Conclusie
Inleiding
Bewezenverklaring en bewijsvoering
Het eerste middel en de bespreking daarvan
NJ2021/369, m.nt. Jörg evenmin van toepassing in het geval de verdediging in het kader van een art. 359a Sv-verweer door middel van het horen van getuigen de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen. In dié gevallen heeft, zo overweegt de Hoge Raad nadrukkelijk in het arrest van 28 september 2021, het beoordelingskader te gelden dat de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015,
NJ2017/440, m.nt. Kooijmans met betrekking tot de motivering door de verdediging van verzoeken tot het horen van getuigen heeft geformuleerd. De Hoge Raad overweegt in dat overzichtsarrest onder aanhaling van het overzichtsarrest van HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
NJ2014/441, m.nt. Borgers:
‘fishing expedition’. De verdediging dient in dit geval aan te geven op welk vormverzuim zij het oog heeft en tot welk rechtsgevolg dit moet leiden, en zal gemotiveerd moeten uiteenzetten waarom en waarover de getuige ter staving van een rechtmatigheidsverweer moet worden gehoord. Kortom, aan het verzoek tot het horen van een getuige ter onderbouwing van een beroep op een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als hier bedoeld worden dus de nodige eisen gesteld.
NJ2009/553 heeft de Hoge Raad overwogen dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat art. 322, vierde lid, Sv ook de uit hoofde van art. 315 Sv Pro gegeven bevelen tot oproeping van getuigen omvat. Dit is anders, aldus de Hoge Raad, ten aanzien van de op de voet van de art. 328 en Pro 331 Sv in verbinding met art. 315 Sv Pro gegeven afwijzende beslissingen op ter terechtzitting gedane verzoeken tot oproeping van getuigen. Op die afwijzende beslissingen is art. 322, vierde lid, Sv niet van toepassing. Wordt na een dergelijke beslissing het onderzoek opnieuw aangevangen, dan zal (voor het verkrijgen van een voor hoger beroep of cassatie vatbare beslissing) het desbetreffende verzoek opnieuw moeten worden gedaan. Zo een verzoek wordt beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium.
NJ2014/441, m.nt. Borgers uitvoerig aangegeven op welke wijze de op grond van het wetboek van strafvordering geldende regels over het oproepen dan wel horen van door de verdediging opgegeven getuigen moeten worden uitgelegd. In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015,
NJ2017/440, m.nt. Kooijmans verduidelijkt welke eisen gelden met betrekking tot de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen.
NJ2021/369, m.nt. Jörg overwogen dat in zo een geval niet de (post-)Keskin-rechtspraak van toepassing is, maar het beoordelingskader uit het hierboven meermaals aangehaalde overzichtsarrest van 4 juli 2017.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Slotsom