Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onbetaald laat” (cursivering toegevoegd). [18] Zoals uit het voorgaande volgt, heeft het hof daarop zonder meer kunnen baseren dat [eiseres] dus in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, zoals het in rov. 3.5 derde zin doet. Daarbij neemt het hof, in rov. 3.5 laatste zin, (mede) als redengevend in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat [eiseres] thans over de middelen beschikt om haar schuldenlast geheel te betalen.
onbetaald laat(dus: zonder geldige reden niet betaalt), waaronder die van SHV. Klaarblijkelijk is de slotzin van rov. 3.5 bedoeld om duidelijk te maken waarom het hof het uitspreken van het faillissement ook op zijn plaats oordeelt. Aldus opgevat is die zin alleszins begrijpelijk en geeft deze geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel faalt dus.
Subonderdeel 2.2klaagt dat deze argumenten het oordeel van het hof niet kunnen dragen dat in het licht van art. 3:13 BW Pro geen sprake is van (i) het gebruik van de bevoegdheid tot het aanvragen van een faillissement voor een ander doel dan waarvoor zij is bedoeld (door het middel kort omschreven met de term ‘
detournement de pouvoir’), dan wel (ii) onevenredigheid tussen de (gediende) belangen van SHV en de (geschade) belangen van [eiseres] . Deze algemene klacht wordt uitgewerkt in een zestal klachten die genummerd zijn van 2.2.1 tot en met 2.2.6.
uitsluitendhet oog op het feit dat niet vaststaat dat de Franse rechter die toestemming zal geven, en dat dus, zoals het hof twee zinnen verderop overweegt, onzeker is of de verkoop van de villa op afzienbare termijn zal plaatsvinden, zoals het belang van SHV naar zijn vaststelling meebrengt (zie hiervoor in 3.18 tweede alinea). Hetgeen bij de klacht wordt aangevoerd, doet niet af aan het bestaan van die onzekerheid.
onder 2.2.3van het subonderdeel is niet voldoende gemotiveerd of begrijpelijk waarom het hof gewicht toekent aan de omstandigheid dat de villa onvoldoende dekking biedt voor de vordering van SHV, [eiseres] recht heeft op de helft van de onverdeelde huwelijksgemeenschap en zich naast de villa nog andere activa in de huwelijksgemeenschap bevinden, evenals dat SHV er belang bij heeft dat de curator onderzoek doet naar deze en andere activa waardoor SHV via een faillissement mogelijk een groter deel van haar vordering voldaan kan krijgen dan bij (uitsluitend) een executoriale verkoop van de villa buiten faillissement. Deze algemene klacht wordt onder 2.2.4-2.2.5 in het subonderdeel uitgewerkt.
mogelijkgeheel kan worden voldaan door de afwikkeling van het faillissement van [betrokkene 1] , niet meebrengt dat het faillissement van [eiseres] zinloos is of het aanvragen daarvan misbruik van bevoegdheid oplevert. Dat de vordering van SHV geheel kan voldaan door de afwikkeling van het faillissement van [betrokkene 1] , staat namelijk geenszins vast, laat staan summierlijk, zoals art. 6 lid 3 Fw Pro in beginsel eist. [32] Anders dan het subonderdeel wil, was het niet aan het hof om dit ambtshalve te onderzoeken, maar aan [eiseres] om dit gemotiveerd te stellen en aldus summierlijk aannemelijk te maken. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft op dit punt zo te zien niets aangevoerd, [33] althans het middel voert niet aan dat zij op dit punt wel stellingen heeft aangevoerd en, zo ja, welke.