Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
actions” in te trekken (“
will withdraw”) in (Frankrijk, Cyprus, Rusland en) Nederland, en het beslag daarmee in strijd is. Dit betoog is evenwel in strijd met de tweeconclusieregel, omdat daarmee een nieuwe grond wordt geïntroduceerd ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. In de memorie van grieven heeft [verweerder] weliswaar artikel A.3. van de Vaststellingsovereenkomst gemeld en gesteld dat [eiseres] het beslag niet heeft opgeheven, maar als een terzijde opmerking (“
Overigens...”) ingebed in zijn betoog dat met de Vaststellingsovereenkomst de huwelijksgemeenschap was verdeeld. Aldus is niet voldoende duidelijk gemaakt dat dit beroep op artikel A.3. van de Vaststellingsovereenkomst gezien moet worden als een zelfstandige grond, los van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, en [eiseres] heeft daar ook niet in die zin op geantwoord. Het hof verwerpt dit betoog dan ook.”
3.Bespreking van het middel in het principale beroep
srechten” (cursivering toegevoegd) en van 50% daarvan. Het heeft onmiskenbaar ook het oog op die uit het lidmaatschap voortvloeien. De voorwaarde die het onderdeel stelt met de passage vanaf “voor zover” is dus vervuld.
srechten” (opnieuw cursivering toegevoegd) die [verweerder] in Dilon heeft. [8] Vaststaat dat Dilon een coöperatie U.A. is als bedoeld in de art. 2:53 lid 1 en Pro 2:56 lid 1 BW, waarin rechten toekomen aan de leden, in dit geval dus, naar de vaststelling van het hof in rov. 2.2, [verweerder] en zijn broer. De statuten, reglementen en besluiten van de coöperatie regelen de vermogensrechten van de leden daarvan jegens de coöperatie, waaronder hun eventuele aanspraak op de middelen daarvan, in dit geval dus (onder meer) die op de in de boeken van Dilon aangehouden ledenrekening. [9] Klaarblijkelijk betreft het door [eiseres] gelegde maritale beslag mede deze aanspraak, gelet op het daarbij gebruikte begrip “lidmaatschap
srechten”. Dat sluit ook aan bij het feit dat beide partijen in de stukken steeds gesproken hebben over percentages ‘van de lidmaatschap
srechten’. [verweerder] heeft het beslag blijkens zijn vordering ook zo begrepen (hij heeft uitdrukkelijk opheffing voor 9% gevorderd). Hetzelfde geldt voor de voorzieningenrechter en het hof, terwijl ook [eiseres] zelf in hoger beroep nog uitsluitend heeft gerept van percentages van de lidmaatschap
srechten.
4.Bespreking van het middel in het incidentele beroep
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat met dit beroep een nieuwe grond tot vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter werd geïntroduceerd. Volgens het subonderdeel heeft [verweerder] zich tijdig op de verplichting van [eiseres] tot opheffing van het beslag op grond van art. A.3 van de vaststellingsovereenkomst beroepen in passages in twee eerdere processtukken, namelijk in zijn memorie van grieven en in de pleitnota in eerste aanleg van zijn advocaten.
Subonderdeel 2.2keert zich tegen de vaststelling van het hof in rov. 3.7 dat de passage in de memorie van grieven waarnaar subonderdeel 2.1 verwijst, niet voldoende duidelijk is als zelfstandige grond, want slechts een opmerking terzijde betreft in een betoog over een andere kwestie. Volgens het subonderdeel is deze vaststelling om een aantal redenen onjuist, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Die redenen behelzen, kort gezegd, dat die vaststelling in strijd is met devolutieve werking van het hoger beroep, gelet op het feit dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter heeft vernietigd, en dat de passage in de memorie van grieven duidelijk genoeg wél een grond voor vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter en integrale toewijzing van de vordering inhoudt.
[eiseres] will withdraw within five days from the signing of this agreement all actions brought against [verweerder] in France, Holland, Cyprus and Russia. (…)”
door de rechteren niet op opheffing van het beslag
door [eiseres] zelf, op grond van de ingeroepen bepaling.
appellantkan alleen van de zogeheten positieve zijde van die werking profiteren voor zover het gaat om door
gegrondegrieven ontsloten gebied. [29] Daarvan is bij het beroep op art. A.3 van de vaststellingsovereenkomst geen sprake, nu dat beroep onmiskenbaar geen betrekking heeft op het gebied dat is ontsloten door de door het hof in rov. 3.6 gedeeltelijk gegrond bevonden grieven 4, 7 en 8.
Subonderdeel 4.1klaagt dat het hof deze grieven ten onrechte niet heeft behandeld. Daartoe voert het subonderdeel aan dat met het oordeel van het hof in rov. 3.6 niet is beslist over de vraag of het beslag met betrekking tot 9% van de lidmaatschapsrechten dient te worden opgeheven omdat deze 9% aan de moeder van [verweerder] toekomen, zoals de grieven tot inzet hebben. Duidelijkheid hierover is volgens het middel van belang voor de procedure in Zwitserland, waarin de omvang en de verdeling van de huwelijksgemeenschap nog door de rechter dienen te worden vastgesteld. Aldus heeft het hof in strijd met art. 23 Rv Pro niet over deze extra delen van de grieven geoordeeld, althans is het met het onderdeel bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 4.2bevat geen klacht en behoeft daarom geen bespreking.