Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het verloop van de zaak
5.
klager A. [klager], zakelijk weergegeven, het volgende mee.
klager Soylu, zakelijk weergegeven, het volgende mee.
klager A. [klager], zakelijk weergegeven, het volgende mee.
klager Soylu, zakelijk weergegeven, het volgende mee.
klager A. [klager]dient (…) gegrond te worden verklaard, het beslag dient te worden opgeheven en het in beslag genomen horloge moet aan hem worden afgegeven. Het horloge behoort aan klager A. [klager] toe. Hij heeft het horloge als cadeau van zijn vader uit Turkije gekregen. Zijn vader heeft het horloge in Turkije gekocht en beschikt niet over een aankoopbon. Ter onderbouwing van het vorenstaande heb ik een handgeschreven verklaring en een kopie van het legitimatiebewijs van de vader van klager A. [klager] overgelegd. De officier van justitie wijst op een aantal feiten en omstandigheden die uit het dossier zouden blijken. Zo zou klager A. [klager] samen met zijn broer onderweg zijn naar Rotterdam voor de aanschaf van drugs. Dit blijkt echter niet uit het dossier en het is tijdens het verhoor ook niet aan de orde geweest. Ook dit punt dient buiten beschouwing te worden gelaten. Er is geen sprake van een strafvorderlijk belang dat zich verzet tegen teruggave van het in beslag genomen horloge. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, niet de teruggave van het in beslag genomen horloge zal gelasten. (…)
5. De beoordeling
6.De beslissing
gegronden gelast de
teruggavevan
het horlogeaan klager.”
3.Het middel
NJ2023/152, m.nt. P.A.M. Mevis, waarin zij heeft opgemerkt dat eigenlijk alleen een redelijk vermoeden dat “volstrekt uit de lucht gegrepen is”, kan leiden tot het oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat verbeurdverklaring (of onttrekking aan het verkeer) van het in beslag genomen voorwerp zal volgen.
niet (zonder meer) kan uitsluitendat de – (nog) niet door de politie en/of het Openbaar Ministerie geverifieerde/gefalsificeerde – verklaring van de klager over de herkomst van het horloge juist is, onvoldoende is om het oordeel van de rechtbank te kunnen dragen dat het dús
hoogst onwaarschijnlijkis dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het horloge zal bevelen. Op voorhand is niet ondenkbaar dat in de strafprocedure de verklaring van de klager wordt weerlegd en de strafrechter over de vraag of sprake is van witwassen, anders zal oordelen dan de beklagrechter. Derhalve is het oordeel van de beklagkamer dat “het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het in beslag genomen horloge zal bevelen”, mede gelet op hetgeen door het Openbaar Ministerie naar voren is gebracht, ontoereikend gemotiveerd.