Conclusie
[eiseres], in vrouwelijk enkelvoud)
4 [eiseres 4] B.V. (hierna: [eiseres 4] B.V.)
B.V.)
B.V.)
1.[verweerster 1] B.V. (hierna: [verweerster 1] )
Steenfabriek)
Steenfabriek c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
3.[verweerder 3] (hierna: [verweerder 3] )
[verweerder 4])
[verweerder 5])
[verweerder 6])
[verweerder 7])
[verweerster], in vrouwelijk enkelvoud)
8.[verweerder 8] (hierna: [verweerder 8] )
STAK)
OK) een onderzoek gelast als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW Pro naar het beleid en de gang van zaken van Steenfabriek c.s. en een aantal onmiddellijke voorzieningen getroffen. Het mede daartegen gerichte cassatieberoep heeft de Hoge Raad verworpen. [1] Het onderzoeksverslag is eind 2022 ter griffie van de OK gedeponeerd. In de thans bestreden beschikking komt de OK tot afwijzing van het verzoek van [eiseres] tot vaststelling van wanbeleid en het treffen van voorzieningen, en veroordeelt zij [eiseres] in de kosten van de procedure. Daartegen komen [eiseres] en enkele andere certificaathouders op in cassatie, m.i. zonder succes. Ik leg uit waarom.
1.Feiten
tweedefasebeschikking) geeft de OK de volgende inleiding op de zaak:
2.Procesverloop
In feitelijke instantie (bij de OK)
eerstefasebeschikking) en 14 februari 2022 [5] heeft de OK een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Steenfabriek c.s. over de periode vanaf 16 oktober 2019, en bepaalde onmiddellijke voorzieningen getroffen:
[betrokkene 1]) tot voorzitter van de raad van commissarissen van Steenfabriek;
[betrokkene 2]) tot commissaris van [verweerster 1] .
onderzoeker) en bepaald dat het onderzoek ten hoogste € 120.000 exclusief btw mag kosten. Bij beschikking van 28 december 2022 [10] heeft de OK bepaald dat het verslag van 23 december 2022 van het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Steenfabriek c.s. (hierna: het
onderzoeksverslag) ter griffie van de OK ter inzage ligt voor belanghebbenden. Bij beschikking van 8 februari 2023 [11] heeft de OK de vergoeding van de onderzoeker bepaald op € 99.045,55 exclusief btw.
4.51. De Ondernemingskamer zal verzoeksters, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van de procedure.” [13]
Verzoekers).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleidende opmerkingen
Informatieverstrekking aan certificaathouders: algemeen” (rov. 4.4-4.5). Hier plaatst de OK enkele vooropstellingen met betrekking tot klachten over de informatieverstrekking aan de certificaathouders van Steenfabriek c.s.
Informatieplicht - periode voor de benoeming van [verweerder 8]” (rov. 4.6-4.7). Hier komt de OK tot het oordeel dat er geen grond bestaat voor de conclusie dat de informatieverstrekking aan de certificaathouders in de periode voorafgaand aan de benoeming van [verweerder 8] niet voldeed.
Informatieplicht - periode na de benoeming van [verweerder 8]” (rov. 4.8-4.17). Hier oordeelt de OK dat het beleid van Steenfabriek c.s. betreffende de informatieverstrekking aan de certificaathouders in deze periode als onjuist moet worden gekwalificeerd.
Informatieplicht - periode na de benoeming van [betrokkene 1]” (rov. 4.18-4.23). Hier komt de OK met de onderzoeker tot het oordeel dat STAK in de periode na de benoeming van [betrokkene 1] voldoende ruimhartig van feitelijke en verifieerbare informatie is voorzien.
Slotsom informatieverstrekking aan certificaathouders” (rov. 4.24). Hier concludeert de OK dat gedurende een deel van de onderzoeksperiode sprake is geweest van gebrekkige informatieverstrekking aan de certificaathouders, welk beleid van Steenfabriek c.s. in rov. 4.17 als onjuist is gekwalificeerd. Van wanbeleid was op dit punt evenwel geen sprake.
Onvoldoende betrokkenheid bij benoeming bestuurders en commissarissen” (rov. 4.25-4.40). Hier acht de OK het al met al te zwaar om te oordelen dat sprake is geweest van wanbeleid waar het gaat om het betrekken van de certificaathouders.
Governance” (rov. 4.41-4.48). Hierop kom ik terug onder 3.4-3.4.12 hierna.
Verstoorde verhoudingen in STAK-bestuur” (rov. 4.49). Hier oordeelt de OK dat [eiseres] niet concreet gemaakt heeft dat (en hoe) de verstoorde verhoudingen in het STAK-bestuur doorwerken in de gang van zaken bij Steenfabriek c.s., [20] ten nadele van laatstgenoemde vennootschappen. En dat ter mondelinge behandeling nog is aangevoerd dat als gevolg van die verhoudingen STAK haar rol als aandeelhouder niet goed kan vervullen, maar [eiseres] niet voldoende concreet heeft toegelicht waarom dat zo is.
Slotconclusies” (rov. 4.50-4.51). Dit citeerde ik onder 2.11 hiervoor.
rov. 4.41vangt de OK ermee aan te citeren wat zij in rov. 3.21 van de eerstefasebeschikking heeft overwogen over de governance:
rov. 4.42geeft de OK vervolgens historische achtergrond met betrekking tot de certificering en eerdere verzoeken tot aanpassing van de governance, zoals deze uit het onderzoeksverslag blijkt:
rov. 4.43vat de OK bevindingen van de onderzoeker samen:
rov. 4.44geeft de OK vervolgens beknopt de standpunten van [eiseres] inzake de governance weer:
rov. 4.45. Die bevat een beknopte weergave door de OK van de standpunten van [verweerster] ter zake:
de factoneer op decertificering, hetgeen zij uitdrukkelijk niet in het belang van [verweerster] achten. Andere wijzigingen in het STAK-bestuur zijn voor hen wel bespreekbaar en zij hebben een voorstel gedaan dat alle bezwaren van [eiseres] zou moeten wegnemen.”
rov. 4.46-4.48volgt de beoordeling door de OK:
4.47 De Ondernemingskamer oordeelt verder als volgt. Dat er onwil zou zijn bij [verweerster] om met de certificaathouders over een andere inrichting van de governance te spreken is niet gebleken. Wel blijkt (…) dat [verweerster] met [eiseres] niet willen spreken over een wijziging van de governance die neerkomt op
de factodecertificering, maar dat kan niet als wanbeleid worden aangemerkt. Na een jarenlange voorgeschiedenis van familieleden die niet op een lijn zaten is binnen [de familie] uiteindelijk voor certificering besloten. Dat [verweerster] de certificering hoe dan ook in stand willen laten vormt, alleen al vanwege de thans bestaande conflictueuze familieverhoudingen tussen de certificaathouders, bepaald geen onjuist beleid, laat staan wanbeleid. De bestaande conflicten kunnen in de huidige structuur immers de continuïteit van de onderneming niet in gevaar brengen.
4.48 Het voorgaande laat onverlet dat, zeker bij het bestaan van dubbelfuncties als hier aan de orde, de belangen van de certificaathouders met de nodige zorgvuldigheid in het oog dienen te worden gehouden.”
de factodecertificering”, zoals vervolgens bedoeld door de OK. [36] Dat die gerichte weigering volgens de OK niet als (onjuist beleid, laat staan) wanbeleid kan worden aangemerkt, motiveert zij daarna op overtuigende wijze. Kortom, ook dit een en ander is goed te volgen.
dubbelfunctiesten grondslag is gelegd. Dat is ook hoe [verweerster] die stellingen van [eiseres] heeft begrepen. [39] Tegen deze achtergrond heeft de OK blijkens rov. 4.44 en 4.46-4.47 van de tweedefasebeschikking [40] een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan die stellingen van [eiseres] Want daar overweegt de OK dat [eiseres] wil “dat de certificaathouders een meerderheid in het STAK-bestuur krijgen”, dat [eiseres] meent “dat de onwil van [verweerster] om met hen over een wijziging van de governance te spreken als wanbeleid moet worden aangemerkt.” En herhaalt de OK dit, waarna zij verder overweegt (dat wel blijkt) “dat [verweerster] met [eiseres] niet willen spreken over een wijziging van de governance die neerkomt op
de factodecertificering, maar dat kan niet als wanbeleid worden aangemerkt.”
eerste klacht.
dubbelfuncties” als zodanig aanvoert. Dat de OK blijkens (rov. 4.44 en 4.46-4.47 van) de tweedefasebeschikking zo’n specifieke grondslag niet leest in dit verzoekschrift is, anders dan de klacht aanvoert met een beroep op dit nr. 61, dan ook niet onbegrijpelijk. Zie tevens onder 3.4.7 hiervoor. De verwijzing in de klacht naar het tweedefaseverweerschrift van [verweerster] leidt niet tot een andere uitkomst, want, anders dan de klacht suggereert, blijkt daaruit niet dat [verweerster] zo’n specifieke grondslag wel leest in dit verzoekschrift. [41] Overigens: dat de OK zelf rov. 3.21 van de eerstefasebeschikking niet uit het oog verliest in de tweedefasebeschikking wordt onderstreept door rov. 4.41, waarin zij inzake “
Governance” bij wege van vooropstelling die rov. 3.21 citeert. En dat de OK niet blind is voor het bestaan van dubbelfuncties als in deze zaak aan de orde, vindt nog eens bevestiging in rov. 4.48.
tweede klacht.
derde klacht.
nietis betracht als gevolg van de dubbelfuncties en de daarmee ook volgens de onderzoeker gegeven gebrekkige governance. Zeker in dat geval had de OK zich niet kunnen beperken tot enkel de constatering van het bestaan van een zorgvuldigheidsverplichting met het oog op de dubbelfuncties. De OK had haar oordeel nader moeten motiveren.
eerste klacht.
tweede klacht.
derde klacht.
vierde klacht.
vijfde klacht.