Conclusie
1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 december 2017 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1700-2017395605-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 5-7):
Inleiding
een op zijn auto lijkende autorond 19:30 uur in de [a-straat ] zou zijn gezien op camerabeelden, het gegeven dat ‘zijn telefoon’ een zendmast aan de Reeweg zou hebben aangestraald omstreeks 19:24 uur en het feit dat hij later die avond door aangever en zijn zoon in de [a-straat ] wordt gezien. Even ter herinnering: niemand weet hoe laat die inbraak heeft plaatsgevonden en dit blijkt ook nergens uit het dossier. Het moet ‘ergens’ tussen 17:00 en 23:00 uur zijn geweest - een tijdsbestek van 6 uur - en in dat licht zouden dan een aangestraalde zendmast in de buurt vanuit de auto van cliënt en een op zijn auto lijkende auto qua vorm en kleur in de straat bewijzen dat hij in een woning heeft ingebroken?! De verdediging meent dat geen van deze zaken überhaupt kan dienen als bewijsmiddel dat kan bijdrage aan enige bewezenverklaring.
Het is immers niet ondenkbaar dat het ontbreken van de paspoorten in de woning van aangever pas werd opgemerkt op het moment dat na de geconstateerde inbraak een inventarisatie werd opgemaakt van verdwenen spullen.Op basis van het voorliggende dossier kan dan ook geenszins worden geconcludeerd dat de aangetroffen paspoorten juist die bewuste avond uit de woning zijn weggenomen en derhalve nadien in de auto van cliënt terecht moeten zijn gekomen. Het is niet onmogelijk dat zij daar al eerder lagen, zonder dat cliënt het wist. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen hierover uitsluitsel te verkrijgen bij aangever, temeer nu zij de verdediging het dossier pas 3 maanden na de aanhouding (en slechts enkele dagen voor de zitting in eerste aanleg) toezond.