Conclusie
1.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2021/73. [2] Reeds daarom bestond volgens de Rechtbank geen recht op teruggaaf, nu zonder die betaling geen vergelijkbaarheid bestaat met een ingezeten fbi, die wél dividendbelasting moet inhouden en afdragen. In hetgeen de belanghebbende aanvoerde, zag de Rechtbank geen aanleiding om Unierechtelijk voor de belanghebbende gunstiger rechtsherstel geboden te achten of om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Aan de klacht over “vele onduidelijkheden ten aanzien van het rechtsherstel zoals voorgeschreven door de Hoge Raad” is de Rechtbank voorbij gegaan, reeds omdat de belanghebbende niet heeft opgehelderd om welke onduidelijkheden het zou gaan en evenmin een eigen berekening van het dividendbelastingvervangende bedrag heeft ingebracht. Overigens neemt die klacht volgens de Rechtbank niet weg dat de belanghebbende niet heeft ingestemd met welke vervangende betaling dan ook, zodat het verzoek terecht is afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.