Conclusie
1.Inleiding
3.Procesverloop
4.Achtergrond; waiver-procedures
5.Bespreking van het principale cassatiemiddel van [eiser]
eerste klacht van onderdeel 1is het in rov. 5.3 gegeven oordeel, anders dan het hof overweegt, niet ten overvloede gegeven, omdat de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel meebracht dat het hof het belangverweer van [eiser] diende te behandelen na gegrondbevinding van de grieven van Dexia.
tweede klacht van onderdeel 1is rov. 5.3 onjuist, omdat (i) Dexia bij haar vordering niet het door art. 3:302 en Pro/of art. 3:303 BW Pro vereiste belang had, althans (ii) niet indien het belang van Dexia wordt afgezet tegen het ‘tegen-belang’ van [eiser] om de ontwikkelingen in de jurisprudentie af te wachten. Deze klachten worden uitgewerkt in de
nrs. 11-12van het middel.
tweede klacht van onderdeel 1 (nr. 11)wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het ‘abstracte belang van Dexia om haar boeken te kunnen sluiten en haar organisatie in Nederland te kunnen opheffen’ moet worden gerelativeerd, omdat het nog jaren zal duren voordat alle procedures zullen zijn afgewikkeld.
nr. 11)geklaagd dat het hof de vordering van Dexia niet, althans niet zonder nadere motivering met betrekking tot het tegenbelang van [eiser] , had mogen (naar ik begrijp) toewijzen omdat tegenover het abstracte belang van Dexia om haar boeken te sluiten het abstracte belang van [eiser] om verdere ontwikkelingen af te wachten staat. Daartoe wordt verwezen naar de opmerking in de parlementaire geschiedenis, dat art. 3:303 BW Pro een evenredigheidscriterium kent. [36]
tweede klacht van onderdeel 1 (nr. 12)ziet de vordering van Dexia op de overeenkomst tussen partijen, maar is de rechtsverhouding tussen partijen ruimer in het bijzonder omdat deze ook pre- en postcontractuele verplichtingen en verbintenissen omvat. Toewijzing van de vordering kan daarom niet het effect hebben dat het geschil wordt geacht te zijn afgewikkeld. Het hof had moeten beoordelen of de door Dexia gewenste verklaring voor recht in het onderhavige geval een geëigend middel is tot het door Dexia gestelde doel, en niet slechts, zoals het hof in rov. 5.3 doet, of die verklaring voor recht een geëigend middel
kanzijn. Dan had het hof moeten beslissen dat de gevorderde verklaring voor recht niet tot het door Dexia gestelde, door haar gewenste resultaat kan leiden, zodat Dexia bij haar vordering niet het door art. 3:302/303 BW vereiste belang heeft, aldus de klacht.
derde klacht van onderdeel 1is onbegrijpelijk de verwerping van het verweer van [eiser] dat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht te onbepaald en te algemeen is. Het hof had gemotiveerd op dit verweer moeten ingaan. Daartoe wordt in het
onderdeel 1 (nr. 9)aangevoerd dat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht [eiser] ook rechten uit handen slaat die nog niet zijn ontstaan, nog niet opeisbaar zijn, nog niet kunnen verjaren, of bij gebrek aan belang nog niet kunnen worden uitgeoefend, en hem dus op voorhand het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht van toegang tot de rechter ontneemt. Daarom is de gevorderde verklaring voor recht evident te onbepaald en te algemeen.
onderdeel 1 (nr. 10)wel een verklaring voor recht kunnen vorderen ter zake van concreet te benoemen verbintenissen, zoals ten aanzien van de vier vorderingen die het hof in rov. 5.7 e.v. beoordeelt, en het hof had wellicht een dergelijke beperkte vordering kunnen lezen in de door Dexia gevorderde verklaring voor recht.
onderdeel 1 (nr. 10)ligt mijns inziens niet de klacht besloten dat het hof een beperktere verklaring voor recht had moeten toewijzen. Zou dat anders zijn, dan zou een dergelijke klacht falen. De rechter is gebonden is aan wat partijen hebben gevorderd (art. 23 Rv Pro). In hoger beroep wenste Dexia dat haar vordering alsnog zou worden toegewezen. De formulering van de toegewezen vordering geeft m.i. geen aanleiding voor de gedachte dat daarin ook een beperkte vordering als in het onderdeel wordt bedoeld, ligt besloten. [42] Het uitgangspunt van Dexia in deze procedure is steeds geweest dat zij in rechte vastgesteld wilde hebben dat [eiser] niets meer van haar te vorderen heeft.
nrs. 13-15van onderdeel 2 en in de onderdelen 3 t/m 6, aldus het middel.
nrs. 13 en 14van
onderdeel 2.
onderdeel 2 (nr. 15), die verwijst naar onderdeel 6.
onderdeel 2 (nr. 13)zijn de rov. 5.4-5.6 onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat ze miskennen dat op Dexia de stelplicht en bewijslast rusten ter zake van haar stellingen dat zij alles wat zij aan haar wederpartij verschuldigd is heeft voldaan. Het hof heeft ten onrechte van [eiser] verlangd dat hij aangeeft welke vorderingen hij nog op Dexia heeft. [eiser] werd geacht de vorderingen die hij nog op Dexia stelt te hebben, precies en duidelijk te omlijnen en toe te lichten. Het stel- en bewijsrisico worden daarmee in strijd met art. 24 en Pro/of 149 Rv op [eiser] gelegd, aldus het onderdeel.
onderdeel 2 (nr. 14)zijn rov. 5.4-5.6 onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat het hof daarin, samengevat, geen dan wel te weinig rekening ermee heeft gehouden dat de rechtspraak over schadevergoedingsaanspraken in effectenleasezaken zich nog ontwikkelt. Dat rechtspraak van de Hoge Raad een waiver-zaak kan achterhalen, blijkt volgens het onderdeel uit de onderhavige procedure. Verwezen wordt naar de door het hof vermelde arresten in rov. 5.8 en 5.15.
dat en waaromhij meent op een bepaald punt nog een vordering jegens Dexia geldend te kunnen maken, zodat kan worden beoordeeld of de door de afnemer gepretendeerde vordering voldoende kans van slagen heeft en, in het verlengde daarvan, of de vordering van Dexia al dan niet kan worden toegewezen (ik meen dat het hof dit ook tot uitgangspunt neemt in rov. 5.5).
de omvangvan die gepretendeerde vordering al substantieert. [46] Dit laatste zou onder omstandigheden anders kunnen zijn.
onderdeel 2 (nr. 14)niet opgaat.
de eerste klacht van subonderdeel 3.1heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven, door het verweer van [eiser] te verwerpen dat hij nog een vordering op Dexia heeft omdat Dexia hem voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst verkeerd heeft geadviseerd, wat zou meebrengen dat in deze zaak moet worden afgeweken van de schadeverdeling in de verhouding twee derde/een derde. Het hof heeft de arresten van 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1725 en 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2015 en ECLI:NL:HR:2016:2012, onterecht anders uitgelegd dan [eiser] , aldus het subonderdeel.
subonderdeel 3.1 (nr. 16)nog wel op het arrest van het Hof Amsterdam van 1 augustus 2017, ECLI:NL:2017:GHAMS:3101, waarin is afgeweken van de schadeverdeling 100-0 die voortvloeit uit het arrest [...] /Dexia. Het middel verbindt daaraan het argument dat hieruit blijkt dat de kwestie van de adviesrelatie nog niet voldoende is uitgekristalliseerd.
nr. 16)veronderstelt overigens ten onrechte, dat het hof vereist dat in beginsel sprake moet zijn van een nog lopende procedure.
subonderdeel 3.1dat het hof in rov. 5.9 rechtens onjuist althans onbegrijpelijk heeft overwogen dat [eiser] niet heeft gesteld “dat er over dit onderwerp nog procedures lopen waarvan de uitkomst van belang kan zijn voor zijn positie.” Toen het hof zijn arrest wees, waren er immers – naar van algemene bekendheid is (art. 149 lid 2 Rv Pro) – wel degelijk procedures aanhangig die voor de rechtspositie van Dexia en [eiser] van belang zijn.
nr. 17), kort gezegd, dat dit geval het midden houdt tussen enerzijds het geval dat werd beoordeeld in HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 ( [...] /Dexia) en anderzijds het hofmodel en de daaraan ten grondslag liggende arresten van de Hoge Raad uit 2009 (hierboven genoemd in 2.3). Dexia heeft niet alleen haar zorgplichten geschonden, maar [eiser] ook (onjuist) geadviseerd om een effectenleaseproduct af te nemen nadat hij had uitgelegd waarom hij een spaarproduct zocht (
nr. 18). Deze omstandigheid is niet verdisconteerd in het hofmodel en rechtvaardigt een andere schadeverdeling, zodat het hof had moeten vaststellen dat [eiser] ter zake nog een vordering heeft op Dexia (
nrs. 18-20).
zonder eigen specifieke voorlichting aan de potentiële particuliere belegger. Dit moet worden gelezen in verband met de overweging dat de cliënt in beginsel ervan mag uitgaan dat de tussenpersoon als dienstverlener zijn zorgplicht jegens hem naleeft en, kort gezegd, daarom verminderd alert kan zijn. Anders dan het subonderdeel (
nr. 17) lijkt te impliceren, dient deze overweging niet als nadere afbakening van de gevallen waarop, kort gezegd, het hofmodel betrekking heeft.
subonderdeel 3.2 in nr. 18, tweede alinea, aanvoert, berust dit oordeel niet op een enkele verwijzing naar het hofmodel. Het hof behoefde niet nader te motiveren waarom [eiser] er rekening mee diende te houden dat het advies onjuist was. De klachten van onderdeel 3 falen.
eerste alinea van onderdeel 4is onjuist het hiervoor onder (iii) bedoelde oordeel dat [eiser] geen aanspraak heeft op vergoeding van kosten van buitengerechtelijke werkzaamheden die zijn verricht met het oog op het verkrijgen van een hogere vergoeding dan waarop hij recht heeft. Voor het recht op vergoeding van buitengerechtelijke kosten in de zin van art. 6:96 lid 2 sub b of Pro c BW is niet vereist dat de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis (andere) schade heeft veroorzaakt. Van belang is slechts dat er causaal verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten, en dat de kosten de dubbele redelijkheidstoets doorstaan, aldus de klacht.
tweede alinea van onderdeel 4veronderstelt, heeft het hof niet vereist dat [eiser] specificeert welk deel van zijn buitengerechtelijke kosten betrekking had op het verkrijgen van een
hogerevergoeding dan Dexia heeft betaald. Deze klacht mist daarom feitelijke grondslag.
derde alinea van onderdeel 4is rov. 5.11 onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van zijn stelling dat uit de factuur van Leaseproces blijkt welke buitengerechtelijke kosten betrekking hadden op de vergoeding die hij van Dexia heeft verkregen.
onderdeel 5heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een onbegrijpelijk oordeel, omdat – samengevat – [eiser] niet gehouden was om als verweer tegen de vordering van Dexia de omvang van zijn vordering te substantiëren. [64]
noodzakelijkwas om deze kosten te maken. De klachten bestrijden niet het oordeel dat [eiser] onvoldoende duidelijk heeft gesteld welk deel van de gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden noodzakelijk is geweest voor het verkrijgen van het van Dexia ontvangen bedrag. Hierop wijst Dexia terecht (schriftelijke toelichting nr. 48). Nu dit oordeel het oordeel van het hof met betrekking tot dit deel van de buitengerechtelijke kosten zelfstandig kan dragen, mist [eiser] belang bij de klachten in de
derde alinea van onderdeel 4en
onderdeel 5.
onderdeel 5mijns inziens niet op.
derde alinea van onderdeel 4wijst er naar mijn mening overigens terecht op, dat het hof uit de stellingen van [eiser] kon afleiden welk deel van de kosten volgens hem betrekking heeft op het verkrijgen van het door Dexia betaalde bedrag.
Onderdeel 5 (nr. 24)wijst er verder terecht op dat het hof de omvang van de vordering van [eiser] had kunnen schatten (art. 6:97 BW Pro) indien het van oordeel was dat deze als verweer gepretendeerde vordering in dat opzicht nadere precisering behoefde. [67] Zoals gezegd (5.37.3), kan dit echter niet tot cassatie leiden.
vierde alinea van onderdeel 4betreft de slotoverweging in rov. 5.11 die ten overvloede is gegeven, zodat bespreking van deze klacht niet nodig is. De concluderende
vijfde alinea van onderdeel 4behoeft geen afzonderlijke bespreking.
onderdeel 6miskent het hof dat de schadevergoedingsvordering van [eiser] mede ziet op strooischade. Bij een opslag van € 0,10 en 50 miljoen aandelen bedraagt de door alle afnemers van Dexia geleden schade per saldo € 5 miljoen. Volgens het onderdeel valt niet in te zien waarom Dexia dit ongeoorloofd verworven bedrag zou mogen houden. Het hof heeft ten onrechte dit massaschade-aspect niet of onvoldoende in zijn oordeel betrokken. Onder verwijzing naar onderdeel 6 klaagt
onderdeel 2 (nr. 15)dat in rov. 5.4-5.6 onvoldoende rekening is gehouden met het probleem van massaschade.
onderdeel 5 (nr. 24)bedoelde klacht dat het hof in rov. 5.13 de schade had kunnen schatten, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof de gepretendeerde vordering ter zake van de afrekenkoersen niet heeft verworpen op de grond dat de omvang van de schade niet bekend is.
onderdeel 7voor zover die is gericht tegen de slotsom in rov. 6.1 en de kostenveroordeling in hoger beroep in rov. 6.2.