ECLI:NL:HR:2010:BN6254
Hoge Raad
- Cassatie
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- C.A. Streefkerk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van cassatiemiddel en toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor in civiele procedure
In deze civiele zaak dienden de moeder en de zuster cassatieberoep in tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem. De zaak betreft een geschil met de zoon, die in cassatie verstek liet gaan. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en het arrest van het hof als achtergrond van het geding.
De kern van het cassatieberoep betrof de vraag of de middelen van cassatie correct waren aangevoerd. De Hoge Raad bevestigt de rechtsregel dat cassatiemiddelen in de cassatiedagvaarding moeten worden vermeld en niet voor het eerst tijdens het pleidooi of in een schriftelijke toelichting mogen worden ingebracht. Deze regel is gebaseerd op het beginsel van hoor en wederhoor, dat onderdeel is van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen en de moeder en zuster worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Van Oven en Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Numann op 5 november 2010.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder en zuster wordt verworpen wegens niet-ontvankelijkheid van de middelen.