Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Ik meen dat alle klachten doel treffen.
Door huurder aan te brengen veranderingen en toevoegingen
huurovereenkomst, welke afspraak door [verweerster] gemotiveerd wordt betwist, die erop wijzen dat de door [eiser] voorgestane uitleg aan de
vaststellingsovereenkomst moet worden gegeven. Juist gelet op voormelde definitie van een vaststellingsovereenkomst had het op de weg van [eiser] gelegen om zich niet te beperken tot de omstandigheden rondom het sluiten van de huurovereenkomst. Het hof ziet derhalve geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het voor partijen ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst duidelijk was dat de vergoeding een restwaarde na afschrijving van de investeringen inhield.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelgaat over de uitleg die het hof heeft gegeven aan de afspraak over de vergoeding in de vaststellingsovereenkomst en de betekenis die een mondelinge afspraak ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst daarbij kan spelen.
Onderdeel 2handelt over hoor en wederhoor bij de totstandkoming van het bindend advies en
onderdeel 3over de buitengerechtelijke kosten.
onder 3.4, is dat het hof met zijn oordeel over de vergoeding een onderscheid maakt tussen de huurovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst en dat daarin besloten ligt dat de door [eiser] gestelde mondelinge afspraak ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst niet van (voldoende) betekenis is voor de uitleg van de afspraak over de vergoeding in de vaststellingsovereenkomst. Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de wijze waarop de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd. Het hof miskent hiermee dat bij die uitleg
alleomstandigheden van het concrete geval van beslissende betekenis zijn [6] en dus niet slechts omstandigheden rondom het sluiten van die specifieke overeenkomst, maar ook afspraken in eerdere overeenkomsten tussen dezelfde partijen. Dit geldt temeer in een situatie als hier aan de orde, waarbij de uit te leggen vaststellingsovereenkomst op de eerdere huurovereenkomst voortbouwt en bepaalde bedingen in beide overeenkomsten op dezelfde wijze zijn verwoord [7] . Dat uitleg moet worden gegeven aan een afspraak in een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:900 BW Pro, maakt dat niet anders.
onder 3.5, is dat wanneer dit niet is miskend, het hofoordeel dat de door [eiser] gestelde mondelinge afspraak ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst niet bijdraagt aan de uitleg van de afspraak over de vergoeding in de vaststellingsovereenkomst, onbegrijpelijk is. Gewezen wordt daarbij op de volgende omstandigheden, in onderlinge samenhang te beschouwen, die onmiskenbaar wijzen op de betekenis van de door [eiser] gestelde mondelinge afspraak ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst voor de uitleg van de afspraak over de vergoeding in de vaststellingsovereenkomst:
alleomstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen [16] . Daarbij moeten ook de aard en strekking van de overeenkomst in aanmerking worden genomen [17] .
alleomstandigheden van het concrete geval zijn meegewogen.
vaststellingsovereenkomst en niet de
huurovereenkomst. De tekst van de vaststellingsovereenkomst biedt volgens het hof geen steun voor de door [eiser] daaraan gegeven uitleg dat slechts de restwaarde na afschrijving van de investeringen van [verweerster] door [eiser] moet worden vergoed. [eiser] heeft volgens het hof geen andere omstandigheden aangedragen, dan de mondelinge afspraak tussen partijen in het bijzijn van de echtgenote van [eiser] bij het aangaan van de
huurovereenkomst, die zijn uitleg van de
vaststellingsovereenkomst ondersteunen. Het hof ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat partijen bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst overeen zijn gekomen dat slechts de restwaarde na afschrijving voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof heeft het bewijsaanbod van [eiser] om zijn echtgenote te doen horen gepasseerd als niet ter zake dienend omdat het geschil niet gaat om de uitleg van de
huurovereenkomst maar om de
vaststellingsovereenkomst en de echtgenote daarover niet kan getuigen.
onder 3.6voert [eiser] aan dat indien de eerste subonderdelen tot cassatie leiden, het oordeel van het hof in rov. 5.3.6 waarin het hof het bewijsaanbod van [eiser] als niet ter zake dienend passeert, evenmin in stand kan blijven.
onder 3.9is dat het hof de aard van de aan de taxateurs gegeven opdracht heeft miskend en de in verband daarmee geldende beperking van de vrijheid om de opdrachtrelatie met hun taxateur naar eigen inzicht in te richten en de eigen taxateur naar believen te informeren en instrueren. Weliswaar hebben partijen ieder afzonderlijk een eigen taxateur opdracht gegeven onafhankelijk van elkaar tot een waardevermeerderingstaxatie te komen, maar de opdracht aan de taxateurs hield in dat zij na hun eigen waardering gezamenlijk tot één bindend advies moesten komen (onder verwijzing naar art. 2 van Pro de vaststellingsovereenkomst). De aard van de aan de taxateurs gegeven opdracht verplichtte hen tot een onafhankelijke opstelling jegens hun opdrachtgevers [21] . Die onafhankelijke positie bracht mee dat hun ook de nodige beoordelingsruimte toekwam bij de (wijze van) invulling en uitvoering van de opdracht. Van hen kon dan ook niet worden verlangd dat zij zonder meer voldeden aan (alle) wensen en (nadere) aanwijzingen van hun opdrachtgevers [22] . [eiser] had in het kader van zijn opdrachtrelatie met taxateur [makelaar 1] dus niet alle mogelijkheden waarvan het hof uitgaat.
onder 3.10:het hof heeft miskend dat de taxateurs verantwoordelijk zijn voor de (wijze van) totstandkoming van hun bindend advies en dat zij ervoor moeten zorgen dat daarbij hoor en wederhoor wordt toegepast. De aard van een opdracht als de onderhavige (opdrachtgevers met tegengestelde belangen in het kader van de opdracht) brengt mee dat van de taxateurs wordt gevergd dat zij de opdrachtgevers gelijk behandelen en gelijke kansen bieden door ieder van hen een reële mogelijkheid te geven om het eigen standpunt naar voren te brengen en om zich uit te laten over het standpunt van de ander en over alle stukken en gegevens die aan de taxateurs zijn voorgelegd [23] . In het kader van hoor en wederhoor voltstaat dus niet dat partijen los van elkaar en op eigen initiatief afspraken (kunnen) maken met hun taxateur welke slechts werken tussen die partij en haar ‘eigen’ taxateur, zoals het hof kennelijk aanneemt. Dat vormt geen waarborg dat dat partijen bij de totstandkoming van het bindend advies gelijk worden behandeld en in gelijke mate op elkaars standpunten en het werk van de taxateurs kunnen reageren. Hoor en wederhoor is in onze zaak niet voldoende toegepast nu moet worden aangenomen dat (i) [eiser] anders dan [verweerster] geen concept van het bindend advies heeft ontvangen, waarbij [verweerster] wel op het concept heeft kunnen reageren en [eiser] niet, voordat dit in definitieve vorm werd uitgebracht [24] ; en (ii) [eiser] geen kennis had van – en dus ook niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op – informatie over de bestrating van het buitenterrein die door [verweerster] aan ‘haar’ taxateur [makelaar 2] is aangeleverd en die aan het bindend advies ten grondslag ligt [25] .
onaanvaardbaarzou zijn. De beslissing is in dat geval vernietigbaar op grond van art. 7:904 lid 1 BW Pro. De maatstaf van deze bepaling heeft een terughoudend karakter en het betreft een marginale toetsing [27] . Alleen
ernstige gebrekenin de beslissing kunnen gebondenheid eraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken [28] .
du momenteen concept bindend advies slechts aan één partij wordt voorgelegd en niet aan de ander, alvorens tot een definitief bindend advies te komen, is sprake van schending van hoor en wederhoor – en dat staat los van de vraag of in de opdrachtrelatie [verweerster] – [makelaar 2] is overeengekomen dat [verweerster] een concept bindend advies kon inzien. Dit kan ook nog anders worden toegelicht: de onafhankelijke positie die de bindend adviseurs dienen in te nemen, brengt mee dat zij te allen tijde rekening moeten houden met de belangen van beide opdrachtgevers. Partijen dienen met andere woorden gelijkwaardig te worden behandeld [35] en dat is hier evident niet gebeurd [36] .
tenzijkomt vast te staan dat het gebrek geen inhoudelijk nadeel aan de vernietigingsbevoegde partij heeft veroorzaakt. [eiser] heeft over het benadelingsaspect overigens al positie ingenomen in de procedure [38] . De rechter die de vernietigingsvordering ondanks het ernstige totstandkomingsgebrek afwijst, kan naar ik meen in beginsel niet volstaan met de overweging dat niet van nadeel is gebleken in een geval als dit [39] .
Buitengerechtelijke incassokosten