Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
4. Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 9 juli 2021, dossierpagina’s 16-20, met goederenbijlage, voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] .
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboren: [geboortedatum] 1954
Merk: SNS
Aantal: 1 stuks
Bijzonderheden: Op naam van [slachtoffer] .
Het goed is: Diefstal
A: antwoord verdachte
A: Dat zou ik niet weten. Dat zal ik ooit gevonden hebben.”
res nulliusis.
.Als het goed dat een verdachte zich toe-eigent een
res nulliusis, een roerende zaak die aan niemand toebehoort [1] , kan op grond van art. 321 Sr Pro dus geen strafbaarheid worden aangenomen. Of sprake is van een goed dat niet (meer) aan iemand toebehoort, is doorgaans sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [2] Zo levert grofvuil dat langs de weg is gezet vrijwel zeker een
res nulliusop. Maar een verdachte die om de hoek van zijn flat kinderzitjes voor op een fiets had gevonden, mocht niet zomaar aannemen dat deze aan niemand toebehoorden. [3] Aan de andere kant was in een zaak waarin een verdachte een fiets had weggenomen die onbeheerd en niet op slot was achtergelaten, en waarover een buurtbewoonster had verklaard dat deze naar alle waarschijnlijkheid van buren was die ‘gisteren’ waren verhuisd, het oordeel van het hof dat de fiets toebehoorde aan een ander of anderen dan de verdachte niet zonder meer begrijpelijk. [4]
res nullius. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de pinpas privégegevens bevat, zoals een tenaamstelling en een persoonlijk rekeningnummer. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.