Conclusie
1.Feiten en procesverloop
aldeze gedragingen Belgisch recht van toepassing is en niet voor recht kan worden verklaard dat een eventuele schadeclaim volgens de maatstaven van de Belgische Arbeidsongevallenwet, in het bijzonder de toepassing van de bepalingen van artikel 46 van Pro de Belgische Arbeidsongevallenwet, moet worden beoordeeld. Daar komt bij dat Smetjet in het licht van de uitspraak van de Belgische rechter zoals deze is opgenomen onder rechtsoverweging 3.1. onder l en m. evenmin voldoende heeft onderbouwd dat de inhoud van het Belgische recht ertoe leidt dat
alletoekomstige schadeclaims van [werknemer] jegens Smetjet uit hoofde van het arbeidsongeval conform de door haar gestelde maatstaf moeten worden beoordeeld.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.2dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Zonder nadere motivering valt niet te begrijpen waarom het hof oordeelt dat Smetjet in haar onderbouwing niet omschreven zou hebben wat verstaan moet worden onder de termen ‘schadeafhandeling’ en ‘schadeclaim’ en waarom de door Smetjet – ter onderbouwing van haar tot een verklaring voor recht strekkende eis – betrokken stelling dat Belgisch recht van toepassing is op de eventuele aansprakelijkheid van Smetjet jegens werknemer uit hoofde van het arbeidsongeval ‘niet aan zou sluiten’ bij de door Smetjet in haar verklaring voor recht gekozen formuleringen. Volgens het onderdeel laten de inleidende dagvaarding alsmede het gevoerde processuele debat geen andere uitleg van het petitum toe dan dat de door Smetjet ingestelde eis uitsluitend strekt tot het verkrijgen van verklaringen voor recht dat Belgisch recht van toepassing is op de schadevergoedingsvorderingen die werknemer meent te hebben op Smetjet wegens het hem overkomen arbeidsongeval.
evenminvoldoende heeft onderbouwd dat de inhoud van het Belgische recht ertoe leidt dat
alletoekomstige schadeclaims van werknemer jegens Smetjet uit hoofde van het arbeidsongeval conform de door Smetjet gestelde maatstaf moeten worden beoordeeld. Met ‘de door Smetjet gestelde maatstaf’ voor ‘alle toekomstige schadeclaims’ doelt het hof op de tweede door Smetjet gevorderde verklaring van recht. Met het oordeel in rov. 3.5.3 (laatste zin) heeft het hof onder verwijzing naar de uitspraak van de Belgische rechter een zelfstandig dragende grond gegeven voor het niet kunnen toewijzen van de tweede door Smetjet gevorderde verklaring voor recht.
4.2.2. Immuniteit en werkgeversaansprakelijkheid.
De arbeidsongevallen-verzekering heeft voorrang op het aansprakelijkheidsrecht: het slachtoffer moet zijn rechten laten gelden krachtens de Arbeidsongevallenwet en kan slechts vergoeding vorderen voor de schade in de mate dat die niet vergoedbaar is in het raam van de Arbeidsongevallenwet. Het aansprakelijkheidsrecht is hier dus naar het tweede plan geschoven.
Er moet dan ook nauwkeurig worden nagegaan op welke schade de vordering jegens de aansprakelijke betrekking heeft en in welke mate deze reeds vergoed is of moet worden op grond van de Arbeidsongevallenwet. Voor schade die niet door de Arbeidsongevallenwet wordt gedekt, zoals huishoudelijke schade en morele schade, speelt het cumulatieverbod niet en kan het slachtoffer gewoon (integrale) vergoeding vorderen van de aansprakelijke.
volgens de Belgische arbeidsongevallenwetgeving slechts in een beperkt aantal gevallen mogelijk) zal alsdan de toelaatbaarheid en gegrondheid van de vordering in alle aspecten op grond van de middelen hem voorgebracht onderzoeken.
nietdoor de Belgische Arbeidsongevallenwet wordt gedekt, zoals huishoudelijke schade en morele schade, en waarvoor een slachtoffer gewoon (integrale) vergoeding kan vorderen van de aansprakelijke. Uit deze uitspraak kan dus worden afgeleid dat volgens de Belgische rechter niet
alleeventuele schadeclaims van werknemer jegens Smetjet dienen te worden beoordeeld conform de maatstaven van de Belgische Arbeidsongevallenwet. Het oordeel van het hof dat Smetjet in het licht van de uitspraak van de Belgische rechter evenmin voldoende heeft onderbouwd dat de inhoud van het Belgische recht ertoe leidt dat
alletoekomstige schadeclaims van werknemer jegens Smetjet uit hoofde van het arbeidsongeval conform de door Smetjet gestelde maatstaf moeten worden beoordeeld, is dan ook begrijpelijk, zodat onderdeel 3.1 faalt.
daten
waaromeen stelling een essentiële stelling is. [22] Het onderdeel licht echter niet toe waarom de genoemde stellingen essentiële stellingen zijn, zodat de klacht reeds daarom faalt.
Onderdeel 4.1klaagt dat het hof met het ‘onvoldoende-concreet’-oordeel en de oordelen in rov. 3.5.3 een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen door partijen niet eerst de gelegenheid te bieden om zich daarover uit te laten. Volgens het onderdeel heeft het hof het fundamentele beginsel van procesrecht miskend dat partijen voldoende gehoord moeten zijn over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan een rechterlijke beslissing (art. 19 lid 1 Rv Pro). Partijen hadden niet verrast mogen worden met een beslissing van de rechter, waarmee zij, gezien het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefden te houden, aldus het onderdeel.
Onderdeel 4.2bevat een motiveringsklacht die voortbouwt op onderdeel 2.