Conclusie
1.Feiten en procesverloop
1 maart 2016 van hun perceel te verwijderen. [verweerder] heeft daaraan niet voldaan.
De procedure gaat daardoor alleen maar nog langer duren.”
De onderste regel vermeldt als te verrichten handeling “Akte appellant”, als uitkomst “Akte appellant genomen” en als opmerking “Geint. verzoekt nog te mogen reageren op de akte van app – App. maakt hiertegen bezwaar”.
De bovenste regel vermeldt als te verrichten handeling “Rolbeslissing”, als uitkomst “Rolbeslissing gegeven” en als opmerking “d.d. 9-05-2023: Verzoek een akte te mogen nemen wordt afgewezen. De inhoud van de antwoord-memorie na enquête geeft daarvoor geen aanleiding en het verzoek is niet gemotiveerd.’’
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
weldeel uitmaakt van de processtukken, maar dat het hof arrest heeft gewezen zonder rekening te houden met de inhoud van deze akte. Het middel klaagt dat het hof de rechtsregel niet heeft nageleefd dat de rechter bij zijn oordeelsvorming verplicht is om van de inhoud van alle, door de betreffende procespartijen ingediende en door de rechter geaccepteerde, processtukken kennis te nemen en in zijn oordeelsvorming te betrekken.
middel Iniet slaagt. Het middel veronderstelt dat de door [eisers] op 9 mei 2023 genomen Akte n.a.v. antwoordmemorie na enquête
geendeel uitmaakt van de processtukken.
in de eerste plaatsdat het hof in het bestreden arrest einduitspraak heeft gedaan zonder rekening te houden met de Akte n.a.v. de antwoordmemorie na enquête, omdat het hof in zijn rolbeschikking van 9 mei 2023 (behalve ten aanzien van het verzoek van [verweerder] om een antwoordakte te mogen nemen, ook) de akte van [eisers] alsnog heeft geweigerd omdat daarvoor geen toestemming wordt gegeven. Deze weigering was ten onrechte, omdat [eisers] middels een H10-formulier op 19 april 2023 om toestemming van de rolrechter hebben verzocht voor deze akte. Deze toestemming is verleend, waarna de rolrechter de datum waarop deze akte moest worden ingediend heeft bepaald op 9 mei 2023, aldus de klacht.
in de tweede plaatsdat ‘s hofs beslissingen onbegrijpelijk zijn omdat in de rolbeschikking van 9 mei 2023 wordt overwogen dat de memorie van antwoord na enquête geen aanleiding geeft voor toewijzing van het akteverzoek van [eisers] en dat het verzoek van [eisers] niet is gemotiveerd. In het verzoek d.d. 19 april 2023, gedaan in het H10-formulier, hebben [eisers] echter uitgelegd dat [verweerder] in de memorie van antwoord na enquête foto’s hebben opgenomen die hij niet eerder in het geding heeft gebracht, aldus de klacht.
[verweerder] (schriftelijke toelichting nrs. 8-18) betoogt primair dat het hof de Akte n.a.v. antwoordmemorie na enquête van [eisers] wel heeft toegelaten en slechts heeft geweigerd dat [verweerder] bij akte zou reageren op die akte van [eisers]
Ik denk dat de rolraadsheer aanvankelijk de door [eisers] verzochte akte heeft opgevat als een ‘antwoordakte’ en dat aanvankelijk heeft opgeschreven. [eisers] spreken in hun rolbericht van 9 mei 2023 immers zelf over door hen verzochte Akte n.a.v. antwoordmemorie na enquête in termen van een ‘antwoordakte’ (zie hiervoor in 1.12 onder (v)). Dit zou verklaren waarom in de handgeschreven rolbeslissing van 9 mei 2023 kennelijk een stukje tekst is weggelakt. In die beslissing staat “ee” waar kennelijk “een” is bedoeld en verder is er enige ruimte overgelaten tussen “ee” en het daarop volgende woord “akte” (zie hiervoor 1.12 onder (vii)). Mogelijk is enige verwarring ontstaan tussen het niet gemotiveerde verzoek van [verweerder] van 8 mei 2023 te mogen reageren op de door [eisers] verzochte akte en het bezwaar daartegen van [eisers] van 9 mei 2023, waarin de door hem verzochte akte als ‘antwoordakte’ werd aangeduid.
middel I− indien zou worden aangenomen dat deze feitelijke grondslag heeft omdat de Akte n.a.v. antwoordmemorie na enquête van [eisers] deel uitmaakt van het dossier − moet worden verworpen, omdat het hof in zijn arrest van 1 augustus 2023 op de relevante stellingen van [eisers] is ingegaan.
middel IIis ingesteld.
eerste klacht), althans niet zonder de beslissing om daarvan terug te komen voldoende begrijpelijk te motiveren, wat in dit geval niet is gebeurd (
tweede klacht).
akte en voor zover nodig antwoord op incidenteel beroep naar aanleiding van memorie van antwoord’’ alsnog te weigeren op de grond dat er geen incidenteel hoger beroep was ingesteld, zodat de akte zou neerkomen op een door art. 347 Rv Pro verboden extra conclusie. Uit het arrest blijkt dat toestemming om een akte te nemen niet in de weg staat aan het oordeel dat de akte een verkapte conclusie is en moet worden geweigerd. [22] A-G Mok ging ook meer in het algemeen in op herroepen van een rolbeschikking waarbij toestemming was gegeven om een akte te nemen. Hij schreef:
rolbeschikkingenkan de rechter in beginsel terugkomen, zij het dat die vrijheid wordt begrensd door de eisen van een goede procesorde.” [23] Het door A-G Mok bedoelde geval van het herroepen van een rolbeschikking op een zodanig moment dat een partij geen gelegenheid meer heeft om pleidooi te vragen, lijkt mij hiervan een voorbeeld te zijn.
middel IIzich vergeefs keert tegen de rolbeslissing van 9 mei 2023, die is te beschouwen als een rolbeschikking waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Hieraan doet niet af dat
middel IItevens is gericht tegen het op die rolbeslissing voortbouwende arrest van 1 augustus 2023, nu dit middel geen klacht inhoudt die specifiek op dat arrest betrekking heeft.
Middel Iveronderstelt dat de akte wel deel uitmaakt van het dossier en faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Middel IIveronderstelt dat de akte geen deel uitmaakt van het dossier, maar keert zich tegen een rolbeschikking waartegen geen cassatieberoep open staat.
Indien wordt aangenomen dat de Akte n.a.v. antwoordmemorie na enquête van [eisers] wel deel uitmaakt van het dossier, geldt het volgende.
Middel Ifaalt in dit geval op de grond dat niet kan worden aangenomen dat het hof bij zijn beoordeling geen aandacht zou hebben besteed aan de relevante stellingen van [eisers] in (ook) die akte.
Middel IIfaalt in dit geval bij gebrek aan feitelijke grondslag.
De slotsom is dat het cassatieberoep moet worden verworpen.