien alsnog geheeld) en niet de dekking bood die hem in de documenten was voorgehouden.
wie zijn nu eigenlijk de contractspartijen en wie hebben de vorderingsrechten?’ [verwijzingen deels overgenomen]:
wat er daarna is gebeurd’ als volgt in op de gebeurtenissen na november 2006 [verwijzingen weggelaten]:
bill of exchange” van Tehno-Pek omdat Tehno-Pek deze had ingetrokken. In december 2007 heeft [verweerder 3] mr. Cohen […] geraadpleegd, die hem, niet onbegrijpelijk, heeft aangeraden om de hypotheek in Bosnië uit te winnen; daarbij was de scope niet gericht op (de advisering door) [eiser 1] . Toen heeft [verweerder 3] met behulp van de Bosnische advocaat Feric een gerechtelijke procedure in twee instanties in Bosnië aangespannen, waarvan [eiser 1] op de hoogte was. Het was ook logisch dat Hibma eerst ageerde tegen haar schuldenaar uit de geldleningovereenkomst en overging tot uitwinning van het hypotheekrecht. [verweerder 3] had toen nog geen subjectieve bekendheid met aansprakelijkheid van [eiser 1] . [eiser 1] stelde zich tegenover Hibma namelijk op het standpunt dat (krachtens de schriftelijke overeenkomst) alleen de subsidieverwerving onder zijn opdracht viel en dat hij deze opdracht (met succes) had afgerond. De hypotheekprocedure is in 2013 uitgemond in het oordeel dat het hypotheekrecht alleen een deel van de grond en de fabriek omvatte maar niet de machines noch een vakantiehuis op dezelfde kavel, zodat dit onvoldoende verhaal bood. Omdat [verweerder 3] de hypotheekuitspraak van het “Cantonal Court of Bihac” onjuist achtte, heeft hij in 2014 nog, vergeefs, contact gezocht met de Nederlandse ambassade en met prof. dr. Lawson om te bezien of hiervoor een gang naar het EHRM mogelijk was. Eind 2014 heeft [verweerder 3] zich vervolgens gewend tot de advocaat mr. Rammelt, die, na bestudering van het uitvoerige dossier, bij brief van 21 september 2015 [eiser 1] wegens tekortkomingen in zijn financiële dienstverlening aansprakelijk heeft gesteld. [eisers] behoorden overigens destijds redelijkerwijs te begrijpen dat deze aansprakelijk[…]stelling in ieder geval mede namens Hibma Zuivel V.O.F., [verweerder 3] en [verweerster 4] en tevens [eisers] beiden betrof, waar het in 2005 [eiseres 2] was die [de eenmanszaak] dreef.”
de klachtplicht in de algemene voorwaarden’ dat Hibma c.s. art. 11 lid 1 van Pro de algemene voorwaarden terecht op grond van art. 6:233, aanhef en onder a, BW als onredelijk bezwarend hebben vernietigd [verwijzingen weggelaten]:
bill of exchange” niet kunnen verstrekken, omdat deze op verzoek van [het stel] in maart of april 2006 was teruggegeven. [eiser 1] heeft onvoldoende toegelicht of, en zo ja, op welke wijze, de gebreken in de hypotheekverstrekking (naar achteraf is vastgesteld omvatte het hypotheekrecht niet de machines – die de meeste waarde vertegenwoordigden – en viel het vakantiehuis buiten de in de hypotheek opgenomen kadastrale aanduiding) door hem hadden kunnen worden geheeld. Dat [het stel] na het in ontvangst nemen van het uitgeleende bedrag nog in staat en bereid zou zijn geweest op verzoek van ( [eiser 1] namens) [verweerder 3] andere, aanvullende, zekerheden te geven, is onvoldoende onderbouwd. De advocaat van [de eenmanszaak] heeft erkend dat de veertiendagentermijn onder spanning staat als men de feiten en omstandigheden in de context van artikel 6:248 BW Pro ziet. Het gaat hier om een subsidieverwervingsovereenkomst met financiële begeleiding. Het beding van artikel 11 lid 1 valt Pro ten opzichte van een consument onder de zwarte lijst van artikel 6:236 onder Pro g. BW. Hibma c.s. waren geen consument, maar hadden met hun kaas- en zuivelbedrijf geen kennis van of ervaring met zo’n ingewikkelde financiële materie, waarvoor zij nu juist [eiser 1] van [de eenmanszaak] hadden ingeschakeld (en waaronder in dit geval ook en passant was begrepen het tijdig afdoende zekerheden stellen in Bosnië, althans het adviseren daarover). Hibma c.s. hebben dit artikel 11 lid 1 dan Pro ook terecht op grond van artikel 6:233 aanhef Pro en onder a. BW als onredelijk bezwarend vernietigd.”
de wettelijke klachtplicht’ dat de klachtplicht van art. 6:89 BW Pro niet is geschonden [verwijzingen weggelaten]:
bill of exchange” had teruggegeven. Daarmee was hun vermeende zekerheid verdwenen, maar was het voor hen nog niet duidelijk dat het nooit een echte bankgarantie was geweest, laat staan dat zij daarvoor [eiser 1] moesten aanspreken. Daarbij hebben Hibma c.s. toegelicht dat zij zich destijds nog niet de mogelijkheid van schade hebben gerealiseerd, omdat zij vertrouwden op het aan hen verleende hypotheekrecht, dat – na inschrijving – vatbaar was voor uitwinning en waarvan hen pas jaren later – door gebreken in de akte – bekend werd dat deze niet de dekking bood die volgens de akte werd geboden. Hibma c.s. hebben verder [eisers] niet aangesproken omdat zij lange tijd in de veronderstelling zijn geweest dat zij na uitwinning van de gevestigde hypotheek alsnog het project zouden kunnen voorzetten en daarnaast ook nieuwe investeerders hadden aangetrokken die hen wilden bijstaan. [eiser 1] – die zich op het standpunt stelde alleen opdracht te hebben tot het verlenen van bijstand bij de subsidieverwerving – heeft hen daarin tot 2008 ook nog begeleid. Het lag daarom ook niet voor de hand dat Hibma c.s. zich er reeds toen van bewust zijn geworden dat hun (eventuele schade) mede het gevolg was van een fout van hun eigen adviseur. Toen de hypotheekuitwinning in 2013 onvoldoende soelaas bood, zijn zij eind 2014 naar een advocaat (mr. Rammelt) gegaan, die hen voor het eerst heeft gewezen op de aansprakelijkheid van [eisers] Op [eisers] rusten stelplicht en bewijslast van de aanvang van de verjaring en zij hebben onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd om aan te nemen dat die daadwerkelijke bekendheid al bij Hibma c.s. aanwezig zou zijn geweest vóór 21 september 2010. Het beroep op verjaring wordt daarom verworpen.”
het arrest). Hibma c.s. hebben een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Hibma c.s. hebben daarna hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eisers] hebben gerepliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onder ade klacht dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat het feit dat de financiële begeleidingsopdracht is gegeven “met het oog op de persoon van [eiser 1] ”, slechts meebrengt dat [eiser 1] op grond van art. 7:404 BW Pro gehouden was om de werkzaamheden die nodig zijn voor de uitvoering van de opdracht zélf te verrichten. Het feit dat de opdracht in de zin van art. 7:404 BW Pro is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of bedrijf uitoefent, brengt volgens de klacht evenwel niet mee dat deze persoon ‘dus’ eveneens opdrachtnemer zou zijn. Dat feit brengt daarom, zo stelt het subonderdeel, evenmin mee dat sprake is van het in art. 7:407 lid 2 BW Pro bedoelde geval dat twee of meer personen tezamen een opdracht ontvangen hebben (in welk geval beide opdrachtnemers hoofdelijk aansprakelijk zijn). De
klacht onder bhoudt in dat op grond van het bovenstaande ook het oordeel in r.o. 3.11 dat de tekortkoming toegerekend moet worden aan [eiser 1] (als hoofdelijk mede verbonden opdrachtnemer), niet in stand kan blijven.
wijzigingvan een van de contractspartijen als hiervoor bedoeld, hangt
eveneensaf van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden. [43]
en voor zichzelf”, als opdracht aanvaardde om de verplichtingen onder de subsidieverwervingsovereenkomst uit te breiden tot de daarbij voorziene, tegen overige kostenregeling uit te voeren, andere werkzaamheden, “zoals hier de advisering rond deze lening”. Aldus moet [eiser 1] volgens het hof
naast [de eenmanszaak]worden aangemerkt als partij/opdrachtnemer bij de uitgebreide/aangevulde overeenkomst van opdracht. Dit brengt mee dat [eiser 1] hoofdelijk mede verbonden is jegens [verweerder 3] en/of [verweerster 4] en Hibma Zuivel V.O.F als opdrachtgevers (art. 7:407 lid 2 BW Pro). Het bestreden oordeel geeft in het licht van het voorgaande geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk.
nadienin het kader van de (aanvullende opdracht tot) advisering rondom de lening aan Tehno-Pek
tevensin eigen naam is opgetreden. Het hof heeft deze vraag in r.o. 3.4 bevestigend beantwoord. Het oordeel is in hoge mate feitelijk en naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Ik licht dit als volgt toe.
medein eigen naam heeft gehandeld. Namens [verweerder 3] zijn tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep stellingen ingenomen die erop neerkomen dat [eiser 1] bepaalde wat er moest gebeuren, dat [verweerder 3] niet was opgewassen tegen hem en dat hij afging op diens advies. [47] Het hof heeft deze stellingen verwoord in een aantal passages in r.o. 3.4. In het licht van het voorgaande kan niet worden gezegd dat de door het subonderdeel bestreden oordelen onbegrijpelijk zijn. De klachten falen derhalve.
uitwerkingvan de algemene toetsingsnorm van art. 6:233, aanhef en onder a, BW bevat afd. 6.5.3 twee lijsten met vernietigbare bedingen. In tegenstelling tot de algemene toetsingsnorm hebben deze lijsten slechts rechtstreekse werking voor overeenkomsten met “een wederpartij, natuurlijke persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf”, in de woorden van de parlementaire geschiedenis en de literatuur: een ‘consument’. [50] De in art. 6:236 BW Pro opgenomen lijst (de zgn. ‘zwarte’ lijst) bevat bedingen die als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. Een dergelijk beding in algemene voorwaarden is altijd vernietigbaar, ongeacht alle overige omstandigheden. De in art. 6:237 BW Pro opgenomen lijst (de zgn. ‘grijze’ lijst) bevat bedingen waarvan wordt vermoed dat ze een onredelijk bezwarend karakter hebben. Dat wettelijk vermoeden kan door de gebruiker van de algemene voorwaarden worden weerlegd. [51]
regel moet zijn. [57] Een uitzondering zou hij slechts willen aannemen als verondersteld mag worden dat de rechtspersoon bij het aangaan van bepaalde overeenkomsten een positie heeft die
gelijkwaardigis aan die van de gebruiker, hetgeen zich met name zal voordoen als de rechtspersoon met het sluiten van bepaalde overeenkomsten bijzonder veel ervaring heeft. Jongeneel schrijft vervolgens:
buiten het eigenlijke terrein van haar beroep of bedrijf. Hij schrijft daarover het volgende:
naasteen personele gelijkenis als hiervoor is weergegeven voor reflexwerking is vereist dat de aard van de overeenkomst niet wezenlijk van een consumentenovereenkomst afwijkt, en bovendien dat het door het onderzochte beding in het nauw gebrachte belang niet wezenlijk van een consumentenbelang verschilt. [60] Hij schrijft in dat verband:
in zijn gevaltypisch bedrijfsmatig is en waarmee hij ook bekend is. In dat geval zal de reflexwerking minder sterk zijn, in die zin dat vermelding van een beding in art. 6:236 of Pro 6:237 BW in het kader van de toetsing aan art. 6:233, aanhef en onder a, BW minder gewicht in de schaal zal leggen. Aldus is ook de
aard van de overeenkomst, gerelateerd aan de persoon van de wederpartij(dat wil zeggen: de wederpartij van de gebruiker van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden) van belang. Men kan het voorkomen van een beding op de ‘zwarte’ [63] of ‘grijze’ lijst derhalve wegen in verband met de andere volgens art. 6:233, aanhef en onder a, BW, relevant te achten gezichtspunten: de aard van de overeenkomst, de wijze van totstandkoming, de wederzijds kenbare belangen, de hoedanigheid van partijen, et cetera. Het gewicht dat daarbij wordt toegekend aan het feit dat het beding op de zwarte lijst voorkomt kan bovendien van geval tot geval verschillen. De weging is van feitelijke aard. Ik voeg daaraan nog een enkele opmerking toe. Art. 6:233, aanhef en onder a, BW bevat als relevant gezichtspunt vreemd genoeg niet de
aard van het beding, terwijl de aard van een beding in feite nu juist veelal het bezwarende karakter zal bepalen. In die zin is bij iedere toetsing aan de open norm van art. 6:233, aanhef en onder a, BW relevant dat een beding voorkomt in art. 6:236 of Pro 6:237 BW, omdat dat iets zegt over de aard van het beding.
aard van het bedingwordt genoemd, terwijl dit op zichzelf juist van aanzienlijk gewicht zal zijn bij de beoordeling of het onredelijk bezwarend is. Het lijkt erop dat het hof de aard van het beding niet alleen heeft willen laten meewegen in het kader van de reflexwerking, maar het bezwarende karakter ervan ook heeft benoemd door te verwijzen naar de opvatting van de advocaat van [de eenmanszaak] erover. Ik merk voorts op dat het hof in r.o. 3.14 niet alle gezichtspunten die in art. 6:233, aanhef en onder a, BW worden genoemd, kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. Het gaat dan met name om het gezichtspunt ‘de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen’ en, in mindere mate, het gezichtspunt ‘de wederzijds kenbare belangen van partijen’. Laatstgenoemd gezichtspunt komt overigens wel duidelijk terug in andere overwegingen van het bestreden arrest, met name in r.o. 3.7 en 3.8. Ik merk op dat het middel niet klaagt dát het hof bij de beoordeling of het betreffende beding ‘onredelijk bezwarend’ was voor Hibma c.s. niet kenbaar alle relevante gezichtspunten in de beoordeling heeft betrokken. Het middel klaagt evenmin, onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken, dat het hof andere omstandigheden ten onrechte
nietin de beoordeling heeft betrokken.
Subonderdeel 2.1.1voert aan dat het “(impliciete)” oordeel dat ten gunste van Hibma c.s. , die geen consument zijn, reflexwerking moet worden toegekend aan art. 6:236 BW Pro (‘zwarte lijst’), blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel stelt dat dit oordeel uitsluitend hierop berust dat Hibma c.s. met hun kaas- en zuivelbedrijf geen kennis van of ervaring met “zo’n ingewikkelde financiële materie” hadden, en dat zij daarom nu juist [eiser 1] van [de eenmanszaak] hadden ingeschakeld. Volgens de klacht miskent het hof dat het aan de hand van alle omstandigheden van het onderhavige geval had moeten beoordelen of, en zo ja in hoeverre, de positie van Hibma c.s.
gelijkenis vertoontmet de positie van een consument. Betoogd wordt dat reflexwerking van de voor consumenten geldende wettelijke uitwerkingen van art. 6:233, aanhef en onder a, BW in art. 6:236 BW Pro (‘zwarte lijst’) en art. 6:237 BW Pro (‘grijze lijst’) slechts mogelijk is indien de betreffende casus (voldoende) gelijkenis vertoont met het geval dat wordt gecontracteerd met een consument. Zonder deze gelijkenis kunnen deze uitwerkingen niet doorwerken in het betreffende niet-consumentengeval, aldus het subonderdeel. Voor reflexwerking, zo vervolgt de klacht, is geen plaats indien het gaat om een typische niet-consumentenovereenkomst, ook al is de wederpartij op zichzelf wellicht van een “op een consument gelijkend type”. [66] Bij deze beoordeling gaat het volgens het subonderdeel derhalve niet alleen om omstandigheden die meebrengen of indiceren dat een partij op zichzelf gelijkenis vertoont met de positie van een consument, maar ook om omstandigheden die meebrengen of indiceren dat de door deze partij gesloten overeenkomst gelijkenis vertoont met overeenkomsten die consumenten gebruikelijk sluiten, bijvoorbeeld gezien de aard en inhoud ervan, alsmede gezien de daarmee gemoeide belangen. [67] Volgens het subonderdeel heeft het hof verzuimd om in r.o. 3.14 te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, de door partijen gesloten overeenkomst gelijkenis vertoont met overeenkomsten die consumenten gebruikelijk sluiten.
geengelijkenis vertoont met die van een consument. Het hof heeft geoordeeld dat Hibma c.s. geen consument waren, maar dat zij met hun kaas- en zuivelbedrijf geen kennis van of ervaring hadden met “zo’n ingewikkelde financiële materie”, waarvoor zij, zo benadrukt het hof, nu juist [eiser 1] van [de eenmanszaak] hadden ingeschakeld (en waaronder in dit geval ook en passant was begrepen het tijdig afdoende zekerheden stellen in Bosnië, althans het adviseren daarover). In dit oordeel ligt besloten het oordeel dat de positie van Hibma c.s.
in dat opzichtgelijkenis vertoont met de positie van een consument.
die consumenten gebruikelijk sluiten, faalt eveneens. Zij gaat, zoals hiervoor door mij betoogd, uit van een te stringente rechtsopvatting – inhoudende dat voor reflexwerking
nooitplaats is indien het gaat om een typische niet-consumentenovereenkomst – die geen steun vindt in het recht. De omstandigheden van het gegeven geval, bezien in onderlinge samenhang, zijn steeds beslissend voor het antwoord op de vraag of reflexwerking op zijn plaats is. Het hof heeft geoordeeld dat Hibma c.s. , van oorsprong een vennootschap onder firma, een kaas- en zuivelbedrijf exploiteerden en geen verstand hadden van de complexe financiële materie die aan de orde was bij de betreffende overeenkomsten (subsidieverwervingsovereenkomst met financiële begeleiding), en dat zij nu juist gelet daarop een deskundige hebben ingeschakeld die, zo merk ik op, hen eerder met betrekking tot het project in Bosnië had
benaderd(en derhalve het initiatief had genomen) en steeds het voortouw heeft genomen. Deze omstandigheden kunnen de conclusie dragen dat in dit geval (enige) betekenis mag worden toegekend aan het voorkomen van het beding op de ‘zwarte lijst’.
wat de onderhavige opdracht betreftniet wezenlijk van een consument verschillen, nu de materie die daarbij aan de orde is naar het hof heeft vastgesteld complex is en ver valt buiten het eigenlijke terrein van hun bedrijfsvoering, en dat daarom reflexwerking in dit specifieke geval is gerechtvaardigd. Het oordeel behoefde geen nadere motivering om voor de lezer begrijpelijk te zijn.
onder ade klacht dat het oordeel in r.o. 3.14 dat het beding in art. 11 lid 1 van Pro de algemene voorwaarden (ten opzichte van een consument) valt onder art. 6:236, aanhef en onder g, BW (zwarte lijst) onjuist is, aangezien een beding dat de wettelijke vervaltermijn van art. 6:89 BW Pro vervangt, zoals het beding in art. 11 lid 1 van Pro de algemene voorwaarden in kwestie, onder de reikwijdte valt van art. 6:237, aanhef en onder h, BW (grijze lijst). Dit brengt volgens de klacht
onder bmee dat evenmin stand kan houden het oordeel aan het slot van r.o. 3.14 dat Hibma c.s. dit beding “dan ook” terecht op grond van art. 6:233, aanhef en onder a, BW, als onredelijk bezwarend hebben vernietigd. De klacht voert aan dat het hof heeft verzuimd om op basis van de open norm van art. 6:233, aanhef en onder a, BW te beoordelen of het betreffende beding onredelijk bezwarend is, welke norm toegepast moet worden aan de hand van alle omstandigheden van dit geval, eventueel met inachtneming van het vermoeden van art. 6:237, aanhef en onder h, BW.
ten opzichte van een consumentvalt onder (de reikwijdte van) art. 6:236, onder g, BW, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht
onder afaalt derhalve.
onder buitsluitend voort op de klacht onder a. Zij faalt dan ook op de hiervoor weergegeven gronden. Zo in de klacht tevens een afzonderlijke klacht moet worden gelezen, inhoudende dat het hof niet op basis van de open norm van art. 6:233, aanhef en onder a, BW heeft beoordeeld of het beding van art. 11 lid 1 van Pro de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend was voor Hibma c.s. , dan mist die klacht feitelijke grondslag. Verwezen zij naar hetgeen hiervoor in 4.24-4.26 is overwogen. Het hof heeft de omstandigheid dat het beding ten opzichte van een consument valt onder de reikwijdte van art. 6:236, onder g, BW als zijnde één van de relevante omstandigheden in de beoordeling betrokken.
Subonderdeel 3.1.1voert aan dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel berust, zo stelt het subonderdeel, mede op:
medeberust op het oordeel dat op de comparitie is gebleken dat [eiser 1] , mede aan de hand van de hem getoonde producties, voldoende geheugen en herinnering had aan een aantal belangrijke gebeurtenissen van rond de uitbetaling van de € 1.000.000,-- op 26 oktober 2005. Tegen dit oordeel komt het middel niet op.
endat het aan [verweerder 3] pas in 2015 subjectief bekend is geworden dat [eiser 1] ook met betrekking tot de advisering omtrent de lening een zorgplicht had en daarin is tekortgeschoten. In dit laatste oordeel ligt besloten dat Hibma c.s. tijdig hebben geklaagd. Beide oordelen zijn in het nadeel van [eisers] en kunnen het oordeel dat art. 6:89 BW Pro niet is geschonden, m.i. afzonderlijk dragen. De klachten van het subonderdeel houden in de kern in dat een schending van de klachtplicht prevaleert boven de ‘bewaakplicht’ van de schuldenaar. Het subonderdeel faalt op dit punt reeds bij gebrek aan belang indien het (impliciete) oordeel dat Hibma c.s. tijdig hebben geklaagd stand houdt. Ik meen dat het bestreden oordeel daarnaast op grond van het volgende ook inhoudelijk stand houdt.
evenminbestreden. Ik lees het oordeel aldus dat [eisers] , door het betreffende dossier te vernietigen waar dit in het licht van de genoemde omstandigheden niet had moeten gebeuren,
er zelf debet aan zijndat zij voor het voeren van verweer in rechte geen informatie konden halen uit hun eigen stukken maar dat zij daarvoor (mede) afhankelijk waren van stukken van de wederpartij of van derden. De klachten stuiten alle op het voorgaande af.
hebben[eisers] , zoals in r.o. 3.14 besloten ligt, zich in dit geding zonder eigen dossier moeten verweren tegen de vorderingen van Hibma c.s. , zodat reeds daarom onduidelijk is waarom zij volgens het hof desondanks niet (voldoende) benadeeld zijn. Dit is, zo vervolgt het subonderdeel, temeer onduidelijk in het licht van de stellingen van [eisers] (i) dat zij, omdat zij geen eigen dossier hebben, zich moesten baseren op de stukken die door Hibma c.s. zijn overgelegd, (ii) dat zij zich ook hebben gebaseerd op de door Hibma c.s. overgelegde stukken en daarbij echter in hun geheugen moesten zoeken en gezocht hebben naar logische verbanden, wat de ene keer wel, de andere keer niet is gelukt, en (iii) dat Hibma c.s. selectief bepaalden welke stukken zij hoe met [eisers] en de rechter deelden. [83] Doordat het hof niet toereikend op die stellingen heeft geantwoord is volgens het subonderdeel des te meer onduidelijk waarom [eisers] niet (voldoende) benadeeld zouden zijn.
omvangrijk en compleetwas. Dit oordeel wordt in cassatie
nietbestreden. Als [eisers] aanleiding hadden om dat dossier in te zien, om te kijken of er (wellicht) nog andere stukken zijn die voor hun (aanvullende) verweer van belang konden zijn, dan stond niets eraan in de weg dat zij van het aanbod van Hibma c.s. om het dossier in te zien gebruik maakten. Als dit aanbod daadwerkelijk eerst ter comparitie is gedaan, dan is dat voor de beoordeling niet relevant. [eisers] konden in dat geval immers het hof verzoeken om passende maatregelen te treffen met het oog op het vervolg van de behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarnaast stond het [eisers] vrij om naar aanleiding van de door Hibma c.s. ingediende processtukken en producties (i) bij de individuen die destijds betrokken waren bij de financiering nadere stukken op te vragen, en (ii) om die partijen als getuige op te roepen. Dat is niet gebeurd. [eisers] hadden derhalve zowel in eerste aanleg als in hoger beroep genoeg mogelijkheden om deugdelijk verweer te voeren en dat verweer nadien aan te vullen.
niet hadden mogen vernietigen. Het betoog dat daarmee “slechts een norm wordt geschonden” gaat niet op. Het oordeel van het hof komt erop neer dat, ook al hadden [eisers] door hun eigen toedoen niet meer de beschikking over hun eigen dossier, zij langs andere weg aan de benodigde stukken hadden kunnen komen om deugdelijk (nader) verweer te voeren, en dat daarnaast is gebleken dat [eiser 1] zich relevante gebeurtenissen nog kon herinneren. Dit oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk. Ik merk tot slot nogmaals op dat in het oordeel dat volgt direct op het thans bestreden oordeel besloten ligt dat Hibma c.s. tijdig
hebbengeklaagd. Zo het subonderdeel met de woorden “met een te late klacht komt”, betoogt dat vaststaat dat Hibma c.s. te laat hebben geklaagd, ziet het eraan voorbij dat het hof dat standpunt nu juist heeft verworpen.
subonderdeel 3.1.4is het bestreden ‘niet benadeeld’-oordeel voorts onjuist en/of onbegrijpelijk, omdat zonder nadere motivering onduidelijk is waarom volgens het hof uit het feit dat [eisers] in februari 2008 wisten dat Hibma c.s. niet werden terugbetaald door Tehno-Pek en in Bosnië procedeerden over het hypotheekrecht, volgt dat [eisers] , toen zij het dossier “na afloop van de wettelijke bewaartermijn” hebben vernietigd, nog rekening moesten houden met de mogelijkheid van een aansprakelijkstelling. Het subonderdeel stelt ter toelichting dat het hof niet heeft vastgesteld dat [eisers] tussen februari 2008 en de vernietiging van het dossier in de periode vanaf begin 2014 door Hibma c.s. zijn geïnformeerd over (het verloop van) de procedure in Bosnië, en dat zij in dat tijdvak anderszins kennis daarover hebben gehad. Bij gebreke van deze vaststellingen is volgens het subonderdeel onjuist en/of onduidelijk het oordeel dat [eisers] , toen zij vanaf begin 2014 overgingen tot vernietiging van hun dossier, nog rekening moesten houden met een aansprakelijkstelling door [84] Hibma c.s. betreffende de reeds in 2005 geleverde prestatie.
wistdat [verweerder 3] in Bosnië een procedure voerde over de hypotheek, welke procedure “ging over (de gevolgen van) de financiële transactie waarbij [eiser 1] was betrokken en waarover hij had geadviseerd”, besloten ligt dat van [eisers] mocht worden verwacht dat zij zelf bij Hibma c.s. navraag hadden gedaan over (het verloop of de uitkomst van) die procedure voordat zij overgingen tot vernietiging van hun dossier. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.
redelijkerwijze had moeten ontdekkenbinnen bekwame tijd bij de schuldenaar dient te protesteren. Volgens de klacht heeft het hof in r.o. 3.16 ten onrechte volstaan met een subjectieve toets en heeft het verzuimd om een objectieve toets aan te leggen en te beoordelen wanneer Hibma c.s. redelijkerwijs hadden behoren te ontdekken dat één of meer van de door [eisers] geleverde prestaties gebrekkig waren. Aldus geeft het hof, zo concludeert het subonderdeel, in r.o. 3.16 blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu het in het midden laat wanneer Hibma c.s. het gebrek of de gebreken redelijkerwijs hadden moeten ontdekken en niettemin oordeelt dat de klachtplicht van art. 6:89 BW Pro niet is geschonden.
Bovendienmoet worden bedacht dat […]”) – ingaat op de bekendheid van [eiser 1] met de zorgplicht en het tekortschieten daarin, vormt een aanwijzing dat een waardering van de betrokken belangen naar het oordeel van het hof in elk geval in het voordeel van Hibma c.s. dient uit te vallen.
hadden behoren te ontdekkendat er sprake was van een zorgplicht van [eiser 1] en het tekortschieten daarin. Het subonderdeel verwijst niet naar een vindplaats in de procestukken waar daaromtrent stellingen zijn ingenomen. Ook om die reden kan de klacht niet tot cassatie leiden.
bill of exchange’ had teruggeven. Daarmee was hun vermeende zekerheid verdwenen, maar was het voor hen nog niet duidelijk dat het nooit een echte bankgarantie was geweest, laat staan dat zij daarvoor [eiser 1] moesten aanspreken.
bill of exchange’ (r.o. 3.17).
bill of exchange’ nooit een echte bankgarantie was geweest. Het subonderdeel betoogt dat voor Hibma c.s. op dat moment in elk geval reeds duidelijk was dat de bankgarantie ontbrak, waarvan zij dachten dat [eiser 1] daarvoor had gezorgd. Of er ooit een echte bankgarantie was geweest is volgens het subonderdeel niet relevant, nu Hibma c.s. “op dat moment wisten dat er op dat moment geen bankgarantie was”.
bill of exchange’ aan Tehno-Pek had teruggegeven niet duidelijk was dat dit stuk nooit een echte bankgarantie is geweest. Dit oordeel wordt, als ik het goed zie, als zodanig niet bestreden. Het is vanwege deze onduidelijkheid dat Hibma c.s. destijds niet wisten (konden weten) dat zij [eiser 1]
op dit punt(op enig moment) konden aanspreken. Het betoog van het subonderdeel dat de ‘vaststellingen’, hiervoor weergegeven in 4.63, geen andere conclusie toelaten dan dat Hibma c.s. “voldoende zekerheid hadden verkregen over het tekortschietend handelen van [eisers] ”, faalt. Die voldoende zekerheid was er (mede) gelet op genoemde onduidelijkheid niet. Ik verwijs in dat verband naar de hiervoor in 4.58 weergegeven passage in r.o. 3.12. Duidelijk is dat het teruggeven van de ‘
bill of exchange’ aan Tehno-Pek
tot gevolg haddat de vermeende toenmalige zekerheid was verdwenen. [87] Dat staat ook niet ter discussie. Dat het teruggeven van de ‘
bill of exchange’ [eiser 1] niet kon worden aangerekend brengt evenwel nog niet mee dat Hibma c.s. hem later (of eerder) niet het verwijt konden maken
dathij had nagelaten om ervoor te zorgen dat er een deugdelijke bankgarantie zou komen. [88]
of in ieder geval niet totdat er daadwerkelijk voldoende stevige en omvangrijke zekerheden zouden zijn gesteld. [verweerder 3] dacht echter, ten onrechte, dat er een bankgarantie in de kluis lag bij UniCreditBank. Pas later - toen hij zich op de bankgarantie wilde beroepen - heeft hij begrepen dat dit stuk geen bankgarantie was, maar een “
bill of exchange” en bovendien ook niet meer tot zijn beschikking stond.
Zijn hypotheekwens bestond trouwens al eerder, in ieder geval sedert de hypotheekovereenkomst van 28 oktober 2005. Ook daarvan is hem eerst achteraf gebleken dat deze nog niet was gevestigd (dat gebrek is nadien alsnog geheeld) en niet de dekking bood die hem in de documenten was voorgehouden.” [onderstreping toegevoegd]
wistdat er geen bankgarantie was, en dat hij (derhalve)
wist, althans behoorde te weten, dat het voor Hibma c.s. van cruciaal belang was dat er nadien een hypotheek zou worden gevestigd die voldoende dekking bood. Dit is (ook) niet gebeurd. Aldus moet er een direct verband worden gelegd tussen de wetenschap bij [eiser 1] van het niet bestaan van een bankgarantie en de zorgplicht van het tot stand komen van een deugdelijke, voldoende dekking biedende hypotheek. Aansluitend op de door het subonderdeel bestreden passage overweegt het hof dat Hibma c.s. daarbij [90] hebben toegelicht dat zij zich destijds nog niet de mogelijkheid van schade hadden gerealiseerd, omdat zij vertrouwden op het aan hen verleende hypotheekrecht, dat na inschrijving vatbaar was voor uitwinning en waarvan hen pas jaren later bekend werd dat deze niet de dekking bood die volgens de akte werd geboden. [91] Aldus bestond er in elk geval op 7 maart 2007, de dag waarop de hypotheek in het kadaster is ingeschreven, en in de periode nadien nog geen aanleiding voor Hibma c.s. om te veronderstellen dat zij daadwerkelijk schade zouden lijden. Ik merk op dat die aanleiding er ook niet eerder was. Tehno-Pek heeft immers in de periode van augustus tot en met november 2006 bedragen van in totaal € 240.000,-- aan Hibma terugbetaald. Het subonderdeel faalt in het licht van het voorgaande.
de omvangvan deze schade was en dat zij vertrouwden op het aan hen verleende hypotheekrecht. Het subonderdeel stelt dat het erom gaat dat Hibma c.s. zich realiseerden dat zij door het ontbreken van de bankgarantie geen bankgarantie konden inzetten indien dat onverhoopt nodig mocht zijn, wanneer het hypotheekrecht niet voldoende zou blijken te zijn om op terug te vallen. Aldus is volgens de klacht onduidelijk waarom het voor Hibma c.s. niet duidelijk was dat zij [eisers] moesten aanspreken op het feit dat zij geen bankgarantie hadden respectievelijk op het feit dat zij toch niet bovenop het hypotheekrecht een bankgarantie hadden.
bill of exchange’ aan Tehno-Pek teruggeven. Op dat moment verdween de (vermeende) zekerheid. Niet duidelijk is wanneer Hibma c.s. precies wisten dat de ‘
bill of exchange’ was (of zou worden) teruggegeven. [92] Vaststaat in elk geval dat Hibma c.s. in de periode na de intrekking geen schade leden. Tehno-Pek heeft immers in de periode van augustus tot en met november 2006 aan hen verschillende betalingen gedaan als terugbetaling op de lening. Herhaald zij dat Hibma c.s. in deze periode niet wisten dat de ‘
bill of exchange’ nooit een echte bankgarantie is geweest. Zij konden [eiser 1] op dat moment
op dat puntdan ook niet aanspreken. Wat het hof in de bestreden passage tot uitdrukking brengt is dat Hibma c.s. ervan uitgingen en er ook op mochten vertrouwen dat de hypotheek die op 7 maart 2007 bij het gerecht was ingeschreven,
in elk gevalvoldoende dekking zou bieden voor hun restantvorderingen. Het oordeel dat zij zich daarom destijds nog niet de mogelijkheid van schade hebben gerealiseerd is niet onbegrijpelijk. Dat Hibma c.s. op dat moment duidelijkheid hadden over de intrekking van de ‘
bill of exchange’ en de (nadelige) gevolgen hiervan brengt daarin geen verandering. Zij mochten er immers van uit gaan dat de gevestigde hypotheek wel voldoende dekking zou bieden. Dat dit niet het geval was, is eerst in 2013 gebleken.