In de ontnemingszaak behorend tot het ‘IJsberg’-onderzoek heeft de Hoge Raad de cassatieberoepen van het Openbaar Ministerie en de betrokkene verworpen. Het geschil betrof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in bitcoins en de vraag of de ontnemingsvordering moest worden afgewezen wegens het ontbreken van een veroordeling in de strafzaak.
De verdediging stelde primair dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen vanwege het pleiten van integrale vrijspraak in de strafzaak, en subsidiair dat de berekening van het voordeel ontoereikend was gemotiveerd. Het hof had het voordeel vastgesteld op €43.228,81, rekening houdend met een winstmarge van 6% en gemaakte reiskosten.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel van de betrokkene faalt, mede omdat het arrest in de strafzaak geen vrijspraak bevatte en de schatting van het voordeel voldoende was gemotiveerd. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat dit reeds in de strafzaak was gecompenseerd door strafvermindering. De conclusie strekt tot verwerping van de beroepen.