Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het in de cassatieschriftuur voorgestelde middel
primair
primair
Primair standpunt: Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk
ne bis in idem-beginsel. Dit standpunt is op pagina 1 t/m 4 van haar pleidooi, dat deel uitmaakt van de stukken van het hoger beroep, uitgebreid uiteengezet. De rechtbank heeft dat verweer echter grotendeels verworpen. Ten onrechte, wat de verdediging betreft. De rechtbank is in dit kader overigens behoorlijk kort van stof. Er wordt tamelijk uitgebreid uiteengezet waarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van het primair tenlastegelegde voor zover de deelneming aan de criminele organisatie bestaat uit het vervoeren van hennep op 15 januari 2015. Waarom de rechtbank concludeert dat de officier van justitie voor het overige wél ontvankelijk is in de vervolging, wordt echter niet nader gemotiveerd. Dat is jammer, aangezien juist dat een heel relevant punt in deze zaak is.
geenvan de bewezenverklaringen van deze feiten genoemd.
nemo debet bis vexari-beginsel genoemd. Dit beginsel ligt ten grondslag aan zowel het
ne bis in idem-beginsel als de beginselen van een goede procesorde.
Onderzoek van de zaak
integraalniet-ontvankelijk moet worden verklaard, kan echter bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een verweer in de zin van at. 358 lid 3 Sv jo art. 359 lid 2 Sv Pro en art. 415 Sv Pro, waarop de rechter een met redenen omklede beslissing dient te geven. Dat heeft het hof ten onrechte niet gedaan. Het hof had het verweer overigens niet slechts kunnen verwerpen, omdat de beoordeling van het verweer kort gezegd “op zijn minst […] een nader onderzoek naar de feiten [vergt], waarvoor in cassatie geen ruimte bestaat”.
geheleconsecutieve vervolging voor het met dat hennepfeit samenhangende organisatiefeit in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, en dat het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Daartoe is kort gezegd aangevoerd (i) dat in het onderzoek in de onderhavige zaak niet veel meer naar boven is gekomen dan na de aanhouding van de verdachte op 15 januari 2015 reeds bekend was, (ii) dat er – nu het dossier kennelijk onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor andere afzonderlijke feiten dan het feit waarvoor de verdachte reeds (onherroepelijk) veroordeeld was – geen nieuwe, andere strafbare gedragingen zijn toegevoegd aan de tenlastelegging bij de onderhavige, tweede vervolging en dat er is volstaan met het primair ten laste leggen van de organisatie als bedoeld in art. 11 a OPW (oud) en subsidiair met het feit waarvoor de verdachte reeds veroordeeld was, (iii) dat van nieuwe, andere feiten waarop de bewijsvoering voor de deelname aan een organisatie als bedoeld in art. 11a OPW op gestoeld is, geen sprake lijkt, (iv) dat de tweede, onderhavige vervolging van de verdachte daarom in strijd is met het uitgangspunt dat iemand niet nodeloos mag worden gekweld door herhaaldelijk in een strafprocedure te worden betrokken voor hetzelfde feit, met als gevolg dat (v) de onderhavige zaak een geval van onbehoorlijke uitoefening van het vervolgingsrecht door het openbaar ministerie betreft, waardoor het recht om de verdachte te vervolgen is verspeeld.
NJ1997/209. Daarin oordeelde de Hoge Raad:
NJ2022/308 m.nt. J.H. Crijns. De Hoge Raad oordeelde:
3.Het in de aanvullende schriftuur voorgestelde middel
NJ2023/43 m.nt. Vellinga is het middel tevergeefs voorgesteld.