Conclusie
3.De bestreden beschikking
(…)
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond het conservatoir anderbeslag op de bankrekening van [klaagster] B.V. centraal, gelegd ten laste van verdachte [betrokkene 1], bestuurder van de vennootschap. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beklag van de klaagster tegen het beslag ongegrond. De klaagster voerde onder meer aan dat het beslag onrechtmatig was omdat zij niet als verdachte was aangemerkt, het beslag in strijd was met de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM Pro, en dat het beslag disproportioneel en vexatoir was.
De rechtbank oordeelde dat de klaagster als eigenaar van het beslagene moest worden aangemerkt en dat er voldoende aanwijzingen waren dat het geldbedrag op de bankrekening was toegekomen met het kennelijke doel de uitwinning te bemoeilijken. De verdenking tegen de bestuurder betrof witwassen in verband met onroerendgoedtransacties gefinancierd zonder hypothecaire zekerheid. De rechtbank vond dat het beslag proportioneel en subsidiariteit in acht nemend was, mede gezien de omvang van de ontnemingsvordering en de onzekerheid over de executiewaarde van beslag op andere goederen.
De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank de juiste maatstaven heeft toegepast en dat de onschuldpresumptie in de beklagprocedure niet van toepassing is. Ook is het oordeel over proportionaliteit en subsidiariteit niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag blijft gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het conservatoir anderbeslag blijft gehandhaafd.