Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
MA/Ibercaja Banco, [1] SPV Project 1503 en Banco di Desio, [2] L/Unicaja Banco [3] en
Impuls Leasing România [4] meebrengen dat de verzettermijn van artikel 143 Rv Pro buiten toepassing moet worden gelaten als uit een verstekvonnis in een consumentenzaak niet blijkt dat de rechter heeft getoetst aan (de Nederlandse regels ter implementatie van) richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). [5] Voor het geval dat de verzettermijn inderdaad buiten toepassing moet worden gelaten, stelt de kantonrechter een aantal vervolgvragen. Deze vragen zijn gerezen in een geval waarin op grond van bijzondere omstandigheden eerst in 2021 verzet is ingesteld tegen een in 2014 gewezen en vervolgens ten uitvoer gelegd verstekvonnis, waarin een huurder werd veroordeeld tot betaling van een huurachterstand en ontruiming van de woning. De prejudiciële vragen zien echter op veel meer gevallen en bevestigende beantwoording van de eerste prejudiciële vraag zou vele duizenden in het verleden gewezen verstekvonnissen in consumentenzaken op losse schroeven zetten.
MA/Ibercaja Bancoen
SPV Project 1503 en Banco di Desiovolgt dat de Richtlijn beperkingen kan stellen aan de objectieve omvang van het gezag van gewijsde van een vonnis waaruit niet blijkt dat de rechter daadwerkelijk heeft getoetst aan de Richtlijn. Het arrest
L/Unicaja Bancobetreft de vraag of een appelrechter, in de specifieke context van dat geval, ambtshalve kan toetsen aan de Richtlijn ook indien de door de rechtbank gedeeltelijk toegewezen vordering die was gebaseerd op de oneerlijkheid van het beding, in hoger beroep niet voorligt. Het arrest
Impuls Leasing Românialijkt voor de voorliggende prejudiciële vragen niet van belang. Deze vier uitspraken zien, afzonderlijk dan wel in onderling verband gelezen, mijns inziens niet op de vraag of het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van een verzet- of rechtsmiddelentermijn. Naar mijn mening is er voor de Hoge Raad geen aanleiding om op dit punt prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ, mede omdat de kantonrechter op basis van het arrest
MA/Ibercaja Bancokan bepalen hoe hij moet beslissen in het onderhavige geval.
2.Feiten en procesverloop
MA/Ibercaja Banco-arrest van het HvJ van 17 mei 2022. De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling gelast om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over dit arrest en de gevolgen daarvan voor deze zaak. [7]
MA/Ibercaja Banco(rov. 2-6) en overwogen dat tegen die achtergrond het betoog van partijen over de tijdigheid van het verzet en de eventuele strijd met het EVRM geen verdere bespreking zou behoeven (rov. 7). De kantonrechter heeft het voornemen bekend gemaakt om de in rov. 30 van dat tussenvonnis opgenomen prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich over dit voornemen en over de inhoud van de vragen uit te laten. [8] Rochdale heeft verzocht om uitstel voor deze uitlating.
3.De door de kantonrechter gestelde vragen
MA/Ibercaja Banco,
SPV Project 1503 en Banco di Desio(hierna:
SPV Project 1503),
Impuls Leasing Româniaen
L/Unicaja Bancovolgt dat de rechter in een zaak tussen een handelaar − waarmee wordt bedoeld een ‘verkoper’ in de zin van de Richtlijn [11] − (als geopposeerde) en een consument (als opposant) de wettelijke verzettermijn van artikel 143 Rv Pro buiten toepassing moet laten als uit het verstekvonnis niet blijkt dat de rechter heeft getoetst of de bij verstek toegewezen vordering is gebaseerd op oneerlijke bedingen. In zijn tussenvonnis van 20 januari 2023 licht de kantonrechter deze vraag als volgt toe:
vragen 2 tot en met 9gesteld voor het geval van een bevestigende beantwoording van
vraag 1.
vraag 1moet worden beantwoord. Evenals de kantonrechter zie ik in de akte van Rochdale van 31 maart 2023 geen aanleiding om die vraag te wijzigen of aan te vullen. De inhoud van de akte zal waar relevant bij de behandeling worden betrokken.
vraag 1kan worden afgeleid uit de rechtspraak van het HvJ. Ik kom tot de slotsom dat uit deze rechtspraak een ontkennend antwoord op deze vraag kan worden afgeleid.
Voor zover de Hoge Raad zou oordelen dat redelijkerwijs twijfel kan bestaan over dit antwoord, zou op zichzelf voor de hand liggen dat de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het HvJ stelt. Dergelijke vragen zouden dan ook het onderwerp van
vraag 2moeten betreffen. Gelet op het fundamentele karakter van een algemene eenvormige toepassing van het Unierecht, kan immers alleen het HvJ beslissen over beperkingen in de tijd die voor een door hem gegeven uitleg van het Unierecht hebben te gelden. [12] Aan het stellen van prejudiciële vragen wordt in dit geval m.i. echter niet toegekomen, mede omdat de kantonrechter op basis van het arrest
MA/Ibercaja Bancokan bepalen hoe hij moet beslissen in het onderhavige geval (zie in 6.8).
vragen 3 tot en met 9in het geval dat zou blijken dat
vraag 1bevestigend beantwoord moet worden. Om deze reden zie ik thans af van een bespreking van de
vragen 3 tot en met 9.
vragen 5 tot en met 7.
Vraag 5betreft het geval dat in de verzetprocedure blijkt dat de verhuurder niet meer beschikt over de overeenkomst of de algemene voorwaarden. Dit geval doet zich in deze zaak niet voor. Uit de vastgestelde feiten volgt dat de overeenkomst beschikbaar is. Uit het tussenvonnis van 20 januari 2023 (rov. 10) blijkt dat de toepasselijke ‘algemene voorwaarden 2009 van Rochdale’ ook beschikbaar zijn. [13] Vraag 6betreft de eventuele ambtshalve toetsing van de omvang van de huurachterstand en de vraag of deze de ontruiming rechtvaardigt, indien de gevorderde huursom mede berust op een mogelijk oneerlijk huurprijswijzigingsbeding. Ook dit doet zich in deze zaak niet voor. Uit het tussenvonnis van 20 januari 2023 (rov. 11) blijkt dat de toepasselijke algemene voorwaarden in deze zaak geen beding bevatten dat ziet op huurprijswijziging bij niet-geliberaliseerde woonruimte (waarvan in dit geval sprake is) en dat huurverhogingen zijn gebaseerd op de wet.
Vraag 7bouwt voort op de
vragen 5 en 6.
Het antwoord op deze vragen is daarom niet nodig om de kantonrechter in staat te stellen op de vordering te beslissen, zodat de Hoge Raad op grond van artikel 392 lid Pro 1, aanhef, Rv kan afzien van beantwoording ervan.
vraag 1. Deze conclusie is verder als volgt opgebouwd. Om eerst het beeld te schetsen van de context waarin deze vraag moet worden bezien, zet ik onder 4 het Nederlandse juridische kader uiteen ten aanzien van verstek en verzet en het gezag van gewijsde. Onder 5 bespreek ik de rechtspraak van het HvJ, met name zijn vier arresten van 17 mei 2022. Achtereenvolgens komen aan de orde (i) dat het arrest
Impuls Leasing Româniaverder buiten beschouwing kan blijven; (ii) de door het HvJ gegeven algemene overwegingen over de Richtlijn; (iii) de rechtspraak van het HvJ over de betekenis van de Richtlijn voor kracht en gezag van gewijsde van rechterlijke uitspraken (onder meer de arresten
MA/Ibercaja Bancoen
SPV Project 1503); (iv) het arrest
L/Unicaja Banco, dat wordt besproken in verband met zijn mogelijke betekenis voor de omvang van de rechtsstrijd in appel en voor de toepassing van appeltermijnen; en ten slotte (v) de conclusies uit het voorgaande. Vervolgens kom ik onder 6 tot een ontkennende beantwoording van
vraag 1.
vraag 1impliceert in beginsel dat alle verstekvonnissen die vallen onder het toepassingsbereik van de Richtlijn en waarin niet uitdrukkelijk aan de Richtlijn is getoetst, ook na het verstrijken van de verzettermijn nog door de consument ter discussie kunnen worden gesteld. Indien de verzettermijn buiten toepassing zou moeten worden gelaten, blijven deze verstekvonnissen in beginsel aantastbaar door het instellen van verzet. Deze verstekvonnissen hebben dan nog geen (volledig) kracht van gewijsde verkregen.
De Richtlijn is, kort gezegd, van toepassing op elke overeenkomst tussen een beroepsmatig handelende partij en een consument die na 31 december 1994 is gesloten en waarbij algemene voorwaarden (meer precies: bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld) zijn gebruikt. [14] De kantonrechter gaat ervan uit dat in (lang) niet alle verstekvonnissen uitdrukkelijk wordt, althans werd, getoetst aan de Richtlijn. [15] Vraag 1betreft daarom grote aantallen sinds 1 januari 1995 gewezen verstekvonnissen in consumentenzaken waarin algemene voorwaarden een rol hebben gespeeld zonder dat uit het vonnis blijkt dat is getoetst of de relevante bedingen oneerlijk zijn. Dit betreft duizenden vonnissen per jaar. [16]
vraag 1zou dus tot gevolg hebben dat vele duizenden consumentenzaken waarin bij verstek uitspraak is gedaan, na het verstrijken van de verzettermijn op losse schroeven komen te staan. In de schriftelijke opmerkingen van Rochdale en KBvG wordt terecht aandacht gevraagd voor de gevolgen die dit voor de rechtspraktijk zou kunnen hebben. Zij wijzen er onder meer op dat organisaties – die vanwege privacyregelgeving gehouden zijn om documenten te vernietigen op het moment dat er geen noodzaak meer bestaat om deze te bewaren − jaren na een verstekvonnis mogelijk niet meer beschikken over het dossier dat nodig is om het debat aan te gaan over de eventuele oneerlijkheid van contractuele bedingen (nrs. 4.40 en 4.77-4.99). Verder wijzen zij op problemen bij het terugdraaien van de tenuitvoerlegging van vonnissen, de mogelijkheid dat nieuwe conflicten ontstaan en op het risico van afname van het vertrouwen in de rechtspraak (nr. 4.60).
vraag 1ook gevolgen kan hebben voor op tegenspraak gewezen vonnissen in consumentenzaken waarin niet uitdrukkelijk aan de Richtlijn is getoetst, zodat de vervolgvraag rijst of daartegen na het verstrijken van de appeltermijn nog hoger beroep zou kunnen worden ingesteld. [17] Ik laat dit punt verder buiten beschouwing.
vraag 1– de rechtspraak van het HvJ bepaalde gevolgen voor het gezag van gewijsde van verstekvonnissen in consumentenzaken waarin algemene voorwaarden een rol hebben gespeeld zonder dat uit het vonnis blijkt dat is getoetst of de relevante bedingen oneerlijk zijn (zie hierna in 5.17.1 e.v.).
4.Het Nederlandse procesrechtelijke kader
Als het exploot niet wordt uitgebracht binnen de verzettermijn en de betrokken partij op die grond in haar verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard, brengt dat niet alleen mee dat de instantie in conventie niet wordt heropend, maar ook dat het exploot van verzet in zijn functie van conclusie van antwoord te laat is. Indien de betrokken partij te kennen geeft ingeval van niet-ontvankelijkheid in het verzet toch beoordeling van haar reconventionele vordering te wensen, kan het exploot worden aangemerkt als een gewone dagvaarding, die een nieuwe procedure inluidt. [22]
MA/Ibercaja Bancoen de andere door de kantonrechter genoemde arresten van het HvJ volgt dat de verzettermijn moet worden genegeerd, omdat uit het verstekvonnis in deze zaak niet blijkt dat is getoetst aan de Richtlijn.
Beukers meent dat het gezag van gewijsde van een verstekvonnis zich alleen uitstrekt over de in dat vonnis opgenomen geschilbeslissingen en niet over (impliciete) voorbeslissingen over een niet (of onvoldoende) betwist punt. Dit van een vonnis op tegenspraak afwijkend regime vindt volgens deze auteur zijn rechtvaardiging onder meer in de (kleine) kans dat het tegen gedaagde gewezen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, zonder dat gedaagde wist dat eiser hem in een procedure had betrokken. In dat geval is het redelijk om de bindende kracht van het declaratief niet verder uit te strekken dan noodzakelijk is. [44] Volgens Oudelaar is het gezag van gewijsde van verstekvonnissen minder sterk dan dat van contradictoire vonnissen. Het beginsel dat aan geschillen een einde moet komen klemt volgens deze auteur meer wanneer reeds een uitvoerig debat tussen partijen voor de rechter heeft plaatsgehad, dan wanneer de eiser, zonder nader feitelijk onderzoek zoals bij verstekzaken veel voorkomt, zijn vordering op korte termijn toegewezen krijgt. Hierbij komt nog dat de rechtvaardiging van het bestaan van het gezag van gewijsde – welke rechtvaardiging volgens deze auteur hierin gelegen is dat er genoegzame waarborgen zijn dat het vonnis waaraan het gezag van gewijsde toegekend wordt, juist is – bij verstekvonnissen juist minder sterk is. [45] Gras meent – tot slot – dat het gezag van gewijsde van een verstekvonnis zich alleen uitstrekt tot beslissingen over regels die de rechter ambtshalve in aanmerking moet nemen. [46]
5.De arresten van het HvJ van 17 mei 2022
Inleiding
MA/Ibercaja Banco:
Impuls Leasing Româniaverder buiten beschouwing blijven. Dit arrest bevat een illustratie van de toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel, maar ziet op een ander soort geval dan de problematiek die door
vraag1 aan de orde wordt gesteld.
Het arrest betreft een geval waarin het Roemeense recht een drempel opwerpt alvorens de rechter kan toetsen aan de Richtlijn. Het ging om een Roemeense wettelijke regeling op grond waarvan de executierechter, bij wie verzet is aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van een leaseovereenkomst (die een executoriale titel vormt), niet ambtshalve of op verzoek van de consument kan nagaan of de bedingen van die overeenkomst oneerlijk zijn. De consument moest daartoe een vordering instellen in een afzonderlijke procedure, waarin de leaseovereenkomst kan worden getoetst op oneerlijke bedingen. Het pijnpunt was dat de consument die een dergelijke ‘vordering naar gemeen recht’ instelt, gehouden is een garantie te stellen die wordt berekend op basis van het bedrag van de vordering (hoofdsom, kosten en rente). Die garantie-eis vormt voor een consument die zijn rekening niet kon betalen een belemmering om een dergelijke vordering, waarin kan worden getoetst aan de Richtlijn, in te stellen. De Richtlijn verzet zich daarom tegen deze garantie-eis. [49]
vraag 1zijn enerzijds de zaken
SPV Project 1503en
MA/Ibercaja Bancoen anderzijds de zaak
L/Unicaja Bancovan belang.
De zaken
SPV Project 1503en
MA/Ibercaja Bancostellen aan de orde welke beperkingen aan het gezag van gewijsde worden gesteld met het oog op de effectieve bescherming van de rechten van de consument op grond van de Richtlijn. Uit
SPV Project 1503blijkt dat het gezag van gewijsde zich niet uitstrekt tot impliciete voorbeslissingen over de oneerlijkheid van bedingen. Uit
MA/Ibercaja Bancoblijkt dat geen gezag van gewijsde toekomt aan rechterlijke beslissingen waarin geen gewag wordt gemaakt van toetsing aan de Richtlijn. Ik bespreek deze zaken hierna (in 5.7 e.v.) in verband met de rechtspraak van het HvJ over kracht en gezag van gewijsde.
De zaak
L/Unicaja Bancobetreft een tamelijk unieke context waarin een consument afziet van het instellen van incidenteel appel tegen een vonnis dat strookt met vaste rechtspraak van de Spaanse hoogste rechter over de beperking in de tijd van de gevolgen van oneerlijke bodemrentebedingen in hypotheekovereenkomsten, maar in de loop van de appelprocedure uit een arrest van het HvJ blijkt dat deze vaste rechtspraak van de Spaanse hoogste rechter in strijd is met de Richtlijn. Ik denk dat deze uitspraak moet worden begrepen in het licht van deze context en zich niet of nauwelijks leent voor generalisaties (zie hierna in 5.19.1 e.v.).
SPV Project 1503,
MA/Ibercaja Bancoen
L/Unicaja Bancoblijkt dat het daarin niet gaat om de vraag of een verzettermijn buiten toepassing moet worden gelaten.
Desalniettemin stelt
vraag 1juist die kwestie aan de orde. Hieraan ligt m.i. de gedachte ten grondslag, dat een combinatie van deze arresten aanleiding kan geven tot de vraag of de verzettermijn buiten toepassing moet worden gelaten bij verstekvonnissen die vallen onder het toepassingsbereik van de Richtlijn en waarin niet uitdrukkelijk aan de Richtlijn is getoetst. De arresten
MA/Ibercaja Banco en SPV Project 1503verplichten in deze gevallen tot een beperking op de toepassing van het gezag van gewijsde. Het arrest
L/Unicaja Bancowordt door de kantonrechter kennelijk zo opgevat, dat het verplicht tot een beperking op de toepassing van een rechtsmiddelentermijn.
SPV Project1503 en
MA/IbercajaBanco alleen zien op het gezag van gewijsde van uitspraken waarin niet uitdrukkelijk aan de Richtlijn is getoetst. Dit betekent dat deze toetsing in een latere procedure alsnog verricht kan worden. Deze arresten bieden echter geen steun voor de gedachte dat de kracht van gewijsde van dergelijke uitspraken in het geding zou zijn, dat wil zeggen dat deze uitspraken als zodanig nog weer ter discussie gesteld zouden kunnen worden. Dat zou echter precies het gevolg zijn van een bevestigende beantwoording van
vraag 1(zie hiervoor in 3.10-3.11).
Vervolgens bespreek ik het arrest
L/Unicaja Banco(5.19.1 e.v.). Dit arrest gaat mijns inziens over de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep en niet over een beperking op de toepassing van een rechtsmiddelentermijn.
res judicata) en, ten tweede, dat de omvang van (in de Nederlandse terminologie) het gezag van gewijsde in het recht van de lidstaten verschilt ten aanzien van de vereiste mate van identiteit tussen de eerste en een latere procedure (vgl. hiervoor in 4.9) en impliciete (voor)beslissingen (vgl. hiervoor in 4.10-4.11). [52] Dergelijke verschillen in het nationale procesrecht van de lidstaten kunnen het moeilijker maken om de betekenis van een uitspraak van het HvJ precies ‘te vertalen’ naar het eigen rechtsstelsel. [53] In de rechtspraak van het HvJ worden de begrippen kracht en gezag van gewijsde − wellicht in verband met deze nationale verschillen − niet steeds scherp onderscheiden. [54] Hetzelfde geldt voor de literatuur. [55] De terminologie oogt de in Nederlandse vertalingen soms wat onvast, [56] al zijn er ook uitspraken die rekening lijken te houden met een onderscheid tussen (in de Nederlandse terminologie) kracht van gewijsde en gezag van gewijsde. [57] Tot slot merk ik op dat het HvJ geen onderscheid maakt tussen het gezag van een eerdere uitspraak in een latere fase van hetzelfde geding en het gezag van die uitspraak in een ander geding (zie ook hierna in 5.14.4).
res judicata, dat wil zeggen bij impliciete (voor)beslissingen. [58]
MA/Ibercaja Banco en SPV Project 1503passen in de lijn in de rechtspraak van het HvJ waarin het gezag van gewijsde van uitspraken van nationale rechters waarin niet volledig of niet expliciet is getoetst aan de Richtlijn, wordt beperkt.
Banco Primus [59] ging het om de vraag of de Richtlijn zich verzet tegen een regel van nationaal procesrecht die de rechter verbiedt bepaalde bedingen in een overeenkomst ambtshalve te toetsen wanneer die overeenkomst al het voorwerp is geweest van een rechterlijke toetsing die is afgesloten met een beslissing met gezag van gewijsde. In die zaak had een rechter bij beschikking, die gezag van gewijsde had verkregen, de overeenkomst die aan de orde was, al getoetst aan de Richtlijn en vastgesteld dat één van de bedingen in die overeenkomst oneerlijk was. Het HvJ overwoog:
MA/Ibercaja Bancoen
SPV Project 1503bouwen voort op deze uitspraak. In beide zaken speelt de vraag of de Richtlijn vereist dat de executierechter het mogelijk oneerlijke karakter van contractuele bedingen moet kunnen toetsen, ook al is er een eerdere rechterlijke beslissing die naar nationaal recht gezag van gewijsde heeft verkregen waarin er niet, althans niet expliciet, is getoetst aan de Richtlijn. Het HvJ overweegt in
MA/Ibercaja Banco(en in gelijkluidende overwegingen in
SPV Project 1503(punten 56-63
)over het gezag van gewijsde:
SPV Project 1503, omdat deze uitspraak mijns inziens minder vergaand is dan
MA/Ibercaja Banco.
SPV Project 1503heeft schuldeiser SPV (met anderen) een betalingsbevel verkregen in verband met vorderingen uit een met een consument gesloten financieringsovereenkomst. Het betalingsbevel is definitief geworden doordat de consument daartegen geen verzet heeft aangetekend. In een daaropvolgende door de schuldeisers ingeleide procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging om de vorderingen te innen, beroept de consument zich op het oneerlijke karakter van een beding in de financieringsovereenkomst.
In de gevoegde zaak
Banco di Desioheeft de bank betalingsbevelen verkregen tegen de onderneming die haar hoofdschuldenaar is en tegen twee natuurlijke personen die zich borg hebben gesteld voor de schulden van deze onderneming. Tegen deze betalingsbevelen is geen verzet aangetekend. In een daarop door de bank ingeleide beslagprocedure met betrekking tot de onroerende zaken van de borgstellers, beroept een van hen zich op het oneerlijke karakter van bedingen in de borgtochtovereenkomst.
In beide zaken wordt de consument het gezag van gewijsde van het onherroepelijk geworden betalingsbevel tegengeworpen. Deze bevelen houden weliswaar geen toetsing aan de Richtlijn in, maar het gezag van gewijsde ervan strekt zich volgens Italiaans recht ook uit tot impliciete oordelen van de rechter over de geldigheid van de titel waarop het bevel is gebaseerd.
SPV Project 1503bouwt voort op het arrest
Banco Primus, waarin ook sprake is van een beperking van de objectieve omvang van het gezag van gewijsde. Uit deze arresten volgt dat een rechterlijke beslissing geen gezag van gewijsde verkrijgt voor zover
niet vaststaatdat de rechter bepaalde bedingen daadwerkelijk heeft getoetst aan de Richtlijn, omdat deze toets geacht wordt impliciet te hebben plaatsgevonden (
SPV Project 1503) of omdat de toets zich blijkens de uitspraak heeft beperkt tot bepaalde andere bedingen (
Banco Primus).
MA/Ibercaja Bancoleidt de toetsing aan de in 5.11 geciteerde uitgangspunten tot een uitzondering op de regel dat een rechterlijke beslissing die is vervat in een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, gezag van gewijsde verkrijgt. De uitzondering betreft het geval dat
uit de motivering van de beslissing niet blijktdat is getoetst aan de Richtlijn, ook al heeft de rechter wel daadwerkelijk getoetst.
MA/Ibercaja Banco-arrest ging het om een hypothecaire lening tussen een bank en (kort gezegd) een consument voor een woning. De voorwaarden van de lening bevatten onder meer een bodemrentebeding, vertragingsrentebeding en een beding inzake vervroegde opeisbaarheid.
Op verzoek van de bank heeft een rechter in de Spaanse bijzondere hypothecaire executieprocedure [61] in januari 2015 verlof tot executie van de hypothecaire titel verleend, beslaglegging toegestaan en de consument een termijn van tien dagen verleend om tegen de executie verzet aan te tekenen. De consument heeft, na betekening van de verlofbeschikking, geen verzet daartegen ingesteld.
Vervolgens heeft de executierechter in juni 2016 bij beschikking een veiling van de verhypothekeerde woning georganiseerd.
In oktober 2016 heeft de bank verzocht om betaling van (executie)kosten en rente. In deze procedure heeft de consument schriftelijk verzet aangetekend tegen de vordering tot betaling van de rente, waarbij zij aanvoerde dat het vertragingsrentebeding en bodemrentebeding oneerlijk waren.
Vervolgens heeft de rechter geoordeeld dat het beding inzake vervroegde opeisbaarheid oneerlijk was, en heeft hij de executieprocedure beëindigd. In hoger beroep is deze uitspraak herzien en is de voortzetting van de executieprocedure gelast op de grond dat niet meer kon worden nagegaan of de bedingen oneerlijk waren, omdat de overeenkomst haar gevolg al had gesorteerd, de hypotheek was uitgewonnen en het eigendomsrecht was overgedragen.
Daarna heeft de rechter in eerste aanleg het verzoek van de bank om betaling van kosten en rente alsnog goedgekeurd op de grond dat, nu de consument geen verzet had aangetekend tegen de beschikking van januari 2015, het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen niet meer kon worden getoetst door het gezag van gewijsde van die beschikking. In het door de consument hiertegen ingestelde hoger beroep worden prejudiciële vragen gesteld.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in het hoofdgeding de bevoegde rechter bij de inleiding van de executieprocedure, zoals reeds gedeeltelijk is opgemerkt in punt 31 van het onderhavige arrest,
ambtshalve heeft getoetst of een van de bedingen van de betrokken overeenkomst als oneerlijk kon worden aangemerkt. Na te hebben geoordeeld dat dit niet het geval was, heeft hij de executie gelast zonder de toetsing die hij ambtshalve heeft verricht uitdrukkelijk in zijn beslissing te vermelden. Uit deze beslissing blijkt tevens dat de partij tegen wie de executie is gevraagd na het verstrijken van een termijn van tien dagen om verzet aan te tekenen tegen de executie, die vanaf de betekening van deze beslissing begint te lopen, de executie niet meer kan betwisten, ook niet op gronden die verband houden met het mogelijke oneerlijke karakter van bedingen in een met een verkoper gesloten overeenkomst.
Aangezien de beslissing waarbij de rechter de inleiding van de hypothecaire executieprocedure heeft gelast niets bevatte waaruit blijkt dat er is getoetst of de bedingen in de aan die procedure ten grondslag liggende titel oneerlijk waren, is de consument niet op de hoogte gebracht van die toetsingen ook niet, op zijn minst summier, van de redenen op grond waarvan de rechter heeft geoordeeld dat de betrokken bedingen niet oneerlijk waren.
De consument heeft dus niet met kennis van zaken kunnen beoordelen of er reden was om tegen deze beslissing beroep in te stellen.
Een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van contractuele bedingen, zoals vereist door richtlijn 93/13,
kan niet worden gewaarborgd indien het gezag van gewijsde ook geldt voor rechterlijke beslissingen waarin van een dergelijke toetsing geen gewag wordt gemaakt.
Het element ‘verval van recht’ ziet kennelijk op de omstandigheid dat de consument de oneerlijkheid van de bedingen in het vervolg van de procedure niet meer aan de orde kan stellen na het onbenut laten verstrijken van de verzettermijn van tien dagen na de verlofbeschikking. [62] Het arrest gaat naar mijn mening echter niet als zodanig over de vraag of het Unierecht zich verzet tegen bepaalde termijnen. Dit volgt ook uit het feit dat het HvJ in
MA/Ibercaja Bancoalleen zijn toetsingskader over het gezag van gewijsde aanhaalt. De rechtspraak van het HvJ die wel over de toelaatbaarheid van termijnen als zodanig gaat, bevat steeds een daarop toegesneden toetsingskader. [63] In
MA/Ibercajais de toelaatbaarheid van de in die zaak toepasselijke termijn ook overigens niet (uitdrukkelijk) het voorwerp van de toetsing door het HvJ.
MA/Ibercaja Bancoheeft mijns inziens een wat verdergaande strekking dan het arrest
SPV Project 1503. Uit
MA/Ibercaja Bancovolgt namelijk dat de Richtlijn zich ertegen verzet dat gezag van gewijsde toekomt aan een rechterlijke beslissing, ook als vaststaat dat de rechter bepaalde bedingen heeft getoetst aan de Richtlijn, maar daarvan in zijn motivering geen blijk heeft gegeven. Het verschil is overigens subtiel, omdat het een aanname is dat een rechter bedingen heeft getoetst, indien dit niet blijkt uit de motivering van diens uitspraak. Het arrest
MA/Ibercaja Bancoberust echter op die aanname (zie punt 48 van het arrest). Het zwaartepunt van dit arrest ligt daarom geheel bij het gebrek aan motivering, [64] een aspect dat hoogstens impliciet aanwezig is in de arresten
Banco Primusen
SPV Project 1503.
MA/Ibercaja Bancobetreft, evenals het arrest
SPV Project 1503,het gezag van gewijsde (de bindende kracht) van een eerdere uitspraak in een later stadium van dezelfde procedure of in een andere procedure. Deze arresten gaan niet over de vraag of die eerdere uitspraak als zodanig nog ter discussie kan worden gesteld − wat het gevolg zou zijn als een rechtsmiddeltermijn tegen de eerdere uitspraak genegeerd zou moeten worden – en laten met andere woorden de eventueel reeds verkregen kracht van gewijsde van de eerdere uitspraak ongemoeid.
vraag 3).
MA/Ibercaja Banco. Na de executieveiling is de woning in eigendom overgedragen aan een derde. In het Spaanse recht kan de rechter dan niet meer overgaan tot toetsing van de oneerlijkheid van bedingen in de hypothecaire lening, voor zover dit zou leiden tot nietigverklaring van de handelingen waarbij de eigendom is overgedragen, en de rechtszekerheid van de reeds aan een derde verrichte eigendomsoverdracht ter discussie stellen. Het HvJ aanvaardt dit, mits de consument in een latere procedure de mogelijkheid heeft om schadevergoeding te vorderen van de bank. Daartoe overweegt het HvJ:
L/Unicaja Banco. De zaak betreft een in 2006 gesloten hypothecaire lening voor de aanschaf van een woning met een variabele rente en een bodemrentebeding.
De consument vordert bij de rechtbank nietigverklaring van het bodemrentebeding en een veroordeling van de bank tot terugbetaling van hetgeen op grond van dit beding te veel aan rente is betaald. De rechtbank wijst de vorderingen toe met ingang van 9 mei 2013, conform de op dat moment vaste rechtspraak van de Tribunal Supremo waarin de terugwerkende kracht van de nietigheid van bodemrentebedingen wordt beperkt tot die datum, en veroordeelt de bank in de kosten van het geding.
De bank gaat in hoger beroep tegen de kostenveroordeling op de grond dat de vordering van de consument slechts gedeeltelijk is toegewezen; de consument stelt geen (incidenteel) hoger beroep in. Het hof vernietigt de kostenveroordeling op de door de bank aangevoerde grond. Tijdens het appel wijst het HvJ arrest in de zaak
Gutiérrez Naranjo. [68] Daaruit blijkt dat de beperking in de tijd volgens de rechtspraak van de Tribunal Supremo in strijd is met het Unierecht. In het hoger beroep speelde dit echter geen rol, omdat de vordering tot terugbetaling in hoger beroep niet meer aan de orde was, zodat het Spaanse hof in hoger beroep alleen oordeelt over de kostenveroordeling in eerste aanleg.
In cassatie voert de consument aan dat het hof ambtshalve het arrest
Gutiérrez Naranjohad moeten toepassen en zijn vordering tot terugbetaling alsnog integraal had moeten toewijzen.
reformatio in peius). De vraag van de Tribunal Supremo houdt in, aldus het HvJ, of artikel 6 lid 1 van Pro de Richtlijn zich verzet tegen de toepassing van beginselen van nationaal procesrecht volgens welke de nationale rechter bij wie hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat de terugbetaling in de tijd beperkt van bedragen die door de consument onverschuldigd zijn voldaan op grond van een oneerlijk verklaard beding, niet ambtshalve een middel inzake schending van die bepaling kan onderzoeken en niet de volledige terugbetaling van die bedragen kan gelasten.
MA/Ibercaja Banco, geciteerd in 5.11):
hoger beroep heeft ingesteld kan worden toegeschreven aan het feit dat, toen het Hof op 21 december 2016 het arrest in de zaak Gutiérrez Naranjo e.a.(C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980)
heeft gewezen, de termijn voor het instellen van hoger beroep of incidenteel hoger beroep op grond van het nationale recht reeds was verstreken. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de consument zich volledig passief heeft gedragenin de zin van de in punt 28 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak door voor de rechter in hoger beroep de tot dan toe vaste rechtspraak van de Tribunal Supremo niet te betwisten.
de toepassing van de aan de orde zijnde beginselen van nationaal procesrecht de consument de procedurele middelen ontneemt om zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden, en aldus de bescherming van die rechten onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken, waardoor afbreuk wordt gedaan aan het doeltreffendheidsbeginsel.
MA/Ibercaja Banco, op een verzuim van de eerste rechter om in de motivering van zijn uitspraak aandacht te besteden aan de toets aan de Richtlijn. Dat had de Spaanse rechtbank in de zaak
L/Unicaja Bancoimmers wel gedaan.
Asturcom(punt 49) en is nadien herhaaldelijk genoemd, maar niet meer toegepast. [71] Het HvJ beschouwt de enkele omstandigheid dat een consument niet verschijnt in een procedure waarin hij bij verstek wordt veroordeeld, niet als een geval van totale passiviteit; het doeltreffendheidsbeginsel brengt immers in dat geval met zich dat de rechter ambtshalve moet toetsen of aan de vordering oneerlijke bedingen ten grondslag (kunnen) liggen. [72] Het is onduidelijk waar precies de grens ligt tussen enerzijds de enkele passiviteit van de consument die als gevolg van onwetendheid of praktische belemmeringen verstek laat gaan (of zoals in
L/Unicaja Bancogeen appel instelt), en anderzijds de ‘totale passiviteit van de consument’. In de literatuur wordt ter verklaring gewezen op het verschil tussen de normale procedure bij de overheidsrechter en de procedure bij arbiters [73] respectievelijk met bijzondere procedures met eigen kenmerken bij de overheidsrechter (zoals een betalingsbevelprocedure, een buitengerechtelijke hypothecaire executieprocedure of een executieprocedure van een arbitrale beslissing). [74]
L/Unicaja Bancobetreft, zoals gezegd, een tamelijk unieke context. Een consument ziet af van het instellen van incidenteel appel tegen een vonnis dat strookt met vaste rechtspraak van de Spaanse hoogste rechter, en in de loop van de appelprocedure blijkt uit een arrest van het HvJ dat deze vaste rechtspraak in strijd is met de Richtlijn. Op dat moment is voor de consument de kans al verkeken om zelf (incidenteel) te appelleren. In die context moet het Spaanse hof toch nog kunnen toekomen aan een (ambtshalve) toepassing van de Richtlijn. Het arrest kan daarom m.i. niet (zonder meer) worden getransponeerd naar een andere context.
Oordelen over het doeltreffendheidsbeginsel zijn casuïstisch van aard. [75] Dat blijkt ook uit de formulering van punten 38 en 40 van het arrest
L/Unicaja Banco, die op het onderhavige geval is toegesneden. [76] Maar dit staat er niet aan in de weg dat dergelijke oordelen soms zijn geformuleerd op een wijze die toepassing van het oordeel in een groot aantal gevallen mogelijk maakt (vgl. bijvoorbeeld de arresten
MA/Ibercaja Bancoen
SPV Project 1503). Dat is echter niet het geval in het arrest
L/Unicaja Banco. Daarom ben ik geneigd de betekenis van dit arrest beperkt te achten tot de in het arrest besproken specifieke context.
L/Unicaja Bancode meer algemeen toepasbare les, dat bepaalde beginselen van nationaal appelprocesrecht mogelijk moeten wijken om de rechter in hoger beroep in staat te stellen (ambtshalve) te toetsen aan de Richtlijn. Dit gaat in de terminologie van het Nederlandse recht om de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. [77] In het Nederlandse recht geldt dat de appelrechter binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep ook buiten de grieven om ambtshalve aan de Richtlijn dient te toetsen. De grenzen van de rechtsstrijd worden hier naar Nederlands recht bepaald door de vraag of in appel is opgekomen tegen de toe- of afwijzing van de vordering die (mede) is gebaseerd op een mogelijk oneerlijk beding. [78] Een dergelijke afbakening van de rechtsstrijd kan niet worden gehanteerd in een geval als
L/Unicaja Banco, waarin het Spaanse hof de met de Richtlijn verband houdende vordering van de consument tot terugbetaling moest beoordelen, ook al lag in appel alleen de veroordeling van de bank in de proceskosten voor. [79]
L/Unicaja Bancoheeft naar mijn mening geen betrekking op de doorbreking van termijnen voor het instellen van (principaal of incidenteel) appel als zodanig. Het onbenut laten verstrijken van die termijnen speelt wel in de feitelijke context van de zaak
L/Unicaja Bancoen het arrest van het HvJ heeft tot gevolg dat de appelrechter aan de Richtlijn moet toetsen, ook al heeft de consument niet tijdig geappelleerd. Maar het zijn niet de appeltermijnen die in de analyse een rol spelen. Het gaat om de vraag of de Spaanse appelrechter ambtshalve – dus ongeacht de vraag of de consument (tijdig) heeft geappelleerd − kan (en dus moet) toetsen aan de Richtlijn, hoewel bepaalde beginselen van Spaans procesrecht daaraan in de weg staan. Zie in dit verband ook hetgeen in eerder (in 5.14.4) heb opgemerkt over de opbouw en vaste overwegingen in arresten van het HvJ in zaken die wel uitdrukkelijk over de toelaatbaarheid van termijnen gaan.
(i) De vier door de kantonrechter in
vraag 1genoemde arresten van het HvJ hebben alle betrekking op de eisen die de Richtlijn stelt aan het nationale (proces)recht. Uit deze arresten volgt dat de Richtlijn vergaand kan ingrijpen in het nationale (proces)recht, met name met toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel, en om een effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen van de rechten die de consument ontleent aan de Richtlijn. [80] (ii) Het arrest
Impuls Leasing Româniakan bij de beantwoording van
vraag 1buiten beschouwing blijven (zie 5.3).
SPV Project 1503en
MA/Ibercaja Bancobetreffen het gezag van gewijsde (de bindende kracht) van een eerdere uitspraak in een later stadium van dezelfde procedure of in een andere procedure in gevallen die worden beheerst door de Richtlijn. Uit het arrest
SPV Project 1503volgt dat de Richtlijn beperkingen stelt aan de objectieve omvang van het gezag van gewijsde van rechterlijke uitspraken voor zover niet vaststaat dat de rechter daadwerkelijk heeft getoetst aan de Richtlijn, omdat deze toets geacht wordt impliciet te hebben plaatsgevonden (zie 5.13.3). Het arrest
MA/Ibercaja Bancobrengt mee dat geen gezag van gewijsde toekomt aan een verstekvonnis als de Richtlijn van toepassing is, maar uit het verstekvonnis niet blijkt dat toetsing aan de Richtlijn heeft plaatsgevonden (zie 5.15).
(vii) Het arrest
L/Unicaja Bancobetreft de vraag of de appelrechter in de specifieke context van die zaak ambtshalve kan toetsen aan de Richtlijn, ook als de door de rechtbank gedeeltelijk toegewezen vordering, die was gebaseerd op de oneerlijkheid van het beding, in hoger beroep niet (meer) voorligt. Dit arrest ziet niet op de doorbreking van termijnen voor het instellen van (principaal of incidenteel) appel als zodanig (zie 5.24).
6.Beantwoording van vraag 1
vraag 1ontkennend moet worden beantwoord. Zoals onder 5 is uiteengezet, volgt uit deze arresten niet dat een verzettermijn buiten toepassing moet worden gelaten als in een consumentenzaak uit een verstekvonnis niet blijkt dat is getoetst of de vordering is gebaseerd op oneerlijke bedingen.
L/Unicaja Banco-arrest (tussenvonnis van 20 januari 2023, rov. 3). Die gelijkenis is, zo neem ik aan, dat in beide gevallen de consument onbekend is met zijn rechten op basis van de Richtlijn. Het gaat hier echter naar mijn mening om onvergelijkbare gevallen. De onbekendheid van de consument in de onderhavige zaak betreft de onbekendheid van het type dat aan de orde was in het arrest
MA/Ibercaja Banco− het verstekvonnis maakt geen gewag van een toetsing aan de Richtlijn – en het gevolg dáárvan is dat het verstekvonnis kort gezegd geen gezag van gewijsde verkrijgt voor zover het betreft de toetsing aan de Richtlijn. In de zaak
L/Unicaja Bancohad de Spaanse rechtbank juist wél getoetst aan de Richtlijn en vervolgens geoordeeld conform de vaste rechtspraak van het Tribunal Supremo over de in de tijd beperkte gevolgen van de oneerlijkheid van een bodemrentebeding, maar was de consument ermee onbekend dat het HvJ die vaste rechtspraak van het Tribunal Supremo in strijd met het Unierecht zou verklaren.
dat [verzoeker] , indien het beroep van Rochdale op het verstrijken van de termijn van verzet zou worden gehonoreerd, geen mogelijkheid meer zou hebben om de bedingen in de huurovereenkomst op oneerlijkheid te laten beoordelen” (tussenvonnis van 20 januari 2023, rov. 4) en dat als “
het beroep op het verlopen van de termijn van verzet wordt gehonoreerd, (…) dat onderzoek niet [kan] plaatsvinden. Bij gebreke van een dergelijk onderzoek zou de bescherming die [verzoeker] in het onderhavige geval als consument op grond van de richtlijn wordt geboden onvolledig en ontoereikend zijn” (tussenvonnis van 20 januari 2023, rov. 5).
Deze gevolgtrekking lijkt mij gelet op het voorgaande niet juist. Uit het gegeven dat de verzettermijn is verstreken (wat de kantonrechter overigens in het midden heeft gelaten in verband met het beroep op artikel 6 EVRM Pro), volgt dat het verstekvonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Uit het arrest
MA/Ibercaja Bancovolgt vervolgens dat het verstekvonnis in deze zaak desondanks geen gezag van gewijsde heeft verkregen, voor zover het betreft (voor)beslissingen die geacht moeten worden te raken aan de Richtlijn en daarop voortbouwende beslissingen. Dit betekent dat [verzoeker] zich in een andere procedure tegen Rochdale erop kan beroepen dat bepaalde bedingen in de algemene voorwaarden van Rochdale oneerlijk zijn, althans dat de rechter dat in die procedure ambtshalve moet beoordelen.
MA/Ibercaja Banconiet verzet tegen een nationale regel die de rechter belet om te toetsen aan de Richtlijn voor zover dat de nietigheid van een overdracht van een op grond van een hypotheekrecht door de bank uitgewonnen onroerende zaak aan een derde (de veilingkoper) tot gevolg zou hebben, mits de consument de oneerlijkheid van de bedingen nog aan de orde kan stellen in een latere procedure tegen de bank waarin de consument vergoeding vordert van financiële gevolgen die voortvloeien uit de toepassing van oneerlijke bedingen (zie 5.18.1-5.18.2).
De voormalige woning van [verzoeker] is na de ontruiming in april 2014 aan een derde verhuurd. De kantonrechter oordeelt m.i. terecht dat de gevolgen van toetsing aan de Richtlijn geen inbreuk kunnen maken op de rechten van derden en dat dit zich dient op te lossen in een eventuele schadevergoedingsvordering van [verzoeker] tegen Rochdale (tussenvonnis van 20 januari 2023, rov. 21). Dit betekent dat, ook in de optiek van de kantonrechter, [verzoeker] in een afzonderlijke procedure tegen Rochdale zal moeten aansturen op schadevergoeding. [81] Zo bezien komen we in dit specifieke geval niet toe aan de vraag of op grond van de Richtlijn de verzettermijn buiten beschouwing moet worden gelaten. Het volstaat in deze omstandigheden dat [verzoeker] zich in een andere procedure tegen Rochdale erop kan beroepen dat bepaalde bedingen in de algemene voorwaarden van Rochdale oneerlijk zijn. [82]
vraag 1ontkennend worden beantwoord.
Duidelijk is immers dat de kantonrechter op basis van het arrest
MA/Ibercaja Bancokan bepalen hoe hij moet beslissen in het onderhavige geval (indien de kantonrechter zo oordelen dat de verzettermijn niet op grond van artikel 6 EVRM Pro moet worden verlengd). Ten eerste volgt uit het arrest
MA/Ibercaja Bancodat het tussen [verzoeker] en Rochdale gewezen verstekvonnis geen gezag van gewijsde heeft, voor zover het betreft (voor)beslissingen die geacht moeten worden te raken aan de Richtlijn en daarop voortbouwende beslissingen. Ten tweede volgt uit dit arrest dat, in de omstandigheden van de onderhavige zaak, [verzoeker] zich tevreden zal moeten stellen met een vordering tot schadevergoeding tegen Rochdale (zie 6.5).