Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
naar vermogenwordt bijgedragen aan de kosten van de huishouding en
aan elkaarhulp en ondersteuning wordt geboden. Het hof heeft echter, net als de kantonrechter, geheel geen beeld kunnen krijgen van de onderlinge kostenverdeling, waardoor de financiële verwevenheid ook in hoger beroep niet – althans, onvoldoende – is aangetoond. Dat [de kleinzoon] boodschappen en vaste lasten van gepind contant geld betaalde, is onvoldoende gemotiveerd en derhalve niet aannemelijk geworden. Voor zover [de kleinzoon] stelt dat pinopnames van contant geld voldoende zijn om aan te tonen dat hij daarvan boodschappen deed, miskent hij dat hij in het geheel geen verklaringen heeft overgelegd die deze stelling onderbouwen. Ook een andere onderbouwing van deze stelling, bijvoorbeeld door middel van bonnetjes of het bestaan van een en/of-rekening, ontbreken in het onderhavige geval. Ook is niet duidelijk of hij andere vaste lasten betaalde en/of welke kosten door de grootvader werden betaald. Met name heeft [de kleinzoon] verzuimd een overzicht over te leggen waaruit – op verifieerbare wijze – hun gezamenlijke uitgaven en inkomsten blijken, waarmee een totaaloverzicht van hun financiële verwevenheid had kunnen worden geschetst. Voor zover [de kleinzoon] betoogt dat de grootvader heeft kunnen meeprofiteren van het door hem gefinancierde omvangrijke onderhoud in het gehuurde, heeft De Alliantie voldoende gemotiveerd betwist dat [de kleinzoon] daarvoor de financiële armslag had en schiet de door hem in hoger beroep overgelegde (te algemene en niet onderbouwde) verklaring van [betrokkene 1] daarvoor tekort. Dat de zorg – waarvan De Alliantie overigens heeft betwist dat [de kleinzoon] deze heeft verleend – bovendien een eenzijdig karakter had, zodat geen sprake is geweest van wederkerigheid, is door [de kleinzoon] niet betwist en wordt derhalve door het hof aangenomen.
duurzamegemeenschappelijke huishouding.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1richt klachten tegen het oordeel in rov. 3.5-3.8 dat tussen de kleinzoon en de grootvader geen sprake is geweest van een gemeenschappelijke huishouding en tegen het oordeel in rov. 3.12 waarin het bewijsaanbod van de kleinzoon is gepasseerd.
Onderdeel 2richt zich tegen het ten overvloede gegeven oordeel in rov. 3.9-3.11 dat ook geen sprake was van duurzaamheid van de (niet aangenomen) gemeenschappelijke huishouding.
De rechter wijst de vordering bedoeld in lid 2 in ieder geval af(…)”), zijn deze drie gronden wel limitatief bedoeld [5] . In deze zaak is alleen de afwijzingsgrond onder a van belang. De overige afwijzingsgronden laat ik daarom rusten.
de plaats, waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij den zetel zijner fortuin heeft, zijne zaken behartigt, zijne goederen en eigendommen beheert, zoodat men er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalden tijd, en tevens met het plan om als dat doel bereikt is terug te keeren” [9] . Op deze invulling van het begrip hoofdverblijf wordt in de rechtspraak nog steeds teruggegrepen [10] . Aangezien het oordeel van de feitenrechter op dit punt sterk met de feiten is verweven, is het in cassatie niet op juistheid toetsbaar. Er kan in cassatie hoogstens worden getoetst of het in een bepaald opzicht getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en of het toereikend is gemotiveerd. In onze zaak is niet in geschil dat de kleinzoon hoofdverblijf had in het gehuurde.
subonderdeel 1.3(
subonderdelen 1.1-1.2bevatten geen klachten) is de
eerste klachtdat daaruit geen andere conclusie is te trekken dan dat de kleinzoon voldoende heeft gesteld dat er sprake is geweest van ‘het gemeenschappelijk delen van het huiselijk leven’, zodat het hof hetzij te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht terzake van de kleinzoon, dan wel sprake is van een onbegrijpelijk oordeel dat de kleinzoon niet aan zijn stelplicht zou hebben voldaan.
Subonderdelen 1.4-1.5klagen dat op de kleinzoon weliswaar een verzwaarde stelplicht rust hier, maar dat dat alleen meebrengt dat hij daarvoor voldoende concrete feiten moet aanvoeren, zodat duidelijk is voor de verhuurder waartegen deze zijn verweer moet richten. De
tweede klachtin subonderdeel 1.4 is dat dit weliswaar een feitelijk oordeel is inhoudende waardering van alle feiten en omstandigheden in hun onderling verband, maar dat het hof deze waardering in de sleutel van de van de kleinzoon te eisen stelplicht heeft geplaatst, die ten onrechte onvoldoende is geacht, waarmee het hof tevens ten onrechte het bewijsaanbod heeft gepasseerd. De
derde klachtis dat het hof kennelijk vond dat de door de kleinzoon aangevoerde omstandigheden te algemeen zijn om te kunnen komen tot het oordeel dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding of om tot bewijs daarvan toe te laten, maar dat is gelet op de 14 in feitelijke instanties aangevoerde punten onjuist, zodat met betrekking tot de stelplicht hier ofwel is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel sprake is van ontoereikende motivering.
Subonderdeel 1.6voegt daar aan toe dat de 14 stellingen niet zonder het bewijsaanbod te passeren hadden mogen worden verworpen, waarbij deze
vierde klachtspecificeert dat er schriftelijke verklaringen in het geding zijn gebracht, zodat met name genoemde getuigen bevraagd hadden kunnen worden. De klacht herhaalt dat hier ofwel uit is gegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
concreetis onderbouwd dat niet alleen onder één dak is gewoond door grootvader en kleinzoon, maar dat daarbij sprake was van een
gemeenschappelijkehuishouding en niet van
twee separatehuishoudens. Dat is wat op grond van de verzwaarde stelplicht hier van de kleinzoon mocht worden gevergd en dat daaraan niet is voldaan is uitvoerig gemotiveerd.
feitelijkook zijn uitgevoerd;
delingkosten gas, energie, water blijkt niet uit de bankafschriften op naam van de kleinzoon;
delinghuurbetalingen niet onderbouwd – ook niet dat cashopnames daarvoor zijn aangewend;
financiële verwevenheid, als
wederkerigheidontbreken en dat
daarnaast geen andere omstandigheden zijn aangevoerdwaaruit het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding kan blijken.
specifiekaandacht aan moest besteden, teneinde tot een juist en begrijpelijk oordeel te komen.
eerste subonderdeel 1.7– de procesinleiding bevat zowel op p. 4 als op p. 5 een subonderdeel 1.7 – betoogt dat het hof voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van de kleinzoon, omdat hof in rov. 3.7 alleen op de financiële verwevenheid en zorgverlening is ingegaan, zonder de overige hiervoor opgesomde stellingen van de kleinzoon uitdrukkelijk te bespreken. Dat levert een ontoereikende motivering op.
duurzaamheidvan de gemeenschappelijke huishouding in onderdeel 2, die naar ik meen tevergeefs zijn. Want zelfs als sprake zou zijn van enkele in beginsel terecht voorgestelde klachten uit onderdeel 1, dan blijft overeind dat van
duurzaamheidvan de huishouding geen sprake is en bestaat vanuit die optiek geen belang bij cassatie op grond van (elementen uit) onderdeel 1.
onderdeel 2tegen het ten overvloede gegeven oordeel in rov. 3.9-3.11 dat ook het vereiste element duurzaamheid van de gestelde gemeenschappelijke huishouding ontbreekt.
voor een half jaarwellicht ten onrechte wordt gehanteerd [29] . Dat zou volgens subonderdeel 2.3 ook moeten gelden voor de periode daarna, waarvoor een aanwijzing kan worden gezien in het gegeven dat bij toepassing van art. 7:268 lid 2 BW Pro niet de in art. 7:267 lid 3 onder Pro a gestelde eis van twee jaar wordt gesteld [30] .
[…] /De Goede Woning [32] volgt dat er, behoudens bijzondere omstandigheden die bestaan na het zelfstandig worden van een kind van de huurder,
geensprake is van een
duurzamegemeenschappelijke huishouding bij samenleving van ouder en kind zoals dat samenleven bij de geboorte van het kind ontstaat en nadien pleegt te worden voortgezet. Kinderen worden geacht ‘uit te vliegen’ is daar de gedachte [33] . Indien kinderen geen duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren met hun ouders en zij dus geen beroep op het tijdelijke voortzettingsrecht kunnen doen, dan kunnen zij op grond van art. 7:268 lid 6 BW Pro geconfronteerd worden met een ongewenst snel einde van rechtswege van de huurovereenkomst na twee maanden. Fikkers betoogde daarom dat het duurzaamheidsvereiste bij
samenleven van ouder en kind– en dus niet zoals de klacht hier ingang wil doen vinden: in zijn algemeenheid – hier niet zou moeten betekenen dat het voortzettingsrecht van zes maanden niet zou moeten gelden voor gezinsleden die met de overleden huurder een ‘weliswaar niet duurzame, maar toch evident gemeenschappelijke huishouding hadden.’ Zij stelt dat het duurzaamheidsvereiste zo bezien ‘(…) wellicht ten onrechte is opgenomen. Vanuit ander perspectief geredeneerd kan men ook zeggen, dat aan de hier bedoelde duurzaamheid ten onrechte te zware eisen worden gesteld in de jurisprudentie op art. 7:267 BW Pro [34] ’.
Subonderdeel 2.4wil dat nog ophangen aan het gegeven dat van een intentie van de kleinzoon om zich kort voor het overlijden van de grootvader de positie van samenwoner te verwerven niet kan worden gesproken bij een samenwoning van langer dan twee jaar zoals hier [39] . Dat moge zo zijn, maar doet geen afbreuk aan de te stellen duurzaamheidseis. Hierop stranden de subonderdelen 2.3 en 2.4.
[…] /Woningstichting Rochdaleen
[…] /Volksbelangen de laatste alinea van de NJ-noot van Stein onder eerstgenoemd arrest [40] . Daaruit volgt ook dat de motivering van de non-duurzaamheid gebrekkig is. Aan leeftijd en gezondheidstoestand komt geen doorslaggevende betekenis toe bij toetsing op duurzaamheid ex art. 7:268 lid 2 BW Pro, wel aan de duur van de samenwoning en de bedoeling van partijen zoals die bij aanvang van de samenwoning kenbaar is, aldus subonderdeel 2.6 [41] .
enkele omstandigheiddat de samenwoner ten tijde van het overlijden van de huurder al kortere of langere tijd geen gemeenschappelijke huishouding meer voerde met de huurder omdat laatstgenoemde wegens ziekte of hulpbehoevendheid was opgenomen in een ziekenhuis of verzorgingscentrum, niet meebrengt dat de vordering op grond van art. 7:268 lid 2 moet Pro worden afgewezen [42] . Daaruit laat zich niet afleiden dat bij de beoordeling van de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend aan de leeftijd en de gezondheidstoestand van de grootvader in een afwijkend geval als het onze. Daar werpt de geciteerde passage uit de NJ-noot van Stein mijns inziens ook geen ander licht op. Als één van de partners op leeftijd hulpbehoevend wordt en niet langer thuis kan wonen, betekent dat niet
alleen daaromniet langer sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding [43] .
[…] /Woningstichting Rochdalewas een afwijkend geval, al komt dat meer in de buurt van onze zaak. Een kleinzoon is in 1986 rond zijn 24e bij zijn grootmoeder gaan wonen, omdat hij de afstand van zijn toenmalige woonplaats naar zijn studiestad Amsterdam te groot vond. Zijn grootmoeder was toen nog gezond, maar kreeg twaalf jaar later in 1998 een herseninfarct, waarna zij hulpbehoevend werd – dus ver na aanvang van de samenwoning. In appel werd vervolgens over de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding gesteld dat (i) zij sinds 1986 de huur en de kosten van de huishouding deelden, (ii) zij tezamen boodschappen deden, (iii) zij de ochtend- en avondmaaltijden gezamenlijk bereidden en gebruikten, (iv) zij meestal de avonden samen in de woning doorbrachten, (v) de kleinzoon sinds 1995 de huur van zijn bankrekening heeft betaald, (vi) het 'takenpakket' na het herseninfarct van de grootmoeder meer op de schouders van de kleinzoon was komen te rusten, (vii) de woning aldus was ingericht dat de grootmoeder en kleinzoon alle vertrekken, behalve de slaapkamer, gezamenlijk gebruikten en (viii) dat grootmoeder en kleinzoon sinds het einde van de studie van de kleinzoon in 1990 waren blijven samenwonen met het doel deze samenwoning te laten voortduren, dat beëindiging van de duurzame gemeenschappelijke huishouding nooit ter sprake is gekomen en deze na het herseninfarct van de grootmoeder is voortgezet tot aan haar overlijden in 2003 mede met de bedoeling dat de kleinzoon zijn grootmoeder zou verzorgen, hetgeen hij ook heeft gedaan [44] . In eerste aanleg en in hoger beroep werd geoordeeld dat toen de kleinzoon zijn grootmoeder is gaan verzorgen, dat is gebeurd op een moment waarop, gelet op de leeftijd en gezondheidstoestand van de grootmoeder, voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding geen reële toekomstverwachting meer bestond. De Hoge Raad oordeelde echter dat de
enkele omstandigheiddat een gemeenschappelijke huishouding van twee personen als gevolg van de leeftijd of gezondheidstoestand van een van hen naar verwachting niet langdurig zal zijn, niet eraan in de weg staat dat geoordeeld wordt dat die huishouding een duurzaam karakter heeft [45] . Dat verbaast bepaald niet in zo’n casus.
in het licht van de overige omstandighedengeen sprake meer zou zijn van duurzaamheid, is iets anders dan in onze zaak aan de orde is. De Hoge Raad heeft met deze overweging tot uitdrukking willen brengen dat de
enkele omstandigheiddat de samenwoning tussen de kleinzoon en de grootmoeder als gevolg van het leeftijdsverschil/de gezondheidstoestand van de grootmoeder aflopend is, niet aan de gemeenschappelijke huishouding haar duurzame karakter behoeft te ontnemen. Stein wijst er in de laatste alinea van zijn NJ-noot dan ook terecht op dat ouderdom of ziekte van de huurder het voornemen van duurzaamheid
niet hoeven te beletten. Het gaat telkens om een beoordeling van duurzaamheid aan de hand van alle omstandigheden van het geval, zo ook A-G Strikwerda in zijn conclusie voor dit arrest [46] . Dat heeft het hof in onze zaak niet miskend; integendeel, dat stelt het hof in rov. 3.9 voorop. De klacht uit subonderdeel 2.6 dat aan leeftijd en gezondheidstoestand geen en aan samenwoningsduur en de bedoeling van partijen wel
doorslaggevendebetekenis toekomt bij de duurzaamheidstest faalt in dat licht dan ook; dat is niet de juiste maatstaf. In het oog springende verschillen ten opzichte van de casus van de studerende kleinzoon en de nadien hulpbehoevend geworden grootmoeder is onder meer dat de samenwoning in onze zaak is aangegaan toen de grootvader al zeer hulpbehoevend was (waslijst aan klachten, chronisch ziek, de hele dag zorg en toezicht nodig) en naar stelling van de kleinzoon juist met het oog op diens verzorging is aangegaan. Dat maakt onvoldoende aannemelijk dat bij aanvang van de samenleving de (subjectieve) bedoeling is geweest dat de gemeenschappelijke huishouding duurzaam was en dat moet ook bij het aangaan van het samenlevingscontract duidelijk zijn geweest aldus het hof – nog daargelaten dat niet vast staat dat die overeenkomst is nageleefd en het hof duidelijke twijfels heeft of er wel sprake was van een zorgrelatie gelet op de kangoeroe-constructie, ook geen onbelangrijke elementen in het oordeel hier. Het hof heeft in rov. 3.9-3.10 gemotiveerd aangegeven waarom het de positie van de kleinzoon niet volgt ‘dat de leeftijd en gezondheidstoestand van de grootvader niet eraan in de weg staan aan te nemen dat de bedoeling bij aanvang van de samenwoning duurzaam was’ (rov. 3.9). Anders gezegd: de factoren leeftijd en gezondheid wegen in het licht van de omstandigheden van onze zaak anders dan in die van het arrest van de aanvankelijke studerende kleinzoon en grootmoeder. De getrokken parallel met dat arrest gaat niet op. Het betreft hier als eerder aangegeven in hoge mate ‘feitelijke’ materie die alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst en ik meen dat hier sprake is van een goed te volgen motivering. De subonderdelen 2.5-2.6 zijn tevergeefs voorgesteld.