Conclusie
[eisers](eisers tot cassatie gezamenlijk) en
[verweerders](verweerders in cassatie gezamenlijk).
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
Bij deze wordt gevestigd over en weer ten behoeve en ten laste van het bij deze verkochte (thans [plaats] [sectie] - [003] ) en ten behoeve en ten laste van de verkoper in eigendom verblijvende gedeelte van het kadastrale perceel gemeente [plaats] [sectie] nummer [006] (thans [plaats] [sectie] - [004] en [005] ) de erfdienstbaarheid van overpad om te komen van en te gaan met een vaartuig over het water van en naar het [gebied] .”
[betrokkene 2]). [11] Dit perceel is later hernoemd tot [a-straat 1] . [12] [betrokkene 1 en zijn echtgenote] zijn toen eigenaar van perceel [002] gebleven. [13]
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank). Zij hebben, sterk samengevat weergegeven, gevorderd dat de rechtbank [eisers] beveelt respectievelijk verbiedt om nader in de dagvaarding aangeduide handelingen te verrichten/werkzaamheden uit te voeren met betrekking tot (bouw)werken op hun perceel. [17] Deze vorderingen en de beslissingen daarop in de feitelijke instanties zijn thans in cassatie niet meer van belang.
in conventiede vorderingen van [verweerders] afgewezen. De rechtbank heeft
in reconventie[verweerders] veroordeeld om de onder r.o. 2.5 van het eindvonnis omschreven erfdienstbaarheid jegens [eisers] na te komen, in het bijzonder door de door hen aangelegde constructie in het Balkengat in te korten en wel tot en met de tweede paal, gezien vanuit de aan de tuin van [verweerders] grenzende hoek, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat [verweerders] de erfdienstbaarheid niet (volledig) naleven. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
het hof). In cassatie is alleen nog grief VI van belang. Met die grief kwamen [verweerders] op tegen de hiervoor weergegeven veroordeling in reconventie. In de toelichting op de grief staat onder meer het volgende:
over en weer(“ten behoeve van en ten laste van”) dan überhaupt opgenomen in de oude en in de nieuwe akten?
in conventiegewezen, bekrachtigd. Het hof heeft dat vonnis, voor zover
in reconventiegewezen, vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het door [eisers] in oorspronkelijke reconventie gevorderde afgewezen.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden konden door verjaring worden verkregen
Wheeldon v Burrows(1879) LR 12 Ch D 31. Hij schrijft daarover: [25]
De mogelijkheid van het ontstaan van erfdienstbaarheden door verjaring is enerzijds verruimd, anderzijds ingeperkt; verruimd, omdat de acquisitieve verjaring niet meer alleen wordt aanvaard voor tegelijk zichtbare en voortdurende servituten en
ingeperkt, aangezien goede trouw ten aanzien van het bezit van registergoederen slechts wordt aangenomen, indien een aan dat bezit beantwoordende titel in de daartoe bestemde openbare registers is ingeschreven (vgl. artikel 3.4.3.1, lid 2). Derhalve heeft de verjaring hier slechts de functie om gebreken te helen van een vestiging door akte en inschrijving, die in het verleden daadwerkelijk plaatsgreep(artikel 3.4.3.8 kan geen basis bieden voor een ontstaan van een servituut door verjaring; […] Dit systeem dient ongetwijfeld de rechtszekerheid, zonder dat er door de beperking van de verjaringsmogelijkheid aan verkeersbehoeften geweld wordt aangedaan.
In het voorlopig verslag werd terecht opgemerkt dat volgens het oorspronkelijke ontwerp de mogelijkheid van het ontstaan van erfdienstbaarheden door verjaring enerzijds werd verruimd (nl. voor zover het betreft de niet voortdurende of niet zichtbare erfdienstbaarheden), anderzijds werd ingeperkt, aangezien goede trouw in de zin van artikel 3.4.3.1 lid 2 slechts wordt aangenomen, indien er een aan het bezit beantwoordende titel in de daartoe bestemde openbare registers is ingeschreven, terwijl artikel 3.4.3.8 aldus was geformuleerd dat het voor het ontstaan van erfdienstbaarheden door verkrijgende verjaring geen basis kon bieden. Ter gelegenheid van de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer betreffende Boek 3 zijn evenwel deze beide artikelen niet ongewijzigd gebleven. Het tweede lid van artikel 3.4.3.1 [29] is geschrapt, hetgeen echter in verband met artikel 3.5.12 lid 1 voor de verkrijging van erfdienstbaarheden door verjaring slechts van ondergeschikt belang is. Ook uit deze laatste bepaling vloeit immers voort dat menin het algemeenniet bezitter te goeder trouw van een erfdienstbaarheid kan zijn, d.w.z. kan menen door vestiging rechthebbende geworden te zijn, zonder dat van die vestiging uit een in de registers ingeschreven akte blijkt. Men vergelijke de voormelde memorie van antwoord bij artikel 3.4.3.1, vijfde alinea. Wel van belang voor de verkrijgende verjaring van erfdienstbaarheden is evenwel de nieuwe redactie van artikel 3.4.3.8. Juist mede teneinde de verkrijgende verjaring van erfdienstbaarheden uit hoofde van dit artikel mogelijk te maken zijn de woorden „de rechtsvordering tot opvordering van een goed” die daaraan in de weg stonden, vervangen door „de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit”. Men zie de voormelde memorie van antwoord bij dit artikel, vierde alinea. Zoals daar wordt gezegd, is deze wijziging wenselijk voorgekomen, omdat ook in geval van het bezit van een erfdienstbaarheid de ratio geldt van artikel 3.4.3.8, nl. dat ter wille van de rechtszekerheid het recht zich na verloop van tijd bij de feitelijke situatie behoort aan te sluiten, zodat discussies over de vraag of die feitelijke situatie indertijd al of niet rechtmatig is ontstaan, door dit tijdsverloop worden afgesneden.
alsbezit kan worden aangenomen. [35] Het hof heeft in het eindarrest uitsluitend een gemotiveerd oordeel gegeven over de goede trouw van [betrokkene 1 en zijn echtgenote] , die tussen 2001 en 2015 eigenaar waren van perceel [002] . Het hof heeft in het midden gelaten of aan het vereiste van ‘bezit van erfdienstbaarheid’ is voldaan. [36]
objectiefbezien verdedigbare onjuiste veronderstelling verkeerde dat hij rechthebbende werd. [38] Heeft degene die de gevolgen van verjaring wil inroepen de zaak door overdracht verkregen, dan zal goede trouw ontbreken, wanneer aan één van de in art. 3:84 lid 1 BW Pro gestelde vereisten voor overdracht een gebrek kleefde dat de verkrijger kende of behoorde te kennen. Van een dergelijk gebrek is sprake in geval van (i) onbevoegdheid van de vervreemder, (ii) afwezigheid van een geldige titel of (iii) de niet-vervulling van de formaliteiten die voor de levering zijn voorgeschreven. In dit laatste geval zal onderscheid gemaakt moeten worden tussen rechtsdwaling en feitelijke dwaling. Is door partijen geen leveringsakte getekend en ingeschreven in de openbare registers omdat zij zich
niet bewustwaren van het leveringsvoorschrift van art. 3:89 BW Pro, dan zal de koper in de regel, althans tegenover derden, als niet te goeder trouw gelden. [39] Hetzelfde geldt voor de vestiging van een beperkt recht, bijvoorbeeld een erfdienstbaarheid. Zou het gaan om een bezitter die meent dat een erfdienstbaarheid kan worden gevestigd zonder inschrijving van een notariële akte van vestiging in de openbare registers, dan kan geen sprake zijn van bezit te goeder trouw. In zodanig geval is sprake van een niet verschoonbare dwaling. [40] Is de notaris daarentegen verzocht de overschrijving (of de vestiging) te bewerkstelligen en heeft deze dit nagelaten, dan
kande koper desondanks te goeder trouw zijn. [41]
zoudenzijn gekend. [45]
[… 1] / [… 2]). Hij betoogt dat de Hoge Raad in dit arrest flink heeft getornd aan het uitgangspunt van de wetgever dat van bezit te goeder trouw van een registergoed geen sprake kan zijn wanneer er ten aanzien van het bezeten registergoed geen overdrachts- of vestigingsakte in de openbare registers is ingeschreven.
nietvan toepassing is: [54]
Het artikel behelst geen onderzoeksplicht ten aanzien van de eigen verkrijging. Anders gezegd, art. 3:23 BW Pro beschermt de eerdere rechthebbende te wiens behoeve is gepubliceerd tegen een latere (pretense) verkrijger […]; niet een latere verkrijger tegen een eerdere bezitter.”
Art. 3:23 BW Pro gaat erover dat je geacht wordt aan jouw verkrijging voorafgaande feiten te kennen. Dat speelt logisch niet als het gaat om het recht dat je aan het vestigen bent.”
is. Zij schrijven het volgende: [60]
De vermeende servituutgerechtigde zal echter te goeder trouw zijn en verkrijgt dan zijn servituut na tien jaren. De mogelijkheid dat hij bij latere raadpleging van de openbare registers de fout zou hebben opgemerkt (vgl. art. 3:23) staat daaraan niet in de weg, vgl. HR 5 februari 2010 […]”
uitsluitendacht heeft geslagen op hetgeen in art. 3:23 BW Pro is bepaald. Andere feiten en omstandigheden die van belang zouden kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van goede trouw heeft het hof niet kenbaar in zijn overwegingen betrokken.
deakte van 31 augustus 2001”. Zo ook in de vierde volzin van r.o. 3.7, waarin het hof overweegt dat vervolgens bij
deakte van 31 augustus 2001 perceel 2864 is gesplitst in de percelen [002] en [001] . Aldus moet worden aangenomen dat er één akte is van 31 augustus 2001 waarin is beoogd alles te regelen. Ik merk op dat dit ook noodzakelijk was. Het is namelijk niet mogelijk dat de onbezwaarde eigenaar van twee erven een erfdienstbaarheid vestigt ten laste van het ene erf en ten bate van het andere. [66] Aldus moesten [betrokkene 1 en zijn echtgenote] wel met de splitsing en de (beoogde) vestiging van een erfdienstbaarheid van overpad wachten totdat de vervreemdingshandeling plaatsvond.
subonderdelen 1.1.1 t/m 1.1.4zijn gericht tegen het oordeel dat bij een enigszins grondige lezing van de in de openbare registers ingeschreven akte van 31 augustus 2001 duidelijk wordt dat daarin geen erfdienstbaarheid tussen de percelen [002] en [001] is gevestigd, en dat [betrokkene 1 en zijn echtgenote] zich op grond van art. 3:23 BW Pro dus niet konden beroepen op onbekendheid met het feit dat geen erfdienstbaarheid was gevestigd. Ik zal de subonderdelen 1.1.1 t/m 1.1.3 hieronder eerst alle weergeven en vervolgens bespreken.
nahet verlijden van de splitsingsakte in de openbare registers hadden moeten controleren of de erfdienstbaarheid was ingeschreven. Het subonderdeel klaagt dat het hof in dat geval miskent dat art. 3:23 BW Pro niet zover reikt dat een rechtsverkrijger alleen dan te goeder trouw is, indien hij in de openbare registers controleert of de beoogde erfdienstbaarheid daadwerkelijk is gevestigd. Aldus heeft het hof volgens het subonderdeel ten onrechte geoordeeld dat [betrokkene 1 en zijn echtgenote] zich niet konden beroepen op onbekendheid met het feit dat geen erfdienstbaarheid was gevestigd.
voorafgaandaan de splitsing op 31 augustus 2001 in de openbare registers de splitsingsakte hadden moeten raadplegen, terwijl die akte op die datum nog niet was ingeschreven en [betrokkene 1 en zijn echtgenote] en [betrokkene 2] op grond van de splitsingsakte nu juist in de veronderstelling verkeerden dat een erfdienstbaarheid tussen de na splitsing ontstane percelen was gevestigd. Volgens het subonderdeel is onbegrijpelijk dat het hof van [betrokkene 1 en zijn echtgenote] vergde dat zij voorafgaand aan de splitsing in de openbare registers nagingen of een erfdienstbaarheid was gevestigd, terwijl partijen er destijds van uitgingen dat bij die splitsing een erfdienstbaarheid zou worden gevestigd. Daarbij geldt bovendien, zo besluit het subonderdeel, dat een eigenaar van een erf geen erfdienstbaarheid kan vestigen ten laste en ten gunste van dat ene erf, zodat het hof art. 3:23 BW Pro onbegrijpelijk in zijn beoordeling heeft betrokken.
welis gevestigd. Het hof heeft geoordeeld dat dit betoog niet opgaat. Samengevat: omdat er geen geldige vestigingshandeling heeft plaatsgevonden is er geen erfdienstbaarheid door vestiging ontstaan. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
nietin de weg staat aan het aannemen van goede trouw in gevallen waarin zonder dat partijen het beseffen inschrijving van de notariële akte van vestiging van een erfdienstbaarheid achterwege blijft dan wel de erfdienstbaarheid niet is vermeld in de wel ingeschreven notariële akte. Het gaat, zo schrijft zij ter toelichting, “hier immers niet om gevallen waarop art. 3:23 BW Pro ziet, nu het niet gaat om een geval waarin de verkrijger beter zou hebben geweten door raadpleging van de registers met het oog op de verkrijging van de erfdienstbaarheid, maar om gevallen waarin de verkrijger ervan uitgaat dat hij door inschrijving van de akte door de notaris een erfdienstbaarheid zal verkrijgen.” Verstijlen drukt het in zijn
NJ-noot onder het arrest treffend uit. Ik herhaal de eerder weergegeven passage: [69]
wordt gevestigd. Het hof had de vraag of [betrokkene 1 en zijn echtgenote] al dan niet geacht worden te goeder trouw te zijn geweest in de zin van art. 3:118 lid 1 BW Pro derhalve moeten beantwoorden langs een andere weg dan toepassing van art. 3:23 BW Pro. Dit heeft het hof niet gedaan. Een nadere motivering waaruit blijkt dat het hof andere aspecten met betrekking tot de goede trouw kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken, ontbreekt in elk geval. In subonderdeel 1.1.1 lees ik een klacht die is toegesneden op de voorgaande aspecten. Die klacht slaagt derhalve. Reeds op grond hiervan kan het bestreden oordeel niet in stand blijven.
voorafgaandaan de splitsing van perceel [003] (en de gelijktijdige overdracht aan [betrokkene 2] van perceel [001] ) zij daaruit in elk geval niet hadden kunnen opmaken dat geen erfdienstbaarheid was gevestigd tussen de percelen [002] en [001] onderling. [eisers] hebben aangevoerd dat het nu juist de bedoeling van [betrokkene 1 en zijn echtgenote] (en [betrokkene 2] ) was om dit
bij de splitsingte bewerkstelligen. Indien [betrokkene 1 en zijn echtgenote] vóór het opmaken en inschrijven van de akte van 31 augustus 2001 de openbare registers hadden geraadpleegd dan zouden zij daarin uitsluitend hebben kunnen zien dat een erfdienstbaarheid van overpad was gevestigd ten gunste en ten laste van het nog niet gesplitste perceel [003] enerzijds en de percelen [004] en [005] anderzijds.
nahet verlijden van de splitsingsakte in de openbare registers hadden moeten controleren of de erfdienstbaarheid was ingeschreven. Op goede gronden kan worden betoogd dat dit niet het geval is en dat het subonderdeel feitelijke grondslag mist. De overdracht aan [betrokkene 2] van perceel [001] vond immers gelijktijdig plaats (lees: moest gelijktijdig plaatsvinden). [70] Indien (wordt aangenomen dat) het hof wel heeft geoordeeld dat [betrokkene 1 en zijn echtgenote] na het verlijden van de splitsingsakte in de openbare registers hadden moeten controleren of de erfdienstbaarheid was ingeschreven, dan heeft het miskend dat art. 3:23 BW Pro ook in dat geval niet van toepassing is. Zoals gezegd heeft het hof zijn oordeel niet anders gemotiveerd dan met een verwijzing naar art. 3:23 BW Pro. Verwezen zij naar hetgeen hiervoor in 4.38 is overwogen.
altijdte goeder trouw is, gaat dit betoog uit van een verkeerde lezing van dat arrest. Het oordeel van de Hoge Raad in de ten overvloede gegeven r.o. 3.6 moet namelijk worden bezien tegen de achtergrond van de daar vermelde vaststaande feiten en omstandigheden.
subonderdelen 1.2.1 en 1.2.2zijn gericht tegen het oordeel in r.o. 2.8 dat de situatie in de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is met de situatie die ten grondslag lag aan het hiervoor besproken arrest [… 1] / [… 2] , omdat in die zaak
weleen akte tot vestiging van erfdienstbaarheden was opgemaakt, maar het desbetreffende recht van overpad daarin abusievelijk niet was opgenomen. Het hof heeft overwogen dat in de akte van 31 augustus 2001 geen enkele erfdienstbaarheid is gevestigd en ook geen poging is gedaan om dat te doen, wellicht – zoals [eisers] zelf aanvoeren – omdat niet onder ogen werd gezien dat dat nodig was.
dateen erfdienstbaarheid werd gevestigd en dat voor het aannemen van goede trouw niet noodzakelijk is dat partijen in de splitsingsakte een ‘poging’ tot het vestigen van een erfdienstbaarheid moeten hebben ondernomen of dat een andere erfdienstbaarheid in de splitsingsakte moet zijn gevestigd. Betoogd wordt dat de omstandigheid dat [betrokkene 1 en zijn echtgenote] en [betrokkene 2] onder ogen hebben gezien dat geen erfdienstbaarheid werd gevestigd en dat zij in de veronderstelling verkeerden dat een erfdienstbaarheid was gevestigd, voldoende is om de goede trouw van [betrokkene 1 en zijn echtgenote] aan te nemen. Althans is volgens
subonderdeel 1.2.2onbegrijpelijk waarom alleen goede trouw van [betrokkene 1 en zijn echtgenote] kan worden aangenomen als in de splitsingsakte een andere erfdienstbaarheid zou zijn gevestigd of in de splitsingsakte een poging zou zijn gedaan de erfdienstbaarheid van overpad te vestigen, maar dat geen goede trouw kan worden aangenomen als partijen bij de splitsingsakte ervan uitgingen dat een erfdienstbaarheid zou worden gevestigd. Het subonderdeel stelt dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom de omstandigheid dat [betrokkene 1 en zijn echtgenote] en [betrokkene 2] er beiden van uitgingen dat een erfdienstbaarheid zou worden of zijn gevestigd er niet toe zou kunnen leiden dat de goede trouw van [betrokkene 1 en zijn echtgenote] zou moeten worden aangenomen.
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof hiermee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat [eisers] voldoende hebben gesteld om tot het bewijs te worden toegelaten en het te bewijzen aangebodene tot beslissing van de zaak kan leiden. Volgens
subonderdeel 2.2is het onbegrijpelijk dat het hof het bewijsaanbod heeft gepasseerd, niet alleen omdat het geen inzicht heeft gegeven in de gedachtegang die tot zijn oordeel heeft geleid, maar ook omdat zonder motivering niet valt in te zien waarom het horen van [betrokkene 2] als comparant bij de splitsingsakte niet van (essentieel) belang zou zijn voor het oordeel over de goede trouw van [betrokkene 1 en zijn echtgenote]