Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen
1.De verklaring van de verdachte.
de verdachte:
de verdachte:
[aangeefster 3] , geboren op [geboortedatum] 1986:
[aangeefster 3]:
Inleiding
3.Het middel
op tijdstippenin de bewezen verklaarde periode zich aan de ontuchtige handeling van het wrijven over de clitoris heeft schuldig gemaakt.
NJ2015/488, m.nt. M.J. Borgers, werd geen schending van art. 342 lid 2 Sv Pro aangenomen. In deze zaak was door twee aangeefsters aangifte gedaan van misbruik gepleegd door de vader van een vriendin van aangeefster 1 en de vader van aangeefster 2. De Hoge Raad oordeelde dat niet kon worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de aangeefster 1 (t.a.v. feit 1) en de aangeefster 2 (t.a.v. feit 2) onvoldoende steun vonden in het overige bewijsmateriaal, in aanmerking genomen dat het hof had vastgesteld dat de verklaringen van de aangeefsters elkaar over en weer ondersteunden wat de betreft de aard van de ontuchtige handelingen gepleegd door de verdachte en de wijze waarop die handelingen plaatsvonden, waarbij de verklaringen van aangeefster 2 over het door de verdachte aanraken van haar lichaam wanneer zij naast hem op de bank zat en over het bang zijn om alleen met de verdachte thuis te zijn en voor wat hij kon doen, steun vonden in de verklaring van haar moeder dat het haar opviel dat als de verdachte bij aangeefster 2 kwam zitten zij ergens anders ging zitten en dat zij het vervelend vond als de verdachte naast haar kwam zitten.
NJ2013/279, m.nt. J.M. Reijntjes, deed de aangeefster in 2007 aangifte van misbruik gepleegd door haar oom. Het misbruik zou in 1989 hebben plaatsgevonden terwijl zij in een tentenkamp sliep. Hoewel verschillende getuigen hadden verklaard wat de aangeefster hen had verteld over het incident, was de bron van de verklaringen over de gedragingen van de verdachte in al die gevallen de aangeefster. De vaststelling dat er in 1989 tentenkampen werden gehouden, was voor het bewezenverklaarde te weinig specifiek. De bewijsmiddelen bevestigden niet dat de verdachte de wacht zou hebben gehouden, laat staan dat de aangeefster in de tent van de verdachte sliep. Ook de door het hof gebezigde verklaring van de tante van de aangeefster – waaruit bleek dat de aangeefster had gehuild en overstuur was – kon het gat in de bewijsvoering niet dichten. In deze zaak wreekte zich dat het hof zijn oordeel dat er voldoende steunbewijs was, niet had gemotiveerd. Het was niet duidelijk of het hof het steunbewijs inderdaad in de door de tante van de aangeefster waargenomen emoties had gezocht. [10] De Hoge Raad oordeelde dat de overige bewijsmiddelen en de, in het bijzonder op de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster toegespitste, nadere bewijsoverweging van het hof onvoldoende steun gaven aan de verklaring van de aangeefster.