2.4In zijn arrest heeft het hof onder het kopje “Bewijswaardering” het volgende overwogen:
De verdachte wordt verweten dat hij drie minderjarige meisjes seksueel heeft misbruikt. Het gaat om (…) en [aangeefster 3] (geboren op [geboortedatum] 1986). Zij zullen in het vervolg (ook) bij hun voornaam worden geduid.
Het misbruik zou volgens de tenlastelegging hebben plaatsgevonden in de volgende perioden:
(…)
(…)
[aangeefster 3] : 1 januari 1995 tot en met 24 december 2002.
De drie vrouwen hebben in de eerste helft van 2018 aangifte gedaan.
De verdachte ontkent al hetgeen hem wordt verweten. Zijn raadsman heeft namens hem een integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd. De door aangeefsters afgelegde verklaringen zijn onbetrouwbaar en mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Onder meer wordt gewezen op het (zeer) lange tijdsverloop sinds het vermeende misbruik en de eerste politiecontacten (met alle bewijsrisico's van dien). Verder is aannemelijk, maar kan in elk geval zeker niet worden uitgesloten, dat de aangeefsters – al dan niet onbewust – zijn beïnvloed door derden.
Subsidiair is betoogd dat het wettelijk vereiste bewijsminimum ten aanzien van geen van de feiten wordt bereikt. De verklaringen van aangeefsters worden onvoldoende gesteund door (onafhankelijke) andere bewijsmiddelen. Daarnaast is een zogenaamde schakelbewijs-constructie in deze strafzaak, zoals de rechtbank die heeft gehanteerd, onjuist, aldus de verdediging.
Het hof zal nu overgaan tot een beoordeling. Allereerst zal de inhoud van de verklaringen van aangeefsters worden geschetst. Daarbij wordt grotendeels aangesloten bij de – niet weersproken – weergave zoals vastgelegd door de rechtbank. Vervolgens zal een betrouwbaarheidsoordeel worden gevormd. Voor zover daarna aan de orde zal (per feit) worden beoordeeld of er voldoende steunbewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
De door de verdediging gevoerde verweren zijn veelal toegespitst op de verklaringen in gezamenlijkheid. Om die reden zal het hof – tussentijds – die verklaringen op een overkoepelende wijze benaderen en bespreken.
De verklaringen van de aangeefsters
[aangeefster 3]heeft op 8 juli 2018, na een informatief gesprek met de zedenrechercheurs, aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door de verdachte. Zij heeft verklaard dat de verdachte, haar toenmalige stiefvader bij wie ze in huis woonde, toen zij 11 jaar oud (1997) was en tot zij 16 jaar oud was, meermalen bij haar in bed kwam liggen. Ze wist niet meer van alle keren wanneer het precies was, maar zij kon zich twee specifieke momenten nog goed herinneren. De eerste keer ging het om tongzoenen. De verdachte lag toen met zijn lichaam tegen haar aan. De tweede keer lag de verdachte bij haar in het stapelbed en stimuleerde hij met een van zijn vingers haar clitoris. Van de andere keren kon ze zich niet goed herinneren wat er was gebeurd, maar wel dat de verdachte naast haar lag als ze wakker werd. Ze vermoedt dat de verdachte meerdere keren slaapmiddelen in haar eten heeft gedaan.
Inleidende opmerkingen rondom de betrouwbaarheid
Het hof stelt allereerst vast, daarbij het bovengeschetste in ogenschouw nemende, dat aangeefsters op essentiële onderdelen over het door hen gestelde misbruik gedetailleerd en consistent hebben verklaard.
Dat zulks niet het geval zou zijn, is overigens ook niet gesteld door de verdediging. De drie aangeefsters benoemen ieder voor zich specifieke en significante details, hetgeen sterk bijdraagt aan de authenticiteit, en daarmee ook aan de betrouwbaarheid, van die verklaringen.
Een relevante omstandigheid is dat gesteld noch gebleken is dat aangeefsters enig motief zouden hebben gehad om in strijd met de waarheid te verklaren. Voor zover van belang heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, daartoe expliciet bevraagd, een dergelijk motief niet kunnen benoemen. Zo heeft hij verklaard dat er geen ruzie is geweest met aangeefsters of hun (directe) familieleden.
Aanvullend zal het hof nu ingaan op een aantal omstandigheden, al dan niet door derden bevestigd, betreffende de individuele aangeefsters.
heeft verklaard dat zij haar moeder ( [betrokkene 1] ) heeft verteld dat de verdachte bij haar in bed kwam liggen en met haar had getongzoend. Haar moeder zou de verdachte toen hebben geconfronteerd. Dat leidde tot een ruzie waarbij de verdachte het allemaal ontkende.
[betrokkene 1] heeft deze lezing op hoofdlijnen bevestigd tegenover de politie. Zo had [aangeefster 3] tegen haar gezegd dat de verdachte in haar kamer was geweest. Daarop had zij tegen haar gezegd haar bed voor de deur te zetten zodat die niet meer open kon, om te voorkomen dat de verdachte dingen zou doen die hij niet mocht doen, "handtastelijkheid". [aangeefster 3] heeft daarover tegenover de rechter-commissaris verklaard dat haar moeder eerst tegen haar gezegd had dat ze vuilniszakken met wasgoed tegen haar deur moest zetten, maar dat dit niet hielp en dat haar moeder toen had gezegd dat ze haar bed maar tegen de deur moest zetten. Omdat het zo'n gesleep was had ze dat nooit gedaan. Tegenover de raadsheer-commissaris heeft [betrokkene 1] de verdachte omschreven als handtastelijk naar jonge meisjes.
In therapie heeft [aangeefster 3] wel verteld over het misbruik, maar niet over de details.
Tussenstand betrouwbaarheid
Nu het hof heeft vastgesteld dat de verklaringen van de aangeefsters op essentiële onderdelen gedetailleerd en consistent zijn, kunnen die in beginsel als betrouwbaar worden aangemerkt. In beginsel, omdat de verdediging een aantal kwesties naar voren heeft gebracht die mogelijk afbreuk doen aan die betrouwbaarheid. In dit verband heeft de verdediging gewezen op het lange tijdsverloop tussen het gestelde misbruik en de eerste politiecontacten. Vanwege het tijdsverloop kunnen (de waarheidsbelevingen van) de aangeefsters zijn beïnvloed door externe factoren. Daarbij betrekt de verdediging de mogelijkheid van zogenaamde posthoc-invloeden, waaronder ook de kwaliteit van de politieverhoren.
Betrouwbaarheidsrapportage deskundige
Op verzoek van de verdediging is tijdens een regiezitting besloten om een deskundige te benoemen die als taak kreeg de verklaringen van de aangeefsters op betrouwbaarheid te onderzoeken en vervolgens te beoordelen. De rechtspsycholoog dr. E. Rassin heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapportage d.d. 20 juli 2020. De deskundige heeft een aantal omstandigheden (ook die door de verdediging naar voren zijn gebracht) besproken die afbreuk zouden kunnen doen aan de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Hij hanteert daarbij de methodiek van het primaire scenario (de verklaring klopt) en het alternatieve scenario (de verklaring klopt niet). Daarbij wordt de betrouwbaarheid van een verklaring gevormd door de verhouding tussen de waarschijnlijkheid van die verklaring binnen het primaire scenario en die binnen het alternatieve scenario. Naarmate een verklaring beter past in het primaire scenario en tegelijkertijd minder in een zinnig alternatief scenario past, zal de verklaring betrouwbaarder zijn.
De deskundige gaat – voor zover mogelijk – in op de totstandkomingsgeschiedenis van de verklaringen. Daarbij betrekt hij de (soms zeer) lange periode tussen het gestelde misbruik en de uiteindelijke politiecontacten, de mogelijkheid dat aangeefsters met elkaar en met derden (binnen "de familie") hebben gesproken en plaatst hij enkele kritische opmerkingen rondom de politieverhoren (hij noemt een aantal gestelde vragen die als suggestief kunnen worden geduid).
Zijn conclusie is dat de aangiften "redelijk goed" passen in het primaire scenario. Verwacht mag worden dat de aangeefsters zich ook na jaren kunnen herinneren dat zij door de verdachte zijn misbruikt. De deskundige erkent echter dat de aangiften ook mogelijk zijn in een alternatief scenario waarin sprake is van "een combinatie van verzinsels, pseudoherinneringen en onderlinge beïnvloeding, over een lange periode". De waarschijnlijkheid van de combinatie van factoren die nodig is om de aangiften in dit scenario te verklaren is niet groot, maar ook niet verwaarloosbaar klein. In een ruwe schatting bestaat die waarschijnlijkheid in de orde van grootte van "enkele procenten".
Het hof is van oordeel dat het rapport deugdelijk is gemotiveerd en dat de conclusies steun vinden in de door de deskundige geschetste bevindingen. Een en ander is overigens ook niet weersproken door de verdediging of de advocaat-generaal. Dat maakt dat het hof de conclusies overneemt en tot de zijne maakt.
Conclusie betrouwbaarheid
Op grond van al het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat de (belastende) verklaringen van de drie aangeefsters als betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Deze zijn daarom bruikbaar voor het bewijs.
De verweren strekkende tot aantasting van die betrouwbaarheid zijn hiermee verworpen.
Nu de verklaringen van (…), (…) en [aangeefster 3] betrouwbaar zijn bevonden, rijst de vraag of het door hen gestelde seksuele misbruik door de verdachte ook kan worden bewezenverklaard. Het wettelijk vereiste bewijsminimum maakt dat naast een eigen verklaring ook steunbewijs aanwezig moet zijn. Dit steunbewijs vindt het hof voor de aangiftes van (…) en [aangeefster 3] in getuigenverklaringen. (…).
Conclusie bewezenverklaringen
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte (…), (…) en [aangeefster 3] seksueel heeft misbruikt.
Ten aanzien van [aangeefster 3] overweegt het hof dat uit haar verklaringen is af te leiden dat zij toen ze elf jaar oud was is verhuisd en dat daarna het misbruik door de verdachte heeft plaatsgevonden. Of dat ook gebeurd is terwijl ze nog elf jaar oud was is evenwel op grond van haar verklaringen en de overige inhoud van het dossier niet vast te stellen. Voorts blijkt uit de verklaringen van [aangeefster 3] dat zij rond haar zestiende jaar opnieuw is verhuisd. De periode waarvan zij aangifte heeft gedaan eindigt op 24 december 2002. Haar moeder heeft verklaard dat ze denkt dat [aangeefster 3] 13 of 14 jaar oud was toen ze vertelde dat de verdachte bij haar op de kamer kwam. Gelet op deze, omstandigheden in samenhang bezien gaat het hof ervan uit dat het misbruik heeft plaatsgevonden in de periode die onder 5 ten laste is gelegd.
Gelet op het voorgaande acht het hof het onder 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, maar zal de verdachte worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 4 is tenlastegelegd, te weten het misbruik beneden de twaalf jaar.
Tot slot overweegt het hof dat uit de verklaringen van [aangeefster 3] , in samenhang bezien met de getuigenverklaringen van haar moeder ( [betrokkene 1] ), aannemelijk is geworden dat het misbruik in de bewezenverklaarde periode meerdere keren heeft plaatsgevonden.
Het hof kan echter niet per afzonderlijk geval van misbruik vaststellen welke van de tenlastegelegde handelingen hebben plaatsgevonden. (…).”