Conclusie
betrokkene) is al jarenlang bekend binnen de psychiatrie en wordt (deels ambulant) behandeld in een onvrijwillig kader. In 2019 is zij tijdens een gedwongen opname in het kader van de Wet Bopz ingesteld op een depot antipsychoticum.
eerste zorgmachtigingverleend tot en met 9 oktober 2020 voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder ‘toedienen van medicatie’ en ‘opnemen in een accommodatie’.
derde zorgmachtigingverleend voor de duur van 24 maanden, voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder wederom ‘toedienen van medicatie’.
de zorgaanbieder) haar medicatie toe te dienen. [8] Zij heeft tevens schadevergoeding verzocht.
Sinds de vorige beslissing hiertoe, daterend van 15 april 2020, was immers ten aanzien van de toe te passen verplichte zorg sprake van een termijn van ‘voor de duur van de crisismaatregel’. De bepalingen in de Wvggz vereisen in dit geval dat, indien na verloop van die termijn nog steeds dwangbehandeling nodig is, (opnieuw) een beslissing wordt genomen en dat deze beslissing schriftelijke gemotiveerd wordt beschreven en aan de cliënt wordt uitgereikt.
Naar het oordeel van de klachtencommissie dient bij een nieuwe zorgmachtiging door de zorgverantwoordelijke steeds een nieuwe beslissing te worden genomen ten aanzien van de verplichte zorg en moet een betrokkene hier vervolgens [over] worden geïnformeerd. In dit kader heeft de commissie voorts opgemerkt dat tussen de zorgmachtiging die op 9 oktober 2020 afliep en de zorgmachtiging die op 18 november 2020 is afgegeven sprake is van een onderbreking en dat daarom niet gesproken kan worden van een opvolgende machtiging. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding is door de klachtencommissie in aanmerking genomen dat [betrokkene] van 11 augustus 2020 tot 13 december 2022 niet (meer) schriftelijk is geïnformeerd over de beslissing van de zorgverantwoordelijke tot toepassing van verplichte zorg.
Volgens de klachtencommissie had [betrokkene] in elk geval omstreeks 18 november 2020 en ook omstreeks 2 november 2021, te weten het moment waarop een nieuwe zorgmachtiging is afgegeven, niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk geïnformeerd moeten wordenen de klachtencommissie is daarmee van oordeel dat [betrokkene] over een periode van 21 maanden onjuist is geïnformeerd.” [12]
de rechtbank) een verzoekschrift ingediend op de voet van art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro. Het beroep richtte zich onder meer tegen het oordeel dat betrokkene omstreeks 18 november 2020 en ook omstreeks 2 november 2021 (de momenten waarop een nieuwe zorgmachtiging is verleend) niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk geïnformeerd had moeten worden over de beslissing tot het toepassen van dwangmedicatie. [13] Volgens de zorgaanbieder was sprake van een doorlopende machtiging en hoefde gelet op de landelijke werkafspraken geen nieuwe beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz Pro genomen te worden. Voorts stelde de zorgaanbieder dat de klachtencommissie bij het bepalen van de schadevergoeding ten onrechte in aanmerking had genomen dat betrokkene in een periode van 21 maanden niet is geïnformeerd over de beslissing tot toepassing van verplichte zorg. Volgens de zorgaanbieder zag de aanvankelijke klacht van betrokkene alleen op het stopzetten van de medicatie en niet op het niet-uitreiken van de beslissing tot toepassing van verplichte zorg. Het beroep van de zorgaanbieder keerde zich verder tegen de hoogte van de door de klachtencommissie toegekende schadevergoeding.
De rechtbank overweegt dat wanneer een opvolgende zorgmachtiging wordt verleend, waarin de in de voorafgaande machtiging genoemde vormen van ver[p]lichte zorg opnieuw worden toegewezen, de onder de voorgaande zorgmachtiging bestaande situatie feitelijk zonder onderbreking wordt voortgezet. Bij de beoordeling van die opvolgende machtiging worden de vormen van zorg opnieuw getoetst, waarbij een betrokkene ook in de gelegenheid wordt gesteld om daartegen bezwaar te maken. Als de opvolgende zorgmachtiging vervolgens wordt verleend, dan is daarmee ook beslist dat de noodzaak van de voorheen verleende vormen van verplichte zorg nog bestaat en stemt de rechtbank in met het voortzetten van die verplichte zorg op de wijze waarop die zorg tot dan toe werd uitgevoerd. De ten behoeve van die uitvoering op grond van artikel 8:9 Wvggz Pro genomen beslissingen behouden dan hun rechtskracht. De rechtbank is van oordeel dat er dan ook geen grond is om een zorgverantwoordelijke te verplichten om ten aanzien van die zorg een nieuwe beslissing te nemen. De rechtbank ziet op dit punt geen reden om af te wijken van hetgeen in de hiervoor genoemde werkafspraken hierover is vastgesteld.
maar de rechtbank ziet de machtiging van 18 november 2020 desondanks, en anders dan de klachtencommissie, toch als een opvolgende machtiging. De zorgmachtiging van 18 november 2020 is immers voor een jaar verleend, wat alleen mogelijk is bij een opvolgende machtiging. Bovendien is een jaar later, op 2 november 2021, een zorgmachtiging voor twee jaar verleend, hetgeen impliceert dat iedereen ervan uit is gegaan dat ten aanzien van [betrokkene] op dat moment reeds vijf jaar onafgebroken een machtiging op grond van de Wet Bopz en vervolgens de Wvggz was verleend. Blijkens de beschikkingen van 18 november 2020 en 2 november 2021 is op de respectievelijke zittingen bovendien geen verweer gevoerd tegen de verzochte duur van de machtiging, terwijl daartegen evenmin beroep in cassatie is ingesteld.
De onderhavige klacht heeft zich ook op geen enkel moment gericht tegen het gegeven dat er enige tijd – kennelijk – geen zorgmachtiging was. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [de zorgaanbieder] er van uit heeft mogen gaan dat sprake was van opeenvolgende machtigingen, zoals ook [betrokkene] en de rechtbank daarvan zijn uitgegaan.
2.Juridisch kader dwangbehandeling en verplichte zorg
voorafbeslist welke verplichte zorg is toegestaan. Dat impliceert dat duidelijk moet zijn om welke zorg het gaat. Aan een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging gaat daarom een uitgebreid voorbereidingstraject vooraf (zie hoofdstuk 5 Wvggz - ‘Voorbereiden zorgmachtiging’).
nietdat de dwang, waartoe de zorgmachtiging legitimeert, zonder meer kan worden toegepast. Daartoe zal eerst door de zorgverantwoordelijke (doorgaans is dat de behandelend psychiater) een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg moeten worden genomen (art. 8:9 Wvggz Pro). [19] Plv. P-G Langemeijer heeft in dat verband het beeld van drie cirkels gebruikt (onderstreping toegevoegd):
De binnenste cirkel wordt bepaald door de beslissing van de ‘zorgverantwoordelijke’, die van dag tot dag besluit welke verplichte zorg concreet aan de patiënt wordt gegeven(zie art. 8:9 Wvggz Pro).” [20]
Werkafspraken aanvraag en uitvoering zorgmachtiging’. [25] In par. 8.4 (“
Niet telkens nieuwe beslissing nodig bij elke nieuwe vorm van verplichte zorg (art. 8:9 lid Pro 1)”) van die notitie staat het volgende (onderstreping toegevoegd):
Moet de zorgverantwoordelijke bij het willen uitvoeren van elke nieuwe vorm van verplichte zorg telkens opnieuw een beslissing als bedoeld in art 8:9 lid 1 nemen Pro en deze apart schriftelijk motiveren indien alleen de juridische titel verandert of hoeft dat onder bepaalde omstandigheden niet?
Bij verandering van de juridische titel terwijl de verplichte zorg die aan de betrokkene wordt verleend niet verandert, hoeft de zorgverantwoordelijke geen nieuwe beslissing te nemen en deze dus ook niet schriftelijk aan betrokkene te bevestigen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
de rechtens onjuiste vraag stelt of de werkafspraken derogeren aan artikel 8:9 Wvggz Pro”. Het onderdeel klaagt voorts dat de rechtbank in rov. 4.4 en 4.5 ten onrechte heeft geoordeeld dat ook
nahet verstrijken van de geldigheid van een zorgmachtiging kan worden besloten tot het gedwongen toedienen van depotmedicatie zonder dat de betrokkene daarover een gemotiveerde schriftelijke beslissing heeft ontvangen waarin de zorgverantwoordelijke zich uitlaat over de actuele gezondheid en de wilsbekwaamheid van de betrokkene. Vooral het vaststellen van de wilsbekwaamheid weegt zwaar in de bescherming van de belangen van de betrokkene. Door te oordelen dat geen nieuw besluit nodig is miskent de rechtbank bovendien de gefaseerde benadering in de Wvggz bij het toepassen van gedwongen zorg.
Werkafspraak art. 8:9 lid Pro 1’ te hebben weergegeven, oordeelt de rechtbank aan het slot van rov. 4.4 dat zij op het aan de orde zijnde punt “
geen reden ziet om af te wijken van hetgeen in de (…) werkafspraken hierover is vastgesteld”. De rechtbank heeft zich derhalve aangesloten bij de betreffende werkafspraak. Daarmee is niet gezegd dat die afspraak in strijd is met art. 8:9 lid 1 Wvggz Pro. Dat de genoemde werkafspraak van de ketenpartners geen recht vormt in de zin van art. 79 RO Pro, maakt dit niet anders.
Rechten en plichten bij de tenuitvoerlegging en uitvoering van de (…) zorgmachtiging’) en dat het artikel “
wordt gezien als één van de belangrijkste artikelen” van de wet, mist eveneens feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat de rechtbank zich van een en ander niet bewust is geweest.
over de nakoming van een verplichting of een beslissing” op grond van art. 8:9 Wvggz Pro (art. 10:3 lid Pro 1, aanhef en onder f, Wvggz). Aan het indienen van een klacht is geen termijn gebonden. Dit betekent dat te allen tijde kan worden geklaagd over de toediening van de voorgeschreven medicatie. Als de betrokkene het niet eens is met de beslissing van de klachtencommissie kan hij daartegen binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan hem is meegedeeld beroep instellen bij de rechtbank (art. 10:7 lid 2 Wvggz Pro). Daarna staat nog beroep in cassatie open. De rechtsbescherming voor de patiënt is dus niet aangetast als de zorgverantwoordelijke geen nieuwe beslissing hoeft te nemen voor het ongewijzigd toepassen van dezelfde verplichte zorg.
en in elk geval tot aan het vervallen van die machtigingéén of meer vormen van verplichte zorg zijn toegepast, en (iii) die verplichte zorg is aangezegd gedurende de looptijd van die machtiging dan wel in een daaraan voorafgaande machtiging. In die situatie geldt dat bij aanvang van de opvolgende zorgmachtiging een nieuwe beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz Pro achterwege kan blijven. In het onderhavige geval, waarin een opvolgende zorgmachtiging direct aansluit op de voorafgaande zorgmachtiging en er gelet op de medische situatie niets wijzigt in de feitelijke behandeling, is de zorgverantwoordelijke niet gehouden een nieuwe beslissing te nemen op de voet van art. 8:9 Wvggz Pro.
desondanks” wordt gezien “
als een opvolgende machtiging”. [31] Ik stel vast dat dit oordeel dat de machtiging van 18 november 2020 wordt gezien “
als een opvolgende machtiging” in cassatie
niet wordt bestreden. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen brengt dit naar mijn mening ook voor het onderhavige geval mee, dat een nieuwe aanzegging op grond van art. 8:9 Wvggz Pro tot het gaan verlenen van verplichte zorg niet nodig was, ook niet nadien.
in een in tijd en vorm op maat toegesneden passende vorm van zorg en op de beoordeling van de wilsbekwaamheid van betrokkene”. Het onderdeel stelt dat het oordeel van de klachtencommissie in de beslissing van 10 januari 2023 dat betrokkene in ieder geval omstreeks 18 november 2020 en ook omstreeks 2 november 2021, te weten op de momenten dat nieuwe zorgmachtigingen zijn afgegeven, niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk geïnformeerd had moeten worden, in overeenstemming is met de uitspraak van uw Raad van 25 september 2020. Daarin wordt overwogen (onderstreping toegevoegd):
binnen de kaders van de zorgmachtiging en tijdens de geldigheidsduur daarvante beslissen welke vorm van verplichte zorg daadwerkelijk aan de betrokkene wordt verleend, is omkleed met diverse waarborgen. (…)” [32]
aan de kern van de beoordeling van de beslissing van de klachtencommissie”. Ter toelichting stelt het onderdeel dat betrokkene blijkens de weergave van haar standpunten in de beslissing van 12 december 2022 heeft aangevoerd dat zij veel bijwerkingen ervaart en dat zij eigenlijk over wil gaan op een andere vorm van medicatie (pillen), en dat de zorgaanbieder in een reactie daarop heeft aangevoerd dat de behandelaren recentelijk met betrokkene en haar broer hebben gesproken over de mogelijkheid om de depotmedicatie één keer per zes maanden toe te dienen, maar dat dit niet beschikbaar was in de dosering die betrokkene thans krijgt toegediend. Het onderdeel stelt dat ter beoordeling van de rechtbank dus voorlag dat de door betrokkene gegeven toelichting op haar bezwaren onderwerp had behoren te zijn in het overleg, zoals art. 8:9 Wvggz Pro dat voorschrijft, en dat de zorgverantwoordelijke aan de hand daarvan aan betrokkene een schriftelijk gemotiveerd besluit had moeten uitreiken over de toe te dienen zorg. Ook had de zorgverantwoordelijke, zo vervolgt het onderdeel, moeten beoordelen of betrokkene tot een redelijke waardering van haar belangen in staat was ter zake de medicatie. Het onderdeel stelt dat het herhaaldelijk achterwege blijven van een gemotiveerde beoordeling op grond van art. 8:9 Wvggz Pro gedurende de verschillende zorgmachtigingen de kern vormt van de beslissing van de klachtencommissie van 10 januari 2023, aan het slot waarvan de commissie opmerkt dat zij van mening is dat sprake is geweest van een onzorgvuldige gang van zaken, waarvan de instelling wordt verzocht nota te nemen om herhaling te voorkomen. Het onderdeel klaagt dat in dat licht bezien de door de rechtbank gegeven motivering onjuist en onbegrijpelijk is.
de klacht gegrond beoordeelt omdat niet voldaan is aan de wettelijke eisen” en dat zij daarom “
niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling”. In de beroepsprocedure heeft de rechtbank, anders dan de klachtencommissie, geoordeeld dat de ten behoeve van de uitvoering op grond van art. 8:9 Wvggz Pro genomen beslissingen hun rechtskracht behouden na de verlening van een opvolgende zorgmachtiging, en dat er geen grond is om een zorgverantwoordelijke te verplichten om ten aanzien van die zorg een nieuwe beslissing te nemen. Dit betekende dat de rechtbank toekwam aan een beoordeling van de – door de klachtencommissie niet beantwoorde – vraag of de (beslissing tot) toediening van de aan betrokkene gegeven verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie voldoet aan de eisen die worden genoemd in art. 2:1 Wvggz Pro. [33] Het bestreden feitelijke oordeel op dit punt is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de zorgaanbieder in de klachtenprocedure heeft aangevoerd in een reactie op de klacht van betrokkene. De klachtencommissie heeft het verweer van de zorgaanbieder weergegeven in haar beslissing van 12 december 2022 (blz. 3-4).