AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor openlijk in vereniging gepleegd geweld ondanks beroep op noodweer
Verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 70 dagen, waarvan 46 voorwaardelijk, wegens openlijk in vereniging gepleegd geweld tegen meerdere personen op 3 september 2016 op de Oudezijds Achterburgwal te Amsterdam.
De zaak draait om een vechtpartij tussen een groep Roemeense mannen, waaronder verdachte en medeverdachte, en een groep mannen uit Voorthuizen. Diverse getuigenverklaringen en camerabeelden tonen dat verdachte meerdere vuistslagen heeft uitgedeeld aan personen uit de andere groep. De aanleiding van de vechtpartij blijft onduidelijk, maar het hof acht bewezen dat verdachte niet alleen verdedigend, maar ook aanvallend heeft gehandeld.
Verdachte voerde in cassatie aan dat het hof zijn verklaring had gedenatureerd en dat hij handelde uit noodweer ter bescherming van zijn vrienden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de verklaring niet onjuist heeft geïnterpreteerd en dat het beroep op noodweer terecht is verworpen omdat het geweld van verdachte aanvallend van aard was.
De Hoge Raad constateert tevens dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, maar ziet geen reden om ambtshalve te vernietigen. Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor openlijk in vereniging gepleegd geweld blijft in stand.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00536
Zitting19 maart 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 3 februari 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/00521. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
II. Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsmotivering
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“2. hij op 3 september 2016 te Amsterdam, met anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Molensteeg en/of de Oudezijds Achterburgwal, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [aangever] , welk geweld bestond uit: - het met kracht en met gebalde vuisten slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [aangever] .”
5. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen: [1]
“ 1. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2016191166-5 van 3 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 september 2016 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 1]:
Ik was op 3 september 2016 voor een vrijgezellenfeest op de wallen. Wij waren met een groep van 10 man. Wij liepen de Oudezijds Achterburgwal op. Ik zag een ruzie tussen een groep jongens, 3 mannen die waarschijnlijk Oost-Europees waren. Ik kon dat horen aan hun manier van spreken.
Ik kan de 3 mannen omschrijven als:
NN1: Oost-Europees, waarschijnlijk Pools ( het hof begrijpt: Roemeens), klein van stuk, ongeveer 165 cm lang, hanenkam op zijn hoofd ( het hof begrijpt: [medeverdachte] ).
NN2: Oost-Europees, waarschijnlijk Pools ( het hof begrijpt: Roemeens), stevig gespierd, ongeveer 170 cm lang. Gemillimeterd, donkerblond haar ( het hof begrijpt: [verdachte]).
NN3: Oost-Europees, waarschijnlijk Pools ( het hof begrijpt: Roemeens), normaal postuur, ongeveer 180 cm lang. Kort, donker haar ( het hof begrijpt: [betrokkene 5]).
Ik zag dat NN1 en NN2 erg agressief deden en begonnen te vechten. Ik kreeg een klap op mijn neus van 1 van de 2.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 6 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 september 2016 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 1]:
Op 3 september 2016 zijn we naar de Wallen gegaan. We liepen richting een bruggetje ( het hof begrijpt: de Molensteeg). We staken het bruggetje over. Ik was met [aangever] ( het hof begrijpt: [aangever]) en we stonden aan de overkant van het bruggetje. We moesten daar even wachten op de rest van de jongens. Op het bruggetje begon een opstootje tussen twee groepen. De rest van onze groep kwam tussen die twee groepen in, in ieder geval een groep met Polen, Oost-Europees ( het hof begrijpt: de groep Roemenen). Ik ben naar het bruggetje toegegaan en kreeg plotseling een klap op mijn neus waardoor ik een bloedneus opliep. Zoals u ziet heb ik daardoor nog een wond op mijn neus.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2016191166 met documentcode 7272716 van 26 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 oktober 2016 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 2]:
Op 3 september 2016 zag ik dat er twee groepen tegenover elkaar liepen. Het ontstond net aan de andere kant van de brug van de Bananenbar ( het hof begrijpt: de Molensteeg). Eén groep was drie Roemenen. Ik zag dat mijn broer ( het hof begrijpt: [betrokkene 3]) op de grond viel. Ik ging meteen naar mijn broer en hij stond op en ik zag dat hij zijn hand voor zijn mond hield. Ik hoorde hem zeggen: “mijn tand, mijn tand”. Ik kan me herinneren dat het een drukke zaterdagavond op de wallen was en het was druk op de brug.
Ik kreeg een tik in mijn gezicht.
4. De verklaring van [betrokkene 2] , afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof van 15 oktober 2021, voor zover hier van belang luidende:
Aan [betrokkene 3] is een klap uitgedeeld door een Roemeense man. Ik was een van de eerste personen die reageerde op de klap die aan [betrokkene 3] werd uitgedeeld. Ik ben ertussen gesprongen.
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2016191166-2 van 4 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 september 2016 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 3]:
Op 3 september 2016 was ik met vrienden in het Wallengebied. We liepen in de richting van de brug, vlakbij café "Old Sailor’ ( het hof begrijpt: de Molensteeg). Ik zag een drietal Oostblokkers. Onmiddellijk explodeerde de situatie. Ik zag dat de drie vermoedelijk Poolse mannen er op los sloegen. (...) Ik weet wel dat de drie Poolse mannen helemaal los gingen. Ik zag dat het drie blanke mannen waren. Ik zag dat een van de drie mannen niet langer dan 165 cm lang was. En de langste niet langer dan 180 cm. De derde man zat er tussenin qua lengte. De kleinste van de drie mannen was het agressiefst. Ik ben door een van de drie Poolse mannen ( het hof begrijpt hier en hiervoor steeds: Roemeense mannen) in mijn gezicht geslagen. Ik heb nu diverse pijnlijke plekken in mijn gezicht en een dikke opgezette lip en ik mis een voortand.
Ik was gekleed in een overall.
6. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2016191166 en documentcode 7285736 van 27 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 oktober 2016 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 4]:
Op 3 september 2016 werd ik geraakt op mijn hoofd. Dat was op of naast het bruggetje, aan de kant van de Oudekennissteeg ( het hof begrijpt: de Molensteeg).
Uiteindelijk liep ik het bruggetje op en kwam ik aanraking met de Roemenen. Op enig moment sloeg iemand me tegen mijn hoofd. De Roemeen is een iets kleinere jongen met een soort van hanenkam ( het hof begrijpt: [medeverdachte]).
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige met proces-verbaalnummer 2016191 166 en document code 7092596 van 6 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 7](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 september 2016 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 4](waarbij ‘V’: staat voor een vraag van de verbalisant, en ‘A’ voor een antwoord van de getuige):
We zijn die avond aan het lopen gegaan door Amsterdam. Ik ben de jongens nog één keer kwijt geweest. Ik zag ze staan op het bruggetje. Daar heb ik me weer bij ze gevoegd. Dat was ook zo het moment dat alles begon.
V: Wat kan je vertellen over “die andere groep”?
A: Er waren twee wat kleinere jongens en een grotere.
V: Hoeveel personen waren het?
A: Sowieso heb ik er drie gezien die bij elkaar hoorden.
V: Hoe weet je dat?
A: Ze hielpen elkaar, ze namen het voor elkaar op.
V: Hoe kan je de grote omschrijven?
A: De grote was aardig breed. Ik denk dat hij zo 1 m80 was.
V: Heb je hem horen praten?
A: Een vreemde taal. Het was echt geschreeuw. Ik kon er niks uit opmaken. Het was geen Engels ofzo.
V: Wat was je eerste gedachte, afgaande op uiterlijk en spraak?
A: Ik denk zelf Roemenen.
V: Wat kan je vertellen over de kleinere persoon waar jij mee in gevecht was?
A: Die was wild om zich heen aan het zwaaien, mijn kant op. Die heeft me wel op een paar plekken geraakt. Toen kwam die grote hem helpen en was het twee tegen één.
8. Een proces-verbaal van verhoor aangever van 6 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3](…).
Dit proces-verbaal houdt in; voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 oktober 2016 afgelegde verklaring van aangever [aangever]:
Op 3 september 2016 was ik voor een vrijgezellenfeest op de Wallen. Ter hoogte van 'Old Sailor’ op de brug ( het hof begrijpt: de Molensteeg) ben ik mishandeld. Ik draaide me even om. Het volgende moment zag ik [betrokkene 3] op de grond liggen. Ik ben er naar toe gelopen. Op een meter of 3 van [betrokkene 3] vandaan kwam er toen iemand uit de menigte naar mij toe gestormd/gevlogen. Ik zag dat hij sprong. Zijn onderarm of vuist belandde op mijn schouder. Ik kon zien dat hij zijn arm sterk gespannen had, door zijn T-shirt met korte mouwen kon ik zien dat zijn armspieren gebald waren. Ik voelde vervolgens dat iets hard en met kracht op mijn schouder terecht kwam.
9. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 6 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 10](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 september 2016 afgelegde verklaring van getuige [aangever]:
We staken bij Old Sailor de brug over. We bleven echter wachten op de hoek van de Oudezijds Achterburgwal/Oudekennissteeg. Ineens zag ik 3 man op de grond liggen. Ik zag [betrokkene 3] op de grond rollen en nog twee. Ik liep naar [betrokkene 3] en wilde hem overeind helpen. In mijn ooghoek zag ik rechts van mij iemand op mij afvliegen. Ik stond bijna naast [betrokkene 3] . (Noot verbalisant: Deze man noemen we verder NN1). NN1 kwam op mij af sprinten en sprong een meter van de grond. Hij hield een vuist naar achteren en één naar voren en sloeg vol in mijn nek met zijn rechtervuist. NN1 had opgeschoren haar, donkerblond. Hij was gespierd en droeg een grijs T-shirt ( het hof begrijpt: [verdachte]).
10. Een-proces-verbaal van bevindingen toestemming aanhouding met nummer 2016191166 met documentcode 7142078 van 20 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisant:
Op 3 september 2016 heeft er een vechtpartij plaatsgevonden op de Oudezijds Achterburgwal te Amsterdam. Naar aanleiding van hetgeen hierboven omschreven is een grote hoeveelheid beeldmateriaal gevorderd.
Op de beelden is de groep uit Voorthuizen te zien in gevecht met drie personen die zijn aangemerkt als NN-verdachten. Eén van deze NN-verdachten betreft een kleine man met een opvallend shirt en een opvallend kapsel. Verder is het vest van [aangever] , die deel uitmaakte van de groep uit Voorthuizen, bemonsterd door Forensische Opsporing voor eventuele DNA-sporen. Het bemonsterde vest leverde een bruikbaar DNA-profiel op. Uit onderzoek is gebleken dat dit DNA-profiel afkomstig kan zijn van een persoon genaamd [medeverdachte] , geboren [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] . Het betreft een DNA-match met een matchkans van < 1 op 1 miljard. [medeverdachte] komt voor in de politiesystemen. Op basis van zijn DNA, zijn uiterlijke kenmerken en zijn kleding zoals te zien op de gevorderde beelden en naar aanleiding van verklaringen, is hij herkend als de hierboven omschreven kleine NN verdachte met opvallend shirt en kapsel.
Verder is te zien dat [betrokkene 5] grote gelijkenissen toont met één van de twee personen die, in het bijzijn van [medeverdachte] , te zien is op de gevorderde beelden. De derde NN-verdachte die tevens deelnam aan de vechtpartij vertoont grote gelijkenissen met [verdachte] van [geboortedatum] 1994.
11. Een proces-verbaal van camera-onderzoek compleet met nummer 2016191166 met documentcode 7237814 van 19 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisant:
Op de camerabeelden is de vechtpartij die plaatsvond op 3 september 2016 op de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam te zien. Alle camerabeelden zijn veelvuldig bekeken.
De vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen twee groepen personen. De ene groep bestond uit 10 mannen uit Voorthuizen. De andere groep bestond uit 3 mannen uit Roemenië.
Op cameramoment 01 lopen [medeverdachte] ( het hof begrijpt: [medeverdachte]), [betrokkene 5] en [verdachte] ( het hof begrijpt: [verdachte]) richting de Oudezijds Achterburgwal.
Op cameramoment 14 lopen de drie Roemenen over de Oudezijds-Achterburgwal richting de Molenbrug. Op cameramoment 15 loopt de groep Voorthuizenaren de Molenbrug op.
Op Cameramomenten 16 en 17 is een groep mannen met elkaar in gevecht op de hoek Molenbrug/Oudezijds Achterburgwal. Ik zie voornamelijk gestrekte armen met gebalde vuisten richting gezichten tussen de verschillende betrokkenen over en weer gaan. Ik zie dat:
- [medeverdachte] zich verdedigt met vuistslagen tegen meerdere vuistslagen van [betrokkene 1] ;
- [verdachte] een Voorthuizenaar een vuistslag tegen het gezicht geeft;
- [verdachte] een Voorthuizenaar een vuistslag tegen het achterhoofd geeft.
12. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met documentcode 7252898 van 19 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 13] en [verbalisant 14](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 oktober 2016 afgelegde verklaring van verdachte [verdachte]:
Op 3 september 2016 liepen [medeverdachte] en [betrokkene 5] ( het hof begrijpt: [medeverdachte] en [betrokkene 5]) voor mij. De groep jongens was op een brug. Wij liepen ook op de brug. Ik heb twee mensen met de vuist geslagen. Toen is de vechtpartij doorgegaan tot de voorkant van de seksclub met het grote rode teken ( het hof begrijpt: [A]). Dat hele stuk heb ik gevochten. Er werd gevochten met de vuisten. Ik heb met dezelfde groep personen gevochten."
13. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2016191166 van 14 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 15] en [verbalisant 9](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 september 2022 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 9]:
Ik ben werkzaam bij [A] , aan de Oudezijds Achterburgwal. Er kwamen Polen aanlopen. Vooral die kleine van de Polen ( het hof begrijpt: [medeverdachte]) gedroeg zich agressief. Die kleine Pool nam een agressieve houding aan. Hij nam een bokshouding aan. Ik heb toen het horecateam gebeld. Ik heb gezegd dat het een groep was en dat ik dacht dat het Polen waren.
14. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2016191166 en documentcode 7090179 van 5 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 10](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 september 2016 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 6]:
Ik was op 3 september aan het werk op de Oudezijds Achterburgwal. Ik zag een kleine man die uit zijn dak ging. Ik had het idee dat hij Oost-Europees was. Zijn haardracht was kort en naar voren gekamd ( het hof begrijpt: [medeverdachte]). Ze kwamen uit de richting van het bruggetje bij de Molensteeg. Hij stond uitdagend met zijn handen te zwaaien in de richting van de brug Molensteeg.
15. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2016191166-7 van 4 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [betrokkene 7](…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 september 2016 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 8]:
Vanavond ( het hof begrijpt: 3 september 2016) heb ik een vechtpartij gezien. Ik zag twee groepjes vechten. Ik zag dat erover en weer geslagen werd. Het was op dat moment heel druk op straat.”
6. Voorts heeft het hof, voor zover hier van belang, in het bestreden arrest overwogen:
“ Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, maar gevorderd dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op noodweer toekomt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat het toegepaste geweld door de verdachte zozeer is geïnstigeerd door het geweld van de groep Voorthuizenaren, namelijk als onmiddellijke reactie en vanuit instinct tot zelfverdediging en verdediging van de ander, dat geen sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. De verdachte had enkel één doel voor ogen: het ontzetten en beschermen van met name [medeverdachte] . De geweldshandelingen van de verdachte waren naar hun aard en in de gegeven omstandigheden geen uiting van een samenwerking en daarmee niet van medeplegen. Daarnaast kan niet worden bewezen dat de verdachte openlijkgeweld heeft gepleegd, nu daarvoor is vereist dat de verdachte en zijn vrienden geschikt moeten worden geacht om de openbare orde te verstoren. De handelingen van de verdachte zagen er juist op om een einde te maken aan de openbare ordeverstoring door de groep Voorthuizenaren. Deze wijze van (gezamenlijke) geweldpleging in de openbare ruimte, te weten het proberen te redden van het lijf, levert geen openlijk geweld in de zin van artikel 141 vanPro het Wetboek van Strafrecht op.
Het voorgaande maakt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.
Het oordeel van het hof
Aanleiding van de vechtpartij
Uit de verklaringen van de betrokkenen en getuigen kan de aanleiding van de vechtpartij niet worden achterhaald en evenmin kan op grond van (objectieve) feiten en/of omstandigheden, zoals bijvoorbeeld camerabeelden, die aanleiding worden vastgesteld. Evenmin kan aan de hand van objectieve gegevens worden vastgesteld wie de eerste geweldshandeling heeft verricht.
Situatie op de brug (Molensteeg)
Op grond van het dossier stelt het hof vast dat zowel door de groep Roemenen als door de groep Voorhuizenaren geweldshandelingen op en nabij de brug Molensteeg met de kruising Oudezijds Achterburgwal zijn gepleegd. Verschillende personen binnen de groep Voorthuizenaren hebben verklaard dat de groep Roemenen klappen hebben uitgedeeld. [betrokkene 1] is blijkens zijn verklaring ten overstaan van de politie tegen zijn neus geslagen door ‘NN1 ’ of ‘NN2’ die deel uitmaakte van de groep Roemenen. Ook [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [aangever] hebben verklaard dat zij zijn geslagen door iemand uit de groep Roemenen. Door een van die klappen is de tand van [betrokkene 3] uit zijn mond geslagen.
Bovengenoemde verklaringen worden ondersteund door camerabeelden, verklaringen van de verdachte en verklaringen van getuigen die niet bij de vechtpartij betrokken waren. Zo is op de beelden te zien dat [medeverdachte] en de verdachte vuistslagen geven aan verschillende personen binnen de groep Voorthuizenaren en op die wijze deelnemers zijn aan de vechtpartij. De verdachte heeft in het politieverhoor van 19 oktober 2016 verklaard dat hij twee vuistslagen heeft uitgedeeld aan de groep Voorthuizenaren. Volgens getuigenverklaringen sloeg [medeverdachte] een man met een overall ( het hof begrijpt: [betrokkene 3]), gedroeg (‘vooral’) hij zich agressief, ging hij ‘uit zijn dak’ en zwaaide hij uitdagend met zijn handen. De getuige [betrokkene 8] heeft verklaard dat over en weer werd geslagen.
Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en acht het geweld door de verdachte zowel in vereniging als openlijk gepleegd.
In vereniging gepleegd
In het hiervoor overwogene ligt reeds besloten dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld jegens de groep Voorthuizenaren, nu hij niet enkel verdedigend, maar juist ook aanvallend heeft gehandeld. Uit verschillende bewijsmiddelen komt daarenboven naar voren dat [medeverdachte] en de verdachte samen tegen de groep Voorthuizenaren optraden. De verdachte heeft aldus nauw en bewust met [medeverdachte] sarnengewerkt.
Openlijk geweld
De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest (ECLI:NL:HR:2018:1008) het bestanddeel ‘openlijk’ als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr uitgelegd. Daaruit volgt dat - in de kern - onder ‘openlijk’ dient te worden verstaan dat " de geweldpleging zich op zodanige wijze en op een zodanige plaats moet hebben voltrokken dat de openbare orde is verstoord”. Het moet gaan om geweld dat zich door onverholen, niet heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard. De vechtpartij vond plaats in het Amsterdamse Wallengebied, dat voor eenieder toegankelijk is en waar het op dat moment zeer druk was. Het geweld waaraan de verdachte heeft bijgedragen vond aldus plaats aan de openbare weg. Willekeurige omstanders hebben de geweldpleging kunnen waarnemen en blijkens het dossier hebben diverse mensen het geweld ook daadwerkelijk waargenomen. Nu de verdachte een bijdrage aan het geweld heeft geleverd op deze openbare, voor iedereen vrij toegankelijke plaats, heeft hij het achterliggende rechtsgoed van artikel 141 vanPro het Wetboek van Strafrecht, te weten de verstoring van de openbare orde, geschonden. Daarbij heeft, hij niet alleen getracht het door anderen gepleegde geweld te doen stoppen, maar ook zelf geweldshandelingen gepleegd. Daarom is sprake van openlijk in vereniging gepleegd geweld. Voor zover het verweer van de raadsman een beroep op noodweer inhoudt, vindt de beoordeling daarvan plaats onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde’.
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens personen door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] . [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [aangever] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan. Het hof spreekt de verdachte vrij voor zover de tenlastelegging zich richt op het schoppen van voornoemde en andere personen, nu niet is komen vast te staan door wie en tegen wie zou zijn geschopt.”
[…]
Strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet strafbaar is omdat hij heeft gehandeld vanuit een noodweersituatie.
Hij heeft daartoe, kort gezegd en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
Er is geen sprake van één doorlopend feitencomplex waarbij de groep Roemenen (voortdurend) als agressor hebben opgetreden. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden steun aan het scenario dat de groep Roemenen schetst: dat het geweld is gestart door de Voorthuizenaren. De advocaat-generaal acht minst genomen aannemelijk dat niet de groep Roemenen maar juist de groep Voorthuizenaren de geweldspleging is begonnen en dat zij een gewelddadige confrontatie zijn blijven zoeken.
Nadat de Roemenen zich vervolgens aan verdere geweldpleging trachtten te onttrekken zijn zij achtervolgd door de groep Voorthuizenaren, waardoor en waarna opnieuw over en weer geweld is gepleegd. Door de groep Voorthuizenaren is daarbij grof geweld gebruikt, waartegen de groep Roemenen zich hebben verdedigd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat uit de camerabeelden volgt dat de verdachte tweemaal een persoon uit de groep Voorthuizenaren heeft geslagen, nadat hij zag dat. [medeverdachte] en [betrokkene 5] door meerdere personen uit die groep werden belaagd. De verdachte heeft nog een derde keer geweld toegepast, nadat [medeverdachte] vijf à zes harde klappen kreeg. Zodra de gelegenheid bestond zich te onttrekken aan de vechtpartij, lijkt de verdachte zich uit de voeten te willen maken. De verdachte loopt zijdelings met [medeverdachte] mee, probeert de groep Voorthuizenaren tot bedaren te brengen en tegelijkertijd [medeverdachte] te beschermen, door de groep op afstand te houden met zijn rechterarm.
Uit de getuigenverklaringen en de consistente en nauwkeurige verklaringen van de groep Roemenen ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris volgt dat [betrokkene 5] door [betrokkene 3] is aangestoten op de brug, waarna hij op een agressieve manier wordt bejegend door de groep Voorthuizenaren. De verdachte heeft [medeverdachte] , [betrokkene 5] en zichzelf verdedigd, geprobeerd zijn vrienden tot bedaren te brengen en keer op keer getracht een einde te maken aan de vechtpartij. Dat maakt dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij handelde uit noodweer.
Overwegingen van het hof
Zoals hiervoor al is overwogen moet voor een geslaagd beroep op noodweer sprake zijn van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Dat betekent dat gedragingen die als aanvallend moeten worden beschouwd, geen grondslag kunnen vormen voor een geslaagd beroep op noodweer.
Anders dan de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat aan de verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging op de brug geen beroep op noodweer toekomt. De gedragingen van de verdachte kunnen immers noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als verdedigend, maar moeten - naar de kern bezien - veeleer als aanvallend worden beschouwd, te weten als te zijn gericht op de confrontatie en deelneming aan het gevecht. Het hof baseert dat op het navolgende. De verdachte heeft deelgenomen aan een vechtpartij op de Molensteeg(brug) / Oudezijds Achterburgwal, waarbij hij en zijn groepsgenoten meerdere geweldshandelingen jegens de groep Voorthuizenaren hebben verricht. De aanleiding van de vechtpartij blijft onduidelijk, maar uit de camerabeelden volgt dat op/bij de brug van de Molensteeg/ Oudezijds Achterburgwal door beide groepen over en weer is gevochten. Uit verklaringen van getuigen volgt dat met name de kleine man uit de groep Roemenen - het hof begrijpt: [medeverdachte]- zich agressief gedroeg, uit zijn dak ging en op de brug bij de Molensteeg één van de Voorthuizenaren heeft neergeslagen.
Indien en voor zover de agressie door de groep Voorthuizenaren zou zijn gestart, is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat daardoor sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie waarbinnen de verdachte zich op passende wijze heeft verweerd. De gedragingen van de groep Voorthuizenaren zouden alsdan worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen en/of eens anders lijf, maar de daarop volgende handelingen van de verdachte kunnen gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. De verdachte heeft verschillende personen van de groep Voorthuizenaren geslagen en was daarmee een deelnemer aan de vechtpartij. Gelet op het aanvallende karakter van de geweldshandelingen gepleegd door de verdachte, kan niet worden aangenomen dat de verdachte op dat moment uit noodweer heeft gehandeld.
Voor zover ook voor dit ten laste gelegde feit een beroep op noodweerexces is gedaan wordt ook dat beroep verworpen, nu een beroep op noodweerexces enkel kan worden gehonoreerd indien aan alle eisen die aan een beroep op noodweer worden gesteld, met uitzondering van de proportionaliteitseis, is voldaan en dit niet het geval is.
De verdachte is aldus strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.”
III. Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
7. De klacht luidt dat het hof het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, omdat het hof daarbij de verklaring van de verdachte – waarop de verwerping van het verweer onder meer is gestoeld – een wezenlijke andere betekenis heeft toegekend dan hij daaraan kennelijk heeft bedoeld te geven, zodat het hof deze verklaring heeft gedenatureerd. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat uit de bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte naar voren komt dat de verdachte eerst zag dat zijn vriend [betrokkene 5] werd geschopt en geslagen en daarop heeft gereageerd met de bedoelingom die vriend te beschermen en ontzetten, terwijl de verklaring zoals door het hof weergegeven de indruk wekt dat de verdachte ‘ins Blaue hinein’ twee personen met de vuist heeft geslagen.
Bespreking van het middel
8. Bij de bespreking van het middel dient te worden vooropgesteld dat de feitenrechter vrij is in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal en dat hij over de keuzes die hij daarin maakt geen verantwoording hoeft af te leggen. [2] Dit uitgangspunt omvat tevens verklaringen van de verdachte. De rechter mag deze verklaring in het verband van het bewijs ‘splitsen’. Dit houdt in dat hij een deel van de verklaring tot het bewijs bezigt en een ander deel – dat hij voor het bewijs niet van waarde acht – terzijde stelt. [3] Daarbij geldt uiteraard wel het verbod van denaturering; er mag door de rechter aan de verklaring geen wezenlijk andere betekenis worden gegeven dan de verdachte daaraan kennelijk heeft bedoeld te geven. [4]
9. In de toelichting op het middel wordt gewezen op de bijlage die aan de schriftuur is gehecht en volgens de steller van het middel “de werkelijke verklaring” van de verdachte bevat. Mij is gebleken dat deze bijlage overeenstemt met het “Proces-verbaal van verhoor verdachte” van de verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] d.d. 19 oktober 2016. In de toelichting op het middel wordt daaruit het volgende deel ter onderbouwing van de klacht aangehaald:
“V: Wat kun jij vertellen over wat er op zaterdag 3 september 2016 is gebeurd?
A: Op die dag heb ik samen met mijn vrienden een paar biertjes in de kroeg gedronken. Omdat het zaterdag was. Wij zijn weggegaan en wij hadden een luidspeaker. Daarna heb ik gezien dat [betrokkene 5] klappen kreeg. Daarna begon een gevecht. Het ging door. Wij waren steeds aan het terugtrekken. Zij kwamen over ons heen. Het waren veel mensen. Wij probeerden ons alleen te verdedigen om van het incident af te komen. Ik heb geprobeerd om mijn vrienden te beschermen. Toen was het incident voorbij.
[...]
‘V: Hoe is de vechtpartij begonnen?
A: Naar mijn mening waarschijnlijk vanwege de muziek. Misschien waren ze onder invloed van drank en drugs. Ze waren met een grote groep. 7 a 8 mensen. Jonge mensen, een jaar of 25. Ik weet niet wat voor huidskleur. Het was donker. [medeverdachte] had de muziek in handen. [medeverdachte] en [betrokkene 5] liepen voor mij.
Ik liep er iets achter. Opeens hoorde ik de muziek niet meer. Ik zie dat [betrokkene 5] klappen kreeg. Meerdere personen, 2 a 3 personen, gaven hem klappen met vuisten. Hij werd ook geschopt door meerdere personen. Ik heb niet gezien waartegen hij geschopt werd. Ik heb gezien dat hij zijn hoofd beschermde. Die groep jongens waren op een brug. Wij liepen ook op de brug. Daar viel de eerste klap. Het totale gevecht heeft ongeveer 20 minuten geduurd.
[...]
Andere groep kwam vanuit de andere kant de brug op. Het was een groep jongens die lawaai maakten. Toen heb ik gereageerd en heb ik 2 mensen met de vuist geslagen. Daarna hebben we gevochten. Ik zag dat ze vastberaden waren omdat ze met z’n 2 a 3-en tegen ons kwamen. Niet 1 tegen 1. Er waren altijd 2 a 3 man die mij klappen gaven. Het waren telkens andere personen. Maar hoorde wel bij dezelfde groep. Het moment waarop ik klappen kreeg was ook op de brug. Ik heb 1 klap gekregen tegen mijn kaak. Dat was direct nadat [betrokkene 5] geslagen werd. Ik werd geslagen met de vuist. Het heeft mij uit balans gebracht. Gelijk daarna ben ik [betrokkene 5] gaan helpen, omdat hij door meerdere mensen werd geslagen. Dat heb ik gedaan door die 2 personen te slaan. Met de vuist tegen het gezicht. Die jongens hebben hun evenwicht verloren. Zij vielen beide op de grond. Toen heb ik [betrokkene 5] weggetrokken.”
10. Anders dan de steller van het middel meen ik dat dit proces-verbaal waarin de verklaring van de verdachte is gerelateerd, niet tot de gevolgtrekking kan leiden dat het hof die verklaring in bewijsmiddel 12 en in zijn beoordeling van het beroep op noodweer heeft gedenatureerd. Het stond het hof vrij om in het verband van het bewijs daaruit de passage op te nemen waarin de verdachte erkent klappen te hebben uitgedeeld. De stelling in de toelichting op het middel dat daarmee de indruk wordt gegeven dat de verdachte vanuit het niets twee personen heeft geslagen, deel ik, zeker ook in het licht van de overige bewijsmiddelen en de overwegingen van het hof, niet.
11. Evenmin onderschrijf ik de opvatting van de steller van het middel dat voormelde verklaring van de verdachte cruciaal is geweest voor ’s hofs beoordeling van het beroep op noodweer en de enige bron is waaruit het hof de (aanvallende) bedoeling van de verdachte heeft kunnen afleiden. In zijn beoordeling van het beroep op noodweer heeft het hof vooral de camerabeelden en de verklaringen van getuigen betrokken. De verklaring van de verdachte wordt in dat kader niet (specifiek) genoemd door het hof.
IV. Slotsom
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
13. Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep tot aan de datum van deze conclusie reeds twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. [5] Nu het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf minder dan een maand bedraagt, kan de Hoge Raad volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. [6]
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.De verwijzingen naar de dossierpagina’s heb ik telkens gecursiveerd vervangen door een beletselteken tussen ronde haakjes.