Art. 9 lid 1 WVW 1994Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 180 lid 1 WVW 1994Art. 180 lid 3 WVW 1994Art. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt bewijsvereiste kennis ontzegging rijbevoegdheid bij rijden tijdens ontzegging
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid, conform artikel 9 lid 1 vanPro de Wegenverkeerswet 1994. De verdediging stelde in cassatie dat onvoldoende bewijs bestond dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ontzegging.
De Hoge Raad analyseerde het verschil tussen artikel 9 lid 1 enPro lid 2 WVW 1994, waarbij lid 2 betrekking heeft op ongeldigverklaring van het rijbewijs en lid 1 op ontzegging van de rijbevoegdheid. De Hoge Raad benadrukte dat tenuitvoerlegging van de ontzegging pas mogelijk is nadat een schrijven persoonlijk aan de veroordeelde is uitgereikt, waardoor het bewijs van kennis eenvoudiger is dan bij ongeldigverklaring.
Het hof had vastgesteld dat de ontzegging op 16 november 2017 van kracht was en dat het schrijven persoonlijk was uitgereikt, zodat de bewezenverklaring dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ontzegging toereikend was gemotiveerd. Een tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn, wat werd bevestigd, maar dit leidde niet tot vernietiging van het arrest.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid met voldoende bewijs van kennis van de ontzegging.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02773
Zitting27 juni 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 23 juni 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het middel klaagt dat uit het (enige) voor het bewijs gebruikte bewijsmiddel niet kan blijken dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij, op 16 november 2017 te Amersfoort, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Sara Burgerhartsingel, een motorrijtuig, (snorfiets), heeft bestuurd.”
5. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op het volgende bewijsmiddel:
“Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], agent van Politie Eenheid Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, en [verbalisant 2], hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, opgemaakte, genummerd PL0900-2017373161-2, gesloten en getekend op 11 december 2017 te Amersfoort, als bijlage (pagina ??) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende het verhoor van verdachte op 8 december 2017 – zakelijk weergegeven –:
De bevindingen van voornoemde verbalisanten, pagina 5:
‘wij, verbalisanten, reden op 16 november 2017, omstreeks 14:45 uur, op de Sarah Burgerhartsingel in de richting van winkelcentrum Schothorst. Ter hoogte van Oudegein zagen wij een witte Vespa scooter in tegengestelde richting rijden. Ik, [verbalisant 1], keek naar de bestuurder en herkende de bestuurder zijnde: [verdachte], geboren op [geboortedatum]-1996. Ik herkende de bestuurder doordat ik hem 13 november 2017 ook staande had gehouden voor het rijden van een snorfiets terwijl hij een volledig ontzegd rijbewijs had tot en met 14 maart 2018. Ik zag dat [verdachte] mij aankeek. Ik keek over mijn schouder en zag het kenteken van de witte Vespa bleek te zijn: [kenteken]. Ik, [verbalisant 2] draaide het voertuig. Wij zagen dat hij via de Oudegein de Oversticht op reed. Vervolgens hebben wij het voertuig en de bestuurder niet meer aangetroffen’.”
6. Voor de bespreking van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
“1. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen.
2. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven.”
“1. Voor wat betreft de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is artikel 6:1:16, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op rechterlijke uitspraken niet van toepassing. Een strafbeschikking houdende deze bijkomende straf is in zoverre eerst voor tenuitvoerlegging vatbaar als geen verzet meer kan worden gedaan.
[…]
3. Indien de rechterlijke uitspraak of strafbeschikking voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, geschiedt de tenuitvoerlegging niet dan nadat aan de veroordeelde in persoon een schrijven is uitgereikt, volgens de artikelen 36d en 36e van het Wetboek van Strafvordering, waarin het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot inlevering van het rijbewijs uiterlijk op dat tijdstip, alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering worden medegedeeld.”
7. De stellers van het middel richten hun pijlen op het bewijs van het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten”. In de toelichting op het middel doen zij een beroep op de jurisprudentie die is ontwikkeld in het kader van art. 9 lid 2 WVWPro 1994, welke bepaling ziet op het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, terwijl de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld wegens overtreding van art. 9 lid 1 WVWPro 1994, dat betrekking heeft op het rijden tijdens een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (hierna: OBM). Een en ander werpt de vraag op of dit verschil maakt voor de bewijsvoering van voormeld bestanddeel.
8. Van art. 9 lid 2 WVWPro 1994 zal bekend zijn dat het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten” in cassatie vaker ter discussie is gesteld en ook regelmatig tot vernietigingen heeft geleid. [1] Daarentegen zijn zaken over art. 9 lid 1 WVWPro 1994 veel schaarser. Dat zou – zonder kennis van de verdere context – opvallend genoemd kunnen worden. Zowel voor lid 1 als voor lid 2 geldt immers op gelijke voet dat moet worden vastgesteld dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” van de OBM (lid 1) of van de ongeldigverklaring (lid 2).
9. Dat het bewijs van het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten” in verband met art. 9 lid 2 WVWPro 1994 in cassatie regelmatig tot discussie heeft geleid, terwijl het gelijkluidende bestanddeel van lid 1 van dat artikel nauwelijks in cassatie aan de orde komt, kan zijn verklaring vinden in de manier waarop de OBM enerzijds en de ongeldigverklaring anderzijds aan de (latere) verdachte bekend is gemaakt. Ik licht dat verschil nader toe, omdat dit bepaald van belang zal blijken voor de onderhavige zaak.
10. De ongeldigverklaring van het rijbewijs – die dus in art. 9 lid 2 WVWPro 1994 centraal staat – is een bestuursrechtelijke beslissing en de bekendmaking daarvan gebeurde tot voor kort per gewone en per aangetekende brief. [2] Die manier van bekendmaking was voldoende om de ongeldigheid van het rijbewijs volgens de toepasselijke regels van het bestuursrecht “van kracht” te laten worden, maar wil nog niet zeggen dat de betrokkene ook daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud van de brief en dus “wist of redelijkerwijs moest weten” van die ongeldigverklaring. [3] Bij deze manier van bekendmaking blijkt het bewijzen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring – gelet op de vele vernietigingen in cassatie – bepaald geen sinecure. Tegelijk heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 9 juli 2019 over art. 9 lid 2 WVWPro 1994 een – in mijn ogen betrekkelijk simpele – oplossing voor deze bewijsproblematiek gepresenteerd. [4] De Hoge Raad overweegt in de laatste zin van rechtsoverweging 2.4.4 namelijk dat het “[o]pmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden”. [5] Kortom, een uitreiking aan de verdachte in persoon is voldoende grond voor het oordeel dat hij vervolgens “wist of redelijkerwijs moest weten” van het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
11. Welnu, dat laatste lijkt mij precies de reden waarom het betreffende bestanddeel zo weinig vragen oproept in verband met art. 9 lid 1 WVWPro 1994. Op grond van art. 180 lid 3 WVWPro 1994 geldt immers dat de tenuitvoerlegging van de OBM pas kan geschieden nadat in persooneen schrijven – waarin onder meer het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging staan vermeld – is uitgereikt aan degene die de OBM opgelegd heeft gekregen. Een uitreiking in persoon is dus een constitutief vereiste voor het “van kracht” worden van de OBM.
12. Wat betekent het voorgaande voor de onderhavige zaak? Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte op 16 november 2017 een snorfiets heeft bestuurd “gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd”. Het hof heeft aldus geoordeeld dat de OBM op 16 november 2017 van kracht was, [6] in welk oordeel besloten ligt dat het in art. 180 lid 3 WVWPro 1994 bedoelde schrijven in persoon aan hem is uitgereikt. Gelet op het hiervoor aangehaalde overzichtsarrest van de Hoge Raad van 9 juli 2019, kan hieruit worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd. De bewezenverklaring is in zoverre toereikend gemotiveerd.
13. Nu de stellers van het middel zich uitsluitend keren tegen de bewezenverklaring van het bestanddeel “wist of redelijkerwijs moest weten” en niet tegen het oordeel van het hof dat de ontzegging op 16 november 2017 van kracht was, faalt het middel.
Het tweede middel
14. Het middel bevat de klacht dat er sprake is van overschrijding van de inzendtermijn, zodat de redelijke termijn is geschonden.
15. Namens de verdachte is op 30 juni 2021 cassatie ingesteld. De inzendtermijn bedraagt acht maanden, terwijl de stukken van het geding pas op 31 augustus 2022 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
16. Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat ook in dit opzicht inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRMPro neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
17. Nu de opgelegde gevangenisstraf twee weken bedraagt, kan in cassatie – gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad daaromtrent – worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRMPro is overschreden. [7]
Slotsom
18. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
19. Naast hetgeen ik hiervoor onder randnummer 16 heb opgemerkt over de overschrijding van de redelijke termijn, heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
2.Volgens een nieuwsbericht op de site van het CBR d.d. 29 augustus 2022 wordt “vanaf 1 september 2022 – naast een aangetekende brief – ook persoonlijk een brief overhandigd” aan de bestuurder wiens rijbewijs ongeldig is verklaard.
3.Het voert te ver en is bovendien onnodig om in detail op deze werkwijze en alle consequenties daarvan in te gaan. Daarvoor verwijs ik naar de uitgebreide conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld ECLI:NL:PHR:2019:349, onder 8, die voorafging aan HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146,
5.Zoals ik hierboven in voetnoot 2 al opmerkte, is deze duidelijke hint van de Hoge Raad over de wijze van bekendmaking van de ongeldigverklaring van het rijbewijs inmiddels door het CBR opgepikt.
6.Dit vindt ook bevestiging in het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 mei 2021 dat zich bij de stukken bevindt.