ECLI:NL:PHR:2024:117

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 februari 2024
Publicatiedatum
1 februari 2024
Zaaknummer
23/02598
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10(2) Wet op de dividendbelastingArt. 11a Wet op de dividendbelastingArt. 9(3) Wet op de dividendbelastingArt. 47 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 63 VwEU
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing teruggaaf dividendbelasting niet-ingezeten beleggingsfonds

De zaak betreft een niet-ingezeten beleggingsfonds dat voor de boekjaren 2003/2004 tot en met 2006/2007 teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting heeft verzocht. De Inspecteur weigerde deze teruggaaf omdat het fonds geen bewijs van inhouding van dividendbelasting, zoals dividendnota’s, kon overleggen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond wegens onvergelijkbaarheid met een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) en het ontbreken van bewijs van inhouding.

In hoger beroep bevestigde het Hof dat de belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Nederlandse dividendbelasting te zijnen laste was ingehouden, waardoor het Hof niet aan de beoordeling van de vergelijkbaarheid toekwam. De belanghebbende stelde in cassatie dat het weigeren van teruggaaf in strijd was met het vrije kapitaalverkeer, algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat het Hof een verkeerde bewijslastverdeling had toegepast.

De Advocaat-Generaal concludeerde dat het Hof terecht het bewijsrisico bij de belanghebbende legde en dat er geen grond was voor ambtshalve toetsing van het controlebeleid aan EU-recht of algemene rechtsbeginselen. Het cassatieberoep werd als ongegrond beoordeeld omdat de belanghebbende onvoldoende bewijs leverde van inhouding en het Hof niet verplicht was EU-recht buiten het geschil toe te passen.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep ongegrond, waarmee de afwijzing van de teruggaafverzoeken definitief is. De uitspraak bevestigt dat bewijs van inhouding essentieel is voor teruggaaf en dat toetsing aan EU-verkeersvrijheden niet ambtshalve plaatsvindt indien deze niet expliciet in het geschil zijn gebracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de teruggaafverzoeken bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02598
Datum2 februari 2024
BelastingkamerA
Onderwerp/tijdvakDividendbelasting 2003/2004 t/m 2006/2007
Nr. Gerechtshof 22/00295 t/m 22/00298
Nr. Rechtbank BRE 17/4456 t/m 17/4459
CONCLUSIE
P.J. Wattel
Met bijlage
In de zaak van
[X]
tegen
Staatssecretaris van Financiën

1.De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

1.1
De belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. Hij heeft geen vaste inrichting in Nederland en is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting.
1.2
De belanghebbende heeft voor de boekjaren 2003/2004 t/m 2006/2007 om teruggaaf van dividendbelasting verzocht. Die verzoeken zijn door de Inspecteur afgewezen. De belanghebbende heeft tevergeefs bezwaar gemaakt.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant [1]
1.3
De belanghebbende stelde voor de Rechtbank dat het vrije kapitaalverkeer hem hetzelfde recht op teruggaaf van dividendbelasting toekent als nationaalrechtelijk aan een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) toekomt omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi.
1.4
Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur de teruggaafverzoeken terecht afgewezen. De belanghebbende heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet ingestemd met een dividendbelastingvervangende betaling harerzijds als bedoeld in rechtsoverweging 5.4 van uw arrest HR
BNB2021/73. [2] Reeds daarom bestond volgens de Rechtbank geen recht op teruggaaf, nu zonder die betaling geen vergelijkbaarheid bestaat met een ingezeten fbi, die wél dividendbelasting moet inhouden en afdragen. In hetgeen de belanghebbende aanvoerde, zag de Rechtbank geen aanleiding om Unierechtelijk voor de belanghebbende gunstiger rechtsherstel geboden te achten of om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Aan de klacht over “vele onduidelijkheden ten aanzien van het rechtsherstel zoals voorgeschreven door de Hoge Raad” is de Rechtbank voorbij gegaan, reeds omdat de belanghebbende niet heeft opgehelderd om welke onduidelijkheden het zou gaan en evenmin een eigen berekening van het dividendbelastingvervangende bedrag heeft ingebracht. Overigens neemt die klacht volgens de Rechtbank niet weg dat de belanghebbende niet heeft ingestemd met welke vervangende betaling dan ook, zodat het verzoek terecht is afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch [3]
1.5
De belanghebbende stelde ook in hoger beroep met een beroep op Unierecht dat hij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. De Inspecteur stelde dat de belanghebbende geen dividendnota’s heeft overgelegd zodat (de omvang van) het bedrag waarvoor recht op teruggaaf zou bestaan onvoldoende aannemelijk is gemaakt en reeds daarom geen recht op die teruggaaf bestaat. De Inspecteur achtte de belanghebbende overigens ook objectief onvergelijkbaar met een dooruitdelings- en inhoudingsplichtige fbi.
1.6
Het Hof heeft overwogen dat de term “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” in art. 10 Divb Pro betekent dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1(1) Divb. Als de Inspecteur betwist – zoals in casu – dat de belanghebbende aan de voorwaarden voor teruggaaf voldoet, rust op de belanghebbende de last om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij wel aan die voorwaarden voldoet. [4] Onduidelijkheid daarover en bewijsnood komen daarbij voor zijn rekening, aldus het Hof. [5]
1.7
Het Hof stelde vast dat de belanghebbende, hoewel diverse malen daarop en op mogelijke consequenties gewezen, geen dividendnota’s heeft overgelegd of anderszins inhoudelijk is ingegaan op het standpunt van de inspecteur. Evenmin is gesteld of gebleken dat op grond van art. 9(3) Divb uitreiking van dividendnota’s achterwege kon blijven. De verzochte teruggaaf stuit er dan op af dat de belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat en zo ja, hoeveel Nederlandse dividendbelasting te zijnen laste is ingehouden in de betrokken jaren, zodat niet is komen vast te staan dat en tot welk bedrag de teruggevraagde dividendbelasting ten laste van de belanghebbende is ingehouden.
1.8
Het Hof kwam aldus niet toe aan de vraag of de belanghebbende al dan niet objectief vergelijkbaar is met een ingezeten fbi en heeft het hogere beroep ongegrond verklaard.

2.Het geding in cassatie

De belanghebbende heeft tijdig en ook overigens regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Voor de inhoud van het cassatiemiddel en van het verweer verwijs ik naar onderdeel 4 van de bijlage.

3.Beoordeling

Op de gronden vermeld in onderdeel 5 van de bijlage bij deze conclusie meen ik dat het middel niet tot cassatie leidt.

4.Conclusie

Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 januari 2022, nrs. 17/4456 t/m 17/4459, ECLI:NL:RBZWB:2022:50.
2.HR 23 oktober 2020, nrs. 16/03954, 17/02428 en 19/01141, ECLI:NL:HR:2020:1674,
3.Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 mei 2023, nr. 22/00295 t/m 22/00298, ECLI:NL:GHSHE:2023:1695.
4.Het Hof verwees naar HR 18 oktober 2019, nr. 18/03614, ECLI:NL:HR:2019:1610, r.o. 2.4.2.
5.Het Hof verwees naar de conclusie van 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:70, onderdeel 7.2.