Conclusie
grief 1buiten bespreking laat en mogelijke bewijslevering dus achterwege kan blijven.
grief 2tevergeefs is voorgesteld.
grief 3slaagt.
grief 4faalt.
4.De beslissing
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelis gericht tegen rov. 3.7. Het begrip ‘onvoldoende waarborg’ (art. 7:268 lid 3 sub b BW Pro) is volgens het onderdeel onjuist toegepast, althans is onbegrijpelijk dat Samenwoner onvoldoende waarborg zou bieden voor nakoming van de huur, nu geen huurachterstand is opgetreden in de ruim twee jaar na overlijden van de huurder. Het hof oordeelt volgens dit onderdeel onjuist over wie voor dit aspect de stelplicht en bewijslast draagt. Ook als dat niet zo is, legt het hof volgens de klacht de lat te hoog voor de betwisting van Samenwoner en mocht zijn bewijsaanbod niet worden gepasseerd.
tweede onderdeelover het ten overvloede gegeven oordeel in rov. 3.8. Het hof beschouwt een stelling van [Samenwoner] over het ontbreken van financiéle verwevenheid in de relatie van vader en zoon uit de inleidende dagvaarding als een gerechtelijke erkentenis (art. 154 Rv Pro). Dit is volgens onderdeel 2 onjuist en onbegrijpelijk. Bovendien is het hof buiten de rechtsstrijd getreden door art. 154 Rv Pro toe te passen en is het onbegrijpelijk als het hof uit de stellingen van Verhuurder een beroep hierop heeft gedestilleerd.
derde onderdeelricht zich ook tegen rov. 3.8. De afwezigheid van financiële verwevenheid hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot het oordeel dat geen sprake is van een gemeenschappelijk huishouding, daarnaast is een aantal essentiële stellingen gepasseerd en is onbegrijpelijk dat uit het door Samenwoner opgestelde overzicht niet volgt dat de daarin vervatte uitgaven ten behoeve van een gemeenschappelijke huishouding zijn gedaan.
de plaats, waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij den zetel zijner fortuin heeft, zijne zaken behartigt, zijne goederen en eigendommen beheert, zoodat men er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalden tijd en tevens met het plan om als dat doel bereikt is terug te keeren” [6] . Op deze invulling van het begrip hoofdverblijf wordt in de rechtspraak nog steeds teruggegrepen [7] . Aangezien het oordeel van de feitenrechter op dit punt sterk met de feiten is verweven, is het in cassatie niet op juistheid toetsbaar. Er kan in cassatie hooguit worden getoetst of het in een bepaald opzicht getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en of het toereikend is gemotiveerd.
duurzaamheidvan de gemeenschappelijke huishouding [17] . Die wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de duur ervan, en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen [18] .
afwijzingsgrondvan de vordering van de samenwoner tot huurvoortzetting op grond van art. 7:268 lid 3 onder Pro b BW is dat de samenwoner vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur [19] . Dat is dus geen voortzettingsvereiste uit lid 2 die de samenwoner moet stellen (hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding; als die ontbreken, vormt dat ook een afwijzingsgrond volgens lid 3 onder a van die bepaling), maar een afwijzingsgrond voor de voortzettingsvordering van de samenwoner waar de verhuurder zich op kan beroepen. Dit voldoende financiële waarborg bieden voor een behoorlijke nakoming van de huur dient het belang van de verhuurder. Die kan immers op grond van de regeling van art. 7:268 lid 2 BW Pro een huurder ‘opgedrongen’ krijgen, met wie hij (of zijn rechtsvoorganger, zoals in onze zaak) niet
zelfheeft gecontracteerd en vormt dogmatisch dan ook een wettelijke inbreuk op de contractsvrijheid, ingegeven ter bescherming van de samenwoner van de overleden huurder. Deze afwijzingsgrond beschermt de verhuurder tegen niet-draagkrachtige huurders [20] . Dat wordt geïllustreerd door de totstandkomingsgeschiedenis van dit stelsel in de wet.
verhuurderkan zich binnen een half jaar nadat de overeenkomst is voortgezet tot de kantonrechter wenden met het verzoek te bepalen, dat een of meer personen, bedoeld in het tweede en derde lid [meerderjarigen met hoofdverblijf in het gehuurde en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerende met huurder, A-G], de huurovereenkomst niet langer zullen voortzetten op de grond, dat dezen onvoldoende waarborg bieden voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst.” (Cursivering toegevoegd, A-G)
samenwoner, maar de
verhuurderin actie moest komen. Hierover werd naar aanleiding van Kamervragen [25] door de regering het volgende opgemerkt [26] :
Vanzelfsprekend zal de verhuurder dit voor de kantonrechter moeten aantonen.”
Het initiatief ligt hier bij de verhuurder.In dat geval vinden wij dat dit moet gebeuren.”
zal nog altijd waar moeten maken dat hij met een insolvabele huurder heeft te maken.
verzoek tot beëindigingmoet doen, maar de huurder
een verzoek tot voortzetting:
Artikelen 1623h, derde lid onder c, 1623i, derde lid onder b, 1623k, tweede lid onder a
In dergelijke gevallen behoort de kantonrechter de bevoegdheid te hebben op verlangen van de verhuurder op korte termijn een einde te maken aan de huurovereenkomst of te voorkomen dat de verzoeker medehuurder wordt.Het zou in deze gevallen, waarin de verhuurder een wederpartij tegenover zich krijgt met wie hij zelf niet gecontracteerd zou hebben, niet gerechtvaardigd zijn de verhuurder te nopen tot opzegging en het aanhangig maken van een verzoek tot beëindiging. De daarmee gemoeide tijdsduur, waarbij in het bijzonder te denken valt aan de opzeggingstermijn, kan leiden tot het ontstaan en oplopen van een huurschuld.
zelfstandig verweerte beschouwen. Daarmee kan de verhuurder immers, ondanks dat wordt voldaan aan de vereisten van art. 7:268 lid 2 BW Pro (hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding), voorkomen dat hij wordt opgezadeld met een niet-draagkrachtige huurder. Anders gezegd: dit is een zelfstandig, of bevrijdend, of ‘ja, maar’- verweer, omdat het zich niet richt op de juistheid van de door de samenwoner gestelde feiten over diens hoofdverblijf en de duurzame gemeenschappelijke huishouding. De verhuurder beroept zich dan op een ander zelfstandig feit, te weten onvoldoende financiële waarborg dat de samenwoner de huur zal kunnen voldoen. Als dat feit komt vast te staan, dan verbindt de wet daar als afwijzingsgrond het rechtsgevolg aan dat de vordering van de samenwoner tot huurvoortzetting schipbreuk lijdt [40] . Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rusten de stelplicht [41] – en na voldoende betwisting – de bewijslast hiervan op de verhuurder [42] .
samenwonerde stelplicht en bewijslast bij de verhuurder te leggen. De betreffende feiten liggen immers in het domein van de samenwoner, die met het verschaffen van financiële informatie over inkomen en vermogen eenvoudiger zal kunnen aantonen dat hij zijn huurbetalingsplicht zal kunnen nakomen. De verhuurder zal over het financieel in staat zijn van de samenwoner om de huur te kunnen voldoen doorgaans eigenstandig weinig informatie hebben [43] . Ligt een dergelijke bewijslastverdeling dan wel voor de hand? De eerste aanvechting kan zijn dat een omgekeerde stelplicht en bewijslastverdeling eerder voor de hand ligt. Maar omdat financiële gegoedheid geen zelfstandig voortzettingsvereiste is dat de samenwoner die huurvoortzetting verlangt moet stellen volgens lid 2 van de besproken bepaling, hetgeen wel geldt voor de vereisten hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding en afwezigheid van die gegoedheid slechts een aanvullende afwijzingsgrond is voor de verhuurder die een voorzettingsvordering van de samenwoner afgewezen wil zien, omdat hij geen onvoldoende solvente huurder opgedrongen wil krijgen, lijkt mij deze verdeling goed te volgen – ook al is dat praktisch soms lastig. In dat licht is illustratief de zorgen van de Kamer bij de behandeling van het wetsontwerp over de mogelijke privacy-inbreuk die naspeurwerk van de verhuurder over de financiële situatie van de samenwoner zou kunnen opleveren, waar de regering niet van onder de indruk was. Het is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever om deze last bij de verhuurder te leggen. In de literatuur zijn over de gelijkluidende bepaling van art. 7A:1623h lid 3 onder c BW, thans art. 7:267 lid 3 onder Pro c BW, wel kritische noten gekraakt [44] :
in het kader van zijn betwistingvan de stellingname van de verhuurder dat hij, samenwoner, niet voldoende waarborg zou bieden tot nakoming van de huurbetalingen, bepaalde gegevens verschaft [47] , omdat de samenwoner immers over de daarvoor cruciale gegevens beschikt. Daarmee wordt niet aan de bewijslastverdeling zelf getornd, maar wel de bewijsleveringslast voor de verhuurder verlicht met het oog op het processuele evenwicht [48] . De bescherming die het materiële recht aan de verhuurder wil bieden met deze afwijzingsgrond, kan anders in het gedrang komen [49] .
onder 2van de procesinleiding in cassatie richten zich hiertegen. Sinds het overlijden van de vader van Samenwoner in 2019 tot aan de zitting bij het hof zijn ruim twee jaar verstreken zonder huurachterstand. Gelet op deze lange tijd van behoorlijke nakoming van de huurbetalingen, blijkt op geen enkele wijze – en is het oordeel onbegrijpelijk – dat Samenwoner vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg zou bieden voor behoorlijke nakoming van de huur of waarom er tegen deze achtergrond nog een reden of noodzaak is voor het stellen van extra eisen, aldus de klacht. Daar doet niet aan af dat ter zitting is komen vast staan dat Samenwoner alleen een AOW uitkering geniet en dat hij zijn stellingen over een substantiële erfenis en bereidheid van zijn broer om borg te staan en tot vooruitbetaling voor een langere periode niet heeft onderbouwd, omdat de wet geen garanties van de aspirant huurder verlangt. De toepasselijke afwijzingsgrond vormt een lagere drempel, althans moet dit restrictief in het voordeel van de aspirant huurder worden uitgelegd, althans mag niet meer worden geëist dan redelijkerwijs onder de gegeven omstandigheden noodzakelijk is, en dat is volgens de rechtsklacht miskend.
onder 3van de procesinleiding geen doel kan treffen. Die klacht is dat het hof hier ten onrechte de stelplicht en bewijslast over het voldoende waarborg bieden bij Samenwoner zou hebben gelegd, maar dat is niet zo. Het hof verlangt alleen een onderbouwing van Samenwoners betwisting van het zelfstandige verweer van Verhuurder dat Samenwoner onvoldoende waarborg biedt (zie uitdrukkelijk de voorlaatste zin van rov. 3.7). Dat betekent dat het hof (met juistheid, zie 2.19) de stelplicht voor dit zelfstandige verweer bij Verhuurder legt.
onder 4gaat uit van de lezing dat het hof de stelplicht en bewijslast wél bij Samenwoner zou hebben gelegd. Nu dat niet zo is, kan ook deze klacht geen doel treffen, zodat verdere bespreking in wezen achterwege kan blijven. Voor zover het vervolg van de klacht over toelaten tot bewijslevering los van het verkeerde vertrekpunt als separate klacht moet worden opgevat: bij constatering dat sprake is van ontoereikend gemotiveerde betwisting aan de kant van Samenwoner, wordt aan bewijslevering niet toegekomen, zodat van het ten onrechte passeren van Samenwoners tweeledige bewijsaanbod geen sprake is. Ook de klachten onder 4 kunnen zodoende niet tot cassatie leiden.
onder 6dat onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.8 aanneemt dat in de inleidende dagvaarding sprake is van een gerechtelijke erkentenis volgens art. 154 lid 1 Rv Pro over het niet bestaan van financiële verwevenheid tussen Samenwoner en zijn vader. Een gerechtelijke erkentenis is het in een geding uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van stellingen van de wederpartij, maar het hof citeert hier een stelling uit de inleidende dagvaarding en een brief aan de toenmalige advocaat van Samenwoner. Daaruit blijkt niet dat Samenwoner uitdrukkelijk de waarheid heeft erkend van stellingen van Verhuurder, nu het eigen stellingen van Samenwoner betreft, die hij bovendien, gelet op de herstelfunctie van het appel, in hoger beroep kan wijzigen. Als het hof in de citaten toch een gerechtelijke erkentenis heeft gelezen, dan is niet toereikend gemotiveerd waar en waarom Samenwoner uitdrukkelijk de waarheid erkent van stellingen van Verhuurder.
medekunnen leiden tot afwijzing van zijn vordering tot huurvoortzetting. De in de wet bedoelde gerechtelijke erkenning ziet op het spiegelbeeldige geval waarin Samenwoner zou stellen dat wél sprake was van financiële verwevenheid tussen vader en zoon en Verhuurder dat zou erkennen. Samenwoner zou die stelling dan niet meer hoeven te bewijzen, zodat dit
medede grondslag zou kunnen vormen voor toewijzing van zijn eis. Een erkentenis kan volgens mij niet zien op een stelling die de wederpartij wellicht tot de hare zou willen maken, maar nog niet heeft ingenomen. Zo ook Heemskerk [68] : wordt bijvoorbeeld bij inleidende dagvaarding gesteld dat een bepaalde gebeurtenis op zondag heeft plaatsgevonden en gedaagde beaamt dat bij conclusie van antwoord, dan weerhoudt art. 154 lid 1 Rv Pro de eiser er niet van om bij repliek of in hoger beroep aan te voeren dat het toch maandag was. Overigens is financiële verwevenheid slechts
eenomstandigheid die de rechter in aanmerking kan nemen bij toetsing of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding [69] , maar daartoe is die toetsing niet beperkt. Bij dagvaarding heeft Samenwoner zelf over de non-financiële verwevenheid een standpunt ingenomen, maar dat standpunt zou op zich in het vervolg van de procedure kunnen wijzigen, ook in hoger beroep en zelfs als de oorspronkelijke eiser in eerste aanleg een met die verandering strijdig standpunt heeft ingenomen [70] . Uit de rechtspraak volgt verder dat – gelet op het vereiste van uitdrukkelijkheid en ondubbelzinnigheid – niet te snel mag worden aangenomen dat er sprake is van een gerechtelijke erkentenis [71] . Art. 154 Rv Pro is niet van openbare orde [72] .
onder 8met de motiveringsklacht dat het tweede deel van rov. 3.8 [73] geen zelfstandig dragende grond is dat er financiële verwevenheid ontbreekt. Het nadere oordeel zou alleen voortbouwen op het eerdere oordeel, zodat sprake is van een voortbouwend of nauw samenhangend oordeel en uit de motivering zou niet voldoende kenbaar zijn dat sprake is van een zelfstandig dragende grond, nu het hof alleen in zou gaan op de gestelde uitgaven. Voor zover deze klacht al de voor een cassatieklacht vereiste scherpte en precisie zou hebben, is deze ongegrond. Voor de vraag of sprake is van een dragende overweging is beslissend hoe die overweging zich verhoudt tot de beslissing in het dictum [74] . In dit geval bekrachtigt het hof het vonnis van de kantonrechter, waarin de op art. 7:268 lid 2 BW Pro gestoelde vordering van Samenwoner is afgewezen. Een afwijzingsgrond hiervoor is het ontbreken van een gemeenschappelijke huishouding met de vader (art. 7:268 lid 3 onder Pro a BW), voor de beoordeling waarvan een relevante factor is of gezamenlijk door de samenwoner en huurder is voorzien in de kosten van huisvesting of levensonderhoud (zie 2.30 en vt. 69). De hier aangevallen passage uit rov. 3.8 regardeert dit, omdat wordt nagegaan of Samenwoner bijdroeg in die kosten. In zoverre is de overweging dragend en dat is voldoende kenbaar uit rov. 3.8.
onder 10klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.8 overweegt dat uit het door Samenwoner opgestelde overzicht van uitgaven niet kan worden afgeleid dat die uitgaven ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding met zijn vader zijn gedaan, ook niet na overlegging van een grote hoeveelheid kassabonnen, die bovendien niet los, maar geordend was overgelegd. Het betreft hier typisch huishoudelijke uitgaven. Deze klacht faalt, omdat dit goed te volgen is. Het hof heeft in het kader van zijn oordeel over de financiële verwevenheid tussen Samenwoner en zijn vader overwogen dat niet is gebleken dat Samenwoner financieel heeft bijgedragen aan het huishouden en dat dat ook niet uit het kassabonnenoverzicht blijkt. De bonnen geven immers geen inzicht of Samenwoner financieel heeft bijgedragen aan de huishouding, zij tonen alleen aan dat boodschappen zijn gedaan.