Conclusie
1.[verzoeker 1]
[verzoeker 2]
[verzoeker 3]
[verzoeker 4]
1.[verweerster 1] (hierna: ‘ [verweerster 1] ’)
[verweerster 2](hierna: ‘ [verweerster 2] ’)
[verweerder 3](hierna: ‘ [verweerder 3] ’)
[verweerster 4] en [verweerder 5](hierna: ‘ [verweerster 4] / [verweerder 5] ’)
1.Feiten
voorde besluiten gestemd. [verweerders] hebben
tegende besluiten gestemd.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
twee pijlers” van hun art. 5:130 BW Pro-verzoek nader toegelicht. Volgens hen is het toestemmingsbesluit nietig op grond van art. 2:14 BW Pro omdat het toestemmingsbesluit en het splitsingsbesluit zodanig met elkaar verbonden zijn dat voor beide het quorum van 80% geldt dat art. 5:139 lid 2 BW Pro vereist voor aanpassing van de akte van splitsing. Omdat het toestemmingsbesluit niet met het quorum is aangenomen, handelt de VvE in strijd met deze bepaling, zodat het toestemmingsbesluit nietig is wegens strijd met de wet. Daarnaast, ik neem aan voor het geval het toestemmingsbesluit niet nietig mocht zijn, komt het toestemmingsbesluit volgens de tegenstemmers ook in aanmerking voor vernietiging op grond van art. 2:15 BW Pro in samenhang met art. 5:130 lid 1 BW Pro. [12]
als een kroon en een verrijking op het bestaande gebouw”;
grief 4) komt het hof niet toe. Het hof zal het verzoek van de voorstemmers tot afgifte van een vervangende rechterlijke machtiging, met vernietiging van het vonnis [lees: beschikking,
A-G] van de kantonrechter, alsnog afwijzen.”
A-G] tot het geven van toestemming voor de dakopbouwen en de splitsing bedrijfsruimte in strijd met de bestaande akte van splitsing en dus nietig. Omdat deze nietigheid voortvloeit uit de wet is een aparte vernietiging van het besluit door het hof niet nodig, zoals de tegenstemmers hebben verzocht. Het hof kan volstaan met de nietigverklaring, ook omdat de voorstemmers het standpunt van de tegenstemmers mede hebben opgevat als een beroep op de nietigheid van artikel 2:14 lid 1 BW Pro. De grief is in zoverre terecht voorgedragen.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
A-G] later terugkomen.”
bovengenoemde advocaten” [18] als ‘belanghebbenden’ zijn uitgenodigd om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn. [19] Deze overweging is onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Uit de gedingstukken blijkt niet dat de appartementseigenaars [betrokkene 4] / [betrokkene 5] en [betrokkene 2] / [betrokkene 3] (inmiddels [betrokkene 6] ) via de advocaten van partijen als ‘belanghebbenden’ zijn uitgenodigd om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn. Het hof licht ook niet toe waaruit dat zou blijken.
Het geding”. Hierin heeft het hof het (feitelijk) verloop van de procedure in het hoger beroep weergegeven. Het hof heeft daar geen inhoudelijk oordeel over het geschil gegeven en het door het middel bestreden deel van rov 2.3 bevat dan ook geen zelfstandig dragende grond op basis waarvan het hof tot zijn uiteindelijke beslissing over de verzoeken is gekomen. De voorstemmers hebben daarom geen belang bij deze klacht.
de verzoeker, alle andere stemgerechtigden en de vereniging van eigenaars (…) bij name opgeroepen om op het verzoek te worden gehoord”. [20]
alle personen wier medewerking of toestemming ingevolge artikel 139 is Pro vereist,(…)
bij name opgeroepen om op een verzoek als in de vorige leden bedoeld te worden gehoord”. [22]
wiede rechter de oproeping als belanghebbende moet bevelen in de procedures waarop die bepalingen zien, maar is in deze artikelleden geen duidelijke verplichting neergelegd om
altijdtot een oproeping over te gaan. De wettekst bevat geen dwingende formulering en geeft ook geen duidelijke indicaties dat niet mag worden afgezien van het oproepen van (een of meer van) de in art. 5:130 lid 3 en Pro art. 5:140 lid 4 BW Pro genoemde personen. Evenmin geeft de wet aan wat rechtens is in het geval dat het bevel tot oproeping op grond van die bepalingen uitblijft. De parlementaire geschiedenis van beide bepalingen zwijgt eveneens over het antwoord op de vraag of de rechter steeds de oproeping moet bevelen van alle personen op wie art. 5:130 lid 3 en Pro art. 5:140 lid 4 BW Pro het oog hebben en wat de gevolgen zijn wanneer dat niet is gebeurd. [24] Wettekst noch parlementaire geschiedenis leiden dus dwingend tot het hanteren van de formalistische benadering. Zij sluiten de door mij voorgestane praktische benadering van art. 5:130 lid 3 en Pro art. 5:140 lid 4 BW Pro niet uit. Ik licht nu toe waarom ik een voorstander ben van een dergelijke benadering.
eerste subonderdeelvalt op zijn beurt in wezen uiteen in twee sub-subonderdelen. Volgens het
eerste sub-subonderdeelgetuigen de overwegingen van het hof in rov. 5.16 van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals het hof heeft onderkend [49] dienden op grond van art. 5:130 lid 3 en Pro art. 5:140 lid 4 BW Pro alle appartementseigenaars bij name opgeroepen te worden om op de verzoeken te worden gehoord, maar is dit niet gebeurd met de appartementseigenaars [betrokkene 4] / [betrokkene 5] en [betrokkene 2] / [betrokkene 3] (inmiddels [betrokkene 6] ). Het hof heeft miskend dat het niet had mogen oordelen en beslissen zonder de appartementseigenaars [betrokkene 4] / [betrokkene 5] en [betrokkene 2] / [betrokkene 3] ( [betrokkene 6] ) (alsnog) bij name op te roepen om op de verzoeken te worden gehoord. [50]
tweede sub-subonderdeelkunnen hieraan niet afdoen de overwegingen van het hof dat de getoonde medewerking van deze appartementseigenaars het hof niet kon leiden tot het oordeel dat de tegenstemmers zonder redelijke grond hebben geweigerd om aan de voorgestelde wijzigingen van de splitsingsakte hun medewerking te verlenen, dat het hof van oordeel is dat het belang van de tegenstemmers hoe dan ook zwaarder weegt en dat de tussen de appartementseigenaars bestaande situatie door het oordeel van het hof ongewijzigd blijft. Het hof heeft met deze overwegingen onder andere miskend dat, als de appartementseigenaars [betrokkene 4] / [betrokkene 5] en [betrokkene 2] / [betrokkene 3] ( [betrokkene 6] ) bij name zouden zijn opgeroepen om op de verzoeken te worden gehoord en hieraan gehoor zouden hebben gegeven, dan wel van deze gelegenheid gebruik zouden hebben gemaakt, dit het hof mogelijkerwijs tot andere inzichten zou hebben gebracht en het hof mogelijkerwijs anders zou hebben geoordeeld dan het hof nu in rov. 5.9 tot en met 5.12 van de bestreden beschikking heeft gedaan, onder andere ten aanzien van de door de tegenstemmers gestelde blijvende negatieve gevolgen van de beoogde dakopbouw voor hen. Hierbij is van belang dat de appartementseigenaars [betrokkene 4] / [betrokkene 5] en [betrokkene 2] / [betrokkene 3] hun appartement, net als tegenstemmers [verweerster 1] en [verweerster 2] , [51] zelf bewonen/bewoonden, [52] maar wel voor de besluiten (tot onder andere het realiseren van de dakopbouw) hebben gestemd. [53]
tweede subonderdeelbevat een veegklacht. Gegrondbevinding van onderdeel II heeft tot gevolg dat de beoordeling door het hof in rov. 5.9 tot en met 5.12 niet in stand kan blijven en in haar geheel opnieuw gedaan zal moeten worden (door een ander hof, dat dan op geen enkele wijze gebonden zal zijn aan de overwegingen en beslissingen van het hof in rov. 5.9 tot en met 5.12). [54] Dit werkt ook door in de verdere overwegingen en beslissingen van het hof in rov. 5.13 tot en met 5.15, 5.17 tot en met 5.19 en het dictum van de bestreden beschikking.
eerste sub-subonderdeeler ten onrechte vanuit gaat dat het hof niet had mogen oordelen en beslissen zonder de appartementseigenaars [betrokkene 4] / [betrokkene 5] en [betrokkene 2] / [betrokkene 3] ( [betrokkene 6] ) (alsnog) bij name op te roepen om op de verzoeken te worden gehoord. Het eerste sub-subonderdeel moet dan ook falen. Zoals ik in randnummers 3.21-3.22 hiervoor heb toegelicht, heeft de rechter de ruimte om af te zien van het bevelen van de oproeping van bepaalde belanghebbenden waar art. 5:130 lid 3 en Pro art. 5:140 lid 4 BW Pro het oog op hebben. De uitoefening van deze bevoegdheid, waarvoor ik inspiratie heb gezocht in het regime dat geldt voor het bevelen van de oproeping van belanghebbenden op grond van de algemene regeling in art. 279 lid 1 Rv Pro, wordt begrensd door de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Het eerste sub-subonderdeel heeft
nietbetoogd dat het hof met zijn beslissing in rov. 5.16 de eisen van een behoorlijke rechtspleging heeft geschonden. Ten overvloede merk ik op dat het hof naar mijn idee binnen de door deze eisen gestelde grenzen is gebleven omdat de niet opgeroepen appartementseigenaars niet in enig belang zijn geschaad door de beslissing van het hof. Zoals het hof in het slot van rov. 5.16 heeft geoordeeld, blijft met de bestreden beschikking de tussen de appartementsrechteigenaars bestaande situatie ongewijzigd. Hierdoor kan niet worden gezegd dat [betrokkene 4] / [betrokkene 5] rechtstreeks in enig belang zijn benadeeld door de bestreden beschikking. Ook heeft het eerste sub-subonderdeel geen eigen belang van [betrokkene 4] / [betrokkene 5] [55] bij de besluiten aangedragen en is dit evenmin terug te vinden in de processtukken.
wijzevan oproeping was. In de onderhavige zaak heeft het hof ervoor gekozen om van een oproeping af te zien en dat is, zoals ik hiervoor heb betoogd, onder omstandigheden in het licht van art. 279 lid 1 Rv Pro toelaatbaar. De vraag of een oproeping op grond van art. 5:134 BW Pro mogelijk was, is in onderhavige zaak geheel niet aan de orde. En ten slotte gaat het in de onderhavige zaak, anders dan in de zaak die ten grondslag lag aan de beschikking van 1 september 2015, niet om besluiten die alle appartementseigenaars kunnen raken waardoor het belang om alle appartementseigenaars te horen minder aanwezig is. Zoals ik hiervoor in randnummer 3.27 heb betoogd, hebben de niet opgeroepen eigenaars [betrokkene 4] / [betrokkene 5] geen eigen belang bij de besluiten (naar voren geschoven).
tweede sub-subonderdeel. Volgens dit sub-subonderdeel zou het hof met zijn motivering om [betrokkene 4] / [betrokkene 5] en [betrokkene 2] / [betrokkene 3] (inmiddels [betrokkene 6] ) niet meer op te roepen (om te worden gehoord), hebben miskend dat, als zij wel zouden worden gehoord, dit het hof mogelijkerwijs tot andere inzichten zou hebben gebracht en het hof mogelijkerwijs anders zou hebben geoordeeld dan het nu in rov. 5.9 tot en met 5.12 van de bestreden beschikking heeft gedaan. Het tweede sub-subonderdeel hecht hierbij vooral belang aan het feit dat het hof ten aanzien van de door de tegenstemmers gestelde blijvende negatieve gevolgen van de beoogde dakopbouw mogelijk anders had geoordeeld omdat de appartementseigenaars [betrokkene 4] / [betrokkene 5] en [betrokkene 2] / [betrokkene 3] hun appartement, net als tegenstemmers [verweerster 1] en [verweerster 2] , zelf bewonen/bewoonden, maar wel voor de besluiten hebben gestemd. Het tweede sub-subonderdeel faalt ook. Ik licht dit als volgt toe.
hoe dan ookzwaarder weegt dan dat van de voorstemmers. In cassatie gaat het vervolgens in essentie om de vraag of dit oordeel van het hof, dat het belang van de tegenstemmers hoe dan ook zwaarder weegt dan dat van de voorstemmers, begrijpelijk is in het licht van de keuze van het hof om [betrokkene 4] / [betrokkene 5] en [betrokkene 2] / [betrokkene 3] ( [betrokkene 6] ) niet meer op te laten roepen om te horen. Ik acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en licht dit toe door nader stil te staan bij de motivering van de belangenafweging van het hof.
een groot gewicht” toekomen “
indien de beoogde dakopbouw zou kunnen worden gerealiseerd zonder enig negatief effect voor de overige appartementseigenaars”. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.10 een groot aantal blijvende negatieve gevolgen van de tegenstemmers genoemd waaraan het belang heeft toegedicht. [60] Dit betekent, in de redenering van het hof, dat aan de belangen van de tegenstemmers reeds geen groot gewicht meer toekomt. Hierna heeft het hof in rov. 5.11 nog een aantal omstandigheden genoemd die in het nadeel van de voorstemmers uitvallen. Het heeft waarde gehecht aan het feit dat de dakopbouwers een minderheid vormen in de VvE en alleen omdat zij de medewerking hebben kunnen krijgen van de eigenaar van de bedrijfsruimte (die zes van de vijftien stemmen in de VvE vertegenwoordigde), hebben zij het benodigde minimum van 50% van de stemmen binnen de VvE behaald voor de door hen op 24 mei 2022 verzochte rechterlijke machtiging (art. 5:140 lid 2 BW Pro). Daarbij geldt dat de eigenaar van de bedrijfsruimte geen zelfstandig belang heeft gesteld bij de dakopbouw. [61] In rov. 5.12 is het hof uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat de belangenafweging in het voordeel van de tegenstemmers uitvalt en de verzochte rechtelijke machtiging moet worden afgewezen. Daarbij heeft het hof nog specifiek genoemd dat voor hem zwaar weegt dat de dakopbouwers getalsmatig in de minderheid zijn binnen de VvE, twee van hen hun appartement niet zelf bewonen en dat hun belang bij de opbouw voornamelijk financieel van aard is. [62] Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel van het hof in rov. 5.16 dat het belang van de tegenstemmers hoe dan ook zwaarder weegt niet onbegrijpelijk. Het hof heeft alle relevante omstandigheden en belangen gewogen en duidelijk en begrijpelijk gemotiveerd waarom de afweging in het voordeel van de tegenstemmers is uitgevallen.
onderdeel IIIbestrijden de voorstemmers rov. 5.15 van de bestreden beschikking. Volgens het onderdeel zijn de overwegingen van het hof in rov. 5.15 onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Hierin heeft het hof geoordeeld dat het besluit tot het splitsen van de bedrijfsruimte en het realiseren van de dakopbouw met dakterrassen op grond art. 2:14 lid 1 BW Pro in verbinding met art. 5:129 lid 1 BW Pro nietig is indien hiertoe is besloten zonder een daarbij behorende wijziging van de akte van splitsing en dat, nu voor de desbetreffende wijzigingen in de splitsingsakte de vereiste versterkte meerderheid van de stemmen ontbrak, het besluit tot het geven van toestemming voor de dakopbouw en de splitsing van de bedrijfsruimte in strijd met de bestaande akte van splitsing en dus nietig is. Door aldus te oordelen is het hof (in strijd met art. 24 Rv Pro) buiten de rechtsstrijd van partijen dan wel het processuele debat getreden. De tegenstemmers hebben een en ander namelijk niet gesteld. Zij hebben niet gesteld dat het betreffende besluit in strijd met de akte van splitsing is. Zij hebben (slechts) gesteld dat het besluit in strijd is met art. 5:139 lid 2 BW Pro. [63] Hierbij merkt het subonderdeel op dat het hof terecht heeft overwogen dat de tegenstemmers vernietiging van het toestemmingsbesluit door het hof hebben verzocht. [64] De overweging van het hof dat de voorstemmers het standpunt van de tegenstemmers mede hebben opgevat als een beroep op de nietigheid van art. 2:14 lid 1 BW Pro, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, echter onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd omdat de gedingstukken hiervoor geen aanknopingspunt bevatten.
de besluiten van de ledenvergadering te vernietigen. Dit vanwege strijd met de redelijkheid en billijkheid alsmede (…) met de wet.” Zij heeft daarbij ook gesteld: “
Het toestaan van een situatie die in strijd is met de akte[akte van splitsing,
A-G]
en waar nadrukkelijk geen steun is voor het wijzigen van de akte, kan niet met een regulier meerderheidsbesluit[het toestemmingsbesluit,
A-G]
worden genomen.” [66] In hoger beroep hebben de tegenstemmers hun stellingen uit de eerste aanleg gehandhaafd en herhaald. [67] Ook om deze reden kan dus niet worden gezegd dat het hof buiten het processuele debat is getreden.