Conclusie
Inleiding
Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
Het eerste middel en de bespreking daarvan
NJ2019/164 overweegt de Hoge Raad dat 'verbergen' en 'verhullen' als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr betrekking hebben op gedragingen die erop zijn gericht het zicht te bemoeilijken op – voor zover in dat arrest van belang – wie de rechthebbende op een voorwerp is. Die gedragingen moeten, aldus de Hoge Raad in dit arrest van 2 april 2019, tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. [2] Aangehaald worden door de Hoge Raad de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet van 6 december 2001 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven,
Stb. 2001, 606. Deze Kamerstukken houden onder meer het volgende in:
Het tweede middel en de bespreking daarvan
nietis bewezen (en daarin ligt inderdaad een verschil met de bewezenverklaringen in de genoemde samenhangende zaken), volgt hieronder nog een korte uiteenzetting.
NJ20219/379, m.nt. Vellinga (r.o. 2.3.1). De wettelijke term ‘rechtstreekse schade’ in art. 51f, eerste lid, Sv en art. 361, tweede lid, Sv dwingt dus niet tot een strikte uitleg daarvan; voldoende verband met het bewezenverklaarde volstaat. [6] De ruimte die de omschrijving ‘voldoende verband’ biedt, maakt bijvoorbeeld mogelijk dat ook als de schade niet het rechtstreekse gevolg is van de bewezenverklaarde gedraging als zodanig, maar niettemin – gelet op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte – de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezenverklaarde feit, die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht.
enig misdrijf, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit
enig misdrijf” (cursiveringen van mij). In randnummer 24 heb ik in mijn bespreking van het eerste middel reeds onder verwijzing naar bewijsmiddelen geconcludeerd dat (ook) in de onderhavige zaak uit de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen voldoende zichtbaar een nauw verband tussen het gewoontewitwassen en het (bepaalde) grondmisdrijf (het frauduleus ontvreemden van de geldbedragen door middel van TorRAT malware en het manipuleren van het online betalingsverkeer) uit de verf komt en dat het de verdachte ook bekend was dat aan het witwassen telkens een misdrijf voorafging. Dat het hof in de zaak van de verdachte (anders dan in de samenhangende zaken) niet heeft bewezenverklaard dat de verdachte, samen met zijn medeverdachten, de bedoelde geldbedragen heeft verkregen door, kort gezegd, de TorRAT-diefstal, staat er niet aan in de weg dat de schade die de Rabobank en ING Bank naar het oordeel van het hof onderscheidenlijk hebben geleden, ook in de zaak van de verdachte telkens als het rechtstreeks gevolg van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde kan worden aangemerkt. Ik teken daarbij nog aan dat in de onderhavige zaak uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat het witwassen een onlosmakelijk vervolgonderdeel van het frauduleus ontvreemden van de geldbedragen vormt.
Slotsom