Conclusie
Nummer21/04869 CW
Inleiding
Tribunale di Bolzano) en zaak C-470/21 (
La Quadrature du Net II). De griffier heeft daarbij de vraag gesteld of Uw Raad, in het licht van deze arresten, het verzoek om een prejudiciële beslissing wenst te handhaven.
Prokuratuur-arrest maar voor 30 april 2024 heeft gewezen. Vervolgens citeer ik overwegingen uit de arresten
Tribunale di Bolzanoen
La Quadrature du Net II.In verband met de leesbaarheid zijn verwijzingen naar eerdere rechtspraak weggelaten en zijn de overwegingen in
La Quadrature du Net IIingekort. Tot slot bespreek ik de vraag of het aanbeveling verdient (één of meer van) de gestelde prejudiciële vragen te handhaven. Daarbij begin ik met de tweede, vervolg ik met de derde en eindig ik met de eerste prejudiciële vraag.
De prejudiciële vragen
Prokuratuur-arrest van het HvJ EU volgt dat de toegang tot gegevens waarop de vordering betrekking heeft alleen is toegestaan in procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid. De rechter-commissaris was van oordeel dat de vordering moest worden afgewezen omdat ‘het feit, de diefstal van een shovel, naar zijn aard geen ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert en dat bovendien niet gebleken is van enige samenhang met andere (door de verdachte) begane misdrijven’.
Prokuratuur-arrest houdt verband met richtlijn 2002/58/EG. Artikel 5 van Pro deze richtlijn verbiedt (onder meer) het ‘opslaan of anderszins onderscheppen of controleren van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens door anderen dan de gebruikers, indien de betrokken gebruikers daarin niet hebben toegestemd, tenzij dat bij wet is toegestaan overeenkomstig artikel 15, lid 1’. Verkeersgegevens mogen binnen zekere begrenzingen evenwel worden verwerkt ten behoeve van ‘facturering’, ‘de marketing van elektronische-communicatiediensten of voor de levering van diensten met toegevoegde waarde’ (artikel 6). Voor de verwerking van andere locatiegegevens gelden eveneens beperkingen (artikel 9). ‘De lidstaten kunnen wettelijke maatregelen treffen ter beperking van de reikwijdte van de in de artikelen 5 en 6, (…), en artikel 9 van Pro deze richtlijn bedoelde rechten en plichten, indien dat in een democratische samenleving noodzakelijk, redelijk en proportioneel is ter waarborging van (…) het voorkomen, opsporen en vervolgen van strafbare feiten (…). Daartoe kunnen de lidstaten o.a. wetgevingsmaatregelen treffen om gegevens gedurende een beperkte periode te bewaren om de redenen die in dit lid worden genoemd’ (artikel 15, eerste lid).
Prokuratuur-arrest (randnummers 25-49). Vervolgens worden de twee hoofdlijnen die in deze rechtspraak te ontwaren zijn besproken (randnummers 55-63). De eerste hoofdlijn betreft de mogelijkheid om aanbieders van elektronische-communicatiediensten te verplichten om gegevens te bewaren. Die mogelijkheid is door het HvJ EU aan banden gelegd. De tweede hoofdlijn betreft de toegang tot bewaarde gegevens. Ook de mogelijkheid om toegang tot bewaarde gegevens te verlenen is door het HvJ EU genormeerd. Een belangrijke vraag is of de beperkingen die het HvJ EU stelt aan wettelijke maatregelen die de toegang tot gegevens betreffen alleen zien op gegevens die ingevolge een wettelijke verplichting bewaard zijn.
Tele2 Sverige en Watson, op een conclusie waaruit volgt dat A-G Saugmandsgaard Øe van deze interpretatie uitgaat (in het licht van de betekenis van het begrip ‘verwerking’) en op overwegingen in het arrest
La Quadrature du Net I.Maar de vordering noemt ook interpretatiegegevens die in andere richting wijzen. Een ontkennend antwoord zou artikel 1, derde lid, van richtlijn 2002/58/EG (waarin staat dat de richtlijn niet van toepassing is op ‘de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied’) effect ontnemen. Verder gaan twee rechtsinstrumenten op het terrein van marktmisbruik ervan uit ‘dat ten behoeve van de handhaving inzage in voorhanden verkeersgegevens kan worden verleend (zonder tussenkomst van een rechter of onafhankelijke bestuurlijke instantie voor te schrijven)’. Spanning daarmee wordt vermeden als richtlijn 2002/58/EG ‘niet ziet op het vorderen van verkeers- en locatiegegevens die niet op grond van een wettelijke bewaarplicht beschikbaar zijn’. Tegen deze achtergrond is Uw Raad in overweging gegeven op dit punt een prejudiciële vraag te stellen, al heeft de eerste interpretatie ‘duidelijk de sterkste papieren’.
La Quadrature du Net Izelf ook op ingaat. Aan Uw Raad is in overweging gegeven op dit punt een prejudiciële vraag te stellen.
Prokuratuur-arrest waar in de vordering op wordt ingegaan betreft de omschrijving van de verkeers- en locatiegegevens waartoe slechts bij een ‘ernstig strafbaar feit’ toegang kan worden verleend (randnummer 96-112). Het gaat om toegang tot ‘een reeks verkeers- of locatiegegevens die informatie kunnen verschaffen over de communicaties van een gebruiker van een elektronische-communicatiemiddel of over de locatie van de door hem gebruikte eindapparatuur en waaruit precieze conclusies kunnen worden getrokken over zijn persoonlijke levenssfeer’. Deze formulering kan zo worden gelezen dat identificerende gegevens, net als in eerdere rechtspraak van het HvJ EU, worden uitgezonderd van de verkeers- en locatiegegevens waartoe slechts bij ernstige strafbare feiten toegang kan worden verschaft. De formulering kan volgens de vordering ook zo worden gelezen dat het HvJ EU algemene kenmerken heeft willen benoemen van verzamelingen gegevens waartoe slechts bij opsporing van ernstige strafbare feiten toegang kan worden verleend. Een derde lezing kent betekenis toe aan de gegevens die daadwerkelijk zijn verzocht en verkregen en brengt mee dat ook bij minder ernstige strafbare feiten toegang kan worden verleend tot verkeers- en locatiegegevens, zolang uit de gegevens waartoe daadwerkelijk toegang is verleend geen precieze conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. Aan Uw Raad is in overweging gegeven een prejudiciële vraag te stellen die strekt tot verheldering van de formulering. Voor die vraag is een voorzet geformuleerd in één van beide andere vorderingen. [5] Tegelijk is aangegeven dat de eerste lezing (waarbij identificerende gegevens uitgezonderd worden) ‘de sterkste papieren’ heeft.
Prokuratuur-arrest gegeven heeft op de in die zaak gestelde eerste prejudiciële vraag. Uw Raad is van oordeel dat de overwegingen in de rechtspraak van het HvJ EU over het evenredigheidsbeginsel steun geven aan de lezing ‘dat de toegang tot verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) ook mag worden verleend bij minder ernstige strafbare feiten of minder ernstige criminaliteit, als het verlenen van toegang tot die gegevens slechts een geringe inmenging veroorzaakt in met name het recht op bescherming van het privéleven van de gebruiker’ (rov. 6.5.1-6.5.3).
Arresten van het HvJ EU gewezen op en na 5 april 2022
Commissioner of An Garda Síochána. [8] In deze zaak was een prejudiciële vraag gesteld door het Supreme Court van Ierland. De vraag werd gesteld in het kader van een civiele procedure die was ingesteld door een persoon die in eerste aanleg tot levenslang was veroordeeld wegens moord. Deze persoon betwistte de verenigbaarheid met het Unierecht van enkele bepalingen van de nationale wet inzake de bewaring van verkeers- en locatiegegevens. De verwijzende rechter wenste volgens het HvJ EU met enkele vragen ‘in wezen te vernemen of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die voor de bestrijding van zware criminaliteit voorziet in een algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens’.
Spacenet. [10] Dit arrest betrof een prejudiciële vraag gesteld door het Duitse Bundesverwaltungsgericht. Spacenet en Telekom Deutschland waren bij de bestuursrechter opgekomen tegen de hen opgelegde verplichting om verkeers- en locatiegegevens te bewaren die verband hielden met de telecommunicatie van hun klanten. De verwijzende rechter wenste volgens het HvJ EU in wezen te vernemen ‘of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van de artikelen 6 tot en met 8 en 11 alsook artikel 52, lid 1, van het Handvest en artikel 4, lid 2, VEU’ zich (kort gezegd) verzet tegen een nader omschreven bewaarverplichting.
VD. [11] De prejudiciële vragen waren gesteld door het Franse Cour de cassation en betroffen strafzaken waarin de verdachten (onder meer) werden vervolgd wegens handel met voorwetenschap. De verwijzende rechter wenste volgens het HvJ EU ‘in wezen te vernemen of artikel 12, lid 2, onder a) en d), van richtlijn 2003/6 en artikel 23, lid 2, onder g) en h), van verordening nr. 596/2014, gelezen in samenhang met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 en tegen de achtergrond van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen wettelijke maatregelen als die in de hoofdgedingen, die ter bestrijding van marktmisbruik, waarvan handel met voorwetenschap deel uitmaakt, preventief voorzien in een algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeersgegevens gedurende een jaar te rekenen vanaf de datum van registratie’. Het HvJ EU overweegt onder meer het volgende:
Lietuvos Respublikos genrealiné prokuratüra. [12] De prejudiciële vraag is gesteld door de hoogste Litouwse bestuursrechter en betrof een zaak waarin de betrokkene zijn ontslag uit het ambt van openbaar aanklager aanvocht. De verwijzende rechter wenste volgens het HvJ EU in wezen te vernemen ‘of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat persoonsgegevens met betrekking tot elektronische communicatie die krachtens een op grond van deze bepaling genomen wettelijke maatregel zijn bewaard door aanbieders van elektronische-communicatiediensten en die vervolgens op grond van die maatregel aan de bevoegde autoriteiten ter beschikking zijn gesteld ter bestrijding van zware criminaliteit, kunnen worden gebruikt in onderzoeken naar ambtsmisdrijven die verband houden met corruptie’.
Het arrest Tribunale di Bolzano
Tribunale di Bolzano) betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing in een strafrechtelijke context. [13] Om de daders van diefstallen van mobiele telefoons te kunnen identificeren heeft het openbaar ministerie de verwijzende rechter ‘verzocht om toestemming om bij alle telefoonbedrijven de telefoongegevens van de gestolen telefoons op te vragen’. De verwijzende rechter heeft daarop, kort gezegd, de vraag voorgelegd of artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2002/58/EG zich verzet tegen een nationale regeling die het mogelijk maakt bij ‘strafbare feiten waarvoor de wet voorziet in een levenslange gevangenisstraf of een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar (…), en voor de strafbare feiten van bedreigen, lastigvallen of storen van personen via de telefoon, wanneer die een ernstige vorm aannemen’, gegevens te verkrijgen voor zover zij relevant zijn voor de vaststelling van de feiten (rov. 24). Het HvJ EU overweegt onder meer het volgende (met weglating van verwijzingen):
‘Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Het arrest La Quadrature du Net II
La Quadrature du Net II) betreft een prejudiciële vraag die is gesteld in een geding waarin de rechtmatigheid van een Franse regeling werd aangevochten (door, onder andere, de vereniging La Quadrature du Net). [14] Het HvJ EU meent dat de Franse Conseil d’État in wezen wenst te vernemen ‘of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die toestaat dat de overheidsinstantie die belast is met de bescherming van auteursrechten en naburige rechten tegen op het internet gepleegde inbreuken op deze rechten, toegang heeft tot gegevens betreffende de burgerlijke identiteit die zijn bewaard door aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten en die overeenkomen met IP-adressen die vooraf zijn verzameld door organisaties van rechthebbenden, zodat deze overheidsinstanties de houders van deze adressen, die worden gebruikt voor activiteiten die dergelijke inbreuken kunnen vormen, kan identificeren en in voorkomend geval tegen hen kan optreden, zonder dat deze toegang vooraf door een rechter of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit moet worden getoetst’. Het HvJ EU overweegt onder meer het volgende:
’Frans recht
Opmerkingen vooraf
De tweede prejudiciële vraag
Tribunale di Bolzanokan, meen ik, een ondubbelzinnig antwoord op deze vraag worden afgeleid. Het staat aan de lidstaten om ‘ernstige strafbare feiten’ te definiëren voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2002/58/EG (rov. 46). [15] De gehanteerde definitie moet alleen voldoen aan enkele ‘vereisten’. De uitzondering op de principeverplichting om de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie en daarmee verband houdende gegevens te waarborgen, mag niet de regel worden. En de maatregelen die de lidstaten krachtens artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2002/58/EG treffen moeten in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van de Unie, waaronder het evenredigheidsbeginsel, en de naleving van door de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest gewaarborgde grondrechten verzekeren.
Tribunale di Bolzanovolgt voorts dat een nationale wettelijke regeling ingevolge welke als ‘ernstige strafbare feiten’ worden aangemerkt strafbare feiten waarvoor de maximumgevangenisstraf ten minste gelijk is aan een bij de wet bepaalde duur, in beginsel door de beugel kan. Het HvJ EU noteert als positief punt dat dit onderscheid ‘op een objectief criterium berust’ (rov. 54). De omschrijving mag niet zo ruim zijn dat de toegang tot de gegevens de regel wordt in plaats van de uitzondering, maar een drempel die is vastgesteld op basis van een maximale gevangenisstraf van drie jaar ‘lijkt in dit verband niet buitensporig laag’ (rov. 55, 56).
Tribunale di Bolzanokan naar het mij voorkomt worden afgeleid dat artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2002/58/EG zich er in ieder geval niet tegen verzet dat misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld aldus als ernstige strafbare feiten zijn aangemerkt.
La Quadrature du Net IIzou kunnen worden afgeleid dat het HvJ EU toch zekere grenzen stelt aan de nationale invulling van het begrip ‘ernstig strafbaar feit’. Namaak, dat ‘wordt bestraft met drie jaar gevangenisstraf en een geldboete van 300 000 EUR’ (rov. 27) kan als een ‘ernstig strafbaar feit’ worden aangemerkt, ‘grove nalatigheid’, dat kan worden bestraft met ‘een geldboete voor overtredingen van de vijfde categorie’ (rov. 34) niet (rov. 145, 146).
Tribunale di Bolzanomet zoveel woorden heeft overwogen dat het aan de lidstaten staat om ernstige strafbare feiten te definiëren. Ik wijs er in dit verband op dat ook de Italiaanse wettelijke regeling waar het HvJ EU zich in dat arrest over uitliet uitzonderingen bevatte op de ‘drempel’ van drie jaren gevangenisstraf. De Italiaanse bepaling noemt ‘de strafbare feiten van bedreigen, lastigvallen of storen van personen via de telefoon, wanneer die een ernstige vorm aannemen’. De gestelde prejudiciële vraag zag ook op dat element van de wettelijke regeling (rov. 24); het HvJ EU heeft zich er niet over uitgelaten. Daar komt bij dat het HvJ EU met zoveel woorden erkent dat ook strafbare feiten waarop een maximumstraf is gesteld die boven de ‘drempel’ ligt, zich in een minder ernstige vorm kunnen voordoen. Het HvJ EU ziet in dat geval een noodzakelijke maar tevens toereikende waarborg in de omstandigheid dat de rechter de toegang kan weigeren (rov. 60-62). Die waarborg is in de Nederlandse situatie ook van toepassing als het gaat om een misdrijf bij verdenking waarvan voorlopige hechtenis kan worden toegepast hoewel de maximumstraf lager ligt dan vier jaren gevangenisstraf.
Tribunale di Bolzanoduidelijk is dat de door het HvJ EU gehanteerde begrippen ‘ernstige strafbare feiten’, ‘ernstige criminaliteit’ en ‘zware criminaliteit’ geen autonome begrippen van Unierecht zijn, behoeft de tweede prejudiciële vraag naar het mij voorkomt niet meer te worden beantwoord.
De derde prejudiciële vraag
Tribunale di Bolzanovolgt, zo bleek, ‘dat het aan de lidstaten staat om “ernstige strafbare feiten” te definiëren voor de toepassing van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58’. En dat genoemd artikellid zich niet verzet tegen (kort gezegd) een nationale bepaling op grond waarvan de nationale rechter die toegang kan verlenen indien deze wordt verzocht met het oog op het opsporen van strafbare feiten die naar nationaal recht strafbaar zijn gesteld met een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar. Bij de bespreking van de tweede prejudiciële vraag is aan de orde gekomen dat het Nederlandse Wetboek van Strafvordering het mogelijk maakt die toegang (onder meer) te verlenen bij misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De beschikking waar de vordering tot cassatie in het belang der wet zich tegen richt betreft diefstal in vereniging van een shovel; op dat misdrijf is – zo overweegt ook de rechtbank – een maximale gevangenisstraf van zes jaren gesteld (artikel 311, eerste lid, onder 4o, Sr). Dat brengt mee dat het misdrijf waar de vordering tot cassatie in het belang der wet op ziet een ‘ernstig strafbaar feit’ betreft.
Tribunale di Bolzanohoudt in dat het volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU ‘uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het hof voorlegt te beoordelen’ (rov. 26). Voor prejudiciële vragen over het Unierecht geldt derhalve ‘een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen’ (rov. 27). [16]
Tribunale di Bolzanoheeft geformuleerd op de gestelde tweede prejudiciële vraag en de Nederlandse wettelijke regeling kan worden afgeleid dat het misdrijf waar de beschikking van de rechtbank op ziet een ‘ernstig strafbaar feit’ betreft, doet zich naar het mij voorkomt een situatie voor waarin het HvJ EU kan weigeren uitspraak te doen op de derde prejudiciële vraag.
De eerste prejudiciële vraag
Tele2 Sverige en Watsoneen aantal overwegingen geformuleerd. Die houden in dat in artikel 3 van Pro de richtlijn staat dat zij ‘van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronischecommunicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Unie, met inbegrip van de openbare communicatienetwerken die systemen voor gegevensverzameling en identificatie ondersteunen’. En dat bijgevolg moet worden geoordeeld dat de richtlijn ‘de activiteiten van de aanbieders van dergelijke diensten regelt’ (rov. 70). ‘Binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt ook een wettelijke maatregel als aan de orde in het hoofdgeding die betrekking heeft op de toegang van de nationale autoriteiten tot de door de aanbieders van elektronischecommunicatiediensten bewaarde gegevens’ (rov. 76). ‘De in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2002/58 gewaarborgde bescherming van het vertrouwelijke karakter van de communicatie en van de daarmee verband houdende verkeersgegevens, geldt immers voor de door alle andere personen dan de gebruikers getroffen maatregelen, ongeacht of het daarbij gaat om particuliere personen of entiteiten dan wel om overheidsentiteiten’ (rov. 77).
La Quadrature du Net Ievenwel al duidelijk gemaakt op welke ‘activiteiten’ van de staat deze bepaling naar haar oordeel ziet: ‘Wanneer de lidstaten (…) rechtstreeks maatregelen toepassen die inbreuk maken op het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie, zonder dat zij verwerkingsverplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten, wordt de bescherming van de gegevens van de betrokken personen niet beheerst door richtlijn 2002/58, maar uitsluitend door nationaal recht, behoudens de toepassing van richtlijn (EU) 2016/880’ (rov. 103). De arresten die het HvJ EU na het
Prokuratuur-arrest heeft gewezen geven geen aanleiding te veronderstellen dat het HvJ EU aan artikel 1, derde lid, van de richtlijn (alsnog) betekenis wil hechten in de situatie waarin toegang wordt verleend tot gegevens die niet op grond van een wettelijke bewaarplicht zijn bewaard.
VD.
Tele2 Sverige en Watsonheeft het HvJ EU overwogen dat de vraag onder welke voorwaarden de toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens kan worden verleend, los staat van de omvang van de aan de aanbieders van elektronischecommunicatiediensten opgelegde verplichting tot bewaring van gegevens (rov. 113). En in het arrest
La Quadrature du Net Iis overwogen dat het de lidstaten vrijstaat ‘om in hun wetgeving te bepalen dat met inachtneming van diezelfde materiële en procedurele voorwaarden’ (als welke van toepassing zijn bij een wettelijke bewaarplicht) ‘toegang tot verkeers- en locatiegegevens kan worden verleend met het oog op de bestrijding van zware criminaliteit (…), wanneer die gegevens door een aanbieder zijn bewaard in overeenstemming met de artikelen 5, 6 en 9 of met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58’ (rov. 167).
Prokuratuur-arrest zijn gewezen, wijzen – meen ik – in dezelfde richting, al maak ik een kanttekening bij één overweging. De ‘doelstelling van bestrijding van strafbare feiten in het algemeen’ kan volgens het arrest
La Quadrature du Net IIde toegang tot ‘bewaarde verkeers- en locatiegegevens rechtvaardigen voor zover en zolang dat nodig is voor de marketing van de diensten, de facturering en de levering van diensten met toegevoegde waarde, zoals wordt toegestaan door artikel 6 van Pro richtlijn 2002/58’ (rov. 98). Dat zou kunnen sporen met het uitgangspunt dat toegang tot bewaarde gegevens mag worden verleend wanneer de daarmee nagestreefde doelstelling belangrijker is dan die welke de bewaring rechtvaardigde. De betekenis die aan deze rechtsoverweging mag worden gehecht is evenwel niet helemaal duidelijk. Het HvJ EU verwijst in deze rechtsoverweging naar de net geciteerde rechtsoverweging 167 in het arrest
La Quadrature du Net I, waarin wordt gesproken over ‘zware criminaliteit’. Dat zou erop duiden dat aan de daar genoemde ‘materiële en procedurele voorwaarden’ niet wordt afgedaan. Inzake de vereisten voor toegang is het arrest
Commisioner of An Garda Síochánarelevant; het HvJ EU overweegt dat de bewaring van gegevens en de toegang ertoe ‘onderscheiden inmengingen in de door de artikelen 7 en 11 van het Handvest gewaarborgde grondrechten vormen, die een verschillende rechtvaardiging krachtens artikel 52, lid 1, ervan vergen’ (rov. 47). Dat wijst erop dat de omstandigheid dat gegevens niet op grond van een wettelijke bewaarplicht worden bewaard, niet relevant is voor de vereiste ‘rechtvaardiging’ voor toegang. [19]
La Quadrature du Net IIgeeft het HvJ EU aan dat artikel 15 lid 1 van Pro richtlijn 2002/58/EG zich binnen nader omschreven voorwaarden niet verzet tegen een nationale regeling die toestaat dat een overheidsinstantie als Hadopi ‘toegang heeft tot gegevens betreffende de burgerlijke identiteit die zijn bewaard door de aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten en die overeenkomen met IP-adressen die vooraf zijn verzameld door organisaties van rechthebbenden’ (rov. 164). In beginsel is ‘geen voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit vereist voor de toegang van de overheidsinstantie tot de aldus bewaarde met een IP-adres overeenkomende gegevens betreffende de burgerlijke identiteit’ (rov. 134). Maar volgens het HvJ EU moet een dergelijke toetsing wel plaatsvinden ‘voordat Hadopi met een IP-adres overeenkomende gegevens betreffende de burgerlijke identiteit van een persoon die zijn verkregen van een aanbieder van elektronische-communicatiediensten – nadat die persoon reeds twee aanbevelingen heeft ontvangen – kan koppelen aan het bestand betreffende het werk dat op het internet ter beschikking is gesteld opdat het door anderen kan worden gedownload’ (rov. 141).
Prokuratuur-voorwaarden mogelijk niet van toepassing doen zijn op de Nederlandse situatie’.
Landeck, van 23 april 2023. [21] Deze zaak betreft een strafzaak waarin een mobiele telefoon in beslag is genomen en geprobeerd is deze te ontgrendelen en uit te lezen. Betrokkene heeft de inbeslagneming betwist bij het Landesverwaltungsgericht Tirol. Dat heeft drie prejudiciële vragen gesteld; twee hebben betrekking op artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2002/58/EG. De eerste daarvan houdt (kort gezegd) in of uit dit artikel volgt dat de toegang van overheidsinstanties tot op mobiele telefoons opgeslagen gegevens op dermate ernstige wijze inbreuk maakt op door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten ‘dat die toegang op het gebied van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten moet worden beperkt tot de bestrijding van zware criminaliteit’. De tweede vraag stelt aan de orde of genoemd artikellid aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan veiligheidsdiensten zichzelf in het kader van een strafrechtelijk onderzoek zonder toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan volledige en ongecontroleerde toegang kunnen verschaffen tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen digitale gegevens.
Prokuratuur-rechtspraak voor het vorderen en gebruiken van telecomgegevens niet van toepassing zijn indien telecomgegevens op andere wijze dan via een bewaarplicht zijn verkregen’. Dat kan ik niet in dit randnummer lezen. De A-G maakt slechts, heel in het kort, duidelijk dat de omstandigheid dat het HvJ EU het creëren van bewaarplichten inzake verkeers- en locatiegegevens aan banden heeft gelegd, zijns inziens niet betekent dat overheidsinstanties alleen bij ernstige strafbare feiten een mobiele telefoon mogen proberen uit te lezen.
‘national legal rules which afford the competent authorities the possibility to access data contained in a mobile telephone for the purposes of the prevention, investigation, detection and prosecution of criminal offences in general, provided those rules:
Prokuratuur-arrest mogelijk niet van toepassing zijn op de Nederlandse situatie kan ik er niet in vinden. Wel blijkt uit het antwoord dat het HvJ EU ook in deze context hecht aan toetsing door een rechter of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Het gaat daarbij om gegevens die niet op grond van een wettelijke verplichting bewaard zijn.
Strafzaak tegen M.N.(inzake EncroChat). [24] De strafzaak vloeit, aldus de conclusie, voort uit een strafrechtelijk onderzoek dat in Frankrijk is gestart en waarbij ‘locatie-, verkeers- en communicatiegegevens, waaronder teksten en afbeeldingen die in lopende chats van gebruikers van het EncroChat-netwerk werden verzonden, zijn geïntercepteerd’ (randnummer 4). Aan de verdachte in de strafzaak is ‘meervoudige verboden handel in en verboden bezit van verdovende middelen in aanzienlijke hoeveelheden in Duitsland’ ten laste gelegd (randnummer 9). De verwijzende rechter heeft een waslijst aan prejudiciële vragen geformuleerd. Met de eerste vraag, onder c, wenst de verwijzende rechter volgens de A-G te vernemen ‘of het Unierecht, niettegenstaande het toepasselijke nationale recht, vereist dat een rechter toestemming geeft voor de toegang van een officier van justitie tot bewijsmateriaal dat is verkregen door interceptie van communicatie’ (randnummer 87). De verwijzende rechter heeft daarbij in overweging gegeven ‘dat voor het uitvaardigen van een EOB voor de overdracht van bewijsmateriaal dat bestaat uit geïntercepteerde telecommunicatie altijd toestemming van de rechter vereist is’ en daarbij verwezen naar het arrest
Prokuratuur(randnummer 88)
.
Prokuratuur-arrest (rov. 105) en bij de vraag of in een strafrechtelijke procedure rekening mag worden gehouden ‘met informatie en bewijzen die in strijd met het Unierecht zijn verkregen’ verwezen naar het arrest
La Quadrature du Net I(rov. 128). Voor het overige wordt niet gerefereerd aan (rechtspraak inzake) richtlijn 2002/58/EG.
Prokuratuur-arrest heeft gewezen voor zover ik zie geen aanknopingspunten voor de juistheid van het standpunt dat de omstandigheid dat gegevens niet op grond van wettelijke maatregelen bewaard zijn, aanleiding kan zijn om niet te eisen dat een rechter of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit toetst of toegang kan worden verleend tot die gegevens. Die arresten duiden er meer in het algemeen ook niet op dat het HvJ EU een stap terug zou willen doen waar het de verplichte toetsing door een rechter of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit betreft.
La Quadrature du Net Ioverwogen: ‘Wanneer de lidstaten (…) rechtstreeks maatregelen toepassen die inbreuk maken op het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie, zonder dat zij verwerkingsverplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten, wordt de bescherming van de gegevens van de betrokken personen niet beheerst door richtlijn 2002/58, maar uitsluitend door nationaal recht, behoudens de toepassing van richtlijn (EU) 2016/680’ (rov. 103). Waar richtlijn 2002/58/EG niet van toepassing is, kan richtlijn (EU) 2016/680 derhalve een rol spelen. Uit het arrest
Landeckblijkt dat het HvJ EU ook bij toepasselijkheid van richtlijn (EU) 2016/680 toetsing door de rechter of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onder omstandigheden noodzakelijk oordeelt. Vooral het onvoldoende uitgekristalliseerd zijn van dit toetsingsvereiste stelt de wetgever voor lastige vragen, gelet op de ruime reikwijdte die richtlijn (EU) 2016/680 ingevolge artikel 1 heeft Pro. [28]