Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
[…] /Alog [8] een rol kunnen spelen. Huydecoper meent dat aan de daarin genoemde omstandigheden in dit geval is voldaan. [9] Overigens zal in een structuur waarbij een financier, een onroerendgoedmaatschappij en een werkmaatschappij afspreken timesharerechten te exploiteren, vaak sprake zijn van een dergelijke eerbiedigingsplicht, aldus nog steeds Huydecoper. [10] Tijdens de totstandkoming van art. 7:226 BW Pro is daarover het volgende opgemerkt:
Dat de participanten de huurovereenkomst(en) moeten eerbiedigen, behoeft niet afzonderlijk te worden bepaald, maar volgt uit de constructie.Heeft een constructie ten doel om een ontruimingsvordering in te kunnen laten stellen door iemand die niet aan de huurovereenkomst gebonden is, dan komt dat neer op een vorm van samenspanning die een onrechtmatige daad oplevert, zoals kan worden afgeleid uit hetgeen onder de toenmalige Huurwet al is beslist door de Hoge Raad (7 juni 1957, NJ 1957, 512).’ [11] [mijn curs., A-G]
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 2.6 t/m 2.9 van het bestreden vonnis en valt in zes subonderdelen uiteen.
Onderdeel 1.4klaagt dat het hof heeft miskend dat de verplichting van de verkrijger om de gebruiksrechten van de huurders te eerbiedigen, niet verder kan gaan of meer kan omvatten dan de (feitelijke uitvoering van de) verplichtingen van de verhuurder jegens de huurders. Subsidiair klaagt het onderdeel dat het hof zijn oordeel niet naar behoren heeft gemotiveerd in het licht van de stellingen van Alegria, inhoudende, kort gezegd, dat van een gebruiksrecht van de timesharenemers geen sprake meer is/was, althans dat het gebruik ook niet verschaft kan/kon worden.
Onderdeel 1.5klaagt voorts dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, indien het heeft gemeend dat deze stellingen van Alegria niet bij de beoordeling behoefden te worden betrokken, omdat de rechter in de schadestaatprocedure daarover zou (kunnen) oordelen. Ook heeft het hof miskend dat de rechter in de schadestaatprocedure niet kan oordelen over het door TOCA c.s. gevorderde en door het hof uitgesproken gebod tot eerbiediging van gebruik van en toelating tot de timeshare units.
Onderdeel 1.6klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, indien het hof heeft gemeend dat TOCA c.s. de in onderdeel 1.4 genoemde stellingen van Alegria gemotiveerd hebben betwist en het hof om die reden de stellingen niet bij zijn beoordeling heeft betrokken.
ex nuncmoet worden onderzocht. De hier aan de orde zijnde eerbiedigingsplicht doet zich echter niet gelden indien de timesharenemers zonder uitzondering vanwege het feit dat Endless Vacation na faillissement heeft opgehouden te bestaan, niet langer aan de huurovereenkomsten het recht tot gebruik van de timeshare units kunnen ontlenen. De stelling raakt aldus aan de rechtsgrond van het door het hof gegeven gebod, alsmede aan het vereiste belang van TOCA c.s. bij het gevorderde gebod. Het hof was dan ook gehouden de stelling onder (5) (kenbaar) bij zijn beoordeling te betrekken, zodat de klacht in zoverre slaagt.
ex nuncte onderzoeken of Alegria tot nakoming kon worden bevolen, waarbij de (on)mogelijkheid tot nakoming een rol speelt. Het oordeel daarover kan dus niet worden overgelaten aan de rechter in de schadestaatprocedure of een andere procedure.
invokes the annulment’) en de timesharenemers heeft geïnformeerd dat Alegria niet is gebonden aan de timeshareovereenkomsten en zij niet langer gerechtigd zijn tot het gebruik van hun units. [41] Alegria heeft bovendien gesteld dat zij de erfpacht- en appartementsrechten van het resort heeft verworven teneinde de bestaande bebouwing van het resort, waaronder de timeshare units, te slopen en een nieuw resort te realiseren. [42] Uit deze feiten kan worden afgeleid dat Alegria, in ieder geval voor een bepaalde periode vanaf de veiling in 2014, de timesharenemers heeft belemmerd in het gebruik van hun units, althans te kennen heeft gegeven dat zij haar eerbiedigingsplicht niet zal nakomen. Niet kan worden gezegd dat het hof, door deze feiten niet expliciet te betrekken bij zijn beoordeling in rov. 2.6 t/m 2.9 of anderszins, heeft miskend dat van onrechtmatig handelen pas sprake kan zijn als Alegria feitelijk toelating tot het gehuurde kon verschaffen en zij daartoe ook gehouden was, zodat de primair opgeworpen rechtsklacht faalt.
Onderdeel 2.5klaagt verder dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof heeft gemeend dat het met de stellingen van Alegria geen rekening kon houden omdat deze omstandigheden zich (deels) na het vernietigde vonnis hebben voorgedaan.
Onderdeel 2.6klaagt tot slot dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, indien het hof heeft gemeend dat TOCA c.s. de stellingen van Alegria gemotiveerd hebben betwist en het hof om die reden de stellingen niet bij zijn beoordeling behoefde te betrekken.
Onderdeel 3.2klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof heeft gemeend dat met de door Alegria in haar memorie na cassatie aangevoerde omstandigheden die zich na het vernietigde vonnis hebben voorgedaan geen rekening kan worden gehouden, omdat deze omstandigheden in de schadestaatprocedure aan de orde zouden moeten (kunnen) komen.