Conclusie
(hierna: de vrouw),
(hierna: de man)
1.Korte aanduiding van het cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
Feiten
Ik vermeld evenwel voor de volledigheid de door de rechtbank vastgestelde feiten. [1]
Het beroepschrift is op 28 juli 2022 ingekomen ter griffie van dit hof.
De vrouw heeft bij brief van 19 augustus 2022 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De man heeft geen uitlating gedaan. [9]
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De griffie van de Hoge Raad heeft de bijzondere curator en de raad ter kennisgeving een afschrift van de procesinleiding toegezonden.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen de rov. 3.5, 3.7 en 3.8 (en het dictum), waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (voor de volledigheid citeer ik ook de (onbestreden) rov. 3.4 en 3.6):
Platakou/Griekenland. [23]
Platakou/Griekenlandis niet van toepassing op de Nederlandse situatie, aldus de Hoge Raad in het arrest
Heilbron/Rensa. [25] De vrouw stelt in haar toelichting het oordeel van de Hoge Raad in genoemd arrest ter discussie en voert daartoe aan “dat bij dat arrest van de Hoge Raad in gezaghebbende literatuur vraagtekens worden geplaatst”. [26] In een voetnoot wordt daarbij uitsluitend naar Van Schaick verwezen. [27] Annotator Van Mierlo onderschrijft de uitspraak van de Hoge Raad. [28] Er zijn geen andere commentaren.
Heilbron/Rensaheeft de Hoge Raad op basis van de wet en de toelichting daarop geoordeeld dat, anders dan volgens Griekse wetgeving, naar Nederlands recht de deurwaarder zijn ambtshandelingen verricht als zelfstandig en onafhankelijk bestuursorgaan en daarbij niet optreedt als orgaan of vertegenwoordiger van de Staat.
In Nederland maakt een fout van de gerechtsdeurwaarder een termijnoverschrijding dus niet verschoonbaar.
Platakou/Griekenland, zodat de fout van PostNL de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.
Dit betoog stuit af op het volgende.
(1) toezending per post aan de griffie van het hof;
(2) afgifte aan de centrale balie van het hof [29] of
(3) door toezending via Veilig Mailen, mits het processtuk of het bericht, met eventuele bijlage(n), direct per post aan de griffie van het hof wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale Balie van het hof, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft. [30]
Platakou/Griekenlandhet geval was, kan een beroepschrift dus op verschillende manieren bij een hof worden ingediend. Verzending per post is een keuze van (de advocaat van) de appellant en ligt daarmee in diens risicosfeer. Een fout van PostNL kan dan ook niet aan de Staat worden toegerekend en niet tot verlenging van de appeltermijn leiden.
Het EHRM heeft in dit verband in verschillende arresten het volgende overwogen:
subonderdeel 1.2klaagt dat het hof in rov. 3.5, 3.7, 3.8 en in het dictum een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Volgens dit subonderdeel had het hof, desnoods ambtshalve rechtsgronden aanvullend, moeten uitgaan van de maatstaf die de Hoge Raad in twee arresten van 16 december 2022 heeft aangelegd. [34]
De Hoge Raad beantwoordde deze vraag als volgt [36] :
Subonderdeel 1.2 faalt dus.
De stellingen van de vrouw onder (i) tot en met (vi) hebben alle betrekking op de ter post bezorging van het beroepschrift. In de bestreden rov. 3.7 ligt besloten dat het hof de stellingen van de vrouw over de (wijze van) bezorging en het daaraan te ontlenen vertrouwen heeft verworpen. Van een onbegrijpelijk oordeel omdat essentiële stellingen zijn gepasseerd, is dan ook geen sprake.
subonderdeel 1.4de klacht wordt aangevoerd dat het hof heeft nagelaten te motiveren op welke wijze het rekening heeft gehouden met de belangen van het kind, die door de vrouw in de brief van 19 augustus 2022 zijn aangevoerd.
Ook subonderdeel 1.4 faalt dus, en daarmee onderdeel 1 in zijn geheel.
Verder bericht ik u dat het hof voornemens is schriftelijk te beslissen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het hof gaat ervan uit dat hiertegen van uw zijde geen bezwaar bestaat. Indien u toch wenst dat een mondelinge behandeling wordt bepaald, verzoek ik u dit aan te geven bij uw schriftelijke uitlating. (…)”
de raadin de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.