Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
Bewijsmiddelen
Aanvulling van gronden van de beslissing over de waardering van het bewijs
NJ2012/518 m.nt. B.F. Keulen, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963,
NJ2014/156 m.nt. B.F. Keulen, HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2841 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1411,
NJ2016/462 m.nt. H.D. Wolswijk. [1] Dit toetsingskader komt er in de kern op neer dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat niet is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. [2] De verdachte moet de gelegenheid hebben gehad over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te hebben gegeven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd of gelegenheid [3] had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven, vormt een belangrijke objectieve aanwijzing voor het bestaan van voorbedachte raad. [4] Een en ander laat onverlet dat ook contra-indicaties kunnen worden geput uit de omstandigheden van het geval, zoals wanneer de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvonden, wanneer slechts sprake was van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering, of wanneer de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit bestond.
althans is het bestanddeel voorbedachte raad ontoereikend gemotiveerd althans heeft het hof op onjuiste dan wel onbegrijpelijke wijze het verweer omtrent het bestaan van contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad verworpen”. Daartoe heeft de steller van het middel het volgende naar voren gebracht:
in kleding waarin het pistool niet zichtbaar was”, hetgeen niet (zo specifiek) volgt uit de bewijsmiddelen (punt 1.10 van de schriftuur).
foute keuze” dan wel een “
verkeerde keuze” die door het slachtoffer is gemaakt en welke keuze de voorwaarde heeft gevormd in het kader van “
de uitvoering van”een door de verdachte “
voorwaardelijk genomen besluit”. Een en ander brengt mee dat de bewijsconstructie met betrekking tot dat “
voorwaardelijk genomen besluit” onbegrijpelijk c.q. onvoldoende met redenen omkleed is, omdat uit het arrest niet blijkt wat met die termen precies wordt bedoeld (punt 1.10 van de schriftuur).
er die dag rekening mee hield dat het kon komen tot een confrontatie” met het slachtoffer, terwijl het hof anderzijds de verklaring van de verdachte, dat de ontmoeting met het slachtoffer voor hem “
een verrassing” was, als bewijs bezigt;
in” zijn broek had. Aldus gelezen is die tussenzin niet onbegrijpelijk en behoeft uit de bewijsmiddelen ook niet expliciet te blijken dat het aldus gedragen pistool niet zichtbaar was (onderdeel a).
het voorwaardelijk genomen besluit” samenhangt met een “
foute” c.q. “
verkeerde keuze” van het slachtoffer. De term “
foute” of “
verkeerde keuze” is in de bewijsmotivering in eerste instantie niet onbegrijpelijk gekoppeld aan datgene wat door de verdachte zelf als zodanig is aangeduid, te weten het buiten hem om verkopen van zijn spullen. Dat het daadwerkelijk overgaan tot handelen feitelijk volgt op het door het slachtoffer beëindigen van het gesprek (daarbij in het midden gelaten of de “
foute” c.q. “
verkeerde keuze” al dan niet is gemaakt dan wel wat de “
foute” of “
verkeerde keuze” precies behelst) staat niet in de weg aan de bewezenverklaring van voorbedachte raad. ’s Hofs oordeel is dan ook toereikend gemotiveerd (onderdeel b).
in elk geval” al is genomen op het moment dat de verdachte met een geladen vuurwapen in zijn auto is gestapt, alsmede dat de (korte) pauzes tussen de schoten hebben “
bijgedragen” aan het oordeel dat sprake is van voorbedachte raad. Anders gezegd: het hof heeft die momenten niet als op zichzelf staande momenten beschouwd. Dat oordeel is, gelet op hetgeen ik hiervoor heb vooropgesteld omtrent de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd of gelegenheid had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven niet onbegrijpelijk (onderdelen c en d).
rekening[kon]
houden met de confrontatie”. Het hof heeft immers overwogen dat “
het thuiskomen van [slachtoffer] voor verdachte niet geheel onverwacht was of kon zijn”. Het bezigen van de verklaring van de verdachte doorkruist dan ook niet ’s hofs oordeel omtrent de aan- c.q. afwezigheid van contra-indicaties (van voldoende gewicht). Omtrent de onder ii. genoemde suïcidale gedachten van de verdachte heeft het hof niet onbegrijpelijk overwogen dat die “
de mogelijkheid van een plan om (ook) [slachtoffer] te doden onverlet[laten]”. Die overweging leidt ertoe dat zelfs al zou het hof ten onrechte hebben overwogen dat de verdachte “
pas ruim een maand na zijn arrestatie met dit scenario is gekomen”, ook die (deel)klacht niet tot cassatie kan leiden (onderdeel e).