Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
Enexis geeft verder aan dat bij een economische groei van 1.2% er weer een groot tekort zal ontstaan aan gekwalificeerd personeel. Conclusie: Er zal dan zeker weer een tekort aan capaciteit ontstaan in de markt.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank):
het hof) in hoger beroep gekomen van de tussenvonnissen van 15 mei 2019 en 30 september 2020. Enexis heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [eiseressen] , eventueel onder aanvulling en/of verbetering van gronden, met veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten van Enexis in beide instanties, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. [eiseressen] hebben de grieven van Enexis bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Enexis in haar grieven, dan wel deze als ongegrond af te wijzen, onder bekrachtiging van beide tussenvonnissen, met veroordeling van Enexis in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.
bestreden arrest) heeft het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigd, de vorderingen van [eiseressen] afgewezen en [eiseressen] veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en van het hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente, en het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof heeft daartoe in r.o. 3.7-3.10 de grieven I t/m VI van [eiseressen] in het incidenteel hoger beroep verworpen, die waren gericht tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 15 mei 2019 dat [aannemersbedrijf] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij het saneringswerk van alle aan haar ter beschikking gestelde werkmappen – dus de 359 werkmappen die zij nog had liggen – zou mogen uitvoeren, alsmede de grief dat haar in ieder geval ten onrechte is verboden het afgesproken aantal van 1.400 werkmappen af te ronden. In r.o. 3.11-3.12.5 en in de concluderende overweging 3.13 beoordeelt het hof de grieven 2 tot en met 6 van Enexis in het principaal hoger beroep gericht tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 15 mei 2019 dat, kort gezegd, [betrokkene 4] een onjuiste mededeling heeft gedaan en dat dat onrechtmatig is jegens [aannemersbedrijf] . Ook heeft het hof daar grief VII van [eiseressen] in het incidenteel hoger beroep beoordeeld waarmee [eiseressen] hebben betoogd dat de rechtbank in het tussenvonnis ten onrechte heeft aangenomen dat [betrokkene 4] zijn mededeling heeft genuanceerd door te zeggen dat de krimp zag op klantgedreven investeringen. In r.o. 3.12.5 oordeelt het hof dat [eiseressen] geen toereikende onderbouwing hebben gegeven voor haar stelling dat Enexis (de directie van) [aannemersbedrijf] heeft bewogen tot het aanvragen van haar eigen faillissement. Omdat geen sprake is van een onrechtmatige gedraging van Enexis, is bewijslevering niet aan de orde. (r.o. 3.14) Ook komt het hof zodoende niet toe aan de beoordeling van het causaal verband en het beroep op ‘eigen schuld’. (r.o. 3.15)
4.Bespreking van het cassatiemiddel
uitvoeringvan een contract aan de orde, maar betreft het informatie waaraan de ene partij stelt verwachtingen te kunnen ontlenen ten aanzien van het (niet) aangaan van verdere contracten. In zoverre is er dan ook niet zozeer een parallel met informatieverstrekking in een contractuele verhouding, maar ligt het voor de hand om te kijken naar de normen die gelden voor aansprakelijkheid wegens informatieverstrekking aan een derde. [21] Voor de toepassing van die normen kan overigens weer wel relevant zijn dat de betrokken partijen wel in een bijzondere relatie tot elkaar staan.
’s-Hertogenbosch/Z) overwogen:
redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwendat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de gemeente deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet.’ [24] [cursivering van mij, A-G]
redelijkerwijs mocht vertrouwenop de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie. [26] Jansen wijst ter onderbouwing van deze terughoudende benadering op het beginsel dat ieder zijn eigen schade draagt en daarnaast op de parallel met het leerstuk van dwaling wegens onjuiste informatieverstrekking, waarbij de wederzijdse verantwoordelijkheden van partijen ter zake van de vergaring en verstrekking van informatie moeten worden gewogen. [27]
’s-Hertogenbosch/Zeen tweeledige vraag, namelijk 1) of een gemeente onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven aan een belanghebbende, naar aanleiding van een gedaan verzoek, en 2) of de gemeente om die reden onrechtmatig heeft gehandeld jegens die belanghebbende. Bij beide vragen moet – op basis van het gedane verzoek, de gegeven inlichtingen en de overige omstandigheden van het geval – worden bezien welke zin de burger redelijkerwijs heeft mogen toekennen aan de gegeven inlichtingen. Hij verwijst ter vergelijking naar art. 3:35 BW Pro. [29] Jansen lijkt een dergelijke stapeling van vertrouwenstoetsingen – eerst een uitleg aan de hand van de wilsvertrouwensleer, dan (nog) een vertrouwenstoets uit onrechtmatige daad – onaantrekkelijk. Volgens Jansen kan worden volstaan met beantwoording van de vraag of de overheid onrechtmatig heeft gehandeld door het verstrekken van onjuiste informatie waarop de burger onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen vertrouwen. [30] Met Jansen denk ik dat dat inderdaad het overkoepelende criterium is, maar ik denk ook dat het in gevallen als aan de orde in het arrest
’s-Hertogenbosch/Z, waarin partijen van opvatting verschilden over de inhoud van een bepaalde mededeling, dienstbaar kan zijn om eerst vast te stellen welke inhoud de verstrekte informatie redelijkerwijs had, althans van welke inhoud de erop vertrouwende partij redelijkerwijs heeft mogen uitgaan.
aard van de rechtsverhoudingtussen partijen is met name van belang hetgeen partijen van elkaar mochten verwachten gezien hun positie, hoedanigheid en deskundigheid. [32] Jansen wijst erop dat met name ‘vertrouwenwekkende’ partijen, zoals de overheid en professionele dienstverleners, in de rechtspraak zijn belast met een buitencontractuele waarheidsplicht. [33] Anderzijds kunnen juist de kennis en ervaring van de betrokken derde meebrengen dat van hem mag worden verwacht dat hij de informatie zou verifiëren. [34]
aard van de verstrekte informatiezijn onder andere de complexiteit en traceerbaarheid van de betrokken informatie van belang. Zo kan de omstandigheid dat het gaat om complexe informatie voor of juist tegen het aannemen van een gerechtvaardigd vertrouwen pleiten. [35] Uiteraard is ook de wijze waarop de informatie is verstrekt van belang voor de vraag of gerechtvaardigd vertrouwd mocht worden op de juistheid en volledigheid van de informatie. Zo kunnen zeer stellige of juist voorzichtige bewoordingen zijn gebruikt en kan sprake zijn van logisch klinkende informatie of van juist zeer onlogisch klinkende informatie. [36] Bepleit wordt dat onjuiste informatieverstrekking minder snel wordt aangenomen wanneer de verstrekte informatie globaler en/of dubbelzinniger was. [37] In dit kader is ook de aanwezigheid respectievelijk afwezigheid van een voorbehoud van belang. [38] Is geen voorbehoud gemaakt, dan kan dit bijdragen aan de conclusie dat de betrokken derde gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de juistheid van de verstrekte informatie. [39] De aanwezigheid van een voorbehoud kan daarentegen in de weg staan aan het aannemen van gerechtvaardigd vertrouwen. [40] Hieraan ligt ten grondslag dat in het algemeen niet zonder nader onderzoek mag worden afgegaan op een uitdrukkelijk geclausuleerde inlichting. [41]
aard en omvang van de betrokken belangenzien met name op de consequentie die de betreffende informatie kan hebben voor betrokkenen. [44] De betrokkenheid van grote belangen kan met zich meebrengen dat minder snel mag worden vertrouwd op de juistheid van de verstrekte informatie. [45] Volgens Van de Sande wordt, indien grote belangen betrokken zijn, eerder van de betrokkene verwacht dat hij de informatie verifieert en/of advies van een deskundige inwint. [46] Anderzijds zou de betrokkenheid van grote belangen juist kunnen meebrengen dat mag worden vertrouwd op de juistheid van de verstrekte informatie, omdat een grote mate van zorgvuldigheid van de informatieverstrekker mag worden verwacht bij de aanwezigheid van grote belangen. [47] Hiernaast betogen Jansen en Barendrecht dat – net als in de precontractuele sfeer – een onjuiste inlichting die de veiligheid van derden beïnvloedt eerder tot aansprakelijkheid leidt dan een onjuiste inlichting die slechts de commerciële belangen van derden beïnvloedt. [48]
’s-Hertogenbosch/Z,waarin Uw Raad ‘de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen’ van belang acht. Daarnaast kan worden gewezen op het meer recente arrest
NVM-meetinstructie I, waarin Uw Raad overweegt dat:
moet begrijpen dat deze voor de (betrokken) koper bij diens aankoopbeslissing van belang kunnen zijn’ [cursivering, A-G]. [54]
behoordete weten. [60] De toelichting voegt daar onder meer en samengevat aan toe dat dat te meer geldt indien dezelfde mededeling niet éénmalig wordt gedaan, maar bij verschillende gelegenheden wordt herhaald en dat informatie niet alleen ‘op voorhand’ onjuist kan zijn, maar onjuistheid ook gedurende of na het doen van de mededeling kan blijken. Ten slotte wijst de schriftelijke toelichting er op, onder verwijzing naar het arrest
B/Street-One, [61] dat zelfs in gevallen waarin voor de informatieverstrekker niet ‘kenbaar’ is dat de informatie onjuist is, het onder omstandigheden geboden kan zijn het risico van de onjuiste informatieverschaffing voor zijn rekening te laten komen. [62]
zou kunnen zijnvan een onrechtmatige mededeling indien het uitspreken van een dergelijke verwachting over de toekomst al op voorhand evident en kenbaar onjuist zou zijn, maar dat dat laatste het hof niet is gebleken. Het oordeel van het hof berust dus op een weging van de in r.o. 3.12.2 genoemde omstandigheden en overigens tevens op de verder in r.o. 3.12.3 genoemde omstandigheden (‘Bij dat oordeel betrekt het hof dat […]’). Het hof laat verder de mogelijkheid open dat het uitspreken van een toekomstverwachting ook onder andere omstandigheden onrechtmatig is dan dat die verwachting al op voorhand evident en kenbaar onjuist is. Anders dan het subonderdeel lees ik de bewoordingen ‘evident en kenbaar’ in r.o. 3.12.3 niet als betrekking hebbend op de kenbaarheid voor [betrokkene 4] en/of Enexis van de onjuistheid van de mededeling, maar op de kenbaarheid van de onjuistheid van de mededeling in objectieve(re) zin.
Verder ligt, anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, in het oordeel van het hof niet besloten dat de mededeling niet inhield dat [aannemersbedrijf] de komende twee jaar, althans een behoorlijke periode, niet langer, althans significant minder dan voorheen zou worden ingeschakeld door Enexis, maar (wel) dat [aannemersbedrijf] niet zonder nader onderzoek en zonder om verduidelijking en nadere concretisering te vragen (r.o. 3.12.4) van een scenario van 25 % had mogen uitgaan. Het subonderdeel faalt.
’s-Herthogenbosch/Zvolgt dat het verstrekken van een onjuiste mededeling pas onrechtmatig is als de ontvanger van de mededeling er in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat haar juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven. Aan dit criterium is niet voldaan wanneer de ontvanger meer dan die bepaalde inhoud in de mededeling heeft gelezen. Bij de beantwoording van de onrechtmatigheidsvraag is mede van belang welk onderzoek eventueel van de benadeelde mocht worden verwacht.
1) [betrokkene 4] had vermeld dat hij namens de raad van bestuur van Enexis sprak;
2) verdere navraag bij Enexis geen zin zou hebben omdat zijn mededeling intern was afgestemd;
3) [betrokkene 4] weigerde zijn mededeling nader uit te werken en/of op papier te zetten;
4) [betrokkene 4] zijn mededeling na confrontatie met andersluidende gegevens heeft gehandhaafd;
5) [betrokkene 4] zijn mededeling tien dagen later nogmaals heeft gehandhaafd;
6) óók nadat hem de (verstrekkende) gevolgen van zijn voorspelling waren medegedeeld.
subonderdeel 2.5heeft het hof miskend dat het ‘verzaken’ van een onderzoeksplicht irrelevant is indien het uitvoeren van dat onderzoek niet tot een ander resultaat zou hebben geleid. Het subonderdeel wijst er daarbij in een voetnoot op dat het hof als enig te onderzoeken punt de vraag opwerpt of de toename in vervangingsinvesteringen (voldoende) compensatie zou hebben geboden voor het wegvallen van de (overige) investeringen en dat [betrokkene 4] had gezegd dat Enexis de met deze vervangingsinvesteringen samenhangende werkzaamheden zelf wilde laten verrichten, dan wel aan andere aannemers (uit het Synfra-verband) wilde gunnen.
risicoop schade, in dit geval aan de zijde van [aannemersbedrijf] , in het leven riep en dat die schade zich dreigde te verwezenlijken.
Ik merk nog op dat ik r.o. 3.12.4 niet zo lees dat wanneer [aannemersbedrijf] inzage had geboden in haar berekeningen wel sprake zou zijn geweest van onrechtmatig handelen door Enexis, maar dat het hof met de tweede zin van r.o. 3.12.4 mede onderbouwt dat de relevantie van de (precieze inhoud van) de gegeven toekomstverwachting onvoldoende duidelijk was voor [betrokkene 4] /Enexis. Onderdeel 3 treft geen doel.