ECLI:NL:PHR:2023:532

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2023
Publicatiedatum
23 mei 2023
Zaaknummer
22/03214
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 RvArt. 768 RvArt. 769 RvArt. 770b lid 1 RvArt. 716 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt gedeeltelijke opheffing maritaal beslag op lidmaatschapsrechten Dilon

Partijen, voormalige echtelieden, zijn betrokken bij een echtscheidingsprocedure in Zwitserland waarbij de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap wordt vastgesteld. In Nederland legde [eiseres] maritaal beslag op 50% van de lidmaatschapsrechten van [verweerder] in de coöperatie Dilon. [verweerder] vorderde gedeeltelijke opheffing van het beslag tot 41%, aansluitend bij een Zwitserse rechterlijke uitspraak en een vaststellingsovereenkomst.

De voorzieningenrechter wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit vonnis en bepaalde dat het beslag slechts op 41% van de lidmaatschapsrechten mag rusten, en dat [verweerder] over 9% van de rechten mag beschikken. Het hof motiveerde dit met het doel en karakter van het maritaal beslag en de bescherming van de belangen van [eiseres].

De Hoge Raad oordeelt dat het maritaal beslag conservatoir is en gericht op het behouden van de gemeenschapsgoederen voor verdeling. Het kan gedeeltelijk worden opgeheven indien het beslag onnodig is. Het beroep op de tweeconclusieregel om een nieuwe grond te introduceren faalt. Ook het beroep op het gezag van gewijsde wordt verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht het beslag gedeeltelijk heeft opgeheven en verklaart het cassatieberoep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het maritaal beslag wordt beperkt tot 41% van de lidmaatschapsrechten, waarbij 9% wordt opgeheven.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03214
Zitting26 mei 2023
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[eiseres] ,
eiseres tot cassatie in het principale beroep, verweerster in het incidentele beroep,
advocaten: M.E. ten Brinke en T.T. van Zanten
tegen
[verweerder] ,
verweerder in cassatie in het principale beroep, eiser in het incidentele beroep,
advocaat: E.J.H. Zandbergen
Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] respectievelijk [verweerder] .

1.Inleiding

Partijen zijn gewezen echtelieden. Over hun echtscheiding en de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap is en wordt beslist door de Zwitserse rechter. Met het oog op de verdeling heeft [eiseres] in Nederland maritaal beslag gelegd op het lidmaatschap van [verweerder] in Dilon Coöperatief U.A. (hierna: Dilon), een coöperatie naar Nederlands recht. [verweerder] vordert in dit kort geding op diverse gronden opheffing van dit beslag. Het hof heeft deze vordering aldus toegewezen dat het [eiseres] heeft bevolen te gehengen en te gedogen dat [verweerder] over 9% van de lidmaatschapsrechten in Dilon beschikt. In het principale cassatieberoep voert [eiseres] onder meer aan dat dit oordeel in strijd komt met het doel en het karakter van het maritaal beslag. In het incidentele cassatieberoep betoogt [verweerder] onder meer dat het hof ten onrechte een grondslag van de vordering buiten beschouwing heeft gelaten op grond van de tweeconclusieregel.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
(i) Partijen zijn gehuwd geweest. Op 27 oktober 2017 is [eiseres] een echtscheidings- en verdelingsprocedure begonnen bij een rechtbank in Zwitserland, waar partijen woonachtig zijn. [eiseres] heeft in die procedure onder meer verzocht voorzieningen te treffen ter voorkoming dat [verweerder] het aanzienlijke vermogen van partijen verkoopt, bezwaart of vervreemdt.
(ii) [verweerder] en zijn broer bezaten in 2017 ieder 50% van de lidmaatschapsrechten van de coöperatie naar Nederlands recht Dilon, een onderneming gericht op de productie van onder meer staal, met name in Slovenië.
(iii) Op 2 november 2017 heeft [eiseres] , na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, maritaal beslag [2] laten leggen op de door [verweerder] gehouden 50% van de lidmaatschapsrechten in Dilon.
(iv) Naar aanleiding van de procedure in Zwitserland zijn partijen in onderhandeling getreden over onder meer de verdeling van de huwelijksgemeenschap, met als resultaat dat zij op 13 of 14 maart 2018 een overeenkomst getiteld ‘Convention’ (hierna: de vaststellingsovereenkomst) hebben gesloten, die – voor zover hier relevant – als volgt luidt:
“C. Partial divorce agreement
1. The marriage (…) between (…) [eiseres] (…) and (…) [verweerder] is dissolved by divorce.
(…)
D. Partial agreement for the liquidation of the matrimonial property regime
(…)
4. (…) [verweerder] will retain all of the interests (41%) it holds in Dilon (…) and will pay (…) [eiseres] an amount equal to the value of half (20.5%) of its holdings in return for (…) [eiseres] 's participation in the joint venture.
(…) [verweerder] will also pay (…) [eiseres] an additional amount corresponding to the value of half of the share (9%) of the shareholdings on which its mother has rights (repurchase, option or other), i.e. an amount corresponding to 4.5% of these shareholdings, unless (…) [verweerder] can demonstrate that his mother or late father has effectively exercised or retains the right to exercise his rights to the above-mentioned shares, or that these shares are not part of his acquests.
(…).
(...) [verweerder] formally undertakes not to dispose of its shareholdings in Dilon (…) until full payment of the amount due to (…) [eiseres] in connection with the claims of (…) [eiseres] in connection with this company.”
(v) De Zwitserse rechtbank heeft bij beslissing van 2 november 2018 het verzoek van [eiseres] om [verweerder] te verbieden tot vervreemding van de aandelen en activa van Dilon over te gaan toegewezen. In hoger beroep is door de Zwitserse Cour d'Appel Civile bij arrest van 19 december 2019 op dit punt onder meer het volgende overwogen:
“The weighing of the interests involved (...) the prohibition – accepted by the respondent ( [verweerder] ) – on disposing of (...) 41% of the shares in Dilon (...), appears to be sufficient to achieve the aim, namely the protection of the applicant's ( [eiseres] ) claim.”
Het tegen dit arrest door [eiseres] ingestelde beroep is op 29 april 2020 afgewezen.
2.2
[verweerder] heeft bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 4 september 2020 [eiseres] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. [verweerder] heeft gevorderd [eiseres] te gebieden het beslag gedeeltelijk op te heffen, in die zin dat het beslag zich beperkt tot 41% van de lidmaatschapsrechten en daarmee samenhangende baten en rechten in Dilon.
Aan deze vordering heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat de Zwitserse rechter in het hiervoor in 2.1 onder (v) genoemde arrest van 19 december 2019 uitsluitend heeft verboden om tot vervreemding van 41% van de lidmaatschapsrechten in Dilon over te gaan. Daaruit volgt dat het ter bescherming van de belangen van [eiseres] volstaat als het beslag beperkt wordt tot die 41%. Volgens [verweerder] is gedeeltelijke opheffing van het beslag aangewezen, omdat hij aan zijn moeder 9% van de lidmaatschapsrechten in Dilon moet overdragen. Volgens hem is in de vaststellingsovereenkomst, waarbij de huwelijksgemeenschap tussen partijen is verdeeld, ook rekening gehouden met dit recht van zijn moeder. [3]
2.3
Bij vonnis van 26 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening geweigerd. [4] Daartoe heeft zij in rov. 4.1 vooropgesteld dat een maritaal beslag is bedoeld om de goederen van de huwelijksgemeenschap bij elkaar te houden. Een beperking van het beslag vanwege een vorderingsrecht dat kleiner blijkt te zijn dan de helft van de waarde van de gemeenschappelijke goederen waarop het beslag ligt, past daarom naar haar oordeel niet in het systeem van het maritaal beslag. Dit bekent volgens haar dat een maritaal beslag alleen opgeheven dient te worden indien het op goederen ligt die niet (langer) gemeenschappelijk (blijken te) zijn.
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of het beslag moet worden beperkt tot 41% van de lidmaatschapsrechten in Dilon, van belang is of 50% of 41% van deze rechten tot de huwelijksgemeenschap behoren. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het belang van [verweerder] in Dilon 41% is, omdat aan zijn moeder 9% toekomt. Voorshands was naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet summierlijk gebleken dat het beslag ten onrechte ligt op 50%. Daarom kon van een opheffing van het beslag geen sprake zijn, naar haar oordeel (rov. 4.2).
2.4
[verweerder] heeft van het vonnis van de voorzieningenrechter hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. In hoger beroep heeft hij zijn eis gewijzigd, in die zin dat hij primair algehele en subsidiair gedeeltelijke opheffing van het beslag heeft gevorderd. [5]
2.5
Bij arrest van 5 juli 2022 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende [eiseres] bevolen te gehengen en te gedogen dat [verweerder] over 9% van de lidmaatschapsrechten beschikt. [6] Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, overwogen:
“3.3 De grieven 1 tot en met 8 strekken, vanuit verschillende invalshoeken, ten betoge dat:
(i) de huwelijksgemeenschap al is verdeeld met de (…) Vaststellingsovereenkomst (…) en dat een maritaal beslag alleen kan rusten op goederen van de huwelijksgemeenschap, zodat het maritaal beslag dient te worden opgeheven (…);
(…)
en meer subsidiair dat:
(iv) de Zwitserse Cour d'Appel Civile bij arrest van 19 december 2019 heeft geoordeeld dat een verbod tot vervreemding van 41% volstaat ter bescherming van de rechten van [eiseres] (grieven 4, 7 en 8);
(v) [verweerder] en [eiseres] bij het aangaan van de Vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen, althans voor ogen hadden, dat 9% van de door [verweerder] (al dan niet in gemeenschap met [eiseres] ) gehouden lidmaatschapsrechten in Dilon toekomen aan de moeder van [verweerder] , zodat in ieder geval het maritaal beslag op die 9% dient te worden opgeheven (grieven 1 en 2).
(…)
Ad (iv)
3.6
Het hof hecht evenwel waarde aan het oordeel van de Zwitserse Cour d'Appel Civile in haar arrest van 19 december 2019 dat een verbod tot vervreemding van 41% volstaat ter bescherming van de rechten van [eiseres] . [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat oordeel onjuist is, noch dat zij belang heeft bij handhaving van het beslag op meer dan dat aantal lidmaatschapsrechten. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen, dat een maritaal beslag geen verhaalsbeslag is en er alleen toe dient om de gemeenschap bij elkaar te houden. Dat neemt evenwel niet weg dat één of meer van een veelheid van in maritaal beslag genomen goederen kunnen worden vervreemd en met toestemming van de beslaglegger buiten de gemeenschap en uit het beslag kunnen komen te vallen. Het hof zal [eiseres] dan ook – uitvoerbaar bij voorraad – bevelen om te gehengen en te gedogen dat [verweerder] over 9% van de lidmaatschapsrechten beschikt. Een dwangsom acht het hof niet aangewezen. Het hiervoor gemelde betoog van [verweerder] onder (v) behoeft dan verder geen behandeling.
3.7
Bij pleidooi heeft [verweerder] betoogd dat [eiseres] met artikel A.3. van de Vaststellingsovereenkomst zich heeft verbonden om binnen vijf dagen alle “
actions” in te trekken (“
will withdraw”) in (Frankrijk, Cyprus, Rusland en) Nederland, en het beslag daarmee in strijd is. Dit betoog is evenwel in strijd met de tweeconclusieregel, omdat daarmee een nieuwe grond wordt geïntroduceerd ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. In de memorie van grieven heeft [verweerder] weliswaar artikel A.3. van de Vaststellingsovereenkomst gemeld en gesteld dat [eiseres] het beslag niet heeft opgeheven, maar als een terzijde opmerking (“
Overigens...”) ingebed in zijn betoog dat met de Vaststellingsovereenkomst de huwelijksgemeenschap was verdeeld. Aldus is niet voldoende duidelijk gemaakt dat dit beroep op artikel A.3. van de Vaststellingsovereenkomst gezien moet worden als een zelfstandige grond, los van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, en [eiseres] heeft daar ook niet in die zin op geantwoord. Het hof verwerpt dit betoog dan ook.”
2.6
[eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [7] [verweerder] heeft bij verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen en incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiseres] heeft bij verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep verzocht dat beroep te verwerpen. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiseres] heeft afgezien van repliek. [verweerder] heeft gedupliceerd.

3.Bespreking van het middel in het principale beroep

3.1
Het middel in het principale beroep bevat drie onderdelen. Deze worden hierna besproken in de volgorde waarin ze zijn aangevoerd.
Onderdeel 1; lidmaatschapsrechten van [verweerder] in Dilon
3.2
Onderdeel 1 is gericht tegen de vaststellingen van het hof in rov. 2.2 en 2.3 (hiervoor in 2.1 onder (ii) en (iii) weergegeven), waarin het hof rept van lidmaatschapsrechten (in meervoud). Het hof heeft in rov. 2.2 vastgesteld dat [verweerder] ‘50% van de lidmaatschapsrechten van (…) Dilon’ bezit, en in rov. 2.3 spreekt het van ‘de door [verweerder] gehouden 50% van de lidmaatschapsrechten in Dilon’. Onderdeel 1 bestrijdt deze vaststellingen met de klacht dat, voor zover het hof hiermee iets anders heeft bedoeld dan dat [verweerder] één lidmaatschapsrecht in Dilon bezit en dat daarop door [eiseres] beslag is gelegd, deze vaststellingen onbegrijpelijk zijn. Het onderdeel voert aan dat, hoewel ook door partijen in hun processtukken is gesproken over (het beslag op) ‘50% van de lidmaatschapsrechten’ in Dilon, beide partijen hebben toegelicht dat [verweerder] “slechts” één lidmaatschapsrecht in Dilon bezit en dat daarop beslag is gelegd. Voorts is volgens het onderdeel toegelicht dat in de boeken van Dilon een ledenrekening ten behoeve van [verweerder] wordt aangehouden, waarop op het moment van beslaglegging een bedrag stond van € 27.476.665 en dat dit correspondeert met een ‘Procentueel Belang’ van 50%, aangezien het saldo van de ledenrekeningen van alle leden tezamen op het moment van beslaglegging € 54.953.330,60 bedroeg. Dit is de reden waarom er gemakshalve ook wel werd gesproken over het op verzoek van [eiseres] gelegde beslag op de door [verweerder] gehouden 50% van de lidmaatschapsrechten, aldus nog steeds het onderdeel, onder verwijzing naar passages uit de processtukken in de voorgaande instanties.
3.3
Ik stel voorop dat het hof bij zijn vaststellingen niet voor niets spreekt van “lidmaatschap
srechten” (cursivering toegevoegd) en van 50% daarvan. Het heeft onmiskenbaar ook het oog op die uit het lidmaatschap voortvloeien. De voorwaarde die het onderdeel stelt met de passage vanaf “voor zover” is dus vervuld.
Het onderdeel faalt om meerdere redenen. In de eerste plaats berusten de vaststellingen in rov. 2.2 en 2.3 van het arrest van het hof op zijn vaststelling in rov. 2.1 dat dit de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten zijn en die feiten in hoger beroep niet in geschil zijn. Deze laatste vaststelling wordt door het middel niet bestreden. Reeds daarop moet het onderdeel stuklopen. Het hof had immers geen mogelijkheid om van de in hoger beroep vaststaande feiten af te wijken, althans voert het middel niet aan dat het hof daarvoor in dit geval grond had.
In de tweede plaats zijn de vaststellingen van het hof alleszins begrijpelijk. Blijkens het in eerste aanleg overgelegde verzoek tot verlof voor het maritaal beslag en het exploot waarbij het beslag is gelegd, heeft [eiseres] beslag doen leggen op “lidmaatschap
srechten” (opnieuw cursivering toegevoegd) die [verweerder] in Dilon heeft. [8] Vaststaat dat Dilon een coöperatie U.A. is als bedoeld in de art. 2:53 lid 1 en Pro 2:56 lid 1 BW, waarin rechten toekomen aan de leden, in dit geval dus, naar de vaststelling van het hof in rov. 2.2, [verweerder] en zijn broer. De statuten, reglementen en besluiten van de coöperatie regelen de vermogensrechten van de leden daarvan jegens de coöperatie, waaronder hun eventuele aanspraak op de middelen daarvan, in dit geval dus (onder meer) die op de in de boeken van Dilon aangehouden ledenrekening. [9] Klaarblijkelijk betreft het door [eiseres] gelegde maritale beslag mede deze aanspraak, gelet op het daarbij gebruikte begrip “lidmaatschap
srechten”. Dat sluit ook aan bij het feit dat beide partijen in de stukken steeds gesproken hebben over percentages ‘van de lidmaatschap
srechten’. [verweerder] heeft het beslag blijkens zijn vordering ook zo begrepen (hij heeft uitdrukkelijk opheffing voor 9% gevorderd). Hetzelfde geldt voor de voorzieningenrechter en het hof, terwijl ook [eiseres] zelf in hoger beroep nog uitsluitend heeft gerept van percentages van de lidmaatschap
srechten.
In de derde plaats is onduidelijk welk belang [eiseres] bij het onderdeel heeft. Zou immers alleen beslag liggen op het lidmaatschap als zodanig, zoals het onderdeel inhoudt, dan rust er niet, althans niet zonder meer, beslag op de ledenrekening (zie hierna in 3.11), terwijl het haar allicht (mede) om die rekening zal zijn te doen.
Overigens is [eiseres] er in eerste aanleg vanuit gegaan dat het lidmaatschap zelf mede de rechten op die rekening omvat. [10] Als die opvatting ook aan het onderdeel ten grondslag ligt, dan mist [eiseres] eveneens belang daarbij. Ook dan maakt hetgeen het onderdeel aanvoert, immers geen verschil voor de beslissing van het hof.
Onderdeel 2; doel en karakter maritaal beslag
3.4
Onderdeel 2 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.6 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat daarin het rechtskarakter van het maritaal beslag wordt miskend. Het maritaal beslag heeft volgens het onderdeel tot doel om de gemeenschap bij elkaar te houden, althans dient om de tot de gemeenschap behorende goederen voor de verdeling te behouden en wordt gelegd zonder dat het bedrag van de vordering van de beslagleggende echtgenoot dient te worden vastgesteld of het maximum daarvan moet worden geschat. Hiermee strookt niet dat de rechter in het kader van een opheffingsgeding ex art. 705 Rv Pro bevoegd zou zijn een maritaal beslag op een gemeenschapsgoed te beperken, indien hetgeen onder het beslag resteert, zou volstaan ter bescherming van de rechten van de beslagleggende echtgenoot.
3.5
Het maritaal beslag is een conservatoir beslag dat gelegd kan worden om te voorkomen dat gemeenschapsgoederen aan de verdeling van de gemeenschap kunnen worden onttrokken, welke verdeling volgt na een opheffing van een huwelijks goederengemeenschap, een echtscheiding of een ontbinding van een geregistreerd partnerschap. [11] Dit blijkt ook duidelijk uit de inhoud van de wettelijke regeling, die sinds 1995 is te vinden in de negende afdeling van titel 4 van Boek 3 Rv (de art. 768-770c Rv). Art. 768 lid 1 slot Pro Rv duidt het in genoemd geval te leggen beslag aan als conservatoir beslag. Art. 769 lid 1 Rv Pro verklaart de bepalingen over het conservatoir beslag tot verhaal van een geldvordering (onder meer de algemene bepalingen over het conservatoir beslag van de art. 700-710 Rv dus) in beginsel van overeenkomstige toepassing op het beslag. Voor de hand liggende uitzonderingen daarop die deze bepaling vermeldt, zijn dat geen vermelding van het bedrag wordt vereist waarvoor beslag wordt gelegd, [12] en dat als hoofdzaak geldt het verzoek tot opheffing van de gemeenschap respectievelijk tot echtscheiding, tot scheiding van tafel en bed of tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Het maritaal beslag kent geen executoriale fase. Het vervalt namelijk, voor zover hier van belang, als het beslagen goed aan de andere echtgenoot wordt toegedeeld (art. 770b lid 1 Rv), met andere woorden: dat goed is verdeeld. [13]
3.6
Uit de (hiervoor weergegeven) regeling van het maritaal beslag volgt dat dit beslag naar keuze van de beslagleggende echtgenoot of geregistreerd partner gelegd kan worden op alle goederen van de gemeenschap of slechts één of enkele daarvan. In dit geval is, voor zover blijkt, slechts beslag gelegd op de lidmaatschapsrechten in Dilon en dus niet op andere gemeenschapsgoederen.
Tot de in art. 769 lid 1 Rv Pro van toepassing verklaarde (algemene) bepalingen behoort art. 705 Rv Pro, dat de voorzieningenrechter de bevoegdheid geeft om het beslag geheel of gedeeltelijk op te heffen. Art. 705 lid 2 Rv Pro noemt – in een uitdrukkelijk niet-uitputtende opsomming (de bepaling spreekt van ‘onder meer’) [14] – onder meer als opheffingsgrond dat het onnodige van het beslag blijkt. Volgens de wetgever is ook “een belangrijke opheffingsgrond gelegen in de afweging of de belangen van de beslaglegger voldoende zwaar wegen om de gevolgen van het beslag (blokkering van de door dat beslag getroffen vermogensbestanddelen) te rechtvaardigen”, [15] welke grond niet in art. 705 lid 2 Rv Pro wordt genoemd. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de rechter die over een opheffingsverzoek heeft te oordelen een dergelijke belangenafweging dient te maken, ook als zich een van de in art. 705 lid 2 Rv Pro genoemde opheffingsgronden voordoet. [16] De belangenafweging kan ook meebrengen dat het beslag gedeeltelijk wordt opgeheven. [17]
3.7
De mogelijkheid om een maritaal beslag gedeeltelijk op te heffen bestond overigens al vóór 1992 in de regeling van het maritaal beslag in Rv. Art. 808h Rv oud gaf de president daartoe uitdrukkelijk de bevoegdheid (en ook om verlof te geven het maritaal beslagen goed tussentijds te vervreemden, bezwaren, verhuren of te verpachten). De regeling van het maritaal beslag is gewijzigd in 1992 bij de invoeringswetten Boeken 3, 5 en 6 BW. Art. 808h Rv oud is toen vrijwel ongewijzigd vernummerd tot art. 808g Rv oud. [18] Uiteindelijk is de regeling van het maritaal beslag opnieuw vastgesteld bij wet 7 juli 1994, die de hiervoor in 3.5 al genoemde, nu geldende is. [19] De bepaling van art. 808g Rv oud is daarbij niet teruggekeerd, omdat zij gelet op de toepasselijk verklaring van art. 705 Rv Pro in art. 769 lid 1 Rv Pro overbodig was geworden. [20]
3.8
Uit het voorgaande volgt dat een maritaal beslag niet op alle goederen van de gemeenschap behoeft te worden gelegd en dat een gelegd maritaal beslag eventueel gedeeltelijk kan worden opgeheven, onder meer op grond van het onnodig zijn van het beslag en op grond van een belangenafweging. Dat betekent dat het onderdeel faalt. Het neemt allereerst, met de voorzieningenrechter (rov. 4.1) en het hof (rov. 3.6), ten onrechte tot uitgangspunt dat het maritaal beslag ertoe dient om ‘om de gemeenschap bij elkaar te houden’. Het beslag kan immers eventueel slechts gelegd worden op één van de gemeenschapsgoederen en uit het voorgaande volgt dat het maritaal beslag (slechts) tot strekking heeft om het beslagen, tot de gemeenschap behorende goed voor de verdeling te behouden. [21]
Uit het voorgaande volgt voorts dat het karakter en het doel van het maritaal beslag, anders dan het onderdeel aanvoert, niet in de weg staan aan de door het hof gegeven beslissing. Integendeel, op grond van de vaststelling van het hof in rov. 3.6 – die erop neerkomt dat op de 9% van de lidmaatschapsrechten in Dilon geen beslag nodig is, omdat blokkering van de mogelijkheid van vervreemding en bezwaring van 41% van die rechten volstaat ter bescherming van de rechten van [eiseres] [22] – heeft het hof zeer wel tot die beslissing kunnen komen. Uitgaande van die vaststelling valt immers niet in te zien waarom het beslag op die 9% gehandhaafd zou moeten worden.
3.9
Kennelijk is het hof onzeker geweest over de door hem gehanteerde grond, wat niet onbegrijpelijk is, gelet op de door hem aangenomen, hiervoor besproken ratio van het maritaal beslag. Het hof heeft immers het beslag niet met zoveel woorden ex art. 705 lid 2 Rv Pro gedeeltelijk opgeheven, maar in rov. 3.6 eerst iets overwogen over toestemming die [eiseres] zou moeten geven voor een vervreemding en onttrekking aan het beslag, en daarna geoordeeld en bij dictum beslist dat [eiseres] ‘moet gehengen en gedogen dat [verweerder] over 9% van de lidmaatschapsrechten beschikt’. Daarmee heeft het hof echter kennelijk toch bedoeld – hetgeen ook het onderdeel tot uitgangspunt lijkt te nemen – om aansluiting te zoeken bij art. 705 lid 2 Rv Pro. Voor de beoordeling van het middel is dit niet van belang.
Onderdeel 3; geen opheffing voor 9% mogelijk?
3.1
Onderdeel 3 komt eveneens op tegen rov. 3.6. Het klaagt onder 2.6 van de procesinleiding dat het oordeel van het hof dat het [eiseres] zal bevelen om te gehengen en te gedogen dat [verweerder] over 9% van de lidmaatschapsrechten beschikt, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt of zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat [verweerder] slechts één lidmaatschapsrecht bezit en dat het beslagobject is waarop het maritaal beslag is gelegd. Nu het beslag is gelegd op een lidmaatschapsrecht en niet op een (eventuele) vordering uit hoofde van de ledenrekening of op het Procentueel Belang, welk Procentueel Belang bovendien aan wijzigingen onderhevig is, is onjuist of ontoelaatbaar onduidelijk dat [eiseres] is bevolen om te gehengen en te gedogen dat [verweerder] over ‘9% van de lidmaatschapsrechten’ beschikt. Onder 2.7 voert het onderdeel aan dat het voorgaande ook geldt als moet worden aangenomen dat het gelegde maritaal beslag tevens rust op een (eventuele) vordering uit hoofde van de ledenrekening of het Procentueel Belang, omdat het beslag op een lidmaatschapsrecht op grond van art. 717 jo Pro. 716 Rv (jo. 714 jo. 474b lid 1 Rv) rust op alle daaraan verbonden baten en het beslag op die baten niet gedeeltelijk kan worden beperkt.
3.11
Dit onderdeel bouwt goeddeels voort op onderdeel 1 van het middel en faalt dus om dezelfde redenen. Het beroep dat het onderdeel onder 2.7 doet op art. 717 lid 2 Rv Pro faalt reeds omdat het onderdeel geen vindplaatsen noemt waar is aangevoerd dat de onderhavige lidmaatschapsrechten voor vervreemding vatbaar zijn en dat de ingeroepen bepalingen van art. 716 en Pro 717 Rv dus van toepassing zijn. Evenmin vermeldt het onderdeel vindplaatsen waar is aangevoerd dat de in het onderdeel genoemde lidmaatschapsrechten baten zijn als bedoeld in art. 714 en Pro 716 Rv. Kennelijk gaat het dus om nova in cassatie, die in verband met hun deels feitelijke karakter in cassatie niet toelaatbaar zijn. Althans voldoet het middel op dit punt niet aan de daaraan te stellen eisen, nu de genoemde vindplaatsen daarin ontbreken.
Overigens is de stelling van de klacht onder 2.7 dat een beslag op genoemde baten niet gedeeltelijk kan worden beperkt, ongegrond. Art. 705 lid 2 Rv Pro maakt immers in beginsel iedere beperking van het beslag mogelijk. Niet valt in te zien dat de opheffing die het hof heeft uitgesproken (voor 9% van de rechten), niet zou zijn toe te laten op grond van de door het onderdeel ingeroepen bepalingen. [23]
Slotsom
3.12
Het middel is dus ongegrond. Het beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.

4.Bespreking van het middel in het incidentele beroep

4.1
Het middel in het incidentele beroep bevat vijf onderdelen. Het vijfde onderdeel bevat slechts een voortbouwklacht en behoeft daarom geen bespreking. [24] De andere onderdelen worden hierna besproken in de aangevoerde volgorde.
Onderdeel 1; maritaal beslag niet nodig?
4.2
Onderdeel 1 betoogt dat het onbegrijpelijk is dat het hof niet heeft onderzocht of het maritaal beslag volledig kan komen te vervallen, gezien (i) de waarde die het hof in rov. 3.6 heeft toegekend aan het oordeel van de Zwitserse rechter dat een verbod tot vervreemding van 41% volstaat ter bescherming van de rechten van [eiseres] en (ii) de vaststelling van het hof in rov. 3.6 dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit oordeel onjuist is, noch dat zij belang heeft bij handhaving van het beslag op meer dan 41%. Het hof laat het maritaal beslag op de 41% immers in stand, zonder te beoordelen of een en ander al dan niet tot gevolg dient te hebben dat het maritaal beslag ten aanzien van alle lidmaatschapsrechten dient te vervallen, omdat louter een verbod tot vervreemding blijkbaar voldoende de rechten van [eiseres] beschermt, aldus het onderdeel.
4.3
Dit onderdeel faalt reeds omdat [verweerder] niet aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat het beslag moet worden opgeheven omdat het Zwitserse verbod tot vervreemding van 41% volstaat. [25] Het onderdeel vermeldt althans geen vindplaatsen waar dit is gebeurd, zodat het in elk geval niet voldoet aan de aan een middel te stellen eisen. Overigens valt niet in te zien dat het maritaal beslag niets toevoegt aan het Zwitserse verbod, zoals aan het onderdeel ten grondslag lijkt te liggen. Een beslag heeft immers ‘zaaksgevolg’ en leidt tot relatieve nietigheid van eventuele in weerwil daarvan gedane betalingen, waaraan [eiseres] meer heeft dan aan een verbod, dat zich uitsluitend tegen [verweerder] richt en geen werking heeft tegen derden.
Onderdeel 2; nieuwe grief bij pleidooi?
4.4
Onderdeel 2 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat het beroep dat [verweerder] bij pleidooi in hoger beroep heeft gedaan op art. A.3. van de vaststellingsovereenkomst, waarbij [eiseres] zich heeft verbonden om binnen vijf dagen alle “actions” in te trekken (“will withdraw”) in onder meer Nederland, in strijd is met de tweeconclusieregel.
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat met dit beroep een nieuwe grond tot vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter werd geïntroduceerd. Volgens het subonderdeel heeft [verweerder] zich tijdig op de verplichting van [eiseres] tot opheffing van het beslag op grond van art. A.3 van de vaststellingsovereenkomst beroepen in passages in twee eerdere processtukken, namelijk in zijn memorie van grieven en in de pleitnota in eerste aanleg van zijn advocaten.
Subonderdeel 2.2keert zich tegen de vaststelling van het hof in rov. 3.7 dat de passage in de memorie van grieven waarnaar subonderdeel 2.1 verwijst, niet voldoende duidelijk is als zelfstandige grond, want slechts een opmerking terzijde betreft in een betoog over een andere kwestie. Volgens het subonderdeel is deze vaststelling om een aantal redenen onjuist, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Die redenen behelzen, kort gezegd, dat die vaststelling in strijd is met devolutieve werking van het hoger beroep, gelet op het feit dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter heeft vernietigd, en dat de passage in de memorie van grieven duidelijk genoeg wél een grond voor vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter en integrale toewijzing van de vordering inhoudt.
4.5
Het onderdeel gaat terecht uit van de gelding van de tweeconclusieregel, die inhoudt dat de gronden voor vernietiging van de uitspraak in eerste aanleg (de grieven dus) moeten worden aangevoerd bij de eerste conclusie van partijen in hoger beroep (de memories van grieven en antwoord dus). [26] Voor grieven geldt volgens vaste rechtspraak de eis dat deze de bezwaren tegen de bestreden uitspraak voldoende duidelijk naar voren brengen. De appellant zal de rechter en de wederpartij voldoende duidelijk moeten maken waar de strijd in hoger beroep over gaat. Jegens de wederpartij geldt dit omdat zij zich tegen het appel moet kunnen verweren (het verdedigingsbeginsel). Bij de uitleg van grieven kan dan ook mede een rol spelen de wijze waarop de verweerder de grieven, blijkens zijn reactie daarop, heeft begrepen. De uitleg van grieven geldt in cassatie als van feitelijke aard en kan dus alleen op begrijpelijkheid worden onderzocht. [27]
4.6
Dat het hof geen voldoende duidelijke grief heeft gelezen in de passage in de memorie van grieven waarnaar het in rov. 3.7 verwijst en die het onderdeel inroept, is niet onbegrijpelijk. In de memorie heeft [verweerder] , zoals het hof overweegt in rov. 3.7, de algehele opheffing van het beslag gevorderd omdat de huwelijksgemeenschap al bij de vaststellingsovereenkomst is verdeeld, welke grondslag het hof in rov. 3.4 onjuist oordeelt (in cassatie niet bestreden). Aan het slot van het hierop gerichte betoog in hoofdstuk 6 van de memorie volgt in dat hoofdstuk de passage waar het hier om gaat:
“6.8 Overigens heeft [eiseres] bij Vaststellingsovereenkomst daarnaast de volgende verplichting op zich genomen (vgl. art. A.3. Vaststellingsovereenkomst):

[eiseres] will withdraw within five days from the signing of this agreement all actions brought against [verweerder] in France, Holland, Cyprus and Russia. (…)
6.9
Het op verzoek van [eiseres] reeds op 2 november 2017, dus vóór het aangaan van de Vaststellingsovereenkomst, ten laste van [verweerder] gelegde beslag heeft zij echter in strijd met deze verplichting nooit opgeheven, althans laten doen opheffen.”
Hoofdstuk 6 van de memorie (dus 6.1-6.9 van die memorie, waarvan 6.1-6.7 het betoog bevatten dat de huwelijksgemeenschap al bij de vaststellingsovereenkomst is verdeeld), wordt hierna afgesloten met het formuleren van de volgende – op hoofdstuk 6 als geheel gegronde – grief en slotopmerking:
“GRIEF 5 – de Rechtbank overwoog dan ook ten onrechte in rov. 4.2. Vonnis, waarbij volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de vordering van [verweerder] zich in eerste aanleg beperkte tot gedeeltelijke opheffing: “Onder deze omstandigheden kan van een gedeeltelijke opheffing geen sprake zijn.”
6.1
[verweerder] vordert in dit hoger beroep dan ook primair de algehele opheffing van het beslag. Deze gewijzigde eis wordt in Onderdeel 10 hierna geformuleerd.”
4.7
Zoals het hof vaststelt, heeft [eiseres] in de passage onder 6.8 en 6.9 van de memorie die het onderdeel inroept, geen grief gelezen. [28] Het hof heeft, in aansluiting daarop, de passage “niet voldoende duidelijk” geoordeeld als grief. Het stelt vast dat de passage (slechts) een opmerking terzijde inhoudt. Dat is niet onbegrijpelijk omdat de memorie van grieven zich inderdaad zo laat lezen: de passage mondt niet uit in een duidelijke aparte grief – zoals elders in de memorie geformuleerd – en sluit ook niet aan op de ingestelde vordering, die immers gericht is op opheffing van het beslag
door de rechteren niet op opheffing van het beslag
door [eiseres] zelf, op grond van de ingeroepen bepaling.
Wat betreft de toetsing op begrijpelijkheid van de uitleg van het hof is daarmee de kous af. De diverse argumenten die subonderdeel 2.2 naar voren brengt, miskennen alle dat het oordeel van het hof van feitelijke aard is en dus niet op juistheid kan worden onderzocht in cassatie. Anders en misschien duidelijker gezegd: het gaat om een oordeel dat geheel is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en waarin de Hoge Raad dus niet treedt. De argumenten van het subonderdeel zijn (bij lange na) niet voldoende om het oordeel van het hof onbegrijpelijk te maken. Van onbegrijpelijkheid is slechts sprake als de feitenrechter niet – in de zin van onmogelijk – tot zijn oordeel heeft kunnen komen.
4.8
Omdat het oordeel van het hof inhoudt dat [verweerder] op het onderhavige punt niet naar behoren heeft gegriefd in zijn memorie van grieven, is de passage in de pleitnota in eerste aanleg waarnaar subonderdeel 2.1 verwijst, niet relevant. Overigens versterkt die passage alleen maar de indruk dat het bij het beroep op art. A.3 van de vaststellingsovereenkomst slechts gaat om een opmerking terzijde en niet om een zelfstandige grond voor de vordering. Onder het kopje ‘Belangenafweging in het voordeel van [verweerder] ’ staat daar namelijk te lezen:
“3.2 Op grond van de verdeling kwamen de lidmaatschapsrechten in Dilon aan [verweerder] toe, maar daar rust nog steeds het op verzoek van [eiseres] gelegde beslag op.
3.3
Dit, terwijl [eiseres] zich er bij Vaststellingsovereenkomst toe heeft verbonden om binnen vijf dagen na de ondertekening hiervan alle tegen [verweerder] ingestelde gerechtelijke acties te beëindigen (vgl. art. A.3. Vaststellingsovereenkomst).
3.4
Ten aanzien van de in de eis in de hoofdzaak gevorderde provisionele voorzieningen is
de belangenafweging al door het Zwitserse Gerechtshof gemaakt. (…)” enz.
4.9
Het beroep dat subonderdeel 2.2 tot slot doet op de devolutieve werking van het hoger beroep, is eveneens ongegrond. De
appellantkan alleen van de zogeheten positieve zijde van die werking profiteren voor zover het gaat om door
gegrondegrieven ontsloten gebied. [29] Daarvan is bij het beroep op art. A.3 van de vaststellingsovereenkomst geen sprake, nu dat beroep onmiskenbaar geen betrekking heeft op het gebied dat is ontsloten door de door het hof in rov. 3.6 gedeeltelijk gegrond bevonden grieven 4, 7 en 8.
4.1
Ook onderdeel 2 faalt dus.
Onderdeel 3; beroep op gezag van gewijsde
4.11
Onderdeel 3 komt op tegen het passeren door het hof van het door [verweerder] bij memorie van grieven gedane beroep op het gezag van gewijsde van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2020. In dat vonnis – dat is gewezen in een door [eiseres] geëntameerde procedure tot erkenning ex art. 431 lid 2 Rv Pro (verkapte exequatur) van een uitspraak van de Zwitserse rechtbank van 2 november 2018, op een incidentele vordering tot onbevoegd verklaring van de Nederlandse rechter van [verweerder] –, heeft de rechtbank bij de feiten vastgesteld dat ‘tot de gemeenschap behoort 41% van de lidmaatschapsrechten van Dilon, waarvan [verweerder] tevens enig bestuurder en voorzitter is.’ [30] Volgens het onderdeel staat met dit vonnis met gezag van gewijsde tussen partijen vast dat de huwelijksgemeenschap 41% en geen 50% van de lidmaatschapsrechten bevat en dat de 9% van de lidmaatschapsrechten hier dus geen onderdeel van uitmaken en dus niet kunnen worden getroffen door een maritaal beslag.
4.12
Dit onderdeel faalt om meerdere redenen. In de eerste plaats maakt het beroep op het gezag van gewijsde deel uit van grief 1 van [verweerder] , [31] welke grief het hof aan het slot van rov. 3.6 uitdrukkelijk niet behandelt omdat dit, gelet op het eerder in rov. 3.6 overwogene, niet nodig is. Het beroep op het gezag van gewijsde heeft het hof dus niet (ongemotiveerd) gepasseerd, zoals het onderdeel wil, maar buiten behandeling gelaten, omdat het geen behandeling behoeft. Dat oordeel is alleszins begrijpelijk. Dat slechts 41% van de lidmaatschapsrechten in Dilon in de huwelijksgemeenschap valt, voegt immers niets toe aan het oordeel van het hof dat ten aanzien van het meerdere, de 9% waarop zijn beslissing ziet, het beslag kan worden opgeheven. Om dezelfde reden mist [verweerder] ook belang bij het onderdeel. Het kan niet leiden tot een andere beslissing (bij dictum).
Overigens is het beroep op het gezag van gewijsde van het vonnis evident ongegrond. Vaste rechtspraak is dat gezag van gewijsde uitsluitend toekomt aan overwegingen die dragend zijn voor het dictum van de uitspraak. [32] De vaststelling in het vonnis van de rechtbank die door [verweerder] wordt ingeroepen, is dat onmiskenbaar niet.
Onderdeel 4; belang bij behandeling grieven 1 en 2?
4.13
Onderdeel 4 komt op tegen het oordeel van het hof aan het slot van rov. 3.6 dat erop neerkomt dat de grieven 1 en 2 van [verweerder] geen behandeling behoeven, gelet op hetgeen het hof eerder in rov. 3.6 overweegt.
Subonderdeel 4.1klaagt dat het hof deze grieven ten onrechte niet heeft behandeld. Daartoe voert het subonderdeel aan dat met het oordeel van het hof in rov. 3.6 niet is beslist over de vraag of het beslag met betrekking tot 9% van de lidmaatschapsrechten dient te worden opgeheven omdat deze 9% aan de moeder van [verweerder] toekomen, zoals de grieven tot inzet hebben. Duidelijkheid hierover is volgens het middel van belang voor de procedure in Zwitserland, waarin de omvang en de verdeling van de huwelijksgemeenschap nog door de rechter dienen te worden vastgesteld. Aldus heeft het hof in strijd met art. 23 Rv Pro niet over deze extra delen van de grieven geoordeeld, althans is het met het onderdeel bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 4.2bevat geen klacht en behoeft daarom geen bespreking.
4.14
[verweerder] mist bij dit onderdeel belang om dezelfde reden als hij belang mist bij onderdeel 3 (zie hiervoor in 4.12). Het onderdeel ziet dat belang kennelijk in de Zwitserse procedure. Daarmee ziet het onderdeel er echter aan voorbij dat het belang bij een procedure alleen gelegen kan zijn in de bij dictum te verkrijgen beslissing over de vordering en de proceskosten en, onder omstandigheden, in de overwegingen van de uitspraak waarop het dictum berust, die als gezegd gezag van gewijsde kunnen krijgen. [33] Met de beslissing van het hof die neerkomt op opheffing voor 9% omdat [eiseres] geen belang heeft bij een meer omvangrijk beslag, heeft [verweerder] als gezegd in deze procedure geen belang meer bij een oordeel over de vraag of die 9% al dan niet deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap. Had [verweerder] een bindend oordeel van de Nederlandse rechter hierover willen hebben, dan had hij – gesteld dat de Nederlandse rechter op dit punt bevoegd is, wat volgens mij niet het geval is – een daarop gerichte verklaring voor recht moeten vorderen, wat alleen in een bodemprocedure mogelijk is en niet in (dit) kort geding. [34]
Het beroep op art. 23 Rv Pro – dat bepaalt dat de rechter beslist over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht – faalt, omdat die bepaling, zoals uit de tekst ervan al blijkt, ziet op vorderingen en verzoeken, en dus niet op grieven. Het hof heeft bovendien uitdrukkelijk op de grieven 1 en 2 beslist (zie opnieuw hiervoor in 4.12), zij het dus niet naar de zin van [verweerder] .
Slotsom
4.15
Ook het middel in het incidenteel beroep is ongegrond. Ook dit beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. rov. 2.1-2.5 van het arrest van het hof.
2.Voorzieningenrechter en hof spreken van ‘conservatoir maritaal beslag’, maar dat is dubbelop, omdat een maritaal beslag alleen conservatoir kan zijn (zie hierna in deze conclusie).
3.Vgl. de vaststellingen in rov. 3.1-3.2 van het vonnis van de voorzieningenrechter.
4.Het vonnis is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
5.Zie de vaststelling in rov. 1 van het arrest van het hof. Blijkens de memorie van grieven is de eisvermeerdering gegrond op de aangevoerde grieven, waarvan het hof de inhoud vaststelt in de hierna in 2.5 te citeren rov. 3.3 van zijn arrest.
6.Het arrest is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
7.De procesinleiding is op 29 augustus 2022 ingediend bij de Hoge Raad. Op grond van de art. 402 leden Pro 1 en 2 jo 339 lid 2 Rv bedraagt de termijn voor het instellen van cassatieberoep in kort geding acht weken, te rekenen van de dag van de uitspraak.
8.Het verzoek is door [verweerder] overgelegd als productie 1 bij de inleidende dagvaarding en het exploot als productie 16 bij akte ter zitting in eerste aanleg. In het verzoek (het beslagrekest) wordt consequent gerept van “lidmaatschapsrechten”.
9.De wet geeft de leden van de vereniging en de coöperatie slechts stem- en vergaderrecht. Andere rechten, waaronder financiële rechten, moeten dus worden toegekend door statuten, reglementen en besluiten. Vgl. kort Asser/Rensen 2-III 2022/49. Zie meer uitvoerig Van Dijk/Van der Ploeg, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 162 en 166-169.
10.Pleitnota eerste aanleg onder 6-8.
11.Zie Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 352 (“Dit beslag wordt (…) gelegd tot bescherming van de rechten die de beslagleggende echtgenoot toekomen terzake van de verdeling van de gemeenschap, die eerst na de opheffing van de gemeenschap aan de orde kan komen”). Zie aldus ook de handboeken, bijv. Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/83, A.I.M. van Mierlo, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 768 Rv Pro, aant. 2, en Hugenholtz-Heemskerk, nr. 289. Zie voor een beschrijving van de geschiedenis van het maritaal beslag vanaf de invoering daarvan bij de Lex Hartogh tot 1992, M.L. Tuil, Verdelingsbeslagen: een studie naar het deelgenotenbeslag en het maritaal beslag, diss. 2009, p. 240-242.
12.Die eis past niet bij het maritaal beslag. Zie aldus Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 354. Bij het conservatoir beslag tot verhaal van een geldvordering geldt die eis opdat voor alle belanghebbenden – waaronder ook andere schuldeisers – duidelijk is voor welk bedrag verhaal wordt gezocht.
13.Zie bijvoorbeeld de in voetnoot 11 genoemde handboeken.
14.Zie ook de toelichting op de bepaling, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 313-314, waar wordt gesproken van een “niet-limitatieve opsomming”.
15.Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 314.
16.Zie HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, NJ 1997/481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruijterij/MBO-Ruiters), rov. 3.3, HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559, NJ 2007/483, m.nt. H.J. Snijders ( […] / […] ), rov. 3.4-3.7, HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074, NJ 2017/155, m.nt. A.I.M. van Mierlo ( […] /Nidera), rov. 3.8 en HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599, NJ 2020/151 (Econocom/Intralot), rov. 3.2-3.3. Zie over deze belangenafweging ook Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/396 en A.I.M. van Mierlo, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 705 Rv Pro, aant. 5.
17.Zie uitdrukkelijk HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0347, NJ 2004/557 m.nt. H.J. Snijders (De Ontvanger/Heemhorst), rov. 3.9.
18.Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 356.
19.Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994/570.
20.Zie aldus met zoveel woorden de toelichting, Kamerstukken II 1991/92, 22487, nr. 3, p. 16, ad Artikel III, onderdeel F.
21.De vaststelling van de strekking van het maritaal beslag door voorzieningenrechter en hof valt mogelijk terug te voeren op de vermelding in T&C Rv, commentaar op afd. Negende Afdeling [titel 4, Boek 3] Rv, aantek. 3, waar, zonder toelichting, wordt opgemerkt: “Het beslag (…) beoogt louter de gemeenschappelijke goederen bijeen te houden.” Een dergelijke beschrijving ben ik elders niet tegen gekomen. In T&C Rv worden overigens geen gevolgen aan deze beschrijving verbonden (dus niet het gevolg dat de voorzieningenrechter en het subonderdeel daaraan verbinden). Mogelijk gaat het dus om een verschrijving.
22.Waarmee het hof klaarblijkelijk bedoelt, net als de Zwitserse rechter naar wiens oordeel het hof in rov. 3.6 verwijst, de rechten van [eiseres]
23.Noch het middel, noch de namens [eiseres] gegeven schriftelijke toelichting bevat op dit punt enig nader argument of een verwijzing.
24.Dergelijke klachten zijn onnodig. Zie mijn conclusie in zaak 21/04365, ECLI:NL:PHR:2022:842, onder 3.22, met verdere verwijzingen.
25.Zie aldus ook de schriftelijke toelichting namens [eiseres] onder 3.3.
26.Zie over de tweeconclusieregel bijvoorbeeld Hugenholtz-Heemskerk, nr. 164, en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/90a en 106.
27.Vgl. voor een en ander bijvoorbeeld Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/117-121, met vermelding van rechtspraak. Zie voorts onder meer HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:505, NJ 2019/158, rov. 3.3.2, met vermelding van eerdere arresten.
28.Vgl. haar memorie van antwoord onder 4.3.
29.Zie over dit aspect van de devolutieve werking bijvoorbeeld Hugenholtz-Heemskerk, nr. 163, en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/125.
30.Het vonnis is overgelegd als productie 15 bij de inleidende dagvaarding en op rechtspraak.nl gepubliceerd als ECLI:NL:RBDHA:2020:6852.
31.Zie de passage in de memorie van grieven waarnaar het onderdeel verwijst.
32.Zie onder meer HR 20 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4740, NJ 1987/295, HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, NJ 2022/129, rov. 3.1.3, en HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683, NJ 2022/183, rov. 3.1.2.
33.Vgl. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/50 en B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019, par. 5.16.
34.Zie recent HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:503.