Conclusie
verzoekster tot cassatie,
hierna: de vrouw,
verweerder in cassatie,
hierna: de man,
1.Inleiding en samenvatting
In cassatie komt de vrouw (in de zaak 23/03203) met verschillende klachten op tegen het oordeel van het hof dat de vrouw aan de man € 1.3 miljoen moet betalen. Volgens de vrouw heeft het hof niet beslist op hetgeen de vrouw ten gronde heeft aangevoerd voor haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en haar beroep op het vervalbeding. Daarnaast komt de vrouw met verschillende klachten op tegen het oordeel dat de vrouw in staat is om € 1.3 miljoen aan de man te betalen zonder het bedrijf te moeten staken.
De man klaagt in cassatie (in de zaak 23/03219) over de uitleg van het hof ten aanzien van de ‘kosten van de huishouding’, het oordeel dat de aanvullingen c.q. wijzigingen van de verzoeken van de man in strijd zijn met de twee-conclusieregel, de wijze waarop het hof de aanspraak van de man heeft vastgesteld met aftrek van de AB-heffing en het oordeel dat de man na levering van de voormalige echtelijke woning niet langer behoeftig is.
2.Feiten en procesverloop
- bepaalt dat de vrouw ter zaken de verrekening een bedrag van € 4.500.000,- aan de man voldoet;
- bepaalt dat de vrouw ter zaken van de kosten van de gemeenschappelijke woning een bedrag van € 29.236,23 en ter zaken de kosten van de kinderen een bedrag van € 13.247,65 aan de man voldoet;
- bepaalt dat de vrouw de helft van de verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning in Marokko, zijnde een bedrag van € 50.000,- aan de man voldoet;
- bepaalt dat de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] aan de man wordt toegedeeld;
- bepaalt dat een gebruiksvergoeding geldt ter hoogte van de helft van de hypotheekrente en eigenaarslasten, zijnde een bedrag van € 341,32 voor de man voor de periode na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot 25 maart 2020 en voor de vrouw vanaf 25 maart 2020 tot aan de levering van de woning;
- een beslissing neemt over de proceskosten.
- met ingang van 14 september 2019 € 1.690,- bruto per maand;
- na indexering met ingang van 1 januari 2020 € 1.732,25 bruto per maand;
- na indexering met ingang van 1 januari 2021 € 1.784,22 bruto per maand.
Het hof heeft verder bepaald dat de door de vrouw aan de man verschuldigde partneralimentatie met ingang van 1 januari 2022 op nihil wordt gesteld. Het hof veroordeelt de man tot terugbetaling aan de vrouw van de vanaf 14 september 2019 te veel door de vrouw aan de man betaalde partneralimentatie.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in zaak 23/03203
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen, achttien jaar nadat zij zijn getrouwd, voor het eerst in 2014 met elkaar in overleg zijn getreden om tot uitvoering van het periodiek verrekenbeding over te gaan”,is dan ook onbegrijpelijk nu volgens de stelling van de vrouw sprake is geweest van een “
jaarlijkse discussie over de verrekening”die de directe aanleiding is geweest voor de scheiding.
-72.701
4.Bespreking van het cassatiemiddel in zaak 23/03219
- de vrouw te veroordelen om ter zake de verrekening een bedrag aan de man te voldoen dat volgt uit de in het geding gebrachte beschrijvingen ex artikel 1:143 BW Pro van de vrouw, dan wel te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag dient te voldoen van €4.500.000,00, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2018, althans op een zodanig bedrag als uw Gerechtshof juist acht;
- de vrouw te veroordelen om ter zake de kosten van de gemeenschappelijke woning en de kosten van de kinderen aan de man te voldoen een bedrag van €30.000,00 over de periode van 24 april 2018 tot aan de datum van echtscheiding, althans op een zodanig bedrag en over een zodanig periode als uw Gerechtshof juist acht;
- de vrouw te veroordelen om aan de man een bedrag van €50.000,00 te voldoen, zijnde de helft van de verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning te Marokko, althans op een zodanig bedrag als uw Gerechtshof juist acht;
- de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] toe te delen aan de man, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening, en met betaling aan de vrouw een bedrag gelijk aan de helft van de waarde die wordt gevormd door het verschil tussen de nog door de makelaar te bepalen waarde van de woning en de hoogte van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening en spaarpolis;
- te bepalen dat de man, na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, maandelijks aan de vrouw dient te voldoen een bedrag ter hoogte van de helft van de hypotheekrente en eigenaarslasten, zijnde een bedrag van €341,32 als vergoeding voor het gebruik van de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] , tot het moment waarop de man voornoemde woning verlaat, dan wel het moment waarop de andere helft van de woning aan hem wordt overgedragen, althans op een zodanig bedrag als uw Gerechtshof juist acht.
- de vrouw te veroordelen om aan de man binnen veertien dagen na afgifte van onderhavig vonnis een bedrag van € 920.523,00 dan wel een door u in goede justitie te bepalen bedrag te betalen als voorschot op hetgeen zij aan de man verschuldigd zal zijn uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en – voor het geval voldoening van het voorschot niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over het voorschot en betaling van de (na)kosten inclusief de door de man te maken deurwaarderskosten van 15% over de te betalen geldsom, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
- de vrouw te veroordelen om binnen 5 dagen na heden het door de man ontvangen dwangbevel van de gemeente Amersfoort ter zake de gemeentelijke belastingen inclusief alle kosten, dan wel een door u in goede justitie te bepalen bedrag aan de man te vergoeden te vermeerderen met de wettelijke rente over het voorschot en betaling van de (na)kosten inclusief de door de man te maken deurwaarderskosten van 15% over de te betalen geldsom, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
- de vrouw te veroordelen om de werkzaamheden aan de voormalige echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [plaats] te staken en gestaakt te houden tot het moment waarop de woning in eigendom aan één van de partijen is geleverd, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- (dan wel een door u in goede justitie te bepalen bedrag) voor elke dag dat de vrouw met de nakoming van dit beval in gebreke is en tot een maximum van € 50.000,-.