Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
an sichbrengt al mee dat zij over en weer in elkaars verzorging zullen hebben voorzien (...); dat is immers waarom partners gaan samenwonen, namelijk lief en leed met elkaar delen en voor elkaar zorgen.” (rechtbankspreekaantekeningen sub 6 Achmea). Achmea geeft zelf aan dat niet bekend is of betrokkenen een ‘en/of rekening’ hadden en de woonlasten samen deelden.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
mutatis mutandisook voor Achmea (rov. 4.1 van het bestreden arrest). [17] Art. 98 WIA Pro bepaalt dat op de schadevergoedingsplicht van een aansprakelijke persoon – hier: Achmea en [betrokkene 2] – tegenover de benadeelde rechten op uitkeringen van het UWV in mindering worden gebracht (verplichte voordeelstoerekening). [18] Art. 99 lid 1 WIA Pro brengt verder mee dat het UWV in beginsel Achmea en [betrokkene 2] kan aanspreken voor de door het UWV “
gemaakte kosten” voor uitkeringen aan [betrokkene 1] ten aanzien van [betrokkene 1] ’ verlies van arbeidsvermogen. Art. 100 lid 1 WIA Pro beperkt het regresrecht van art. 99 lid 1 WIA Pro. Op grond van art. 100 lid 1 WIA Pro is geen regres mogelijk op een verzekerde collega of de werkgever van de benadeelde, tenzij sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. [19] Naast art. 99 lid 1 WIA Pro bestaan andere (zelfstandige) regresrechten, zoals art. 6:107a BW, art. 90 WAO Pro, art. 52a Ziektewet, art. 61 Algemene Pro nabestaandenwet, art. 4:2 Wet Pro Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, art. 69 Wet Pro arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, art. 10.2.2 Wet langdurige zorg en art. 2.4.3 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. [20] Voor deze regresrechten geldt in het algemeen dezelfde systematiek als de systematiek van art. 98-100 WIA (verplichte voordeelstoerekening en regres).
Assurantie Maatschappij ‘Nieuw Rotterdam’ NV/Bedrijfsvereniging voor de Textielindustrieeen beperking aangenomen ingeval het regresrecht – in het daar voorliggende geval: het regresrecht van art. 90 WAO Pro – zich richt tegen een echtgenoot van de benadeelde (onderstrepingen van mij,
A-G): [21]
NJ1973, 225) [22] , ook een redelijke toepassing van de WAO meebrengt dat,
wanneer op het tijdstip van het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid het slachtoffer en de aansprakelijke persoon met elkaar in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, aan de bedrijfsvereniging geen verhaalsrecht op de voet van art. 90 WAO Pro toekomt jegens de aansprakelijke echtgenoot en mitsdien ook niet jegens diens WAM-verzekeraar. Een andere opvatting zou, nu zowel de schuld van de aansprakelijke echtgenoot aan de bedrijfsvereniging als de uitkeringen aan de andere, arbeidsongeschikte echtgenoot in de wettelijke gemeenschap van goederen zouden vallen,
in strijd met de strekking van de WAO ertoe leiden dat de arbeidsongeschikte echtgenoot in feite zou worden verstoken van hetgeen hem krachtens de WAO toekomt, terwijl bij de aanspraken op grond van deze wet noch huwelijk noch aansprakelijkheid voor de gebeurtenis die tot de arbeidsongeschiktheid leidt, een rol speelt. Dat de WAO het verhaalsrecht op een echtgenoot niet uitdrukkelijk uitsluit, kan hieraan niet afdoen: aangenomen moet worden dat bij het tot stand komen van de wet in het geheel niet aan verhaal op een echtgenoot is gedacht, omdat het geldend maken van een aansprakelijkheid van de ene echtgenoot jegens de andere ten tijde van de totstandbrenging van de WAO uiterst zelden voorkwam.
ABP/ […], deze beperking ook van toepassing op personen die (ongehuwd) samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden in het kader van een (ongehuwd) samenwonen ten tijde van het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid (onderstrepingen van mij,
A-G): [24]
A-G] berusten op de stelling dat voor een beperking van het verhaalsrecht krachtens de VOA [25] slechts plaats is als de aansprakelijke persoon en de ambtenaar, aan wie uitkeringen zijn verleend, met elkaar zijn gehuwd. Die stelling kan niet als juist worden aanvaard.
In een geval als het onderhavige, waarin de aansprakelijke persoon en de ambtenaar, bedoeld in art. 2 VOA Pro, samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren 'in het kader van een ongehuwd samenwonen', gelden de overwegingen waarvan de Hoge Raad is uitgegaan ten aanzien van echtgenoten (HR 26 juni 1987, NJ 1988, 536) in gelijke mate, aangezien ook hier de uitkeringen aan het slachtoffer in feite zullen worden aangewend ter bestrijding van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, terwijl anderzijds hetgeen de aansprakelijke partner schuldig zou worden aan het ABP als regel in feite zou worden betaald uit de gezamenlijke inkomsten, waaronder de uitkeringen, zodat het slachtoffer in feite zou worden verstoken van zijn uitkeringen.In het midden kan blijven in hoeverre bijzondere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat zulks niet het geval is, nu niet blijkt dat zodanige omstandigheden zijn aangevoerd.
wanneer op het tijdstip van het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid” – en uit randnummer 3.7 hiervoor volgt dus dat beslissend is voor toepasselijkheid van de samenwoonexceptie of de benadeelde (ongehuwd) samenwoonde en een gemeenschappelijke huishouding voerde
op het moment van het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid. [26]
ter zake van uitkeringen en voorzieningen waarop de andere echtgenoot tijdens het huwelijk recht heeft gekregen”. [27]
geenbeperking worden aangenomen voor gevallen waarin een regresnemer verhaal zoekt bij de aansprakelijke persoon, als (i) de rechten op de uitkeringen (en dus ook de arbeidsongeschiktheid én het met dat uitkeringsrecht overeenstemmende regresrecht) vóór het huwelijk zijn ontstaan en (ii) de uitkeringsinstantie “
na het huwelijk” daarvoor regres neemt. [28] Met andere woorden: bestaande regresrechten worden niet gefrustreerd door een nadien gesloten huwelijk. Voor rechten op uitkeringen die vóór het huwelijk of samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding zijn ontstaan, kan regres worden uitgeoefend: het met die uitkeringsrechten corresponderende regresrecht is ook al voor dat moment ontstaan.
Ook indien dit[het verstoken worden van uitkeringen,
A-G]
onder bijzondere omstandigheden anders zou zijn, is het met het oog op de hanteerbaarheid van het verhaal onwenselijk voor die gevallen een uitzondering te maken.” [32] Voor gevallen van (ongehuwd) samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding heeft Uw Raad uitdrukkelijk in het midden gelaten (en kunnen laten nu bijzondere omstandigheden in die zaak niet waren gesteld) in hoeverre bijzondere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat de benadeelde bij de uitoefening van het regresrecht daadwerkelijk niet verstoken zou worden van zijn uitkeringen. [33] ;
A-G): [36]
het bewaren van de gezinsvrede. Deze is door het ongeval al zwaar genoeg op de proef gesteld en moet niet ook nog eens worden belast met een verhaalsrecht(sprocedure), waarin de een inlichtingen en verklaringen moet verstrekken ten nadele van de ander dan wel zich op een verschoningsrecht moet beroepen. Het tweede argument is economisch van aard.Een verhaalsrecht zal ook de gelaedeerde meer dan eens direct raken.
nietover te gaan tot een analyse van bijzondere omstandigheden van een individueel geval. [42] Intuïtief voelt het misschien goed om voor elk individueel geval te onderzoeken of de benadeelde in feite verstoken wordt van uitkeringen, [43] maar dit te moeten doen voor alle individuele gevallen is in praktische zin onwenselijk, zo begrijp ik Uw Raad.
nietgehuwd waren of (ongehuwd) samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden, geldt de gehuwden- of de samenwoonexceptie alleen als deze personen dat wel waren respectievelijk deden op het moment van het ontstaan van het recht op uitkeringen. Volgens Uw Raad is de ratio van de gehuwden- en de samenwoonexceptie het voorkomen van de situatie dat de benadeelde verstoken wordt van uitkeringen door de uitoefening van het regresrecht op de partner. Deze ratio is niet zo sterk, al was het maar omdat er in de meeste gevallen aansprakelijkheidsverzekeringsdekking is. Wat mij betreft komt vooral ook betekenis toe aan immateriële belangen, zoals de gezinsvrede (inclusief de gemoedsrust van de benadeelde). Daarnaast speelt het belang van hanteerbaar regres bij de toepassing van de gehuwden- en de samenwoonexceptie een belangrijke rol. Dat de wettelijke regresregeling de gehuwden- en de samenwoonexceptie niet uitdrukkelijk noemt, staat niet aan toepassing daarvan in de weg, ook niet bij art. 99 lid 1 WIA Pro, omdat moet worden aangenomen dat de wetgever niet de situatie onder ogen heeft gezien dat het de partner van de benadeelde is die de aansprakelijke persoon is op wie regres genomen zou moeten worden.
niettoe te staan (een uitzondering op de samenwoonexceptie), omdat een argument voor het toestaan van regres is dat het in gevallen als het onderhavige in de regel niet mogelijk is dat de benadeelde verstoken wordt van uitkeringen van de uitkeringsinstantie. Ik bespreek eerst dit argument en daarna een aantal belangrijke argumenten
tegenwaarna ik tot de slotsom kom dat de argumenten
tegenzwaarder wegen. Een uitzondering op de samenwoonexceptie is in mijn opvatting dus niet aan de orde in de onderhavige zaak.
al zwaar genoeg op de proef gesteld” (randnummer 3.13 hiervoor). Haar partner met wie zij samenwoonde, is overleden door een ongeluk waarbij zij zelf betrokken was, en daardoor is zij volledig arbeidsongeschikt geraakt. [48]
Onderdeel IIbevat enkel een voortbouwklacht. Deze voortbouwklacht is gericht tegen rov. 5.10 en 6.1 e.v. van het bestreden arrest.
dat Achmea méér (feitelijke) munitie had moeten aanleveren voor de stelling dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (mede in financiële zin) in elkaars zorg hebben voorzien om bewijs van die stelling te mogen leveren”. Daarvoor bestaan volgens het onderdeel twee redenen: (i) van een partij kan niet worden verlangd dat zij de stelling waarvan zij bewijs aanbiedt op voorhand aannemelijk maakt en (ii) tegen de achtergrond van het gegeven dat de te bewijzen stellingen zien op de manier waarop [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hun (dagelijks) leven en hun (samenwoon)relatie hebben vormgegeven heeft het hof te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van Achmea omdat Achmea redelijkerwijs niet méér kon doen dan (a) het stellen van objectieve feiten waaruit blijkt dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn gaan samenwonen en (b) het formuleren van een (getuigen)bewijsaanbod ten aanzien van de (vervolg)stelling dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ook in elkaars zorg hebben voorzien of, anders gezegd een gezamenlijk huishouding hebben gevoerd. Zowel (a) als (b) heeft Achmea gedaan, aldus het onderdeel.
twee samenwonende personen die een gemeenschappelijke huishouding voerende samenwoonexceptie te laten gelden als zij pas kort voor het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid zijn gaan samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding zijn gaan voeren. Immers: ook in een dergelijk geval is in de regel op het moment van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid sprake van een (duurzame) hechting van twee personen waardoor de hiervoor besproken immateriële belangen en het (mijns inziens in het algemeen in veel mindere mate aanwezige) risico van het verstoken worden van uitkeringen aan de orde kunnen zijn (zie randnummers 3.11-3.15 hiervoor). Dat twee personen op het moment van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid van één van hen samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden 'in het kader van een ongehuwd samenwonen', is gelet hierop voldoende.
4.Slotsom en behandeling na verwijzing
voor hemgeringe (principiële) belang bij deze zaak na verwijzing en de gemoedsrust van [betrokkene 1] en van andere (indirect) betrokkenen die Achmea heeft genoemd in haar bewijsaanbod.