Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
in conventie:
- [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan [verweerders] een totaalbedrag van € 227.443,91 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 26 april 2005 tot de dag van volledige betaling en het meer of anders gevorderde afgewezen; en
in reconventie:
- voor recht verklaard dat [verweerders] aan [eiser] de reeds door [verweerders] aan [eiser] uitgekeerde, bruto bonussen van € 78.000,– over 2001 en € 132.000,– over 2002 zijn verschuldigd;
- [verweerders] veroordeeld om binnen dertig dagen na dit vonnis af te rekenen overeenkomstig de wet;
- [verweerders] veroordeeld om aan [eiser] te betalen:
1) de verhogingen en eenmalige uitkeringen krachtens de toepasselijke CAO sedert 1 januari 2003;
2) de vergoeding voor 58 niet-opgenomen vakantiedagen;
3) de nog niet betaalde vakantiebijslag;
4) een verhoging van 50% over de 58 niet-opgenomen vakantiedagen en de nog niet betaalde vakantiebijslag;
5) een bedrag van € 750,–;
6) de bedragen onder 1 tot en met 5 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 11 januari 2006 tot de dag van volledige betaling;
- het vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
1. ter zake van de bonussen: € 495.864,–, althans een in goede justitie te bepalen som, onder verrekening van het bedrag dat het gerechtshof vaststelt als reeds als voorschot op deze bonussen betaald;
2. ter zake van de vakantiebijslag: 8% vakantiebijslag over de bonussen waarop [eiser] recht heeft;
3. ter zake van de verhoging wegens vertraging: 50%, althans een in goede justitie te bepalen percentage, van de som die [verweerster] op grond van het ten deze te wijzen arrest ter zake van de bonussen en vakantiebijslag aan appellant dient te voldoen;
4. vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente voormelde bedragen;
B. te verklaren voor recht dat:
- de loonbelasting die over de gevorderde bonus dient te worden betaald, door [verweerster] wordt gedragen, zonder dat zij deze loonbelasting met [eiser] verrekent of van hem vordert,
- [verweerster] aan [eiser] in voorschot op deze bonus heeft betaald het bedrag van € 223.046,–, althans een bedrag in goede justitie te bepalen,
- [verweerster] de kosten van de eventueel ter zake de bepaling van de hoogte van de bonus aan te stellen deskundige dient te betalen, alsmede een eventueel te betalen voorschot voor die deskundige,
een en ander met veroordeling van [verweerster] [ [verweerders] ] in de kosten van beide instanties, met de wettelijke rente en nakosten.
Het hof heeft deze bezwaren bij tussenarrest van 4 februari 2020 verworpen en het voorschot op het door de deskundige begrote bedrag van € 15.950,– exclusief btw bepaald op € 19.299,50. Het hof heeft verder het bepaalde in het arrest van 3 december 2019 gehandhaafd, de zaak naar de rol verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden.
Het hof heeft daarnaast de vonnissen waarvan hoger beroep voor het overige bekrachtigd en [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van € 6.804,01 aan [verweerders] ten titel van vergoeding voor de gemaakte beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2014 en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
[eiser] heeft afgezien van schriftelijke toelichting.
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
daten
waaromeen stelling een essentiële stelling is. [16] Nu het middel deze toelichting niet geeft, faalt de klacht.
In de arbeidsovereenkomst is hierover het volgende opgenomen:
Indien in het betrokken boekjaar minimaal 80% van de voor [verweerster] BV en de drie bovengenoemde dealerbedrijven gebudgetteerde winst is behaald komt aan [eiser] een bonus toe van ƒ 22.500,= bruto.
1.3. Voor het geval in het betrokken boekjaar een hogere winst wordt behaald dan de voor [verweerster] BV en de drie dealerbedrijven gebudgetteerde winst komt aan [eiser] boven de hiervoor genoemde bonus van ƒ 45.000,= bruto nog een bonus toe van het netto resultaat van de Holding en de drie dealerbedrijven, voor zover dit resultaat de gebudgetteerde winst te boven gaat.”
4. Voor wat betreft uw bonus over de jaren 2002, 2003 en 2004 is met u afgesproken dat u bij een netto resultaat voor belasting van [verweerster] BV, daarin begrepen de drie dealerbedrijven in Groningen (exclusief EPI), Haren en Hoogezand alsmede ALG, van
€ 1.200.000 = per kalenderjaar u recht hebt op een bonus van € 100.000,=. Voor ieder procent meer of minder nettoresultaat dan € 1.200.000,= wordt uw bonus verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage met dien verstande dat bij een resultaat van € 600.000,= of lager u geen recht hebt op een bonus.(...)
Aldus de gemaakte nadere afspraken. Voor het overige blijft de bestaande overeenkomst van kracht.”
De verzwaarde stelplicht aan de kant van de verweerder, ook wel aangeduid als verzwaarde betwistplicht, beoogt tegemoet te komen aan eisers die door een informatieachterstand in een moeilijke bewijspositie verkeren, zoals de patiënt die een hulpverlener aanspreekt op een beroepsfout en dan zal moet stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is geweest van een beroepsfout en van causaal verband met de schade die hij heeft geleden, terwijl hij veelal niet weet hoe de behandeling moest verlopen en precies is verlopen. [19] Dat bepaalde gegevens zich in het domein van de verweerder bevinden, is onvoldoende voor toepassing van de techniek van de verzwaarde motiveringsplicht. Er moet sprake zijn van een zodanig ernstige verstoring van het processuele evenwicht dat zonder ingrijpen het materiële recht niet kan worden verwezenlijkt. [20] De verzwaarde stelplicht brengt mee dat de verweerder bij zijn betwisting voldoende feitelijke gegevens aan de eiser verstrekt alsmede voldoende aanknopingspunten voor bewijslevering.
Bewijslast en bewijsrisico blijven, ondanks verzwaarde stelplicht aan de kant van verweerder, op de eisende partij rusten. [21]
Prg. 2005/128 [24] “hieraan” (waarmee m.i. wordt bedoeld dat van de juistheid van de stellingen van [eiser] betreffende de uit art. 7:619 BW Pro voortvloeiende verplichtingen voor [verweerders] moet worden uitgegaan) aanstonds had moeten verbinden dat de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de bonus bij [verweerders] lag.
De klacht onder c. faalt dus.
[verweerster] heeft hierop in die zin gerespondeerd dat bewijslevering nu niet meer aan de orde kan zijn. Het aanbod is niet voldoende gespecificeerd en het hof heeft hierover reeds een beslissing genomen.
Het hof verwerpt het betoog van [eiser] . In het tussenarrest van 7 mei 2019 heeft het hof een beslissing genomen op grond van hetgeen door [eiser] in zijn grieven is gesteld. Het hof heeft geoordeeld dat ten aanzien van de hoogte van bonusuitkeringen de bewijslast op [eiser] rust en dat het voorschot van het deskundigenbericht door hem betaald moet worden. Hiermee heeft het hof een geschilpunt tussen partijen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. In beginsel is het hof hieraan in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid geldt niet onverkort. De eisen van de goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Naar het oordeel van het hof berust de beslissing niet op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Hetzelfde geldt voor de bewijswaardering in het tussenarrest van 7 mei 2019 en het oordeel van het hof dat verdere bewijslevering niet aan de orde is. Het nu gedane bewijsaanbod tot het alsnog in het geding brengen van een eigen analyse, een rapport van een registeraccountant en het horen van getuigen, dat gelet het stadium van de procedure overigens niet voldoende gespecificeerd is, is tardief. [eiser] had de stukken die hij nu alsnog in het geding wil brengen, al in een veel eerder stadium kunnen overleggen.”
De paragrafen a. t/m c. betreffen het oordeel van het hof dat het bewijsaanbod tardief was. Het middel klaagt onder b. – paragraaf a. bevat geen klacht, maar een betoog – dat het oordeel dat het verzoek en het aanbod tardief waren, rechtens onjuist althans ontoereikend gemotiveerd is. Volgens de klacht kon het bewijsaanbod dat [eiser] in par. 100-106 van zijn memorie na niet ontvangen deskundigenbericht heeft gedaan, niet eerder dan in dat stadium van de procedure worden geformuleerd, omdat – samengevat – a) de definitieve formulering van de door de deskundige te beantwoorden vragen pas door het dictum van het arrest van 3 december 2019 duidelijk was; en b) eerst in de loop van 2020 duidelijk werd dat er geen deskundigenbericht zou komen toen mede doordat pogingen van [eiser] om een betaling in termijnen te verkrijgen niet door het hof werden gehonoreerd, het [eiser] niet lukte het vereiste bedrag bij elkaar te krijgen.
• [eiser] heeft al een analyse gemaakt van deze stukken waaruit zijn gelijk blijkt.
heeft in par. 105 van genoemde memorie het volgende vermeld:
2. [betrokkene 2] , Opvolger [eiser] , fiscalist bij PWC in die tijd. Opsteller van directieverslag van jaarrekening 2004.
3. [betrokkene 3] . Voormalig directeur van ALG. [contactgegevens] Weet van de onbetaalde schuld aan het EGD en de belastingvrije gift aan de frauduleuze toenmalige directeur van ALG [betrokkene 4] . Mede eigenaar van PIM lease Groningen.
4. [betrokkene 5] . Voormalig Controller. Ontslag met finale kwijting over en weer. Weet van rekening courant verhouding van [eiser] en niet uitbetaalde bonus bij [verweerster] . — [contactgegevens]
5. [betrokkene 6] Voormalig partner E&Y en verantwoordelijk voor de goedkeuring van de jaarrekeningen van [verweerster] van de jaren 2001/2002 en versie 1 van 2003. Opsteller van de bonussen van [eiser] die nooit zijn uitbetaald! [contactgegevens]
6. [betrokkene 7] . [B] . Voorzitter Raad van Adviseurs vdM Opsteller brief waarin is vermeld dat het vonnis van rechtbank niet juist is. [contactgegevens] .”
De door de klacht aangevallen overweging gaat over de afwijzing van het betoog van [eiser] in het tweede deel van de memorie dat het hof, alvorens een deskundigenbericht te bevelen, [eiser] in de gelegenheid had moeten stellen om bewijs op de voet van artikel 152 Rv Pro te leveren (zie de eerste volzin van rov. 18.1.5). Dienaangaande heeft het hof geoordeeld dat en waarom er geen reden is om terug te komen op zijn eerdere oordeel dat op [eiser] de bewijslast rust omtrent de hoogte van de bonussen.
(i) [verweerders] geen stukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat [verweerders] bezwaar en/of beroep hebben ingesteld tegen de belastingaanslag (p. 20, onderdeel 38);
(ii) [verweerders] niet beargumenteren waarom er geen bezwaar is gemaakt (p. 26, onderdeel 27 (“Is er bezwaar gemaakt, zo ja laat zien, zo neen, waarom niet”)); en
(iii) het [eiser] niet aangaat dat [verweerders] teveel loonbelasting hebben betaald, nu [verweerders] immers bezwaar hadden kunnen maken (p. 27 onderdeel B eerste bulletpoint.
De inleiding wordt afgesloten met het betoog dat [verweerders] niet hebben tegengesproken dat van de mogelijkheden van bezwaar en beroep tegen de naheffingsaanslag geen gebruik is gemaakt en dat het hof hieromtrent niets heeft vastgesteld, zodat dit in cassatie als vaststaand moet worden aangenomen.
Verder wordt geklaagd dat de beslissing van het hof dat de “dubbeltelling” geen probleem oplevert in dit licht bezien ook rechtens onjuist is. In deze zaak heeft te gelden dat de belastingdienst bij het naheffen van de loonbelasting niet wilde afwijken van het uitgangspunt dat loonbelasting alleen wordt geheven over betalingen en vergoedingen waarop civielrechtelijk aanspraak bestaat. De belastingdienst zou zich dus hebben geconformeerd aan het standpunt van [verweerders] dat het gaat om onverschuldigde, niet als overeengekomen loon aan te merken betalingen, zodat het alleen het achterwege laten van bezwaar is dat naheffingsaanslagen worden veroorzaakt. In ieder geval had het hof het verweer in de beoordeling moeten betrekken en zo nodig moeten bepalen in welke mate de eigen schuld van [verweerders] als oorzaak van de gestelde schade moet worden aangemerkt, aldus nog steeds [eiser] .
Randnummer 29 luidt als volgt:
Daarnaast kunnen de overigens verder niet toegelichte verwijzingen in voetnoot 4 naar de memorie van antwoord in incidenteel appel en de conclusie van antwoord in eerste aanleg [eiser] niet baten, nu respectievelijk het incidentele hoger beroep processueel in beginsel een zelfstandige positie inneemt ten opzichte van het principale beroep [33] en het in de conclusie van antwoord in eerste aanleg gestelde niet als grief in hoger beroep is aangevoerd.
De klacht onder b. faalt dus.
Het hof refereert in de eerste volzin van rov. 18.4.3 allereerst aan de stelling van [eiser] in randnummer 29 onder 5 van zijn memorie van grieven. Ik herhaal voor de leesbaarheid wat [eiser] aldaar heeft opgenomen:
Aan beide stellingnames gaat het hof blijkens de vierde volzin van rov. 18.4.3 voorbij, hetgeen in het vervolg van deze rechtsoverweging wordt gemotiveerd. Het hof heeft dus de stelling van [eiser] dat geen causaal bestaat tussen de schade en enig handelen van hem, behandeld (en verworpen).
De klacht onder c. luidt als volgt. Volgens het hof kan nageheven loonbelasting altijd worden verhaald op de werknemer, hetgeen niet klopt. Ten eerste moet dan worden vastgesteld dat het niet is gegaan om een naheffing als eindheffing (art. 31 Wet Pro op de loonbelasting 1964), waarover het hof niets vaststelt. In dat geval is immers geen enkel verhaal mogelijk. [34] Ten tweede realiseert het hof zich niet dat een mogelijkheid van verhaal (afgezien van de niet van toepassing zijnde uitzondering opgenomen in art. 27) niet is voorzien in de Wet op de loonbelasting 1964 of elders in de belastingwetgeving. Daarvoor is steeds een civielrechtelijke grondslag nodig, die doorgaans wordt gevonden in onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Over een dergelijke grondslag vermeldt het arrest niets. Ten derde ziet het hof over het hoofd dat [verweerders] niet voor deze weg heeft gekozen. De vordering is gebaseerd op een verplichting tot schadevergoeding wegens onbehoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW Pro) althans op grond van onrechtmatige daad. Een andere grondslag is niet aangevoerd en is ook niet door het hof beoordeeld.
in dat gevalde naheffingsaanslag die de belastingdienst heeft besloten op te leggen, op [eiser]
kanverhalen. De bewoordingen van het hof (mede door het gebruik van het woord “kan”) sluiten bovendien niet uit dat er uitzonderingssituaties mogelijk zijn. Op dergelijke uitzonderingssituaties is overigens in grief II geen beroep gedaan door [eiser] en deze spelen dus ook niet in deze zaak. De bewoordingen van het hof geven, mede gelet op de stellingen van [eiser] , dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Voor zover onder c. sprake is van een afzonderlijke klacht inhoudende dat het hof geen civielrechtelijke grondslag heeft genoemd, mist ook die klacht feitelijke grondslag. Het hof in rov. 18.4.3 immers overwogen dat “het [dus] gaat om door [eiser] verschuldigde (inkomsten)belasting over zijn inkomen (uit arbeid) die bij wijze van voorheffing, via de loonbelasting, bij [verweerster] , als werkgever wordt geheven. [verweerster] kan in dat geval de naheffingsaanslag die de belastingdienst heeft besloten op te leggen, op [eiser] verhalen.” Het hof heeft, anders gezegd, dus geoordeeld dat [verweerster] een schuld van [eiser] aan de belastingdienst heeft betaald en dat dit een verhaalsrecht oplevert. Het hof heeft dus wel degelijk een grondslag genoemd.
De klacht dat de gedachtegang van het hof duister zou zijn, is niet nader toegelicht en dient daarom te worden verworpen.
[verweerster] stelt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude door gelden aan de onderneming te onttrekken zonder daarover belasting te betalen.
Het hof is van oordeel dat aan [eiser] een ernstig verwijt in de zin van artikel 2:9 BW Pro kan worden gemaakt van het niet tijdig afdragen van de loonbelasting. Blijkens de loonstrook van januari 2002 heeft [eiser] een bonus ontvangen van € 20.420,11 bruto. Vervolgens heeft hij in dat jaar 5 x € 10.000.00 en 1 x € 30.000,00 aan zich laten uitkeren, althans deze bedragen aan zijn Italiaanse vennootschap laten overmaken onder vermelding van een transactienummer (zie productie 12 bij de inleidende dagvaarding). Dit is niet via de salarisadministratie gegaan. Indien sprake zou zijn van netto voorschotbedragen, dan ligt het in de rede dat deze via de salarisadministratie verwerkt zouden zijn. zoals dat ook bij het uitkeren van het eerste bonusbedrag is gebeurd: dit zou dan ook op zijn loonstroken terug te vinden zijn. Dit geldt ook indien er discussie zou zijn over de vraag of de hoogte van de overeengekomen bonussen bruto of netto bedragen zouden zijn. Ook in dat geval had loonbelasting moeten worden afgedragen over de (netto) uitgekeerde bedragen. Uit de administratie blijkt voorts in het geheel niet dat de hiervoor genoemde netto betalingen zouden moeten worden gezien als voorschot op de bonussen. [eiser] heeft geen verklaring gegeven voor deze wijze van administratie. Het hof is van oordeel dat hij aansprakelijk is voor de schade als gevolg van deze onjuiste administratie en dus de boete aan [verweerster] moet vergoeden. Er is hier sprake van opzettelijk dan wel bewust roekeloos handelen in de zin van artikel 7:661 BW Pro.
Grief II in het principaal hoger beroep slaagt niet.”
Vervolgens klaagt het middel onder c. en d. dat het oordeel van het hof rechtens onjuist is en (in ieder geval) ontoereikend is gemotiveerd. Daarbij wordt er onder c. op wordt gewezen dat [eiser] in de memorie van antwoord in het incidenteel appel een beroep heeft gedaan op de door rechtbank aangehaalde omstandigheden in het vonnis van 6 september 2006 (op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel kwam dat er geen sprake was ernstig verwijtbaar handelen). Onder d. wordt geklaagd wordt dat het hof dit perspectief van [eiser] niet heeft betrokken in de beoordeling van de vraag of hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt dan wel of hij opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. Indien het hof dit wel had gedaan dan had, zakelijk weergegeven, het hof tot het oordeel moeten komen dat geen sprake is van een ernstig verwijt in de zin van art. 2:9 BW Pro dan wel opzet of bewuste roekeloosheid in de zin van art. 7:661 BW Pro.