2.4Het hof heeft in de strafmotivering overwogen dat de verdachte “bijna drie jaar” onderdeel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie en dat sprake is geweest van een “langdurig”, grootschalig, georganiseerde en beroepsmatige wijze van hennepteelt, waarmee het hof tot uitdrukking heeft gebracht de duur van de periode waarin het bewezenverklaarde is begaan, van belang te achten voor de strafoplegging. Uit het verhandelde ter terechtzitting kan niet zonder meer blijken waaraan het hof de vaststelling heeft ontleend dat de verdachte gedurende een periode van “bijna drie jaar” bij de criminele organisatie en bij hennepteelt was betrokken. Mede gelet op wat namens de verdachte daarover is aangevoerd, had het hof de oplegging van de straf in dit opzicht nader moeten motiveren. Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld.”
c.
De bespreking van de deelklachten
27. De verklaringen die [slachtoffer] bij de politie heeft afgelegd, zijn evident belastend voor de verdachte en als zodanig ook door het hof voor het bewijs gebruikt. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk verzocht [slachtoffer] te horen over de pleegperiode. Dat verzoek is door het hof afgewezen. Dat brengt mee dat de verdediging het ondervragingsrecht ten aanzien van haar (nog) niet heeft kunnen uitoefenen.
28. Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [slachtoffer] als getuige over de pleegperiode, is een verzoek op de voet van de artikelen 328 Sv en 331 Sv in verbinding met de artikelen 315 Sv en 415 Sv. Nu dit verzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gedaan, diende het hof het verzoek vooreerst te toetsen aan het noodzakelijkheidscriterium.
29. In het onderhavige geval blijkt uit de overwegingen van het hof niet expliciet welke maatstaf het hof heeft aangelegd bij de beoordeling van het voorwaardelijk getuigenverzoek. Als ik het goed zie, wordt daarover niet geklaagd in de cassatieschriftuur. Ten overvloede dus zij hier opgemerkt dat het vermelden van de verkeerde maatstaf, dan wel het niet vermelden van de gehanteerde maatstaf niet zonder meer tot cassatie leidt.Doorslaggevend is of de beslissing van het hof begrijpelijk is. Daarbij geldt dat de beslissing en de motivering daarvan moeten worden bezien in de context van het verweer en hetgeen ten grondslag is gelegd aan het gedane verzoek tot het horen van de getuige. Overigens meen ik uit ’s hofs motivering van de afwijzing van het voorwaardelijk getuigenverzoek te kunnen opmaken dat het hof aan het noodzakelijkheidscriterium heeft getoetst.
30. In een geval als het onderhavige dient bij de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium óók acht te worden geslagen op de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin en op hetgeen de Hoge Raad naar aanleiding daarvan heeft overwogen in zijn post-Keskin-rechtspraak, een en ander zoals hierboven in de randnummers 17 tot en met 22 is uiteengezet.
31. Bedacht moet daarbij worden dat het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw om [slachtoffer] als getuige te horen, enkel te maken heeft met de duur van de pleegperiode zoals door het hof is bewezenverklaard. Daarop zal ik mij in mijn bespreking van de onderhavige deelklachten dan ook verder richten.
32. Het hof heeft in de bewezenverklaring het aanvangsmoment van de pleegperiode gelegd op [datum] 2018, dit is (zo blijkt uit de bewezenverklaringen) de dag waarop [slachtoffer] 13 jaar oud werd. Dat in de onderhavige zaak is bewezenverklaard “op meerdere tijdstippen in de periode van [datum] 2018 tot en met 16 december 2020” hoeft, zo blijkt uit het eerder geschetste juridisch kader, op zichzelf niet problematisch te zijn, omdat daaruit niet volgt dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht. Voorts meen ik dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat naar het oordeel van het hof de tenlastegelegde en bewezenverklaarde handelingen van de verdachte feitelijk in een korter tijdvak dan tenlastegelegd en bewezenverklaard hebben plaatsgevonden.
33. Door de verdachte en zijn raadsvrouw is een eerder moment dan januari 2020 telkens weersproken. Die stelling wordt echter door diverse, tot het bewijs van de tenlastegelegde feiten gebezigde, bewijsmiddelen weerlegd. De verdediging doet het voorkomen alsof alleen [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte eerder dan januari 2020 is begonnen met zijn seksuele handelingen jegens haar. Zo is het echter niet. Ook andere bewijsmiddelen duiden daarop. In de bijzondere bewijsoverwegingen van de rechtbank waarmee het hof zich heeft verenigd en de aanvullende bewijsoverweging van het hof wordt daarop nadrukkelijk gewezen. Ik noem bijvoorbeeld (i) de WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en zijn dochter [slachtoffer] van 3 september 2019, waarin [slachtoffer] aan haar vader schrijft dat zij geil is, van 19 november 2019, waarin [slachtoffer] schrijft ‘neukertje’ en de verdachte de bedoelde twee (door het hof in de bewijsvoering aangehaalde) emoticons aan haar stuurt, en van 3 december 2019, waarin de verdachte aan [slachtoffer] vraagt: “Jij wil lekker neuken?”, en (ii) het WhatsApp-gesprek tussen de verdachte en de moeder van [slachtoffer] op 27 december 2020, waarin de verdachte zegt: “je weet nog niet de helft van wat zich heeft afgespeeld de afgelopen
3 jaar(cursivering van mij, A-G) met [slachtoffer] op seks gebied”. Dat de verdachte daarbij het oog heeft op seks met hemzelf, laat zich afleiden uit de zin die direct daarop volgt: “ik praat het niet goed maar om mij meteen als crimineel neer te zetten is niet terecht”.
34. Naar het mij toeschijnt ligt in de motivering van het hof inderdaad besloten dat zich in de onderhavige zaak de situatie voordoet dat het (opnieuw) horen van [slachtoffer] , meer in het bijzonder over de pleegperiode, voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben en dat haar verklaringen ten aanzien van de tenlastegelegde feiten niet dienen te worden aangemerkt als ‘sole or decisive’. Dat oordeel acht ik niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen:
- de inhoud van de in de tenlastelegging onder 1 en 2 tot uitdrukking gebrachte beschuldigingen, te weten de aldaar genoemde ontuchtige handelingen (door mij hierboven samengevat in randnummer 2);
- de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte waarin hij toegeeft de hem verweten handelingen bij zijn dochter [slachtoffer] te hebben begaan en dat hij aldus het kernverwijt in beide tenlastegelegde feiten – het hof spreekt niet onbegrijpelijk van “de belangrijke onderdelen van de tenlastelegging” – niet heeft bestreden;
- zich ook andere resultaten die voor de verdachte belastend zijn in het procesdossier bevinden, zoals de zojuist door mij aangehaalde WhatsApp-gesprekken;
- het ter terechtzitting verhandelde, waaruit blijkt dat het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw om [slachtoffer] als getuige te horen enkel was ingegeven vanuit de wens haar vragen te stellen over het moment waarop volgens haar de tenlastegelegde ontuchtige handelingen een aanvang hebben genomen;
- de verklaringen van [slachtoffer] voor zover daaruit volgt dat de seksuele handelingen bij haar al eerder dan januari 2020 hebben plaatsgevonden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek (de WhatsApp-gesprekken) al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan;
- de tenlastelegging en bewezenverklaring niet impliceren dat die ontuchtige handelingen de gehele tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode bestrijken.
35. De derde deelklacht berust naar het mij toeschijnt op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft nadrukkelijk onder ogen gezien dat “uit de ‘post-Keskinrechtspraak’ van de Hoge Raad dat de omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken, of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om een verzoek te doen om een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, op zichzelf geen grond biedt voor de afwijzing van zo’n verzoek”. Het hof heeft dat (dan ook) niet als reden aan de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek ten grondslag gelegd, maar betrokken in zijn overwegingen aangaande de vraag of deze inactiviteit nog een rol speelt bij zijn beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Het is die context, waarbinnen de overweging van het hof over de verschillende mogelijkheden van de verdediging om [slachtoffer] als getuige te horen moet worden geplaatst.
36. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat geen van de drie deelklachten doel treft.