Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2003-2007. De rechtbank heeft een regiezitting gehouden en het onderzoek ter zitting achterwege gelaten.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). De rechtbank overwoog dat voor boekjaren vóór 1 januari 2008 het overgangsrecht van toepassing is en dat de teruggaafregeling voor fbi’s relevant is.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht de verzoeken heeft afgewezen omdat belanghebbende niet heeft ingestemd met een vervangende betaling zoals bedoeld in de Hoge Raad-beslissing van 23 oktober 2020. Er is geen aanleiding om een andere wijze van rechtsherstel te bieden of prejudiciële vragen te stellen. Ook is geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. De beroepen zijn ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.