ECLI:NL:PHR:2023:569

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juni 2023
Publicatiedatum
5 juni 2023
Zaaknummer
21/03310
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring zedendelict pleegdochter

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld tot 5,5 jaar gevangenisstraf voor meerdere zedendelicten, waaronder seksueel misbruik van zijn pleegdochter. Het cassatieberoep richtte zich op de bewezenverklaring van het feit waarbij de verdachte zijn pleegdochter seksueel binnendrong door wrijven over de clitoris.

Het hof had de verklaringen van de pleegdochter en haar moeder als steunbewijs gebruikt. De Hoge Raad oordeelt echter dat de verklaring van de moeder onvoldoende eigen waarnemingen bevat en te algemeen is om als voldoende steun te dienen voor de bewezenverklaring. De bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv Pro vereist dat de verklaring van de aangeefster op wezenlijke punten wordt bevestigd door ander, relevant bewijs.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof de betrouwbaarheid van de verklaring van de pleegdochter terecht heeft vastgesteld, maar dat het oordeel over het steunbewijs niet begrijpelijk is gemotiveerd. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling. De conclusie van de AG strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03310
Zitting6 juni 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 22 juli 2021 door het gerechtshof Den Haag voor een drietal zedendelicten met minderjarige meisjes, waaronder zijn pleegdochter (feit 5), veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de ingediende vorderingen tot schadevergoeding en de daarbij passende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt niet geklaagd over de bewezenverklaring van feit 1A (aangeefster [aangeefster 1] ) en feit 2 (aangeefster [aangeefster 2] ), maar enkel over de bewezenverklaring van feit 5 (aangeefster en pleegdochter [aangeefster 3] ). Geklaagd wordt dat het hof de bewezenverklaring van dat feit onvoldoende, althans ondeugdelijk heeft gemotiveerd.
1.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

2.De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen

2.1
Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezenverklaard dat:
“(hij) in de periode van 25 december 1998 tot en met 24 december 2002 te [plaats] , met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten met [aangeefster 3] (geboren op [geboortedatum] 1986), buiten echt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het:
- met zijn vinger over de (al dan niet met kleding bedekte) clitoris wrijven, terwijl die [aangeefster 3] in die periode een kind was dat hij, verdachte, verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin.”
2.2
In de bijlage bij het arrest zijn 15 bewijsmiddelen opgenomen. Niet is aangegeven welk bewijsmiddel op welke van de bewezen verklaarde feiten betrekking heeft. Het hof heeft volstaan met de opmerking dat “(d)e bewijsmiddelen (…) – ook in hun onderdelen – slechts (zijn) gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben”. De steller van het middel gaat er – wat mij betreft terecht – van uit dat de bewijsmiddelen 1, 3, 4 en 13 tot en met 15 betrekking hebben op de bewezenverklaring van feit 5, het feit waarover in cassatie wordt geklaagd.
2.3
De bewijsmiddelen voor feit 5 luiden als volgt:

1.De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2021 verklaard (…):
Het zou kunnen kloppen dat [betrokkene 1] en ik elf jaar samen zijn geweest. (…) [aangeefster 3] was mijn pleegdochter.
3.Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 april 2018 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als de op 9 april 2018 afgelegde verklaring (…) van
de verdachte:
Ik woon nu al 20 jaar in de [a-straat] in [plaats] . Daarvoor woonde ik met [betrokkene 1] aan de [b-straat] in [plaats] .
4.Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juni 2018 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als de op 4 juni 2018 afgelegde verklaring (…) van
de verdachte:
(…). Ik ben vanaf 1991 samen geweest met [betrokkene 1] .
13.Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 juli 2018 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als de op 8 juli 2018 afgelegde verklaring (…) van
[aangeefster 3] , geboren op [geboortedatum] 1986:
[verdachte] was mijn stiefvader. Op mijn vijfde gingen mijn moeder, ik en mijn broertje bij hem inwonen. Dit was op de [b-straat 1] te [plaats] . In groep 7 verhuisden wij naar de [a-straat] te [plaats] .
Ik was ongeveer 11 jaar oud. Ik sliep in de kleine slaapkamer met mijn broertje. Het was een stapelbed. Ik sliep boven en mijn broertje beneden. Maar dit kan ook wel eens anders zijn geweest. Ik heb mijn moeder niet verteld dat hij mijn clitoris stimuleerde in bed maar wel dat hij in mijn kamer kwam. Dat ik soms wakker werd en dat hij dan naast mij lag in bed. Ik heb dit direct verteld na de eerste keer. Ik vertelde dit de volgende dag. Mijn moeder was boos en kreeg ruzie met [verdachte] . Ik herinner mij dat zij hem soms uitschold en dat ze boos op hem was maar uiteindelijk bleven we daar wonen. Als ik alleen thuis was met [verdachte] voelde ik mij niet veilig. Ik heb mijn moeder niet verteld dat [verdachte] mijn clitoris stimuleerde. Ik schaamde mij daarvoor en we zouden daar toch blijven wonen. Het is vaker gebeurd dat [verdachte] bij mij in bed kwam liggen. Zijn lichaam raakte mijn lichaam aan. Dit was ter hoogte van mijn buik. Ik denk dat hij mij aanraakte met zijn lichaam vanaf mijn hoofd tot mijn buik maar mijn benen niet. Ik werd wakker en zag hem met zijn handen bij mijn clitoris. Ik zag zijn gezicht. Ik zag hem zitten op de vloer. Ik zag dat zijn handen bij mijn clitoris waren. Ik zag dat zijn rechterhand bij mijn clitoris was en een van zijn vingers zat op mijn clitoris. Ik weet niet welke vinger dit was. Ik sliep nooit zonder ondergoed. Het ondergoed was in ieder geval niet uitgetrokken of naar beneden getrokken. Het kan zijn dat het misschien opzij was geschoven. Het zou ook nog kunnen zijn dat het op mijn onderbroek was. Ik wist wel wat mijn clitoris was en ik wist dat hij dat aan het stimuleren was. Ik zag zijn hand ter hoogte van mijn vagina en ik voelde hem bewegingen maken met zijn vinger bij mijn clitoris.
14.Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank [plaats] van 17 januari 2019. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als de op 17 januari 2019 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring (…) van
[aangeefster 3]:
Ik werd wakker en dan lag hij naast mij. Mijn broertje heeft mij gezegd dat hij zich kon herinneren een keer wakker te zijn geworden en dat hij [verdachte] toen zag liggen naast mij. Hij vond dat toen raar.
Ik heb mijn moeder verteld dat hij bij mij in bed lag. Het was zo dat als onze kleren gewassen waren, ze dan in vuilniszakken gedaan werden, zodat ze later konden worden gestreken. Toen ik mijn moeder vertelde dat [verdachte] bij mij in bed kwam liggen, zei ze dat ik die vuilniszakken met kleding tegen de deur aan moest zetten. Ik heb dan toen gedaan. Ik dacht dat de bedoeling daarvan was dat [verdachte] dan niet naar binnen kon komen. Later heb ik van mijn moeder gehoord, ergens vorig jaar, dat de bedoeling was dat ik het zo kon horen als [verdachte] binnenkwam. In elk geval hielpen die zakken met kleding niet en later heeft mijn moeder gezegd dat ik het bed maar tegen de deur aan moest zetten. Dat was echter zo'n gesleep, dat ik dat nooit heb gedaan. U vraagt mij wat mijn moeder heeft gedaan toen ik haar vertelde over wat [verdachte] deed. Mijn moeder heeft [verdachte] daar toen op aangesproken. Zij heeft mij er toen bij geroepen en zij vroeg mij te vertellen wat ik haar had verteld. [verdachte] ontkende toen. Volgens mij was dat na de tweede keer.
15.Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 augustus 2018 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als de op 1 augustus 2018 afgelegde verklaring (…) van [betrokkene 1] :
Ik denk dat ik ongeveer in 1991 een relatie kreeg met [verdachte] . Ik ben in 1990 naar Nederland gekomen en tussen 1990 en 1991 heb ik dus een relatie gekregen. Ik heb samen met hem in de [wijk] gewoond. Ik denk dat wij rond 2002 uit elkaar zijn gegaan. Dat zou dus betekenen dus wij ongeveer 11 jaar een relatie hebben gehad.
Mijn dochter [aangeefster 3] , zoon [betrokkene 2] , dochter [betrokkene 3] en dochter [betrokkene 4] woonden bij mij en [verdachte] op de [a-straat] . Hij had kleptomanie en mijn oudste dochter [aangeefster 3] vertelde mij dat hij in haar kamer was geweest. Ik had haar gezegd dat ze haar bed voor de deur moest zetten zodat de deur niet open kon. Onder kleptomanie versta ik dat hij mijn dochter lastig gaat vallen. Dat hij geen dingen moet doen die hij niet mocht doen. Handtastelijkheid.
Voor er dingen gebeuren die ik niet wil heb ik haar gezegd dat ze dat bed voor de deur moest zetten zodat hij niet binnen kon komen.
Hij had iets gedaan dat ik ook niet leuk vond. Hij had een nichtje een keer laat thuisgebracht toen ik in de [wijk] woonde. Hij had dat nichtje op bed laten slapen waar mijn zoontje, mijn nichtje en [verdachte] en ik op lagen. We lagen toen met z'n vieren in één bed. Ik vond dat niet zo prettig. Dat een nicht ook bij ons in één bed lag met mij en mijn zoontje erbij. Ze dachten dat ik sliep maar ik hoorde ze smoezen. Ik vond dat niet zo leuk. [verdachte] zei: "Ik doe toch niets". Ik zei dat dat echt niet kon dat hij zijn nichtje naar ons bed mee nam om te slapen terwijl ik daar ook lag te slapen. De kamer was helemaal donker en door het gesmoes vertrouwde ik het helemaal niet en ben ik opgestaan. Ik vertrouwde het niet, omdat het niet zo hoort. Het hoort niet dat je nicht bij je in bed slaapt waar je vrouw en kind ook liggen. Dat nichtje was 13 of 14 jaar oud. In onze cultuur is het niet normaal dat een nichtje bij haar oom in bed ligt. Ik lag aan de ene kant van het bed, mijn zoontje lag naast mij, daarnaast het nichtje en aan de andere kant [verdachte] . Ik had er een gek gevoel bij omdat ze naast elkaar lagen en er wel eens dingen konden gebeuren die ik niet leuk vond, zoals seks bijvoorbeeld. [betrokkene 5] is dat nichtje dat op mijn bed lag.
[aangeefster 3] is een paar keer naar mij toegekomen. Ik denk dat ze ongeveer 13 of 14 jaar oud was toen.
Kleptomanie betekent dat hij aan dingen zit waar hij niet aan mag zitten.”
2.4
In zijn arrest heeft het hof onder het kopje “Bewijswaardering” het volgende overwogen:

Inleiding
De verdachte wordt verweten dat hij drie minderjarige meisjes seksueel heeft misbruikt. Het gaat om (…) en [aangeefster 3] (geboren op [geboortedatum] 1986). Zij zullen in het vervolg (ook) bij hun voornaam worden geduid.
Het misbruik zou volgens de tenlastelegging hebben plaatsgevonden in de volgende perioden:
(…)
(…)
[aangeefster 3] : 1 januari 1995 tot en met 24 december 2002.
De drie vrouwen hebben in de eerste helft van 2018 aangifte gedaan.
Standpunt verdediging
De verdachte ontkent al hetgeen hem wordt verweten. Zijn raadsman heeft namens hem een integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd. De door aangeefsters afgelegde verklaringen zijn onbetrouwbaar en mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Onder meer wordt gewezen op het (zeer) lange tijdsverloop sinds het vermeende misbruik en de eerste politiecontacten (met alle bewijsrisico's van dien). Verder is aannemelijk, maar kan in elk geval zeker niet worden uitgesloten, dat de aangeefsters – al dan niet onbewust – zijn beïnvloed door derden.
Subsidiair is betoogd dat het wettelijk vereiste bewijsminimum ten aanzien van geen van de feiten wordt bereikt. De verklaringen van aangeefsters worden onvoldoende gesteund door (onafhankelijke) andere bewijsmiddelen. Daarnaast is een zogenaamde schakelbewijs-constructie in deze strafzaak, zoals de rechtbank die heeft gehanteerd, onjuist, aldus de verdediging.
De beoordeling
Het hof zal nu overgaan tot een beoordeling. Allereerst zal de inhoud van de verklaringen van aangeefsters worden geschetst. Daarbij wordt grotendeels aangesloten bij de – niet weersproken – weergave zoals vastgelegd door de rechtbank. Vervolgens zal een betrouwbaarheidsoordeel worden gevormd. Voor zover daarna aan de orde zal (per feit) worden beoordeeld of er voldoende steunbewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
De door de verdediging gevoerde verweren zijn veelal toegespitst op de verklaringen in gezamenlijkheid. Om die reden zal het hof – tussentijds – die verklaringen op een overkoepelende wijze benaderen en bespreken.
De verklaringen van de aangeefsters
(…)
[aangeefster 3]heeft op 8 juli 2018, na een informatief gesprek met de zedenrechercheurs, aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door de verdachte. Zij heeft verklaard dat de verdachte, haar toenmalige stiefvader bij wie ze in huis woonde, toen zij 11 jaar oud (1997) was en tot zij 16 jaar oud was, meermalen bij haar in bed kwam liggen. Ze wist niet meer van alle keren wanneer het precies was, maar zij kon zich twee specifieke momenten nog goed herinneren. De eerste keer ging het om tongzoenen. De verdachte lag toen met zijn lichaam tegen haar aan. De tweede keer lag de verdachte bij haar in het stapelbed en stimuleerde hij met een van zijn vingers haar clitoris. Van de andere keren kon ze zich niet goed herinneren wat er was gebeurd, maar wel dat de verdachte naast haar lag als ze wakker werd. Ze vermoedt dat de verdachte meerdere keren slaapmiddelen in haar eten heeft gedaan.
Inleidende opmerkingen rondom de betrouwbaarheid
Algemeen
Het hof stelt allereerst vast, daarbij het bovengeschetste in ogenschouw nemende, dat aangeefsters op essentiële onderdelen over het door hen gestelde misbruik gedetailleerd en consistent hebben verklaard.
Dat zulks niet het geval zou zijn, is overigens ook niet gesteld door de verdediging. De drie aangeefsters benoemen ieder voor zich specifieke en significante details, hetgeen sterk bijdraagt aan de authenticiteit, en daarmee ook aan de betrouwbaarheid, van die verklaringen.
Een relevante omstandigheid is dat gesteld noch gebleken is dat aangeefsters enig motief zouden hebben gehad om in strijd met de waarheid te verklaren. Voor zover van belang heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, daartoe expliciet bevraagd, een dergelijk motief niet kunnen benoemen. Zo heeft hij verklaard dat er geen ruzie is geweest met aangeefsters of hun (directe) familieleden.
Aanvullend zal het hof nu ingaan op een aantal omstandigheden, al dan niet door derden bevestigd, betreffende de individuele aangeefsters.
(…)
[aangeefster 3]
heeft verklaard dat zij haar moeder ( [betrokkene 1] ) heeft verteld dat de verdachte bij haar in bed kwam liggen en met haar had getongzoend. Haar moeder zou de verdachte toen hebben geconfronteerd. Dat leidde tot een ruzie waarbij de verdachte het allemaal ontkende.
[betrokkene 1] heeft deze lezing op hoofdlijnen bevestigd tegenover de politie. Zo had [aangeefster 3] tegen haar gezegd dat de verdachte in haar kamer was geweest. Daarop had zij tegen haar gezegd haar bed voor de deur te zetten zodat die niet meer open kon, om te voorkomen dat de verdachte dingen zou doen die hij niet mocht doen, "handtastelijkheid". [aangeefster 3] heeft daarover tegenover de rechter-commissaris verklaard dat haar moeder eerst tegen haar gezegd had dat ze vuilniszakken met wasgoed tegen haar deur moest zetten, maar dat dit niet hielp en dat haar moeder toen had gezegd dat ze haar bed maar tegen de deur moest zetten. Omdat het zo'n gesleep was had ze dat nooit gedaan. Tegenover de raadsheer-commissaris heeft [betrokkene 1] de verdachte omschreven als handtastelijk naar jonge meisjes.
In therapie heeft [aangeefster 3] wel verteld over het misbruik, maar niet over de details.
Tussenstand betrouwbaarheid
Nu het hof heeft vastgesteld dat de verklaringen van de aangeefsters op essentiële onderdelen gedetailleerd en consistent zijn, kunnen die in beginsel als betrouwbaar worden aangemerkt. In beginsel, omdat de verdediging een aantal kwesties naar voren heeft gebracht die mogelijk afbreuk doen aan die betrouwbaarheid. In dit verband heeft de verdediging gewezen op het lange tijdsverloop tussen het gestelde misbruik en de eerste politiecontacten. Vanwege het tijdsverloop kunnen (de waarheidsbelevingen van) de aangeefsters zijn beïnvloed door externe factoren. Daarbij betrekt de verdediging de mogelijkheid van zogenaamde posthoc-invloeden, waaronder ook de kwaliteit van de politieverhoren.
Betrouwbaarheidsrapportage deskundige
Op verzoek van de verdediging is tijdens een regiezitting besloten om een deskundige te benoemen die als taak kreeg de verklaringen van de aangeefsters op betrouwbaarheid te onderzoeken en vervolgens te beoordelen. De rechtspsycholoog dr. E. Rassin heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapportage d.d. 20 juli 2020. De deskundige heeft een aantal omstandigheden (ook die door de verdediging naar voren zijn gebracht) besproken die afbreuk zouden kunnen doen aan de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Hij hanteert daarbij de methodiek van het primaire scenario (de verklaring klopt) en het alternatieve scenario (de verklaring klopt niet). Daarbij wordt de betrouwbaarheid van een verklaring gevormd door de verhouding tussen de waarschijnlijkheid van die verklaring binnen het primaire scenario en die binnen het alternatieve scenario. Naarmate een verklaring beter past in het primaire scenario en tegelijkertijd minder in een zinnig alternatief scenario past, zal de verklaring betrouwbaarder zijn.
De deskundige gaat – voor zover mogelijk – in op de totstandkomingsgeschiedenis van de verklaringen. Daarbij betrekt hij de (soms zeer) lange periode tussen het gestelde misbruik en de uiteindelijke politiecontacten, de mogelijkheid dat aangeefsters met elkaar en met derden (binnen "de familie") hebben gesproken en plaatst hij enkele kritische opmerkingen rondom de politieverhoren (hij noemt een aantal gestelde vragen die als suggestief kunnen worden geduid).
Zijn conclusie is dat de aangiften "redelijk goed" passen in het primaire scenario. Verwacht mag worden dat de aangeefsters zich ook na jaren kunnen herinneren dat zij door de verdachte zijn misbruikt. De deskundige erkent echter dat de aangiften ook mogelijk zijn in een alternatief scenario waarin sprake is van "een combinatie van verzinsels, pseudoherinneringen en onderlinge beïnvloeding, over een lange periode". De waarschijnlijkheid van de combinatie van factoren die nodig is om de aangiften in dit scenario te verklaren is niet groot, maar ook niet verwaarloosbaar klein. In een ruwe schatting bestaat die waarschijnlijkheid in de orde van grootte van "enkele procenten".
Het hof is van oordeel dat het rapport deugdelijk is gemotiveerd en dat de conclusies steun vinden in de door de deskundige geschetste bevindingen. Een en ander is overigens ook niet weersproken door de verdediging of de advocaat-generaal. Dat maakt dat het hof de conclusies overneemt en tot de zijne maakt.
Conclusie betrouwbaarheid
Op grond van al het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat de (belastende) verklaringen van de drie aangeefsters als betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Deze zijn daarom bruikbaar voor het bewijs.
De verweren strekkende tot aantasting van die betrouwbaarheid zijn hiermee verworpen.
Steunbewijs
Nu de verklaringen van (…), (…) en [aangeefster 3] betrouwbaar zijn bevonden, rijst de vraag of het door hen gestelde seksuele misbruik door de verdachte ook kan worden bewezenverklaard. Het wettelijk vereiste bewijsminimum maakt dat naast een eigen verklaring ook steunbewijs aanwezig moet zijn. Dit steunbewijs vindt het hof voor de aangiftes van (…) en [aangeefster 3] in getuigenverklaringen. (…).
Conclusie bewezenverklaringen
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte (…), (…) en [aangeefster 3] seksueel heeft misbruikt.
Ten aanzien van [aangeefster 3] overweegt het hof dat uit haar verklaringen is af te leiden dat zij toen ze elf jaar oud was is verhuisd en dat daarna het misbruik door de verdachte heeft plaatsgevonden. Of dat ook gebeurd is terwijl ze nog elf jaar oud was is evenwel op grond van haar verklaringen en de overige inhoud van het dossier niet vast te stellen. Voorts blijkt uit de verklaringen van [aangeefster 3] dat zij rond haar zestiende jaar opnieuw is verhuisd. De periode waarvan zij aangifte heeft gedaan eindigt op 24 december 2002. Haar moeder heeft verklaard dat ze denkt dat [aangeefster 3] 13 of 14 jaar oud was toen ze vertelde dat de verdachte bij haar op de kamer kwam. Gelet op deze, omstandigheden in samenhang bezien gaat het hof ervan uit dat het misbruik heeft plaatsgevonden in de periode die onder 5 ten laste is gelegd.
Gelet op het voorgaande acht het hof het onder 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, maar zal de verdachte worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 4 is tenlastegelegd, te weten het misbruik beneden de twaalf jaar.
Tot slot overweegt het hof dat uit de verklaringen van [aangeefster 3] , in samenhang bezien met de getuigenverklaringen van haar moeder ( [betrokkene 1] ), aannemelijk is geworden dat het misbruik in de bewezenverklaarde periode meerdere keren heeft plaatsgevonden.
Het hof kan echter niet per afzonderlijk geval van misbruik vaststellen welke van de tenlastegelegde handelingen hebben plaatsgevonden. (…).”

3.Het middel

3.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof de bewezenverklaring van feit 5 onvoldoende heeft gemotiveerd omdat de aangifte niet, althans onvoldoende wordt ondersteund door overig bewijs, zodat niet aan de eis van het wettelijk bewijsminimum (als bedoeld in art. 342 lid 2 Sv Pro) is voldaan, althans heeft het hof het verweer dat in casu niet aan het bewijsminimum is voldaan op ondeugdelijke gronden verworpen.
3.2
Wat betreft de onder feit 5 ten laste gelegde ontuchtige handelingen die de verdachte met zijn pleegdochter [aangeefster 3] zou hebben gepleegd – het seksueel binnendringen van haar lichaam door het tongzoenen en het wrijven over de clitoris, heeft het hof – evenals de rechtbank – enkel het wrijven over de clitoris bewezen verklaard (zie hiervoor onder randnr. 2.1). In zijn bewijsoverweging heeft het hof overwogen dat dit misbruik in de bewezen verklaarde periode meerdere keren heeft plaatsgevonden. Ook daarin is het hof niet tot een andere beoordeling gekomen dan de rechtbank, zij het dat in de bewezenverklaring van de rechtbank het meermalen plegen beter naar voren komt, doordat de rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte
op tijdstippenin de bewezen verklaarde periode zich aan de ontuchtige handeling van het wrijven over de clitoris heeft schuldig gemaakt.
3.3
In zijn bewijsoverweging heeft het hof eerst uiteengezet langs welke weg het de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster heeft getoetst. Nadat het hof heeft vastgesteld dat die verklaring betrouwbaar is, heeft het hof vervolgens beoordeeld of er voldoende bewijs is voor een bewezenverklaring. Naar het oordeel van het hof is dat het geval omdat de verklaring van de aangeefster niet op zichzelf staat, maar voldoende is ingebed in getuigenverklaringen (opgesomd onder randnr. 2.3). Het hof heeft daarbij – zo begrijp ik – vooral het oog gehad op de verklaringen van de moeder van de aangeefster (bewijsmiddel 15) en niet zozeer op de – ook onder de bewijsmiddelen opgenomen – verklaringen van de verdachte over zijn toenmalige relatie met de moeder van de aangeefster en het samenwonen (bewijsmiddelen 1, 3 en 4).
Het beoordelingskader
3.4
Het gaat in deze zaak om de bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv Pro (de unus testis regel). De centrale vraag is of de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Het antwoord op die vraag is sterk casuïstisch. In het algemeen geldt dat verklaringen die afkomstig zijn van dezelfde bron – in dit geval: tot de aangeefster herleidbare verklaringen van horen zeggen – onvoldoende steun bieden voor een bewezenverklaring. [1] Aangezien de bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv Pro betrekking heeft op de bewezenverklaring in zijn geheel [2] , behoeft het tweede bewijsmiddel, dat kan bestaan uit bijvoorbeeld een verklaring van een getuige, de verklaring van de verdachte of een forensisch-technische bevinding, niet specifiek betrekking te hebben op de strafbare gedraging of de betrokkenheid van de verdachte daarbij. [3] Wel dient het tweede bewijsmiddel “op relevante wijze” in een niet te ver verwijderd verband te staan met de inhoud van de verklaring van de aangeefster en dient het ook redengevend te zijn voor de bewezenverklaring. [4] Onder omstandigheden, in het bijzonder “wanneer de waardering van het bewijsmateriaal in cassatie vragen oproept”, [5] kan een nadere duiding en motivering van de rechter worden verlangd (waaruit blijkt welke feiten en omstandigheden uit het tweede bewijsmiddel naar het oordeel van de rechter steun bieden aan de verklaring van de aangeefster), maar het tweede bewijsmiddel kan ook voor zich spreken. [6]
3.5
Indachtig het uitgangspunt dat het bewijs en de waardering van het bewijs bij uitstek het domein van de feitenrechter is, kan diens oordeel dat een tweede bewijsmiddel voldoende steun biedt voor een bewezenverklaring, zelfs als die steun ‘enkel’ ziet op een op het oog betrekkelijk ondergeschikt onderdeel van de verklaring van de aangeefster, in cassatie overeind blijven. Dat is in het bijzonder mogelijk als de rechter de verklaring van de aangeefster, onafhankelijk van de inhoud van het tweede bewijsmiddel, al betrouwbaar heeft bevonden, bijvoorbeeld op grond van de consistentie van die verklaring of – beter nog – op grond van een rapportage van een deskundige die de verklaring (overwegend) betrouwbaar heeft bevonden. [7] Wanneer het oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster ‘afhangt’ van de inhoud van het tweede bewijsmiddel, dan zal dat tweede bewijsmiddel krachtiger aan de bewezenverklaring moeten bijdragen. [8] Voorzichtigheid is voortdurend geboden. De strekking van de unus testis regel – het waarborgen van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing – vergt dat. Immers, de regel “(verbiedt) de rechter (…) tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal”. [9]
Enkele voorbeelden uit de jurisprudentie
3.6
Voor de bespreking van het middel acht ik het van belang specifiek stil te staan bij een aantal arresten van de Hoge Raad waarin telkens de vraag centraal stond of de door de aangever gereleveerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de tenlastegelegde seksuele gedragingen voldoende steun vonden in ander gebezigd bewijsmateriaal. Ik bespreek twee zaken waarin de Hoge Raad de bewezenverklaring van het zedendelict voldoende gemotiveerd achtte en drie zaken waarin dat niet zo was.
3.7
In de volgende twee zaken achtte de Hoge Raad de bewezenverklaring van het hof voldoende gemotiveerd.
(i) In de zaak die leidde tot HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1817,
NJ2015/488, m.nt. M.J. Borgers, werd geen schending van art. 342 lid 2 Sv Pro aangenomen. In deze zaak was door twee aangeefsters aangifte gedaan van misbruik gepleegd door de vader van een vriendin van aangeefster 1 en de vader van aangeefster 2. De Hoge Raad oordeelde dat niet kon worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de aangeefster 1 (t.a.v. feit 1) en de aangeefster 2 (t.a.v. feit 2) onvoldoende steun vonden in het overige bewijsmateriaal, in aanmerking genomen dat het hof had vastgesteld dat de verklaringen van de aangeefsters elkaar over en weer ondersteunden wat de betreft de aard van de ontuchtige handelingen gepleegd door de verdachte en de wijze waarop die handelingen plaatsvonden, waarbij de verklaringen van aangeefster 2 over het door de verdachte aanraken van haar lichaam wanneer zij naast hem op de bank zat en over het bang zijn om alleen met de verdachte thuis te zijn en voor wat hij kon doen, steun vonden in de verklaring van haar moeder dat het haar opviel dat als de verdachte bij aangeefster 2 kwam zitten zij ergens anders ging zitten en dat zij het vervelend vond als de verdachte naast haar kwam zitten.
(ii) In de zaak die leidde tot HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095, oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat de verklaring van de aangeefster voldoende steun vond in ander gebezigd bewijsmateriaal niet onbegrijpelijk was. Het hof had daarbij in het bijzonder acht geslagen op het onderdeel van de verklaringen van de aangeefster dat de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten drie zakdoeken gebruikte, dat die door verdachte uitgespreid werden neergelegd en voor het afvegen van zaad werden gebruikt. Het hof overwoog dat deze verklaringen steun vonden in de verklaring van de moeder van de aangeefster (dat het bij haar en de verdachte (haar ex-echtgenoot) ook op die manier met drie zakdoeken ging). Het hof had daarbij in aanmerking genomen dat het ging om een persoonlijke herkenning door de moeder van de aangeefster van deze handelswijze van verdachte. Nu de verklaring van de moeder betrekking had op een specifieke handelswijze van de verdachte bij seksuele handelingen en steun gaf aan de verklaring van de aangeefster, stond de verklaring van de moeder van de aangeefster naar het oordeel van de Hoge Raad niet in te ver verwijderd verband met de verklaring van de aangeefster en was van schending van art. 342 lid 2 Sv Pro geen sprake.
3.8
In de volgende drie zaken kon de bewezenverklaring van het hof de toets in cassatie niet doorstaan.
(i) In de zaak die leidde tot HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890,
NJ2013/279, m.nt. J.M. Reijntjes, deed de aangeefster in 2007 aangifte van misbruik gepleegd door haar oom. Het misbruik zou in 1989 hebben plaatsgevonden terwijl zij in een tentenkamp sliep. Hoewel verschillende getuigen hadden verklaard wat de aangeefster hen had verteld over het incident, was de bron van de verklaringen over de gedragingen van de verdachte in al die gevallen de aangeefster. De vaststelling dat er in 1989 tentenkampen werden gehouden, was voor het bewezenverklaarde te weinig specifiek. De bewijsmiddelen bevestigden niet dat de verdachte de wacht zou hebben gehouden, laat staan dat de aangeefster in de tent van de verdachte sliep. Ook de door het hof gebezigde verklaring van de tante van de aangeefster – waaruit bleek dat de aangeefster had gehuild en overstuur was – kon het gat in de bewijsvoering niet dichten. In deze zaak wreekte zich dat het hof zijn oordeel dat er voldoende steunbewijs was, niet had gemotiveerd. Het was niet duidelijk of het hof het steunbewijs inderdaad in de door de tante van de aangeefster waargenomen emoties had gezocht. [10] De Hoge Raad oordeelde dat de overige bewijsmiddelen en de, in het bijzonder op de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster toegespitste, nadere bewijsoverweging van het hof onvoldoende steun gaven aan de verklaring van de aangeefster.
(ii) In de zaak die leidde tot HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3052, had de aangeefster aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door haar peetvader in de periode tussen 2000 en 2003. Steun voor de verklaring van de aangeefster werd door het hof gevonden in de verklaring van haar vriend, die verklaarde dat hij – sinds hun relatie in 2004 – onrustig slaapgedrag bij de aangeefster had waargenomen. Als hij haar aanraakte reageerde zij vreemd en schrikachtig. Toen hij de aangeefster had gevraagd waarom zij zo reageerde, had de aangeefster hem over het misbruik verteld. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de verklaring van de aangeefster voldoende was ingebed in ander gebezigd bewijsmateriaal, zonder nadere motivering, die ontbrak, niet begrijpelijk. De verklaring van de vriend wat betreft de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde was volgens de Hoge Raad uitsluitend gebaseerd op hetgeen de aangeefster hem had meegedeeld. Bovendien achtte de Hoge Raad de verklaring van haar vriend wat betreft het gedrag van de aangeefster tijdens haar slaap niet zonder meer toereikend voor het leggen van een verband tussen haar slaapgedrag en de aan de verdachte verweten ontucht. [11]
(iii) Tot slot de zaak die leidde tot HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189. In deze zaak had de aangeefster in 2012 aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door een collega/vriend van haar vader in de zomer van 2006. De verdachte zou haar op verschillende plekken hebben misbruikt toen zij vijftien jaar oud was. De overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen bestonden hoofdzakelijk uit (i) de verklaringen van de vader en moeder van de aangeefster waaruit bleek dat de aangeefster in die periode inderdaad op verschillende plekken en momenten bij de verdachte had gelogeerd, (ii) de verklaring van de verdachte waarin hij bevestigde in die periode in het bijzijn van de aangeefster te zijn geweest en (iii) de verklaring van de dochter van de verdachte dat haar vader “vrij dwingend” was. Ook in deze zaak casseerde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de verklaring van de aangeefster voldoende was ingebed in overig bewijs. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat voor dergelijke steun niet volstonden de door het hof in dit verband telkens in aanmerking genomen aanwezigheid van de verdachte in het bijzijn van de aangeefster in zijn woning, op een camping en in zijn vakantiehuisje, en de – niet op specifieke omstandigheden betrekking hebbende – verklaring van de dochter van de verdachte over diens "dwingende, geen weigering duldende handelwijze".
Bespreking van het middel
3.9
Ik keer terug naar de onderhavige zaak. De aangifte in deze zaak houdt – kort gezegd – in dat de aangeefster heeft verklaard dat zij soms wakker werd en dat de verdachte dan bij haar in bed lag, dat zij de verdachte met zijn handen bij haar clitoris zag en dat hij deze “aan het stimuleren” was. Daarnaast heeft de aangeefster verklaard dat zij haar moeder heeft verteld dat de verdachte haar kamer binnenkwam. Zij vertelde dit haar moeder “direct (…) na de eerste keer”. Haar moeder had haar toen verteld dat zij vuilniszakken met kleding voor haar deur moest zetten, zodat zij – zo hoorde zij later – kon horen of de verdachte binnenkwam en ook dat zij haar bed voor haar deur moest zetten. Haar moeder zou de verdachte met het verhaal van haar dochter hebben geconfronteerd. “Mijn moeder (…) heeft mij er toen bij geroepen en zij vroeg mij te vertellen wat ik haar had verteld. (De verdachte) ontkende toen. Volgens mij was dat na de tweede keer.” [12] De aangeefster heeft ook verklaard dat zij haar moeder niet heeft verteld over het stimuleren van haar clitoris. “Ik schaamde mij daarvoor en we zouden daar toch blijven wonen.” (Zie voor dit alles onder randnr. 2.2, bewijsmiddel 13 en 14). [13]
3.1
De moeder van de aangeefster heeft verklaard dat haar dochter haar heeft verteld dat de verdachte in haar kamer was geweest. Zij heeft haar dochter toen verteld dat zij haar bed voor de deur moest zetten zodat haar deur niet open kon. Op de vraag waarom zij heeft gezegd dat de aangeefster haar bed voor haar deur moest zetten, heeft zij geantwoord: “veiligheid voor haar zelf (…) Omdat ik mijn kinderen wil beschermen (…)”. Daarnaast heeft de moeder verklaard dat de verdachte ‘kleptomanie’ had. Op de vraag wat ‘kleptomanie’ inhoudt, heeft zij verklaard “dat hij mijn dochter gaat lastig vallen. Dat hij geen dingen moet doen die hij niet mocht doen. Handtastelijkheid”. De moeder heeft verklaard dat de aangeefster een paar keer naar haar is toegekomen en dat zij toen ongeveer 13 of 14 jaar oud was (zie voor dit alles onder randnr. 2.3, bewijsmiddel 15).
3.11
In het middel wordt in de kern geklaagd dat in de door het hof voor het steunbewijs gebezigde verklaring van de moeder van de aangeefster geen steunbewijs kan worden gezien voor het bewezenverklaarde. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat de aangeefster tegenover haar moeder naar eigen zeggen niets heeft verklaard over de bewezenverklaarde gedraging (het wrijven over de clitoris) en (ii) dat de verklaring van de moeder geen eigen waarneming bevat (fysiek of emotioneel) en die verklaring ook overigens te weinig steun biedt aan de door de aangeefster afgelegde verklaringen.
3.12
Het middel is terecht voorgesteld. Ik licht dat nader toe.
3.13
Hoewel in de jurisprudentie niet wordt vereist dat het steunbewijs direct betrekking heeft op de tenlastegelegde gedraging of rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit bevestigt, heeft voor een bewezenverklaring als voorwaarde te gelden dat de verklaring van de aangeefster op één of meerdere concre(e)t(e) punt(en) bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, waarbij dat/die concre(e)t(e) punt(en) in de context van de door de aangeefster afgelegde verklaring over de tenlastegelegde seksuele gedraging als wezenlijk zijn aan te merken (zie de randnrs. 3.4 en 3.5).
3.14
In de onderhavige zaak is de door het hof als steunbewijs aangemerkte verklaring van de moeder van de aangeefster overwegend afkomstig uit dezelfde bron, namelijk de aangeefster. Voor zover dat niet het geval is, is de verklaring van de moeder van de aangeefster naar mijn oordeel te algemeen om voldoende steun te geven aan een ‘specifieke omstandigheid’ van de seksuele gedraging en/of de concrete context waarin de bewezen verklaarde seksuele gedraging heeft plaatsgevonden. [14] Zo heeft de moeder niets verklaard over de specifiek bewezen verklaarde gedraging (in casu het wrijven over de clitoris). Haar verklaring bevat evenmin een eigen waarneming en/of een beschrijving van de concrete context waarbinnen het misbruik heeft plaatsgevonden. Zo heeft de moeder niet verklaard dat zij de verdachte om onduidelijke redenen en/of op ongebruikelijke tijdstippen in de slaapkamer van haar dochter heeft aangetroffen, of die slaapkamer heeft zien ingaan of zien uitkomen. Ook heeft ze niet verklaard dat ze haar dochter met vuilniszakken met wasgoed in de weer heeft gezien. Weliswaar sluit de verklaring van de moeder de juistheid van de verklaring van aangeefster niet uit, maar meer ook niet. Uit de verklaring van de moeder volgt enkel dat zij in meer algemene zin heeft verteld over verdachte’s ‘kleptomanie’ en – aan de hand van verhuisbewegingen en de leeftijd van haar dochter – over de locatie en de periode waarin de gedraging zou moeten hebben plaatsgevonden. [15] Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in het overige gebezigde bewijsmateriaal zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
3.15
Tot slot merk ik nog het volgende op:
(i) De wijze waarop het hof de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster heeft vastgesteld, komt mij volstrekt helder en juist voor.
(ii) Het hof hanteerde in de bewijsvoering van de onder 1A en 2 ten laste gelegde feiten de constructie van het schakelbewijs. Kennelijk heeft het hof daarvoor bij het onder 5 ten laste gelegde feit bewijstechnisch ofwel geen noodzaak ofwel geen mogelijkheid gezien.

4.Slotsom

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 12 februari 2013, ECLI:2013:BZ1890,
2.Zie o.a. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452,
3.Zie bijvoorbeeld HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354,
4.Corstens/Borgers & Kooijmans, a.w., p. 851. J.M. Reijntjes verwoordt het onder punt 1 in zijn noot onder HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890,
5.Aldus annotator W.H. Vellinga in de afsluitende zin van zijn noot onder HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1594,
6.Zoals in HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094,
7.Zie onder meer de annotatie van T.M. Schalken (punt 3) onder HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144,
8.Zo begrijp ik ook Corstens/Borgers & Kooijmans, a.w., p. 854.
9.HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095, rov. 2.3.
10.Zie de conclusie van AG Knigge (randnr. 6.11) vóór HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890,
11.Daarbij zij nog opgemerkt dat (i) de verklaring van de vriend geen informatie bevatte over de emotionele toestand van de aangeefster direct na het misdrijf. De vriend kon op zijn vroegst ongeveer een jaar na het eindtijdstip van de bewezenverklaarde periode iets hebben gemerkt inzake de ontucht en (ii) de aangeefster had – nadat haar vriend haar met haar onrustige slaapgedrag confronteerde – zélf het verband gelegd tussen haar slaapgedrag en het gepleegde ontucht. Zie de aan dit arrest voorafgaande conclusie van AG Vegter (randnr. 4.6 en 4.8).
12.Een blik over de papieren muur leert dat deze passage uit de verklaring kennelijk ziet op het tenlastegelegde tongzoenen. De aangeefster heeft ten overstaan van de politie namelijk verklaard dat haar moeder de verdachte een dag na het tongzoenen heeft geconfronteerd. Haar moeder heeft de verdachte er toen bij geroepen en herhaald wat de aangeefster haar had verteld, aldus de aangeefster.
13.De aangeefster heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat zij haar moeder wel heeft verteld over het tongzoenen. Deze passage is door het hof niet opgenomen onder de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen.
14.Zie de noot van N. Rozemond (onder 4) naar aanleiding van HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354,
15.De opmerking van de moeder van aangeefster over ‘kleptomanie’, betreft een opmerking van algemene aard. Vgl. in dit verband de verklaring van de verdachte in HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746,