Conclusie
eiseres in het principaal cassatieberoep, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
mixing octreotide acetate in methanol with methylene chloride containing a dissolved linear poly (lactide-co-glycolide) to form a solution: and
emulsifying said solution with the extraction medium, wherein said extraction medium is water or an aqueous buffered solution with a stabiliser:
immediately after the formation of emulsion, adding all at once said emulsion to an effective amount of an extraction medium to extract methylene to form said microparticles, wherein said extraction medium is water or an aqueous phase: and
collecting and drying the microparticles, e.g. freeze-drying or drying under vacuum.
mixing octreotide acetate in methanol with methylene chloride containing a dissolved linear poly (lactide-co-glycolide) to form a solution; and
mixing said solution with high shear stress with a suitable quantity of process medium in the ratio of 1 volume of said solution of step a) with 10 to up to 50 volumes of process medium, wherein said process medium is an aqueous phase:
hardening the microparticles by solvent evaporation under stirring; and
washing, collecting and drying the microparticles.
mengen van octreotideacetaat in methanol met dichloormethaan dat een opgelost lineair poly(lactide-co-glycolide) bevat om een oplossing te vormen: en
emulgeren van de oplossing met het extractiemedium, waarbij het extractiemedium water of een waterige gebufferde oplossing met een stabilisator is;
direct na de vorming van de emulsie in één keer toevoegen van de emulsie aan een effectieve hoeveelheid van een extractiemedium om dichloormethaan te extraheren om de microdeeltjes te vormen, waarbij het extractiemedium water of een waterige fase is: en
verzamelen en drogen van de microdeeltjes. bijv. vriesdrogen of drogen onder vacuüm.
mengen van octreotideacetaat in methanol met dichloormethaan dat een opgelost lineair poly(lactide-co-glycolide) bevat om een oplossing te vormen; en
mengen van de oplossing met hoge afschuifspanning met een geschikte hoeveelheid procesmedium in de verhouding van 1 volume van de oplossing van stap a) tot 10 tot ten hoogste 50 volumes procesmedium, waarbij het procesmedium een waterige fase is;
harden van de microdeeltjes door oplosmiddelverdamping onder roeren; en
wassen, verzamelen en drogen van de microdeeltjes.
sc.Pharmathen Global, A-G) om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, in Nederland en de andere landen waar EP 519 van kracht is, direct of indirect inbreuk te maken op EP 519;”.
Grief 4: erkenning Grieks vonnis
As a result Pharmathen Global B.V. became the leading operating company of the Group, being responsible for setting the strategic targets, deciding on the allocation of R&D resources of the Group and its commercial policy. It also exploits commercially in the international markets the products developed by the Group by forming long lasting business relationships with leading marketing partners that distribute the products of the Group worldwide. The development of the international business is supported by experienced staff which is employed by Pharmathen Global B.V. and its subsidiary Pharmathen UK Ltd (based in Hertfordshire, UK).”
Grieven 6 tot en met 11: beschermingsomvang” art. 69 lid 1 EOV Pro en het daarbij behorende uitlegprotocol weergegeven, in rov. 5.24- 5.24.6 gevolgd door een uiteenzetting van de door het hof gevolgde twee-stappen benadering bij de toepassing van art. 69 EOV Pro ter beoordeling van inbreuk in het equivalentiebereik. Daarna vervolgt het bestreden arrest met:
Grief 6: geen letterlijke inbreuk 'een lineair PLG'
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
subonderdeel 1.I). Dit levert ook strijd op met art. 53 ROW Pro, met het
Roche/Primusarrest, waarin de zogenoemde ‘spider-in-the-web-doctrine’ in de ban is gedaan, omdat feitelijk leidinggeven aan gedragingen, die feitelijk door een ander worden verricht, geen inbreukmakende handeling oplevert en daarmee in ieder geval is miskend dat het vonnis geheel vernietigd had moeten worden in plaats van gedeeltelijk bekrachtigd, gelet op genoemde rechtsoverwegingen (
subonderdeel 1.II).
subonderdeel 2.I), verder is de maatstaf uit art. 69 EOV Pro en
Eli Lilly/Freseniusvoor de beoordeling van equivalentie geschonden, althans is dit ontoereikend gemotiveerd (
subonderdeel 2.II), ook is miskend dat de uitvindingsgedachte niet alleen kan volgen uit de verleningsgeschiedenis, althans is ook hier sprake van ontoereikende motivering (
subonderdeel 2.III), verder is miskend dat kennis van na de prioriteitsdatum in ieder geval niet selectief mag worden meegewogen bij het equivalentieoordeel (
subonderdeel 2.IV) en ten onrechte is bij de equivalentie-inbreukvraag niet meegewogen hetgeen is meegewogen bij de beoordeling van de letterlijke inbreukvraag, zodat het oordeel in strijd is met art. 69 EOV Pro en het Protocol, in het bijzonder met de redelijke rechtszekerheid voor derden (
subonderdeel 2.V).
subonderdeel 1.Iis dat het hof oordelend in rov. 5.17 en 5.18 dat Pharmathen Global vanwege haar leidinggevende rol zelf verantwoordelijk is voor het verrichten van de gestelde voorbehouden handelingen in de diverse lidstaten waar het octrooi van kracht is, ook als bepaalde handelingen feitelijk zijn verricht door Pharmathen Griekenland, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden en daarmee art. 24 Rv Pro heeft geschonden. Dat levert ook een verrassingsbeslissing op. Novartis heeft in deze procedure alleen gesteld dat Pharmathen Global onrechtmatig handelt door
inbreukmakende handelingen van Pharmathen Griekenland te faciliteren(vordering sub I) [3] . Daarnaast maakt Pharmathen Global
zelf inbreukvolgens Novartis
door het aanbiedenvan octreotide LAR-producten (vordering sub II) [4] . Maar Novartis heeft niet de stelling betrokken dat Pharmathen Global zelf inbreuk maakt op haar octrooirechten door “
feitelijk leiding te geven” aan gedragingen van een andere onderneming, te weten Pharmathen Griekenland. Het hof kon dus niet ambtshalve tot de vaststelling komen dat Pharmathen Global door het feitelijk leiding geven aan gedragingen van Pharmathen Griekenland zelf octrooi-inbreuk maakt. Daarbij is irrelevant of de aan het oordeel van het hof ten grondslag gelegde rechtsgrond wellicht zou kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, nu Pharmathen Global hiermee is tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te verweren (HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1357).
uitvoering geeftaan voorbehouden handelingen met betrekking tot de LAR-producten.’ Het verdient mogelijk geen schoonheidsprijs dat in rov. 5.17 en 5.18 ook wordt gesproken over leiding geven aan activiteiten van de Griekse dochter en dat Pharmathen Global verantwoordelijk wordt gehouden voor de voorbehouden handelingen ook als
bepaalde handelingen(wat dus wil zeggen in context bezien: niet
allehandelingen, zoals het uitvoering geven aan voorbehouden handelingen) feitelijk zijn verricht door Pharmathen Griekenland, maar de klachten beschouwen dit te geïsoleerd. Het hof oordeelt (hiermee onder andere) immers ook dat er zonder meer inbreukmakende handelingen door Pharmathen Global worden verricht, hetgeen het hof nog expliciteert in rov. 5.17, te weten door
uitvoering te geven aan voorbehouden handelingen, lees: ‘in het verkeer brengen’ en/of ‘aanbieden’. ‘Feitelijk leiding geven’ wordt immers gesteld naast ‘uitvoering geven’ in rov. 5.17, hetgeen nog een vervolg krijgt in rov. 5.68: eigen (dreigende) octrooi-inbreuk door Pharmathen Global middels de ‘Global Product Catalogue 2021’, waarover ook s.t. Novartis 2.2.2 sub c en 2.2.3. Het gewraakte ‘leiding geven’ behelst volgens mij hier dan ook
geen zelfstandig dragende extra legem uitbreiding van voorbehouden handelingen [7] , zodat die hele kwestie hier, in dit kort geding
,kan blijven rusten. Anders gezegd: wat er verder zij van dat leiding geven, het
in het verkeer brengenof
aanbiedenof dreigen daarmee door Pharmathen Global levert hier al voorbehouden handelingen op die een octrooi-inbreukverbod in kort geding rechtvaardigen. Dàt Pharmathen Global in het verkeer brengt of aanbiedt beschrijft zij zelf in haar jaarverslag:
commercially exploitingin de vorm van
business relationships with leading marketing partners that distribute the products of the Group worldwide.Bovendien heeft zij volgens het hof (onbestreden in cassatie) erkend ‘geleidelijk
de verkoop ter hand te hebben genomenvanaf haar oprichting in 2016’. Het hof ziet dat zodoende terecht en in cassatie onbestreden als ‘feitelijk (…) uitvoering geven aan voorbehouden handelingen met betrekking tot de LAR-producten.’ Er zit geen licht tussen feitelijk uitvoering geven aan een handeling en die handeling zelf verrichten.
uitvoeringis gegeven aan voorbehouden handelingen het opgelegde inbreukverbod zelfstandig draagt. Dat hiermee de in
Roche/Primusverboden ‘spider-in-the-web doctrine’ de facto zou worden gesauveerd (deelklacht uit PI 22), terwijl ‘leiding geven’ geen zelfstandige voorbehouden handeling oplevert, kan ook blijven rusten in dit kort geding. Ook dat raakt het besproken zelfstandig dragende octrooi-inbreukoordeel van het hof niet. Van miskenning dat het kortgedingvonnis helemaal vernietigd had moeten worden, met inbegrip van het octrooi-inbreukverbod (eerste deelklacht uit PI 23) is geen sprake, omdat het hof juist oordeelt dat Pharmathen Global feitelijk uitvoering geeft aan voorbehouden handelingen in de hiervoor besproken zin. De voorzieningenrechter baseerde zijn op te leggen octrooi-inbreukverbod in rov. 4.22 nog op zijn voorlopig oordeel dat ‘sprake is van (dreigende) directe inbreuk door Pharmathen (
sc.Global, A-G), nu zij in de Global Product Catalogue (…) als contact is opgenomen.’ Dat komt neer op (dreiging van) de voorbehouden handeling
aanbieden, maar zelfs als moet worden aangenomen dat het hof dit in appel anders zou onderbouwen (feitelijk uitvoering geven aan voorbehouden handelingen) [8] , maakt niet dat is miskend dat het in eerste aanleg opgelegde voorlopige octrooi-inbreukverbod had moeten worden vernietigd – opnieuw: wat er verder zei van dat ‘feitelijk leidinggeven’. Ook in hoger beroep oordeelt het hof immers dat voorshands sprake is van voorbehouden handelingen door Pharmathen Global
zelfin de vorm van feitelijk uitvoering daaraan geven in de hiervoor besproken zin. Ook klopt niet dat de aldus door de voorzieningenrechter gemotiveerde octrooi-inbreukverbodmaatregel dwangsomverbeuring zou opleveren die ‘aan wezenlijk andere gedragingen’ zouden zijn verbonden dan die welke in hoger beroep zijn verboden: het is allebei (dreigende) octrooi-inbreuk, zodat ook deze volgende deelklacht van subonderdeel 1.II (ook uit PI 23) niet opgaat. Er is dan ook geen sprake van dat bekrachtiging van het kortgedingvonnis voor wat betreft de dwangsom erop zou neerkomen dat met terugwerkende kracht een dwangsom wordt verbonden aan een andere veroordeling dan in het vonnis (de laatste deelklacht uit PI 23). De louter voortbouwende veegklacht uit PI 24 deelt het lot van de voorafgaande klachten.
Bayer/Sandoz [10] ,
Resolution/AstraZeneca [11] , Tata Steel/ArcelorMittal [12] ,
Fresenius/Lilly(of
pemetrexed) [13] en
Tinnus c.s./[…] [14] , in welke laatste zaak zeer recent arrest is gewezen met een samenvatting van dit stelsel en een uitwerking voor de benadering van equivalente bescherming [15] . Ik ben in deze inleiding vanwege dat laatste arrest korter dan in eerdere conclusies.
the person skilled in the artin ook in Nederland veel gehanteerd Engels vakjargon) genoemd, die bij die lezing zijn algemene vakkennis meebrengt (dus leest ‘als vakman’), in het licht van de beschrijving en de tekeningen uit het octrooischrift; ik noem dit Protocollaire uitleg. In
Bayer/Sandoz [16] heeft de Hoge Raad in rov. 3.3.5 een overzicht gegeven van zijn rechtspraak over art. 69 EOV Pro en het Protocol en daar is vervolgens naar verwezen in de latere arresten
MSD/Teva [17] en
Resolution/AstraZeneca [18] en
Tinnus c.s./[…], al aangehaald, rov. 3.1.3, onder verwijzing naar rov. 3.4.2 en 3.4.3 uit het
Resolution/AstraZeneca-arrest, net aangehaald, en de daarin genoemde verwijzingen naar eerdere rechtspraak .
Tinnus c.s./[…]geformuleerde, als vaste rechtspraak te beschouwen, uitlegregel en de duiding daarvan door de Hoge Raad luidt zo:
Tinnus c.s./[…]het beoordelingskader door de Hoge Raad als volgt nader geconcretiseerd, waarbij de zogenoemde tweestappen-benadering, die het hof ook in de onderhavige zaak heeft toegepast (en in onze zaak als zodanig geen rol speelt in cassatie verder), als een van de mogelijkheden is gesauveerd:
Bayer/Sandozin rov. 3.3.6 en 3.3.8 heeft overwogen over de beschermingsomvang in het equivalentie-bereik:
function-way-result’-test [20] . Bij deze test wordt nagegaan of de als equivalent verdedigde maatregel in wezen dezelfde functie vervult als de in het octrooi beschreven maatregel en of daarmee op in wezen dezelfde manier in wezen hetzelfde resultaat wordt behaald.
Bayer/Sandoz [21] herinner ik eraan dat in Engeland de Supreme Court in
Actavis/Eli Lilly [22] is gekomen tot een herformulering van de zogenoemde
Protocol questionsals hulpmiddel voor de afbakening van wel en niet beschermde equivalenten, in rov. 66 als volgt samengevat:
onder meeris dat de gemiddelde vakman wordt geleerd hoe octreotideacetaatmicrodeeltjes met vergelijkbare farmacokinetische eigenschappen als Sandostatin LAR kunnen worden gemaakt van lineair PLG (rov. 5.36). Die uitvindingsgedachte wordt volgens het hof benut voor zover de geclaimde werkwijzestappen worden gebruikt om met lineair PLG uit het Purasorb-mengsel octreotideacetaatmicrodeeltjes te produceren (rov. 5.36). Novartis heeft volgens de klacht echter aan haar equivalentiebetoog ten grondslag gelegd dat er bij inbreuk op basis van equivalentie niet meer hoeft te worden gekeken naar ‘
het aandeel lineair polymeer’. Lineair PLG vormt volgens Novartis ‘
geen wezenlijk bestanddeel van de uitvinding’. Dat is namelijk volgens Novartis: ‘
de stap van het oplossen van octreotide in methanol in plaats van water’, omdat dat is ‘
waarin de werkwijze zich onderscheidt van de stand van de techniek en het nieuw en inventief maakt’ (waarvoor wordt verwezen naar plta HB Novartis 13, zie ook PI 17-18). Ook Pharmathen Global heeft aangevoerd dat de bijdrage van EP 519 aan de stand van de techniek niet ligt in het gebruik van lineair PLG. Het gebruik van lineair PLG in de geclaimde methode – zij het met gebruik van water in plaats van methanol als oplosmiddel – was immers al bekend in de stand van de techniek, zoals Pharmathen Global heeft aangevoerd (en waarover het hof niet anders heeft geoordeeld). Hierdoor verschilt de geclaimde uitvinding dus niet van de stand van de techniek. Uitgaande van de betreffende stellingen van zowel Novartis als Pharmathen Global kon het hof volgens de klacht niet oordelen in rov. 5.36-5.38 dat lineair PLG toch een wezenlijk bestanddeel van de uitvinding is, en in het verlengde daarvan dat de voordelen van de uitvinding met het gebruik ervan worden behaald (rov. 5.36-5.38). Met dit oordeel is Pharmathen Global tekortgedaan in haar recht zich tegen dergelijke stellingen (die Novartis niet heeft aangevoerd) naar behoren te verweren (onder verwijzing naar HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1357).
metster PLG of siliconenolie en heptaan en dat de ‘grap’ van de uitvinding de synthese van die deeltjes is met vergelijkbare farmacokinetische eigenschappen als Sandostatin LAR
zonderlineair PLG of siliconenolie en heptaan
,omdat die synthese goedkoper en makkelijker is. Het hof vervolgt dan in rov. 5.36 dat de geclaimde bijdrage aan de stand van de techniek ‘
onder meer’ (dus niet uitsluitend) is dat de gemiddelde vakman wordt geleerd dat dergelijke deeltjes kunnen worden gemaakt van lineair PLG en dat die uitvindingsgedachte wordt gebruikt door Pharmathen om met de lineaire moleculen uit het Purasorb-mengsel octreotideacetaatdeeltjes te produceren; 44-72% lineair PLG in het uitgangsmateriaal is daarvoor genoeg, zo leert de gemiddelde vakman uit het octrooi. Dat Purasorb ook stervormige PLG-moleculen bevat, is daarvoor geen beletsel, zo zal de gemiddelde vakman begrijpen volgens het hof, de Purasorb-moleculen hebben dezelfde functie als het lineaire PLG in de zin van EP 519, namelijk het dusdanig ‘verpakken’ van de werkzame stof octreotideacetaat dat die vertraagd wordt afgegeven in het lichaam.
wezenlijkbestanddeel van de uitvinding’ is, waarmee impliciet is aangegeven dat het er wel – zij het geen essentieel – deel van uitmaakt [28] . Dat laatste heeft zij ook expliciet aangegeven bij MvA 95: ‘
Door toepassing van deze nieuwe werkwijze is het mogelijk om microdeeltjes te maken op basis van heel gewoon lineair PLGA polymeer, in plaats van uit te gaan van duur en moeilijk verkrijgbaar stervormig PLGA polymeer’ [29] . Zij heeft weliswaar verder ook gesteld dat ‘
(d)e hierboven geciteerde werkwijze van conclusie 1 [zich] onderscheidt (…) van de stand van de techniek door het gebruik van methanol als oplosmiddel voor het octreotide’ (MvA 93). Dat laat onverlet dat zij
ookheeft gesteld dat dit aspect van het gebruik van lineair PLG, hoewel niet wezenlijk,
wel bijdraagt aan de voordelen van de uitvinding. In MvA 100 verwijst zij namelijk terug naar MvA 93 en voegt daar aan toe dat de uitvindingsgedachte
‘niet zozeer’ziet op het hanteren van lineaire polymeren, maar ‘
(…) op de werkwijze als geheel (waaronder dus het oplossen in methanol en niet in water, zoals gebruikelijk was in de stand van de techniek). De gemiddelde vakpersoon zal zich realiseren dat, zoals de voorzieningenrechter in r.o. 4.14.5 terecht overwoog, de aanwezigheid van stervormig polymeer geen beletsel vormt voor het behalen van de voordelen van de uitvinding.
Het ontwikkelde proces laat toe om op een goedkopere en eenvoudigere manier microdeeltjes te maken. Het feit dat dit zelfs kan in aanwezigheid van een lineair polymeer isniet de essentie van de uitvinding, maar draagt wel bij aan de voordelen van de uitvinding[voetnoot 66: Productie EP40 ( [deskundige 3] 2), paragraaf 26.]
Het is namelijk goedkoper en eenvoudiger om polymeren te maken die niet zuiver stervormig zijn, maar waarin ook lineaire ketens aanwezig zijn.’ (onderstrepingen toegevoegd, A-G). Dat maakt al dat het uitgangspunt van de klacht van subonderdeel 2.I voor wat de stellingname van Novartis betreft nuancering behoeft.
(…) at best een alternatieve werkwijze voor het bereiden van octreotide microdeeltjesop basis van lineair polymeer, niet zijnde een reactie product van glucose (ook niet als dat minder dan 3 armen heeft).Het gebruik van lineair is goedkoper en maakt het bereidingsproces van de microdeeltjes, in de specifieke geclaimde werkwijze, makkelijker(geen heptaan of siliconenolie nodig).’ [30] (onderstrepingen toegevoegd, A-G).
beoogt op te lossen’. Dat zou miskennen dat binnen de eerste eis van de viereisentoets de relevante vraag is wat het octrooi
daadwerkelijk oplosten dus niet was het octrooi
beoogtop te lossen. Het gaat hier om datgene wat de geclaimde uitvinding (daadwerkelijk) toevoegt aan de stand van de techniek. Zoals verwoord door HHJ Hacon in
Regen Lab v Estar [2019] EWHC 63 (Pat)(onderstreping toegevoegd in de PI): ‘
I take the inventive concept or core of the invention to bethe new technical insightconveyed by the invention –the clever bit– as would be perceived by the skilled person’. Het hof had (dus) onder meer moeten onderzoeken wat de stand van de techniek was (hetgeen ook uitvoerig is toegelicht door Pharmathen Global [31] ) en vervolgens wat het octrooi onderscheidt van deze stand van de techniek (‘
the clever bit’), hetgeen het hof zou hebben nagelaten. Anders dan het hof in rov. 5.39-5.41 oordeelt, is hierbij volgens de klacht niet relevant, althans niet doorslaggevend, dat en hoe het octrooi zelf onderdelen van de stand van de techniek in de beschrijving bespreekt en naar welke onderdelen van de stand van de techniek het octrooi in de beschrijving specifiek verwijst. Het hof kon volgens de klacht niet delen van de stand van de techniek (expliciet) niet meewegen in zijn oordeel omdat deze niet of niet specifiek vermeld zijn in de beschrijving. Door dat wel te doen verwart het hof – ten onrechte – de benadering zoals moet worden toegepast in de eerste stap (‘letterlijke inbreuk’) met die in de tweede stap (equivalentie). Het gaat bij equivalentie – en in ieder geval bij de eerste eis in de viereisentoets – immers niet om de uitlegmethoden van het octrooi zoals bij de beoordeling van de letterlijke inbreuk (waar het gaat om de uitleg van de conclusies
in het licht van de beschrijving en de tekeningenvan het octrooi), maar om de
daadwerkelijketechnische bijdrage aan de stand van de techniek. Voor zover hier wel de juiste maatstaf zou zijn aangelegd, is sprake van een motiveringsgebrek, nu zowel tekst van rov. 5.34-5.43, en in het bijzonder rov. 5.34 en 5.39-5.41, als strekking van het daarin vervatte oordeel, niet te rijmen vallen met het aanleggen van de rechtens juiste toets, zo luidt de motiveringsklacht.
47dat het hof daarin heeft miskend dat kennis van na de prioriteitsdatum (zoals Hadar) in ieder geval niet selectief meegewogen mag worden bij het equivalentieoordeel. Het hof overweegt immers (ten onrechte) kennis van na de prioriteitsdatum (Hadar) wel mee bij de beoordeling van de werkwijze, maar niet bij die van de uitvindingsgedachte (waar het hof zich baseert op paragrafen uit het octrooi, waarin vanzelfsprekend geen kennis is verdisconteerd van na de prioriteitsdatum) en evenmin bij die van de tweede en derde eis van de viereisentoets. Zo onderzoekt het hof bijvoorbeeld niet (voldoende kenbaar) of er op basis van de nieuwe kennis van Hadar wel degelijk op lineair PLG gebaseerde octreotidesamenstellingen op de prioriteitsdatum op de markt waren of geopenbaard waren en of bijvoorbeeld Sandostatin LAR wel degelijk lineair PLG omvat. Kennis van na de prioriteitsdatum kan niet een latere variant onder de beschermingsomvang van het octrooi brengen (althans in ieder geval: niet zonder meer, zoals het hof wel aanneemt), als diezelfde nieuwe kennis de uitvinding(sgedachte) in een wezenlijk ander daglicht plaatst en hieruit bijvoorbeeld blijkt dat de geclaimde bijdrage aan de stand van de techniek in feite aanzienlijk beperkter is dan voorheen werd aangenomen. Daarmee komt dit oordeel in strijd met art. 69 EOV Pro en het Protocol, met name met het uitgangspunt dat niet meer dan een billijke bescherming moet worden geboden en een redelijke rechtszekerheid voor derden moet worden gegarandeerd, althans leidt deze beoordeling tot een innerlijke tegenstrijdigheid in het arrest.
Medinol/Abbott, al aangehaald, rov. 3.5.2, volgt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds uitleg van het octrooi met het oog op de vaststelling van de beschermingsomvang daarvan en anderzijds de vraag of een voortbrengsel of werkwijze onder de aldus vastgestelde beschermingsomvang valt, de inbreukvraag. In het kader van de inbreukvraag kan mede betekenis worden gehecht aan de kennis van de gemiddelde vakman ten tijde van de beweerde inbreuk, in het bijzonder waar het erom gaat of sprake is van equivalente elementen (vgl. art. 2 van Pro het Protocol).
anderevoordelen van de geoctrooieerde werkwijze realiseert, zoals het hof heeft geoordeeld in rov. 5.37, te weten dat de zo geproduceerde microdeeltjes vrij zijn van onzuiverheden in de vorm van heptaan en siliconenolie, zodat die methode mede daarom goedkoper en eenvoudiger is dan de bekende werkwijze voor de productie van octreotideacetaatmicrodeeltjes.
49dat hof bij de beoordeling van de beschermingsomvang in het equivalentiebereik ten onrechte niet heeft meegewogen wat het heeft meegewogen bij de beoordeling van de ‘letterlijke inbreuk’ in rov. 5.26 t/m 5.32 [38] en als gevolg daarvan heeft gekozen voor een andere uitleg en beschermingsomvang van het octrooi, namelijk dat de uitvindingsgedachte van het octrooi een werkwijze voor de vervaardiging van octreotideacetaatmicrodeeltjes met vergelijkbare farmacokinetische eigenschappen als Sandostatin LAR is, die wordt benut voor zover de geclaimde werkwijzestappen worden gebruikt om met de lineaire PLG-moleculen uit het Purasorbmengsel octreotideacetaatmicrodeeltjes te produceren (rov. 5.36). Het oordeel komt daarmee in strijd met art. 69 EOV Pro en het Protocol, en in het bijzonder met het uitgangspunt dat een redelijke rechtszekerheid voor derden moet worden gegarandeerd; de derde eis van de viereisentoets. Althans weegt het hof ten onrechte niet (kenbaar) mee dat het door hem bij de beoordeling van de letterlijke inbreuk gekozen uitgangspunt ook gekozen had moeten of kunnen worden bij beoordeling van inbreuk door equivalentie, aangezien er dan, in de ogen van de gemiddelde vakman een goede grond bestaat voor een beperking van de beschermingsomvang tot toepassing van het in de conclusies vermelde kenmerk. Door een en ander niet voldoende kenbaar in zijn beoordeling te betrekken is het hofoordeel in ieder geval ontoereikend gemotiveerd.
op de prioriteitsdatum, die enerzijds inhield dat de begrippen ‘lineair’ en ‘ster’ duidden op verschillende structuren van het polymeer en specifiek op een verschillend aantal armen van het polymeer (rov. 5.26), en anderzijds dat er geen methode beschikbaar was om het aantal armen van met glucose geproduceerd PLG nauwkeurig vast te stellen en men mede daarom gewoon was PLG te classificeren op basis van de gebruikte initiator, in de veronderstelling dat de initiator het aantal armen van de moleculen bepaalde (rov. 5.27).
inbreukin het equivalentiebereik betekenis gehecht aan de kennis van de gemiddelde vakman
ten tijde van de inbreuk. Het hof heeft daarover in rov. 5.44 uitdrukkelijk overwogen dat het feit dat Purasorb niet letterlijk valt onder het kenmerk ‘een lineair PLG’ in de zin van EP 519 samenhangt met het feit dat er op de prioriteitsdatum nog geen methode beschikbaar was om de vertakkingsgraad van PLGs (het aantal armen van de PLG-moleculen, zie rov. 5.25 en 5.26) nauwkeurig vast te stellen en dat PLGs daarom werd geclassificeerd op basis van de gebruikte initiator. Op het moment dat Pharmathen haar werkwijze gingen toepassen, was echter de publicatie van Hadar verschenen, waarin een methode werd geopenbaard waarmee de vertakkingsgraad van PLGs wél redelijk nauwkeurig kon worden bepaald en waarin gegevens staan over onder andere Purasorb die duidelijk maken dat Purasorb – ook al is dat glucose-geïnitieerd – een aanzienlijk deel lineair PLG bevat. In het licht van die nieuwe informatie en de wetenschap dat met Purasorb de voordelen van de uitvinding konden worden gerealiseerd, was het voor de gemiddelde vakman voldoende duidelijk dat Purasorb een equivalent is van het in EP 519 geclaimde lineaire PLG en dat de werkwijze van Pharmathen dus onder de beschermingsomvang valt, aldus het hof in rov. 5.44.
Medinol/Abbott, rov. 3.5.2, waarin is geoordeeld dat in het bijzonder waar het erom gaat of sprake is van equivalente elementen bij de inbreukvraag mede betekenis kan worden gehecht aan de kennis van de gemiddelde vakman ten tijde van de beweerde inbreuk. Het hof heeft daarbij gemotiveerd aangegeven waarom het oordeel in het equivalentiebereik anders uitvalt dan de beoordeling of sprake is van ‘letterlijke inbreuk’. Dat hangt, zoals het hof in rov. 5.44 heeft geoordeeld, helemaal samen met de ten opzichte van de prioriteitsdatum voortgeschreden kennis van de gemiddelde vakman ten tijde van de beweerde inbreuk, namelijk het feit dat op prioriteitsdatum géén methode was om de vertakkingsgraad nauwkeurig te bepalen, maar op de inbreukdatum wél (nl. de publicatie van Hadar). Dat de beoordeling van de beschermingsomvang in het equivalentiebereik anders uitvalt dan bij de ‘letterlijke inbreuk’ hangt daar dan ook mee samen. Dat oordeel is dan ook niet in strijd met art. 69 EOV Pro en het Protocol. De suggestie in de klacht dat het hof bij zijn inbreukoordeel in het equivalentiebereik van een andere uitvindingsgedachte zou zijn uitgegaan dan bij de beoordeling van de ‘letterlijke’ inbreuk, klopt niet, zodat dit feitelijke grondslag mist. Het oordeel is verder feitelijk en niet onbegrijpelijk. De klachten van het subonderdeel onder 49 stuiten op het voorgaande af.
50deelt het lot van de andere klachten.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel beroep
Onderdeel 1richt motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 5.13-5.14 dat het naar Grieks recht niet mogelijk is de werking van een rechterlijke beslissing opzij te zetten door een tweede rechterlijke beslissing, anders dan door het instellen van een rechtsmiddel tegen de eerste rechterlijke beslissing.
Onderdeel 2richt rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel over ‘letterlijke’ inbreuk’ in rov. 5.25-5.31, onder de (additionele) voorwaarde dat een principale klacht tegen het equivalente inbreukoordeel zou slagen.
Onderdeel 3richt een andermaal additionele voorwaardelijke klacht tegen het oordeel in rov. 5.21 dat er geen grond bestaat voor toewijzing van het gevorderde verbod op onrechtmatig handelen, voor het geval het octrooi-inbreukverbod het niet zou houden in cassatie.
Onderdeel 4bevat een louter voortbouwende klacht.
Daar komt bij dat Novartis onbestreden heeft aangevoerd dat onder Grieks recht, net als onder Nederlands recht, nooit gezag van gewijsde toekomt aan een kortgedingvonnis, ook niet tussen dezelfde partijen. Ook om die reden kan het beroep op gezag van gewijsde niet slagen." Als onder Grieks recht aan een Grieks kortgedingvonnis, net als onder Nederlands recht, nooit gezag van gewijsde toekomt, ook niet tussen dezelfde partijen, dan is niet begrijpelijk dat een dergelijk Grieks kortgedingvonnis alleen opzijgezet kan worden door het instellen van een rechtsmiddel daartegen, zoals het hof in rov. 5.13 oordeelt. Indien aan een vonnis geen gezag van gewijsde toekomt, kan dit ook opzijgezet worden door een daaropvolgend vonnis. Gezag van gewijsde houdt immers in dat een beslissing van de rechter in een volgend geding tussen dezelfde partijen bindende kracht heeft, en daarvan is nu juist geen sprake. Het arrest van het hof is in dit opzicht innerlijk tegenstrijdig.
dusopzij gezet kan worden door een nieuw vonnis in een tweede procedure. Daaraan ligt de onjuiste veronderstelling ten grondslag dat naar Grieks recht nog een keer over hetzelfde onderwerp in een tweede procedure kan worden geprocedeerd. Dat laatste is kennelijk nu juist niet mogelijk naar Grieks recht als dat als een verkapt hoger beroep werkt, zo heeft het hof geoordeeld op grond van door partijen verschafte inlichtingen omtrent Grieks recht. Van innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake. Het ontbreken van gezag van gewijsde van kortgedingvonnissen betekent immers niet noodzakelijkerwijs dat een tweede procedure (niet zijnde een rechtsmiddel tegen het eerste vonnis) over hetzelfde onderwerp kan worden gestart teneinde een eerder kortgedingvonnis feitelijk opzij te zetten.
ne bis in idemregel) [45] . Een kwestie waarover al eerder in kort geding een oordeel is gegeven moet in beginsel dan ook in een volgend kort geding opnieuw kunnen worden beoordeeld, zij het binnen de grenzen van de leerstukken strijd met een goede procesorde en misbruik van recht [46] . Dit heeft als consequentie dat in een volgend kort geding alsnog een voorlopige voorziening kan worden getroffen die eerder was afgewezen of dat een eerder getroffen voorlopige voorziening wordt opgeheven of vervangen door een andere [47] . Als daarbij geoordeeld wordt dat sprake is van strijd met de goede procesorde of misbruik van recht, dan heeft het eerdere kortgedingvonnis geen gezag van gewijsde, maar kan het niet in een nieuwe procedure feitelijk opzij worden gezet. Uit dit een en ander volgt dat subonderdeel 1.1 tevergeefs is voorgesteld.
het naar Grieks recht niet mogelijk is de werking van een rechterlijke beslissing opzij te zetten door een tweede rechterlijke beslissing, anders dan door het instellen van een rechtsmiddel tegen de eerste rechterlijke beslissing’, en dat ‘
een tweede procedure kan niet worden gebruikt als verkapt hoger beroep van een ongunstige beslissing in een eerdere procedure’ ten slotte onbegrijpelijk zijn omdat het hof in rov. 2.14 heeft overwogen dat Novartis in de door Pharmathen Griekenland gestarte bodemprocedure heeft verzocht om de afwijzende beslissing in het kort geding te herroepen. Dit laat zien dat het, anders dan het hof in rov. 5.13-5.14 heeft geoordeeld, wel degelijk mogelijk is om 'de werking van een Griekse kortgedingvonnis opzij te zetten door een tweede rechterlijke beslissing, anders dan door het instellen van een rechtsmiddel tegen dat dat Griekse kortgedingvonnis', en dat een tweede procedure wel degelijk 'kan worden gebruikt als verkapt hoger beroep van een ongunstige Grieks kortgedingvonnis'.
subonderdeel 2.0een weergave van (feitelijke) oordelen in rov. 5.25-5.31, waartegen in subonderdelen 2.1 t/m 2.3 klachten worden gericht onder de additionele voorwaarde dat enige klacht van middelonderdeel 2 van het principale cassatiemiddel (over equivalente inbreuk) zou slagen. De (dubbele) voorwaarde waaronder de klachten zijn ingesteld is niet vervuld in mijn ogen, zoals uit de voorgaande bespreking volgt. De kans dat het feitelijke oordeel over equivalente inbreuk in cassatie zal sneuvelen is bijzonder klein en dat geldt evenzeer of mogelijk te meer voor de kans dat het dito oordeel over letterlijke inbreuk onderuit zal gaan in cassatie van dit kort geding. Niettemin bespreek ik de klachten van
subonderdelen 2.1 t/m 2.3hierna zo kort mogelijk ook inhoudelijk.
Medinol/Abbott, rov. 3.5.2, herhaald in
Bayer/Sandoz, rov. 3.3.8, volgt dat bij de inbreukvraag mede betekenis kan worden gehecht aan de kennis van de gemiddelde vakman ten tijde van de beweerde inbreuk,
in het bijzonderwaar het erom gaat of sprake is van equivalente elementen, behelst een stelsel dat de feitenrechter discretionaire bevoegdheid geeft (zie in deze zin mijn al aangehaalde conclusie vóór
Bayer/Sandozin 3.15). Dat het hof dat hier heeft gedaan in het kader van de equivalentietoets, ligt ook (meer) voor de hand gelet op de vaste rechtspraak dat daartoe ‘in het bijzonder’ bij de equivalentievraag aanleiding kan worden gevonden. Daar stuiten de klachten al op af. De klacht verwijst ook niet naar vindplaatsen in de processtukken waarin Novartis beroep heeft gedaan op kennis van de gemiddelde vakman ten tijde van de beweerde inbreuk [51] .
AGA/Occlutech, rov. 4.2.2, al aangehaald, volgt dat het gezichtspunt van de uitvindingsgedachte niet in ieder afzonderlijk geval van octrooi-uitleg in aanmerking
moetworden genomen. In hoeverre dat het geval is, wordt bepaald door factoren als de aard van het octrooi en de beschrijving van de uitvinding en het partijdebat. De uitvindingsgedachte is betrokken bij het voorlopig oordeel over de beschermingsomvang. De klacht miskent dat de inbreukvraagbeoordeling een vraag van uitleg betreft, die hier is gedaan in de (toegestane) vorm van twee stappen, waarbij de uitvindingsgedachte als gezichtspunt is betrokken in stap twee. Dat geeft helemaal geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht faalt.