ECLI:NL:PHR:2023:718
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen verplichting tot toezending dagvaarding aan advocaat zonder kenbaarstelling in hoger beroep
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan twee voorwaardelijk, wegens diefstal met geweld en diefstal. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in, waarbij zijn advocaat twee middelen aanvoerde.
Het eerste middel betrof de klacht dat artikel 48 Sv Pro niet was nageleefd omdat de griffie van het hof geen afschrift van de dagvaarding aan de advocaat had gezonden. De Hoge Raad oordeelde dat de advocaat zich niet kenbaar had gemaakt als raadsman bij het hof, aangezien de communicatie slechts bestond uit het indienen van een appelschriftuur gericht aan de rechtbank en niet aan de griffie van het hof. Hierdoor bestond geen verplichting tot toezending van de dagvaarding aan de advocaat.
Het tweede middel klaagde over het uitblijven van een reactie op getuigenverzoeken in de appelschriftuur. De Hoge Raad stelde dat de rechter niet verplicht is op verzoeken in de appelschriftuur te reageren, zeker niet bij verstek, omdat alleen ter terechtzitting herhaalde verzoeken een beslissing afdwingen.
Beide middelen faalden en het cassatieberoep werd verworpen. De conclusie benadrukt tevens de dreigende overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, maar acht dit niet voldoende voor vernietiging van het arrest.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de advocaat zich niet kenbaar heeft gemaakt als raadsman en geen verplichting bestond tot toezending van de dagvaarding; ook is geen reactie vereist op getuigenverzoeken bij verstek.