ECLI:NL:PHR:2024:1069

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2024
Publicatiedatum
14 oktober 2024
Zaaknummer
22/03581
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a lid 5 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake beklag tegen beslag op gestolen auto

De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het klaagschrift van de klager tegen het beslag op een auto ongegrond, omdat de auto gestolen bleek te zijn en de klager nooit eigenaar werd volgens Duits recht, waar de koop plaatsvond.

De klager stelde dat de rechtbank andere belanghebbenden, zoals de aangever en de verzekeringsmaatschappij, niet had gehoord zoals vereist volgens art. 552a lid 5 Sv. De rechtbank had vastgesteld dat de auto was gestolen van een derde en dat de klager de auto te goeder trouw had gekocht.

De conclusie van de procureur-generaal erkent dat andere belanghebbenden niet zijn gehoord, maar oordeelt dat dit verzuim niet tot cassatie kan leiden omdat de klager niet in zijn belangen is geschaad en het klaagschrift ongegrond is verklaard. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het klaagschrift tegen het beslag op de gestolen auto blijft ongegrond.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/03581 B
Zitting19 november 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
hierna: de klager.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beschikking van 21 juni 2022 het klaagschrift van de klager ten aanzien van een auto ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en R. Zilver, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat de rechtbank het beklag ongegrond heeft verklaard, zonder andere belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord en desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen.
3.2
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daartoe in haar beschikking van 21 juni 2022 onder meer het volgende overwogen:
“Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag wie de rechthebbende van de auto is, dient de rechtbank eerst te beoordelen welk recht van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad op 16 september 2017 (ECLI:NL:HR:2016:2118) heeft bepaald dat het recht van het land waarin de eigendomsoverdracht gerichte rechtshandeling heeft plaatsgevonden van toepassing is op de betreffende koopovereenkomst. De rechtbank stelt vast dat klager de auto in Düsseldorf heeft gekocht. Gelet op het voorgaande is in dit geval het Duitse recht van toepassing.
De onder klager inbeslaggenomen auto is gestolen van [betrokkene] . Gelet op het Duitse recht kan de rechtbank niet anders dan vaststellen dat klager nooit eigenaar is geworden van de auto, hoezeer klager de auto dan ook te goeder trouw heeft aangekocht. Klager is dus geen rechthebbende tot het voertuig, zodat het niet aan hem teruggegeven kan worden.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag ongegrond verklaren.”
3.3
De steller van het middel beoogt te klagen over het voorschrift dat is neergelegd in art. 552a lid 5, tweede volzin, Sv. Deze bepaling luidt voor zover relevant:
“5. […] Op last van de voorzitter van het gerecht stelt de griffier tevens andere belanghebbenden van het klaagschrift in kennis, hun de gelegenheid biedende hetzij zelf binnen een in de kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift in te dienen, betrekken hebbend op hetzelfde voorwerp of dezelfde gegevens, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord. […]”
3.4
Uit het wettelijk systeem volgt dat de rechter, voordat hij beslist op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking staan, moet nagaan of een ander dan de klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. In dat geval mag de rechter niet in de beoordeling van het klaagschrift treden zonder dat die belanghebbende – wanneer deze bekend of gemakkelijk traceerbaar is – in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen. [1]
3.5
In de onderhavige zaak blijkt uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken niet dat [betrokkene] en/of de verzekeringsmaatschappij [2] in de gelegenheid zijn/is gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen. Het moet ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. In aanmerking genomen dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de onder klager inbeslaggenomen auto is gestolen van [betrokkene] en dat de klager nooit eigenaar is geworden van de auto, en gelet op het feit dat [betrokkene] bij zijn aangifte een adres heeft opgegeven en dus naar verwachting traceerbaar was, acht ik het zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat een dergelijke oproep is uitgebleven.
3.6
Tot cassatie hoeft dit niet te leiden in verband met het volgende. Niet valt in te zien hoe de klager door dit verzuim in enig te respecteren belang is geschaad. De belangen van [betrokkene] en/of de verzekeringsmaatschappij zijn evenmin geschaad, aangezien het klaagschrift ongegrond is verklaard. [3]
3.7
Ten overvloede merk ik nog het volgende op. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar de beschikking van de Hoge Raad van 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4193. De onderhavige zaak is hiermee niet vergelijkbaar, aangezien het klaagschrift in de onderliggende zaak ongegrond is verklaard, terwijl in de zaak uit 2009 de Hoge Raad de beschikking zo begreep dat het klaagschrift deels gegrond was verklaard. [4]
3.8
Het middel kan vanwege gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. o.a. HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1030, r.o. 2.4; HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8915, r.o. 2.4 en HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
2.Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat [betrokkene] heeft verklaard dat de auto was verzekerd tegen diefstal bij de maatschappij ASR Schadeverzekering N.V.
3.Vgl. HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:547 (81 RO); HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:600 (81 RO); HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:166 (81 RO); HR 22 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1716 (81 RO); HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7955, r.o. 2.4; HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8049, r.o. 3.3; HR 1 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3540, r.o. 4.6 en HR 28 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0305,
4.HR 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4193, r.o. 2.2.